2023-01-01 | BWBR0002471 | Wet op de loonbelasting 1964
This commit is contained in:
parent
66d1ae49f9
commit
b438de1fc7
1 changed files with 105 additions and 83 deletions
|
|
@ -33,7 +33,7 @@ b. het loon niet op grond van een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting o
|
|||
|
||||
**5.** Het eerste lid is eveneens niet van toepassing op personen die niet in Nederland wonen, met betrekking tot een gedeeltelijk, maar niet nagenoeg geheel buiten Nederland vervulde dienstbetrekking, anders dan de dienstbetrekkingen die in het derde lid, eerste volzin, zijn genoemd, voorzover het loon uit die dienstbetrekking met inachtneming van verdragen waarbij de Staat der Nederlanden partij is, feitelijk is onderworpen aan een belasting naar het inkomen die door of vanwege Aruba, Curaçao, Sint Maarten, de BES eilanden of een andere mogendheid wordt geheven.
|
||||
|
||||
**6.** Het eerste lid is eveneens niet van toepassing op personen die als vrijwilliger uitsluitend vergoedingen of verstrekkingen ontvangen met een gezamenlijke waarde van ten hoogste € 180 per maand en € 1.800 per kalenderjaar. Hierbij wordt onder vrijwilliger verstaan degene die niet bij wijze van beroep arbeid verricht voor een algemeen nut beogende instelling, een sportorganisatie of een niet als zodanig aan te merken lichaam dat niet is onderworpen aan de vennootschapsbelasting of daarvan is vrijgesteld.
|
||||
**6.** Het eerste lid is eveneens niet van toepassing op personen die als vrijwilliger uitsluitend vergoedingen of verstrekkingen ontvangen met een gezamenlijke waarde van ten hoogste € 190 per maand en € 1.900 per kalenderjaar. Hierbij wordt onder vrijwilliger verstaan degene die niet bij wijze van beroep arbeid verricht voor een algemeen nut beogende instelling, een sportorganisatie of een niet als zodanig aan te merken lichaam dat niet is onderworpen aan de vennootschapsbelasting of daarvan is vrijgesteld.
|
||||
|
||||
**7.** Bij het begin van het kalenderjaar worden de in het zesde lid genoemde bedragen bij ministeriële regeling vervangen door andere bedragen. Het bedrag per kalenderjaar wordt berekend door het te vervangen bedrag te vermenigvuldigen met de tabelcorrectiefactor, bedoeld in artikel 10.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001, en vervolgens de nodig geachte afronding aan te brengen. Indien in het voorafgaande kalenderjaar een dergelijke afronding is toegepast, kan bij vervanging worden uitgegaan van het niet-afgeronde bedrag. Het bedrag per maand wordt berekend door het volgens de tweede zin berekende bedrag per kalenderjaar te vermenigvuldigen met 1/10.
|
||||
|
||||
|
|
@ -65,7 +65,7 @@ Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regelen worden gesteld, i
|
|||
a. degene, die als thuiswerker arbeid verricht;
|
||||
b. degene, die de onder *a* bedoelde persoon als hulp bij het verrichten van de arbeid bijstaat;
|
||||
c. degene, die een tak van sport op topniveau beoefent en ter zake daarvan een inkomensvoorziening of een kostenvergoeding geniet;
|
||||
d. degene, die arbeid verricht ten behoeve van een lichaam waarin hij of zijn partner als bedoeld in artikel 12a, zevende lid, onderdeel a, een aanmerkelijk belang heeft in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001;
|
||||
d. degene, die arbeid verricht ten behoeve van een lichaam waarin hij of zijn partner als bedoeld in artikel 12a, vijfde lid, onderdeel a, een aanmerkelijk belang heeft in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001;
|
||||
e. degene, die tegen beloning persoonlijk arbeid verricht en wiens arbeidsverhouding niet reeds ingevolge de voorgaande bepalingen als dienstbetrekking wordt beschouwd, doch hiermede maatschappelijk gelijk kan worden gesteld;
|
||||
f. degene die uit een arbeidsverhouding die niet op grond van een andere bepaling als dienstbetrekking wordt beschouwd een beloning geniet, mits diegene vooraf aan de inspecteur meldt, door middel van een gezamenlijke verklaring van hemzelf en de beoogde inhoudingsplichtige, dat zijn arbeidsverhouding als dienstbetrekking moet worden beschouwd.
|
||||
|
||||
|
|
@ -206,13 +206,21 @@ Onverminderd de omstandigheid dat de inhoudingsplichtige ingevolge artikel 32ba
|
|||
|
||||
a. uitkeringen en verstrekkingen uit een voordien niet tot het loon gerekende aanspraak ingevolge een regeling voor vervroegde uittreding in de zin van artikel 32ba;
|
||||
b. vertrekvergoedingen als bedoeld in artikel 32bb, met uitzondering van vertrekvergoedingen als bedoeld in artikel 32bb, vijfde lid;
|
||||
c. hetgeen wordt genoten ter zake van de uitoefening of vervreemding van een aandelenoptierecht als bedoeld in artikel 32bb, vijfde lid.
|
||||
c. hetgeen ingevolge artikel 10a tot het loon behoort ter zake van een aandelenoptierecht als bedoeld in artikel 32bb, vijfde lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 10a
|
||||
|
||||
**1.** Ingeval in het kader van een dienstbetrekking of vroegere dienstbetrekking met een werknemer een aandelenoptierecht is overeengekomen, behoort niet de waarde van dat recht tot het loon doch hetgeen door de werknemer ter zake van de uitoefening of vervreemding van dat recht wordt genoten.
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
**2.** Het loon dat ingevolge het eerste lid in aanmerking wordt genomen, wordt verminderd met het bedrag dat de werknemer ter zake van het aandelenoptierecht in rekening is gebracht, maar niet verder dan tot nihil.
|
||||
Ingeval in het kader van een dienstbetrekking of vroegere dienstbetrekking met een werknemer een aandelenoptierecht is overeengekomen, behoort niet de waarde van dat recht tot het loon doch:
|
||||
|
||||
a. de waarde in het economische verkeer van de bij uitoefening van dat recht verkregen aandelen ten tijde van:
|
||||
|
||||
1°. de uitoefening van dat recht ingeval de verkregen aandelen onmiddellijk verhandelbaar zijn; of
|
||||
2°. het verhandelbaar worden van de verkregen aandelen ingeval deze niet onmiddellijk verhandelbaar zijn; of
|
||||
b. hetgeen door de werknemer wordt genoten ter zake van de vervreemding van dat recht.
|
||||
|
||||
**2.** Het loon dat ingevolge dit artikel, met uitzondering van het dertiende lid in aanmerking wordt genomen, wordt verminderd met het bedrag dat de werknemer ter zake van het aandelenoptierecht in rekening is gebracht, maar niet verder dan tot nihil.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -237,16 +245,17 @@ c. een vennootschap waarin een derde voor ten minste een derde gedeelte belang h
|
|||
|
||||
**8.** Voor de toepassing van dit artikel wordt, indien een inhoudingsplichtige vennootschap of een met de inhoudingsplichtige vennootschap verbonden vennootschap is betrokken bij een splitsing of een fusie op de voet van artikel 334a onderscheidenlijk artikel 309 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, onder die vennootschap mede verstaan de verkrijgende vennootschap in de zin van die artikelen alsmede de vennootschap die vóór de splitsing onderscheidenlijk fusie werd aangemerkt als een met de inhoudingsplichtige vennootschap verbonden vennootschap.
|
||||
|
||||
**9.**
|
||||
**9.** Indien de bij uitoefening van een aandelenoptierecht als bedoeld in het eerste lid verkregen aandelen op grond van een ter zake van dat aandelenoptierecht op de werknemer van toepassing zijnde contractuele bepaling gedurende een bepaalde periode niet verhandelbaar zijn als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 2°, worden die aandelen voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a, en artikel 13a, vierde lid, onderdeel a, uiterlijk na een periode van vijf jaar na beursgang van de vennootschap waarin de aandelen worden gehouden dan wel indien deze vennootschap bij uitoefening van het aandelenoptierecht reeds beursgenoteerd is uiterlijk na een periode van vijf jaar na uitoefening van het aandelenoptierecht geacht verhandelbaar te zijn, met dien verstande dat de aandelen ook na die periode van vijf jaar niet geacht worden verhandelbaar te zijn zolang de aandelen ingevolge een wettelijke bepaling niet verhandelbaar zijn.
|
||||
|
||||
Voor zover het ingevolge het eerste lid in het kalenderjaar tot het loon behorende bedrag niet meer bedraagt dan € 50.000, wordt van het ingevolge het eerste lid tot het loon behorende bedrag slechts 75% in aanmerking genomen, indien:
|
||||
**10.** Indien de bij uitoefening van een aandelenoptierecht als bedoeld in het eerste lid verkregen aandelen waarop het eerste lid, onderdeel a, nog geen toepassing heeft gevonden worden vervangen door andere aandelen als bedoeld in het derde lid, vindt de toepassing van het eerste lid, onderdeel a, artikel 13a, vierde lid, onderdeel a, en artikel 32bb, vijfde lid, onderdeel b, plaats met betrekking tot die andere aandelen, met dien verstande dat ingeval die andere aandelen onmiddellijk verhandelbaar zijn de waarde in het economische verkeer van die andere aandelen ten tijde van het vervangen van de verkregen aandelen door die andere aandelen in aanmerking wordt genomen.
|
||||
|
||||
a. de inhoudingsplichtige in het kalenderjaar waarin het aandelenoptierecht, bedoeld in het eerste lid, is toegekend, beschikte over een S&O-verklaring als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel s, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen die is afgegeven voor in dat kalenderjaar verricht speur- en ontwikkelingswerk waarop in dat kalenderjaar het percentage, bedoeld in artikel 23, zevende lid, eerste volzin, van die wet, van toepassing was; en
|
||||
b. ten minste twaalf maanden en maximaal vijf kalenderjaren zijn verstreken sinds de toekenning van het aandelenoptierecht.
|
||||
**11.** Indien verkregen aandelen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 2°, niet onmiddellijk verhandelbaar zijn als gevolg van een op de werknemer van toepassing zijnde contractuele of wettelijke bepaling en de werknemer in strijd met die bepaling de verkregen aandelen vervreemdt voordat het aandelenoptierecht ingevolge het eerste lid, met inachtneming van de termijn, bedoeld in het negende lid, in de heffing is betrokken, behoort in zoverre in afwijking van het eerste lid tot het loon hetgeen met overeenkomstige toepassing van het vijfde lid door de werknemer wordt genoten ter zake van de vervreemding van de verkregen aandelen. Het loon dat ingevolge de eerste zin in aanmerking wordt genomen, wordt verminderd met het bedrag dat de werknemer ter zake van de schending van de bepaling, bedoeld in de eerste zin, in rekening is gebracht, maar niet verder dan tot nihil.
|
||||
|
||||
**10.** Het negende lid is slechts van toepassing indien de in het negende lid opgenomen afwijking van het eerste lid voor de onderneming, bedoeld in Verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (PbEU 2013, L 352), waar de inhoudingsplichtige toe behoort, niet tot gevolg heeft dat het de-minimisplafond, bedoeld in die verordening, wordt overschreden. Het bedrag aan steun dat het gevolg is van de in het negende lid opgenomen afwijking van het eerste lid wordt voor de toepassing van de eerste volzin per bij de onderneming, bedoeld in de eerste volzin, werkzame werknemer in de zin van de Werkloosheidswet, de Ziektewet, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen of de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering per kalenderjaar vastgesteld op de uitkomst van de vermenigvuldiging van € 12.500 met het totaal van de percentages, bedoeld in de artikelen 27, 36 en 38, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen, artikel 1.10, derde lid, van de Wet kinderopvang en artikel 45, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet.
|
||||
**12.** Indien de bij uitoefening van een aandelenoptierecht als bedoeld in het eerste lid verkregen aandelen niet onmiddellijk verhandelbaar zijn als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 2°, wordt naar keuze van de werknemer in afwijking van het eerste lid, onderdeel a, onder 2°, tot het loon gerekend de waarde in het economische verkeer van de bij uitoefening van dat recht verkregen aandelen ten tijde van de uitoefening van dat recht. De eerste zin is slechts van toepassing indien de werknemer de keuze, bedoeld in de eerste zin, uiterlijk op het moment van uitoefening van het recht, bedoeld in de eerste zin, schriftelijk kenbaar maakt aan de inhoudingsplichtige. De inhoudingsplichtige bewaart de vastlegging van de keuze van de werknemer bij de loonadministratie.
|
||||
|
||||
**11.** Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop voor de toepassing van het negende en tiende lid wordt vastgesteld of de in het negende lid opgenomen afwijking van het eerste lid tot gevolg heeft dat het de-minimisplafond, bedoeld in het tiende lid, wordt overschreden.
|
||||
**13.** Tot het loon ter zake van een aandelenoptierecht als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, worden mede gerekend de voordelen die de werknemer geniet uit de bij uitoefening van dat aandelenoptierecht verkregen aandelen waarop het eerste lid, onderdeel a, en het twaalfde lid nog geen toepassing hebben gevonden, verminderd met de op die voordelen betrekking hebbende kosten, maar niet verder dan tot nihil.
|
||||
|
||||
**14.** Indien de bij uitoefening van een aandelenoptierecht als bedoeld in het eerste lid verkregen aandelen niet onmiddellijk verhandelbaar zijn als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 2°, en het verhandelbaar worden van die aandelen deels of geheel afhankelijk is van onzekere factoren die grotendeels buiten de invloedsfeer van de werknemer liggen, kunnen bij ministeriële regeling regels worden gesteld met betrekking tot situaties waarin bepaalde aandelen voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a, onder 2°, worden geacht niet, deels of geheel verhandelbaar te worden.
|
||||
|
||||
### Artikel 11
|
||||
|
||||
|
|
@ -306,6 +315,13 @@ Bij de bepaling van de omvang van het loon wordt geen rekening gehouden met de o
|
|||
|
||||
Bij de bepaling van de omvang van het loon wordt geen rekening gehouden met de ter zake van het loon verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in de Zorgverzekeringswet, en de niet in Nederland verschuldigde bijdragen die naar aard en strekking overeenkomen met ter zake van het loon verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage als bedoeld in de Zorgverzekeringswet.
|
||||
|
||||
### Artikel 11e
|
||||
|
||||
Bij de bepaling van de omvang van het loon wordt geen rekening gehouden met op de werknemer drukkende:
|
||||
|
||||
a. geldboeten opgelegd door een strafrechter, geldsommen betaald aan een staat of een onderdeel daarvan ter voorkoming van strafvervolging, in het kader van een strafbeschikking of daarmee vergelijkbare buitenlandse wijze van bestraffing, dan wel ter voldoening aan een voorwaarde verbonden aan een besluit tot gratieverlening, bestuurlijke boeten en daarmee vergelijkbare buitenlandse boeten, geldboeten opgelegd op basis van bij wet geregeld tuchtrecht, geldboeten opgelegd door een instelling van de Europese Unie, alsmede kosten als bedoeld in de artikelen 234, vijfde lid, en 235, derde lid, van de Gemeentewet;
|
||||
b. dwangsommen als bedoeld in afdeling 5.3.2 van de Algemene wet bestuursrecht en daarmee vergelijkbare buitenlandse dwangsommen.
|
||||
|
||||
### Artikel 12
|
||||
|
||||
Bij ministeriële regeling kunnen, in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, regels worden gesteld met betrekking tot het bedrag aan fooien en dergelijke prestaties van derden, dat in bepaalde gevallen of groepen van gevallen geacht wordt te zijn genoten. Daarbij kan worden bepaald, dat een bedrag aan fooien en dergelijke prestaties van derden niet tot het loon behoort.
|
||||
|
|
@ -316,27 +332,17 @@ Bij ministeriële regeling kunnen, in overeenstemming met Onze Minister van Soci
|
|||
|
||||
Ten aanzien van de werknemer die arbeid verricht ten behoeve van een lichaam waarin hij of zijn partner een aanmerkelijk belang heeft, wordt het in het kalenderjaar van dat lichaam genoten loon ten minste gesteld op het hoogste van de volgende bedragen:
|
||||
|
||||
a. 75% van het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking;
|
||||
a. het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking;
|
||||
b. het hoogste loon van de werknemers die in dienst zijn van het lichaam, bedoeld in de aanhef, of met het lichaam verbonden lichamen;
|
||||
c. € 48.000.
|
||||
c. € 51.000.
|
||||
|
||||
**2.** Indien de inhoudingsplichtige aannemelijk maakt dat het hoogste bedrag, bedoeld in het eerste lid, hoger is dan 75% van het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking, wordt het loon in afwijking van het eerste lid gesteld op 75% van het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking, met dien verstande dat het loon ten minste wordt gesteld op het bedrag, genoemd in het eerste lid, onderdeel c, of, indien het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking lager is dan dat bedrag, op het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking.
|
||||
**2.** Indien de inhoudingsplichtige aannemelijk maakt dat het hoogste bedrag, bedoeld in het eerste lid, hoger is dan het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking, wordt het loon in afwijking van het eerste lid gesteld op het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking.
|
||||
|
||||
**3.** Indien aan het lichaam, bedoeld in het eerste lid, een S&O-verklaring als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel s, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen is afgegeven voor in het kalenderjaar verricht speur- en ontwikkelingswerk waarop het percentage, bedoeld in artikel 23, zevende lid, eerste volzin, van die wet, van toepassing is, wordt, in afwijking van het eerste lid, het in het kalenderjaar van dat lichaam genoten loon ten minste gesteld op 108% van het twaalfvoud van het bedrag, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, zoals dat gold op 1 januari van het kalenderjaar. Indien de inhoudingsplichtige aannemelijk maakt dat het bedrag waarop het loon ingevolge de eerste volzin ten minste wordt gesteld hoger is dan het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking, wordt het loon in afwijking van de eerste volzin gesteld op het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking.
|
||||
**3.** Indien artikel 32d van toepassing is op het door een of meer lichamen verschuldigde loon, worden het eerste en tweede lid toegepast alsof de ten behoeve van deze andere lichamen verrichte arbeid is verricht ten behoeve van de inhoudingsplichtige die ingevolge artikel 32d geacht wordt het loon te verstrekken.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
**4.** Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing indien het bij toepassing van het eerste tot en met derde lid vast te stellen loon voor de arbeid in het lichaam, bedoeld in het eerste lid, en met het lichaam verbonden lichamen in het kalenderjaar niet hoger is dan € 5.000.
|
||||
|
||||
Het derde lid is slechts van toepassing indien de in het derde lid opgenomen afwijking van het eerste lid voor de onderneming, bedoeld in Verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (PbEU 2013, L 352), waar de inhoudingsplichtige toe behoort, niet tot gevolg heeft dat het de-minimisplafond, bedoeld in die verordening, wordt overschreden. Het bedrag aan steun dat het gevolg is van de in het derde lid opgenomen afwijking van het eerste lid wordt voor de toepassing van de eerste volzin per bij de onderneming, bedoeld in de eerste volzin, werkzame werknemer in de zin van de Werkloosheidswet, de Ziektewet, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen of de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering per kalenderjaar vastgesteld volgens de formule (a – b) * c, waarbij wordt verstaan onder:
|
||||
|
||||
a: het bedrag, bedoeld in artikel 17, eerste lid, eerste volzin, van de Wet financiering sociale verzekeringen;
|
||||
b: het bedrag waarop het loon op basis van het derde lid, eerste volzin, ten minste wordt gesteld;
|
||||
c: het totaal van de percentages, bedoeld in de artikelen 27, 36 en 38, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen, artikel 1.10, derde lid, van de Wet kinderopvang en artikel 45, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet.
|
||||
|
||||
**5.** Indien artikel 32d van toepassing is op het door een of meer lichamen verschuldigde loon, worden het eerste tot en met vierde lid toegepast alsof de ten behoeve van deze andere lichamen verrichte arbeid is verricht ten behoeve van de inhoudingsplichtige die ingevolge artikel 32d geacht wordt het loon te verstrekken.
|
||||
|
||||
**6.** Het eerste tot en met vierde lid zijn niet van toepassing indien het bij toepassing van het eerste tot en met vijfde lid vast te stellen loon voor de arbeid in het lichaam, bedoeld in het eerste lid, en met het lichaam verbonden lichamen in het kalenderjaar niet hoger is dan € 5.000.
|
||||
|
||||
**7.**
|
||||
**5.**
|
||||
|
||||
Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
|
||||
|
||||
|
|
@ -352,11 +358,9 @@ c. meest vergelijkbare dienstbetrekking: de dienstbetrekking die van alle dienst
|
|||
het meest vergelijkbaar is met de dienstbetrekking van de werknemer, bedoeld in het eerste lid, aanhef;
|
||||
d. met het lichaam verbonden lichamen: met het lichaam verbonden vennootschappen als bedoeld in artikel 10a, zevende lid.
|
||||
|
||||
**8.** De inspecteur die aannemelijk maakt dat 75% van het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking hoger is dan het bedrag waarop het loon door de inhoudingsplichtige gesteld is, overlegt aan de inhoudingsplichtige ten minste de criteria op basis waarvan de inspecteur heeft vastgesteld dat de door de inspecteur aangedragen dienstbetrekking de meest vergelijkbare dienstbetrekking is.
|
||||
**6.** De inspecteur die aannemelijk maakt dat het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking hoger is dan het bedrag waarop het loon door de inhoudingsplichtige gesteld is, overlegt aan de inhoudingsplichtige ten minste de criteria op basis waarvan de inspecteur heeft vastgesteld dat de door de inspecteur aangedragen dienstbetrekking de meest vergelijkbare dienstbetrekking is.
|
||||
|
||||
**9.** Het in het eerste lid vermelde bedrag wordt bij het begin van het kalenderjaar bij ministeriële regeling vervangen door een ander. Dit bedrag wordt berekend door het te vervangen bedrag te vermenigvuldigen met de tabelcorrectiefactor van artikel 10.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 en vervolgens de nodig geachte afronding aan te brengen. Indien in het voorafgaande jaar een dergelijke afronding is toegepast, kan bij vervanging worden uitgegaan van het niet-afgeronde bedrag.
|
||||
|
||||
**10.** Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop voor de toepassing van het derde en vierde lid wordt vastgesteld of de in het derde lid opgenomen afwijking van het eerste lid tot gevolg heeft dat het de-minimisplafond, bedoeld in het vierde lid, wordt overschreden en met betrekking tot de toepassing van het derde en vierde lid voor sectoren waarop de verordening, bedoeld in het vierde lid, niet van toepassing is.
|
||||
**7.** Het in het eerste lid vermelde bedrag wordt bij het begin van het kalenderjaar bij ministeriële regeling vervangen door een ander. Dit bedrag wordt berekend door het te vervangen bedrag te vermenigvuldigen met de tabelcorrectiefactor van artikel 10.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 en vervolgens de nodig geachte afronding aan te brengen. Indien in het voorafgaande jaar een dergelijke afronding is toegepast, kan bij vervanging worden uitgegaan van het niet-afgeronde bedrag.
|
||||
|
||||
### Artikel 13
|
||||
|
||||
|
|
@ -372,13 +376,11 @@ a. voorzieningen die geheel of gedeeltelijk gebruikt of verbruikt worden op een
|
|||
b. het genot van een in het kader van de dienstbetrekking ter beschikking gesteld recht op vrij reizen per Nederlands openbaar vervoer dat niet is beperkt tot reizen over een vast traject ten behoeve van woon-werkverkeer (openbaarvervoerkaart) of recht op vermindering tot maximaal 50% van de prijs van vervoerbewijzen voor het reizen per Nederlands openbaar vervoer hoofdzakelijk buiten de ochtendspits (voordeelurenkaart);
|
||||
c. het genot van een in het kader van de dienstbetrekking ter beschikking gestelde woning.
|
||||
|
||||
**4.** De waarde van regelmatig bij het loon verstrekte vakantiebonnen, vakantietoeslagbonnen of daarmee overeenkomende aanspraken uit een publiekrechtelijke regeling of collectieve arbeidsovereenkomst wordt gesteld op 99% van de nominale waarde van die bonnen of aanspraken.
|
||||
**4.** De waarde van het rentevoordeel van een door de inhoudingsplichtige dan wel door een met de inhoudingsplichtige verbonden vennootschap aan de werknemer verstrekte geldlening ter zake van de aanschaf van een fiets, elektrische fiets of elektrische scooter wordt gesteld op nihil.
|
||||
|
||||
**5.** De waarde van het rentevoordeel van een door de inhoudingsplichtige dan wel door een met de inhoudingsplichtige verbonden vennootschap aan de werknemer verstrekte geldlening ter zake van de aanschaf van een fiets, elektrische fiets of elektrische scooter wordt gesteld op nihil.
|
||||
**5.** Bij ministeriële regeling kunnen, in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, nadere regels worden gesteld met betrekking tot de waardering van aanspraken.
|
||||
|
||||
**6.** Bij ministeriële regeling kunnen, in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, nadere regels worden gesteld met betrekking tot de waardering van aanspraken.
|
||||
|
||||
**7.** De ingevolge de vorige leden in aanmerking te nemen waarde wordt verminderd met het bedrag dat de werknemer ter zake in rekening wordt gebracht, met dien verstande dat de aldus verminderde waarde ten minste op nihil wordt gesteld.
|
||||
**6.** De ingevolge de vorige leden in aanmerking te nemen waarde wordt verminderd met het bedrag dat de werknemer ter zake in rekening wordt gebracht, met dien verstande dat de aldus verminderde waarde ten minste op nihil wordt gesteld.
|
||||
|
||||
### Artikel 13bis
|
||||
|
||||
|
|
@ -391,7 +393,7 @@ b. 35% van de waarde van de auto indien de auto meer dan 15 jaar geleden voor he
|
|||
|
||||
De auto wordt in ieder geval geacht ook voor privédoeleinden ter beschikking te zijn gesteld tenzij blijkt dat de auto op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden wordt gebruikt.
|
||||
|
||||
**2.** Het voordeel, bedoeld in het eerste lid, eerste volzin, wordt op kalenderjaarbasis verlaagd met 6% van de waarde van de auto indien uit het kentekenregister blijkt dat de CO_2-uitstoot 0 gram per kilometer is, met dien verstande dat het bedrag van de verlaging ten hoogste € 2.100 bedraagt tenzij de auto wordt aangedreven door een motor die kan worden gevoed met waterstof of de auto is voorzien van geïntegreerde zonnepanelen waarbij de voor de aandrijving benodigde energie wordt opgeslagen in een accupakket dat geen lood bevat en de zonnepanelen een vermogen hebben van ten minste 1 kilowattpiek.
|
||||
**2.** Het voordeel, bedoeld in het eerste lid, eerste volzin, wordt op kalenderjaarbasis verlaagd met 6% van de waarde van de auto indien uit het kentekenregister blijkt dat de CO_2-uitstoot 0 gram per kilometer is, met dien verstande dat het bedrag van de verlaging ten hoogste € 1.800 bedraagt tenzij de auto wordt aangedreven door een motor die kan worden gevoed met waterstof of de auto is voorzien van geïntegreerde zonnepanelen waarbij de voor de aandrijving benodigde energie wordt opgeslagen in een accupakket dat geen lood bevat en de zonnepanelen een vermogen hebben van ten minste 1 kilowattpiek.
|
||||
|
||||
**3.** Voor de toepassing van dit artikel en de daarop berustende bepalingen wordt woon-werkverkeer geacht niet voor privédoeleinden plaats te vinden. Indien uit een rittenregistratie of anderszins blijkt dat de auto op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden wordt gebruikt, wordt het voordeel gesteld op nihil. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld waaraan een rittenregistratie moet voldoen. Tevens kunnen regels worden gesteld over het anderszins laten blijken dat de auto op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden wordt gebruikt.
|
||||
|
||||
|
|
@ -472,14 +474,17 @@ b. vorderbaar en tevens inbaar wordt.
|
|||
|
||||
In afwijking van het eerste lid:
|
||||
|
||||
a. wordt loon dat ingevolge artikel 27bis is begrepen in de laatste aangifte van het kalenderjaar, geacht te zijn genoten bij het einde van het kalenderjaar of het einde van de dienstbetrekking zo deze in de loop van het kalenderjaar eindigt;
|
||||
b. worden vergoedingen ter zake van vervoer in het kader van de dienstbetrekking, waaronder woon-werkverkeer, op andere wijze dan per taxi, luchtvaartuig, schip of vervoer vanwege de inhoudingsplichtige, voor zover deze € 0,19 per kilometer te boven gaan en voor zover deze niet hoger zijn dan de werkelijke kosten, geacht te zijn genoten bij het einde van het kalenderjaar of bij het einde van de dienstbetrekking zo deze in de loop van het kalenderjaar eindigt, indien in het kalenderjaar ook vergoedingen ter zake van de hiervoor bedoelde wijze van vervoer zijn of naar verwachting zullen worden berekend naar een bedrag van minder dan € 0,19 per kilometer.
|
||||
a. wordt het bedrag dat als gevolg van de toepassing van artikel 10a, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, of twaalfde lid tot het loon behoort geacht te zijn genoten ten tijde van de uitoefening van het aandelenoptierecht, bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onderdeel a, onder 1°;
|
||||
b. wordt het bedrag dat als gevolg van de toepassing van artikel 10a, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, tot het loon behoort geacht te zijn genoten ten tijde van het verhandelbaar worden van de aandelen, bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onderdeel a, onder 2°;
|
||||
c. wordt het bedrag dat als gevolg van de toepassing van artikel 10a, elfde lid, tot het loon behoort geacht te zijn genoten ten tijde van de vervreemding van de aandelen, bedoeld in artikel 10a, elfde lid;
|
||||
d. wordt loon dat ingevolge artikel 27bis is begrepen in de laatste aangifte van het kalenderjaar, geacht te zijn genoten bij het einde van het kalenderjaar of het einde van de dienstbetrekking zo deze in de loop van het kalenderjaar eindigt;
|
||||
e. worden vergoedingen ter zake van vervoer in het kader van de dienstbetrekking, waaronder woon-werkverkeer, op andere wijze dan per taxi, luchtvaartuig, schip of vervoer vanwege de inhoudingsplichtige, voor zover deze € 0,21 per kilometer te boven gaan en voor zover deze niet hoger zijn dan de werkelijke kosten, geacht te zijn genoten bij het einde van het kalenderjaar of bij het einde van de dienstbetrekking zo deze in de loop van het kalenderjaar eindigt, indien in het kalenderjaar ook vergoedingen ter zake van de hiervoor bedoelde wijze van vervoer zijn of naar verwachting zullen worden berekend naar een bedrag van minder dan € 0,21 per kilometer.
|
||||
|
||||
**5.** Het vierde lid, onderdeel b, is niet van toepassing op vergoedingen ter zake van vervoer in het kader van de dienstbetrekking, waaronder woon-werkverkeer, per openbaar vervoer indien deze vergoedingen zijn vastgesteld op basis van de werkelijke kosten.
|
||||
**5.** Het vierde lid, onderdeel e, is niet van toepassing op vergoedingen ter zake van vervoer in het kader van de dienstbetrekking, waaronder woon-werkverkeer, per openbaar vervoer indien deze vergoedingen zijn vastgesteld op basis van de werkelijke kosten.
|
||||
|
||||
**6.**
|
||||
|
||||
Voor de toepassing van het vierde lid, onderdeel b, wordt onder vervoer vanwege de inhoudingsplichtige verstaan:
|
||||
Voor de toepassing van het vierde lid, onderdeel e, wordt onder vervoer vanwege de inhoudingsplichtige verstaan:
|
||||
|
||||
1°. vanwege de inhoudingsplichtige georganiseerd vervoer;
|
||||
2°. het reizen per openbaar vervoer op basis van door de inhoudingsplichtige aangeschafte en door hem aan de werknemer verstrekte plaatsbewijzen.
|
||||
|
|
@ -557,7 +562,7 @@ c. waarvan als verzekeraar optreedt een lichaam als bedoeld in artikel 19a, eers
|
|||
|
||||
Onder pensioenregeling wordt mede verstaan een regeling die:
|
||||
|
||||
a. het ouderdomspensioen na het bereiken van 41^7/_12 deelnemingsjaren aanvult (deelnemingsjarenpensioen);
|
||||
a. het ouderdomspensioen na het bereiken van 41^5/_6 deelnemingsjaren aanvult (deelnemingsjarenpensioen);
|
||||
b. het partnerpensioen dan wel het wezenpensioen aanvult in verband met het ontbreken van uitkeringen ingevolge de Algemene nabestaandenwet en het verschil in verschuldigde premie voor de volksverzekeringen over het pensioen voor en na de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet (nabestaandenoverbruggingspensioen).
|
||||
|
||||
**3.** Ingeval een regeling voldoet aan de in het eerste lid opgenomen voorwaarden doch niet blijft binnen de in of krachtens dit hoofdstuk opgenomen begrenzingen, is de regeling een pensioenregeling voorzover blijkt dat zij blijft binnen de in of krachtens dit hoofdstuk opgenomen begrenzingen. De inhoudingsplichtige verzoekt de inspecteur uiterlijk op het eerste moment van overschrijding van de bedoelde begrenzingen vast te stellen welk deel van de desbetreffende aanspraak blijft binnen die begrenzingen. Bij toepassing van de eerste volzin geeft de inhoudingsplichtige bij elke te zijner tijd op basis van de regeling te verstrekken pensioenuitkering overeenkomstig bij ministeriële regeling te stellen regels aan welk deel daarvan tot het loon van de werknemer behoort. De inspecteur beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking.
|
||||
|
|
@ -666,16 +671,16 @@ e. aanpassing van de in de pensioenregeling vastgestelde ingangsdatum van het ou
|
|||
Een deelnemingsjarenpensioen is een levenslang pensioen dat:
|
||||
|
||||
a. ingaat op hetzelfde tijdstip als het ouderdomspensioen;
|
||||
b. met inbegrip van het ouderdomspensioen niet meer bedraagt dan 75% van het gemiddelde pensioengevend loon tot dat tijdstip ingeval het ouderdomspensioen ingaat op de eerste dag van de maand waarin de 64^7/_12-jarige leeftijd wordt bereikt;
|
||||
c. niet eerder wordt opgebouwd dan vanaf het tijdstip waarop de werknemer 41^7/_12 deelnemingsjaren heeft bereikt.
|
||||
b. met inbegrip van het ouderdomspensioen niet meer bedraagt dan 75% van het gemiddelde pensioengevend loon tot dat tijdstip ingeval het ouderdomspensioen ingaat op de eerste dag van de maand waarin de 64^5/_6-jarige leeftijd wordt bereikt;
|
||||
c. niet eerder wordt opgebouwd dan vanaf het tijdstip waarop de werknemer 41^5/_6 deelnemingsjaren heeft bereikt.
|
||||
|
||||
**2.** Ingeval het deelnemingsjarenpensioen later ingaat dan bij het bereiken van de 64^7/_12-jarige leeftijd mag het deelnemingsjarenpensioen na het bereiken van die leeftijd met inachtneming van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen worden verhoogd.
|
||||
**2.** Ingeval het deelnemingsjarenpensioen later ingaat dan bij het bereiken van de 64^5/_6-jarige leeftijd mag het deelnemingsjarenpensioen na het bereiken van die leeftijd met inachtneming van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen worden verhoogd.
|
||||
|
||||
**3.** Indien het deelnemingsjarenpensioen eerder ingaat dan op de eerste dag van de maand waarin de 64^7/_12-jarige leeftijd wordt bereikt, wordt het herrekend ten opzichte van die datum met inachtneming van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen.
|
||||
**3.** Indien het deelnemingsjarenpensioen eerder ingaat dan op de eerste dag van de maand waarin de 64^5/_6-jarige leeftijd wordt bereikt, wordt het herrekend ten opzichte van die datum met inachtneming van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen.
|
||||
|
||||
**4.** Artikel 18d is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**5.** Het in het eerste lid opgenomen maximum wordt voor de periode vanaf het bereiken van de 66^7/_12-jarige leeftijd opgevat met inbegrip van een bedrag dat ten minste wordt gesteld op de uitkeringen voor gehuwde personen zonder toeslag als omschreven in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, en vijfde lid, van de Algemene Ouderdomswet, vermeerderd met de vakantietoeslag.
|
||||
**5.** Het in het eerste lid opgenomen maximum wordt voor de periode vanaf het bereiken van de 66^5/_6-jarige leeftijd opgevat met inbegrip van een bedrag dat ten minste wordt gesteld op de uitkeringen voor gehuwde personen zonder toeslag als omschreven in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, en vijfde lid, van de Algemene Ouderdomswet, vermeerderd met de vakantietoeslag.
|
||||
|
||||
### Artikel 18f
|
||||
|
||||
|
|
@ -706,9 +711,9 @@ e. de situatie waarin het loon wordt verlaagd in verband met ziekte of arbeidson
|
|||
|
||||
### Artikel 18ga
|
||||
|
||||
**1.** Als pensioengevend loon als bedoeld in de artikelen 18a, 18b, 18c, 18d en 18e wordt ten hoogste een bedrag van € 114.866 in aanmerking genomen. Bij dienstbetrekkingen in deeltijd wordt dit bedrag verminderd overeenkomstig de deeltijdfactor.
|
||||
**1.** Als pensioengevend loon als bedoeld in de artikelen 18a, 18b, 18c, 18d en 18e wordt ten hoogste een bedrag van € 128.810 in aanmerking genomen. Bij dienstbetrekkingen in deeltijd wordt dit bedrag verminderd overeenkomstig de deeltijdfactor.
|
||||
|
||||
**2.** Het in het eerste lid vermelde bedrag wordt bij het begin van het kalenderjaar bij ministeriële regeling vervangen door een ander bedrag. Dit bedrag wordt berekend door het te vervangen bedrag te vermenigvuldigen met de contractloonontwikkelingsfactor, bedoeld in artikel 10.2b, derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, en vervolgens de nodig geachte afronding aan te brengen. Indien in het voorafgaande jaar een dergelijke afronding is toegepast, kan bij vervanging worden uitgegaan van het niet-afgeronde bedrag.
|
||||
**2.** Het in het eerste lid vermelde bedrag wordt bij het begin van het kalenderjaar bij ministeriële regeling vervangen door een ander bedrag. Dit bedrag wordt berekend door het te vervangen bedrag te vermenigvuldigen met de contractloonontwikkelingsfactor, bedoeld in artikel 10.2b, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, en vervolgens de nodig geachte afronding aan te brengen. Indien in het voorafgaande jaar een dergelijke afronding is toegepast, kan bij vervanging worden uitgegaan van het niet-afgeronde bedrag.
|
||||
|
||||
### Artikel 18h
|
||||
|
||||
|
|
@ -821,9 +826,9 @@ De belasting over een loontijdvak van een jaar wordt bepaald aan de hand van de
|
|||
| Bij een belastbaar loon van meer dan | maar niet meer dan | bedraagt de belasting het in kolom III vermelde bedrag, vermeerderd met het bedrag dat wordt berekend door het in kolom IV vermelde percentage te nemen van het gedeelte van het belastbare loon dat het in kolom I vermelde bedrag te boven gaat | |
|
||||
| --- | --- | --- | --- |
|
||||
| I | II | III | IV |
|
||||
| – | € 35.472 | – | 9,42% |
|
||||
| € 35.472 | € 69.398 | € 3.341 | 37,07% |
|
||||
| € 69.398 | – | € 15.917 | 49,50% |
|
||||
| – | € 37.149 | – | 9,28% |
|
||||
| € 37.149 | € 73.031 | € 3.447 | 36,93% |
|
||||
| € 73.031 | – | € 16.698 | 49,50% |
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
|
|
@ -838,9 +843,9 @@ In afwijking van artikel 20a, eerste lid, wordt indien de werknemer vóór 1 ja
|
|||
| Bij een belastbaar loon van meer dan | maar niet meer dan | bedraagt de belasting het in kolom III vermelde bedrag, vermeerderd met het bedrag dat wordt berekend door het in kolom IV vermelde percentage te nemen van het gedeelte van het belastbare loon dat het in kolom I vermelde bedrag te boven gaat | |
|
||||
| --- | --- | --- | --- |
|
||||
| I | II | III | IV |
|
||||
| – | € 36.409 | – | 9,42% |
|
||||
| € 36.409 | € 69.398 | € 3.429 | 37,07% |
|
||||
| € 69.398 | – | € 15.658 | 49,50% |
|
||||
| – | € 38.703 | – | 9,28% |
|
||||
| € 38.703 | € 73.031 | € 3.591 | 36,93% |
|
||||
| € 73.031 | – | € 16.268 | 49,50% |
|
||||
|
||||
**2.** De in het eerste lid vermelde bedragen worden bij het begin van het kalenderjaar van rechtswege vervangen door de bedragen die krachtens artikel 10.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001 worden vastgesteld ter vervanging van de in artikel 2.10a, eerste lid, van die wet vermelde bedragen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -873,7 +878,7 @@ e. de alleenstaande ouderenkorting (artikel 22c).
|
|||
|
||||
**1.** Voor de werknemer is de algemene heffingskorting van toepassing.
|
||||
|
||||
**2.** De algemene heffingskorting bedraagt € 2.888, verminderd, doch niet verder dan tot nihil, met 6,007% van het gedeelte van het belastbare loon dat meer bedraagt dan € 21.317.
|
||||
**2.** De algemene heffingskorting bedraagt € 3.070, verminderd, doch niet verder dan tot nihil, met 6,095% van het gedeelte van het belastbare loon dat meer bedraagt dan € 22.660.
|
||||
|
||||
### Artikel 22a
|
||||
|
||||
|
|
@ -883,10 +888,10 @@ e. de alleenstaande ouderenkorting (artikel 22c).
|
|||
|
||||
De arbeidskorting wordt berekend over het loon uit tegenwoordige arbeid en bedraagt:
|
||||
|
||||
a. 4,541% van dat loon met een maximum van € 470, vermeerderd met:
|
||||
b. 28,461% van dat loon voorzover dit bij een tijdvakloon op jaarbasis meer bedraagt dan € 10.350, waarbij de som van de bedragen berekend op de voet van de onderdelen a en b niet meer bedraagt dan € 3.887, alsmede vermeerderd met:
|
||||
c. 2,610% van het arbeidsinkomen voor zover dat meer bedraagt dan € 22.356, waarbij de som van de bedragen berekend op de voet van de onderdelen a, b en c niet meer bedraagt dan € 4.260, en verminderd, doch niet verder dan tot nihil, met:
|
||||
d. 5,86% van dat loon voorzover dit bij een tijdvakloon op jaarbasis meer bedraagt dan € 36.649.
|
||||
a. 8,231% van dat loon met een maximum van € 884, vermeerderd met:
|
||||
b. 29,861% van dat loon voorzover dit bij een tijdvakloon op jaarbasis meer bedraagt dan € 10.740, waarbij de som van de bedragen berekend op de voet van de onderdelen a en b niet meer bedraagt dan € 4.605, alsmede vermeerderd met:
|
||||
c. 3,085% van het arbeidsinkomen voor zover dat meer bedraagt dan € 23.201, waarbij de som van de bedragen berekend op de voet van de onderdelen a, b en c niet meer bedraagt dan € 5.052, en verminderd, doch niet verder dan tot nihil, met:
|
||||
d. 6,51% van dat loon voorzover dit bij een tijdvakloon op jaarbasis meer bedraagt dan € 37.691.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -905,19 +910,19 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
**1.** Voor de werknemer die een uitkering geniet op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten of recht heeft op arbeidsondersteuning op grond van die wet, is de jonggehandicaptenkorting van toepassing. De korting kan tevens worden toegepast ten aanzien van de werknemer die ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, doch welke uitkering ingevolge artikel 1a:4, 2:40, 2:46, 3:8, 3:8b, 3:50 of 3:51 van die wet niet wordt betaald.
|
||||
|
||||
**2.** De jonggehandicaptenkorting bedraagt € 771.
|
||||
**2.** De jonggehandicaptenkorting bedraagt € 820.
|
||||
|
||||
### Artikel 22b
|
||||
|
||||
**1.** Voor de werknemer die de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt, is de ouderenkorting van toepassing.
|
||||
|
||||
**2.** De ouderenkorting bedraagt € 1.726, verminderd, doch niet verder dan tot nihil, met 15% van het tijdvakloon op jaarbasis voor zover dat meer bedraagt dan € 38.464.
|
||||
**2.** De ouderenkorting bedraagt € 1.835, verminderd, doch niet verder dan tot nihil, met 15% van het tijdvakloon op jaarbasis voor zover dat meer bedraagt dan € 40.888.
|
||||
|
||||
### Artikel 22c
|
||||
|
||||
**1.** Voor de werknemer die een uitkering als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel a, van de Algemene Ouderdomswet geniet, of deze zou genieten indien hij zou voldoen aan de voorwaarde van artikel 7, eerste lid, onderdeel b, van de Algemene Ouderdomswet, is de alleenstaande ouderenkorting van toepassing.
|
||||
|
||||
**2.** De alleenstaande ouderenkorting bedraagt € 449.
|
||||
**2.** De alleenstaande ouderenkorting bedraagt € 478.
|
||||
|
||||
### Artikel 22ca
|
||||
|
||||
|
|
@ -963,11 +968,10 @@ Voor de toepassing van de artikelen 21 tot en met 22d ter bepaling van de hoogte
|
|||
|
||||
In afwijking van het eerste lid wordt een tijdvak waarvan het tijdvak waarover het loon wordt genoten, deel uitmaakt, als loontijdvak aangemerkt ten aanzien van:
|
||||
|
||||
1°. de werknemer die doorgaans op minder dan vijf dagen per week werkzaam is;
|
||||
2°. de werknemer wiens loon mede omvat de waarde van regelmatig bij de betaling van het loon verstrekte vakantiebonnen, vakantietoeslagbonnen of van daarmee overeenkomende aanspraken, en
|
||||
3°. de loon uit tegenwoordige dienstbetrekking genietende werknemer die met betrekking tot een kalenderkwartaal als student of scholier wordt aangemerkt en die schriftelijk, gedagtekend en ondertekend te kennen heeft gegeven dat te zijnen aanzien het kwartaal als loontijdvak wordt aangemerkt.
|
||||
a. de werknemer die doorgaans op minder dan vijf dagen per week werkzaam is; en
|
||||
b. de loon uit tegenwoordige dienstbetrekking genietende werknemer die met betrekking tot een kalenderkwartaal als student of scholier wordt aangemerkt en die schriftelijk, gedagtekend en ondertekend te kennen heeft gegeven dat te zijnen aanzien het kwartaal als loontijdvak wordt aangemerkt.
|
||||
|
||||
Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld voor de toepassing van de eerste volzin.
|
||||
Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld voor de toepassing van de eerste zin.
|
||||
|
||||
### Artikel 26
|
||||
|
||||
|
|
@ -1076,12 +1080,12 @@ Voorzover de belasting en de premie voor de volksverzekeringen, de premies voor
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De inhoudingsplichtige is gehouden volgens bij ministeriële regeling te stellen regels:
|
||||
De inhoudingsplichtige is gehouden volgens bij ministeriële regeling te stellen regels, waaronder regels inzake de wijze waarop:
|
||||
|
||||
a. van de werknemer opgave te verlangen van gegevens waarvan de kennisneming voor de heffing van de belasting van belang kan zijn;
|
||||
b. de in onderdeel *a* bedoelde gegevens door te geven aan een andere inhoudingsplichtige;
|
||||
c. een loonadministratie te voeren en daarbij de gegevens te administreren met betrekking tot de bij ministeriële regeling aan te wijzen uitkeringen en verstrekkingen welke ingevolge artikel 11 niet tot het loon behoren;
|
||||
d. aan de inspecteur opgave te verstrekken van de bij ministeriële regeling, in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, en na overleg met het Centraal Bureau voor de Statistiek, te bepalen gegevens, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen;
|
||||
d. aan de inspecteur opgave te verstrekken van de bij ministeriële regeling, in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, en na overleg met het Centraal Bureau voor de Statistiek, te bepalen gegevens, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, waaronder gegevens ten behoeve van de doelen van de polisadministratie, bedoeld in artikel 33, tweede lid, onderdelen a, d en e, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
|
||||
e. aan de werknemer opgave te verstrekken van het in het voorafgaande kalenderjaar genoten loon, de op dat loon ingehouden belasting en premie voor de volksverzekeringen, de op dat loon ingehouden inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet, de over dat loon door de inhoudingsplichtige verschuldigde premies werknemersverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet en de bij de toepassing van de loonbelastingtabellen, bedoeld in artikel 25, tweede lid, met de loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen verrekende arbeidskorting;
|
||||
f. van de werknemer die loon uit tegenwoordige dienstbetrekking geniet vast te stellen de identiteit aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1° tot en met 3°, van de Wet op de identificatieplicht en – zo de werknemer een vreemdeling is in de zin van de Vreemdelingenwet 2000 en niet behoort tot de categorie werknemers die op grond van overeenkomsten van internationaal recht is uitgezonderd van de verplichting tot het hebben van een geldige verblijfsvergunning als bedoeld in die wet en een geldige tewerkstellingsvergunning als bedoeld in de Wet arbeid vreemdelingen – tevens de verblijfsrechtelijke status ter zake van het verrichten van arbeid aan de hand van een geldige verblijfsvergunning of aan de hand van een geldige tewerkstellingsvergunning, alsmede van een en ander de aard, het nummer en een afschrift daarvan in de loonadministratie op te nemen;
|
||||
g. ingeval de inspecteur hem bij voor bezwaar vatbare beschikking daartoe heeft verplicht, voor de datum van aanvang van de werkzaamheden van een werknemer aan de inspecteur opgave te verstrekken van gegevens waarvan kennisneming voor de heffing van de belasting van belang kan zijn (eerstedagsmelding), met dien verstande dat indien de dienstbetrekking is overeengekomen op de datum waarop de werkzaamheden aanvangen, de eerstedagsmelding wordt gedaan voor de aanvang van de werkzaamheden;
|
||||
|
|
@ -1252,8 +1256,8 @@ De verschuldigde belasting met betrekking tot vergoedingen en verstrekkingen als
|
|||
a. vervoer in het kader van de dienstbetrekking, waaronder woon-werkverkeer:
|
||||
|
||||
1°. indien het vervoer plaatsvindt per taxi, luchtvaartuig, schip of vervoer vanwege de inhoudingsplichtige: tot de werkelijke kosten, met dien verstande dat de vermindering niet geldt voor vergoedingen ter zake van vervoer vanwege de inhoudingsplichtige;
|
||||
2°. indien het vervoer plaatsvindt per openbaar vervoer, anders dan in de vorm van vervoer vanwege de inhoudingsplichtige, en de vergoedingen hoger zijn dan € 0,19 per kilometer en zijn vastgesteld op basis van de werkelijke kosten: tot de werkelijke kosten;
|
||||
3°. in de overige situaties: tot € 0,19 per afgelegde kilometer;
|
||||
2°. indien het vervoer plaatsvindt per openbaar vervoer, anders dan in de vorm van vervoer vanwege de inhoudingsplichtige, en de vergoedingen hoger zijn dan € 0,21 per kilometer en zijn vastgesteld op basis van de werkelijke kosten: tot de werkelijke kosten;
|
||||
3°. in de overige situaties: tot € 0,21 per afgelegde kilometer;
|
||||
|
||||
met dien verstande dat ingeval voor het vervoer, niet zijnde vervoer per taxi, luchtvaartuig, schip of vervoer vanwege de inhoudingsplichtige, een vaste vergoeding wordt gegeven aan een werknemer die op ten minste 128 dagen per kalenderjaar naar een vaste plaats van werkzaamheden reist, deze vergoeding mag worden berekend alsof de werknemer op ten hoogste 214 dagen per kalenderjaar naar die vaste plaats van werkzaamheden reist;
|
||||
b. tijdelijk verblijf in het kader van de dienstbetrekking, niet zijnde een tijdelijk verblijf als bedoeld in onderdeel e, alsmede maaltijden met een meer dan bijkomstig zakelijk karakter;
|
||||
|
|
@ -1271,20 +1275,20 @@ g. gereedschappen, computers, mobiele communicatiemiddelen en dergelijke apparat
|
|||
h. bij ministeriële regeling aan te wijzen voorzieningen die geheel of gedeeltelijk op een bij die ministeriële regeling aan te wijzen werkplek worden gebruikt of verbruikt;
|
||||
i. branche-eigen producten van het bedrijf van de inhoudingsplichtige of van het bedrijf van een met de inhoudingsplichtige verbonden vennootschap, tot een bedrag van ten hoogste 20% van de waarde in het economische verkeer van deze producten, maar niet meer dan € 500 per werknemer per kalenderjaar;
|
||||
j. een in het kader van de dienstbetrekking aangevraagde verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens of daarmee vergelijkbare buitenlandse verklaring;
|
||||
k. thuiswerken in het kader van de dienstbetrekking tot € 2 per thuiswerkdag, daaronder begrepen een gedeelte van een thuiswerkdag, met dien verstande dat ingeval voor thuiswerken een vaste vergoeding wordt gegeven aan een werknemer die op ten minste 128 dagen per kalenderjaar thuiswerkt, deze vergoeding mag worden berekend alsof de werknemer op ten hoogste 214 dagen per kalenderjaar thuiswerkt.
|
||||
k. thuiswerken in het kader van de dienstbetrekking tot € 2,15 per thuiswerkdag, daaronder begrepen een gedeelte van een thuiswerkdag, met dien verstande dat ingeval voor thuiswerken een vaste vergoeding wordt gegeven aan een werknemer die op ten minste 128 dagen per kalenderjaar thuiswerkt, deze vergoeding mag worden berekend alsof de werknemer op ten hoogste 214 dagen per kalenderjaar thuiswerkt.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
De vrije ruimte bedraagt:
|
||||
|
||||
a. 1,7% van het loon waarover met toepassing van de artikelen 20a, 20b, 26 en 26b belasting wordt geheven met een maximum van € 6800, vermeerderd met:
|
||||
a. 3% van het loon waarover met toepassing van de artikelen 20a, 20b, 26 en 26b belasting wordt geheven met een maximum van € 6800, vermeerderd met:
|
||||
b. 1,18% van het loon waarover met toepassing van de artikelen 20a, 20b, 26 en 26b belasting wordt geheven voor zover dat loon meer bedraagt dan € 400.000.
|
||||
|
||||
**4.** In afwijking in zoverre van het tweede lid worden vergoedingen en verstrekkingen als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f en onderdeel g, bij de bepaling van de daarover verschuldigde belasting niet verminderd met vaste vergoedingen ter zake van de in het tweede lid bedoelde kosten ingeval aan deze vergoedingen geen onderzoek naar de werkelijk gemaakte kosten ten grondslag ligt.
|
||||
|
||||
**5.** Voor de toepassing van het tweede lid wordt onder vervoer vanwege de inhoudingsplichtige verstaan: vervoer als bedoeld in artikel 13a, zesde lid.
|
||||
|
||||
**6.** Voor de toepassing van dit artikel worden vergoedingen ter zake van vervoer als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, onder 3°, geacht niet hoger te zijn dan € 0,19 per afgelegde kilometer voor zover deze vergoedingen in totaal niet meer hebben bedragen dan het aantal in het kalenderjaar in dit kader afgelegde kilometers vermenigvuldigd met € 0,19.
|
||||
**6.** Voor de toepassing van dit artikel worden vergoedingen ter zake van vervoer als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, onder 3°, geacht niet hoger te zijn dan € 0,21 per afgelegde kilometer voor zover deze vergoedingen in totaal niet meer hebben bedragen dan het aantal in het kalenderjaar in dit kader afgelegde kilometers vermenigvuldigd met € 0,21.
|
||||
|
||||
**7.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -1305,7 +1309,7 @@ b. naar tijdsgelang herrekend bij het aanvangen of beëindigen van de betreffend
|
|||
|
||||
**13.** Bij het begin van het kalenderjaar wordt het in het tweede lid, onderdeel k, genoemde bedrag bij ministeriële regeling vervangen door een ander bedrag. Dit bedrag wordt berekend door het te vervangen bedrag te vermenigvuldigen met de tabelcorrectiefactor, bedoeld in artikel 10.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001, en vervolgens de nodig geachte afronding aan te brengen. Indien in het voorafgaande kalenderjaar een dergelijke afronding is toegepast, kan bij vervanging worden uitgegaan van het niet-afgeronde bedrag.
|
||||
|
||||
**14.** Bij de toepassing van het tweede lid wordt, in afwijking van artikel 13, zevende lid, de ingevolge artikel 13, eerste tot en met zesde lid, in aanmerking te nemen waarde van verstrekkingen als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f en onderdeel g, verminderd met het bedrag dat de inhoudingsplichtige ter zake van die verstrekkingen in totaal aan zijn werknemers in rekening heeft gebracht, met dien verstande dat de aldus verminderde waarde ten minste op nihil wordt gesteld.
|
||||
**14.** Bij de toepassing van het tweede lid wordt, in afwijking van artikel 13, zesde lid, de ingevolge artikel 13, eerste tot en met vijfde lid, in aanmerking te nemen waarde van verstrekkingen als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f en onderdeel g, verminderd met het bedrag dat de inhoudingsplichtige ter zake van die verstrekkingen in totaal aan zijn werknemers in rekening heeft gebracht, met dien verstande dat de aldus verminderde waarde ten minste op nihil wordt gesteld.
|
||||
|
||||
**15.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -1316,6 +1320,10 @@ b. loon ter zake waarvan de inhoudingsplichtige uitsluitend ingevolge artikel 6,
|
|||
|
||||
**16.** De verschuldigde belasting, bedoeld in het tweede lid, wordt, in afwijking van artikel 27a, tweede lid, uiterlijk aangegeven en afgedragen tegelijk met de aangifte, onderscheidenlijk afdracht, over het tweede tijdvak van het volgende kalenderjaar. Ingeval de inhoudingsplicht is geëindigd in de loop van het kalenderjaar wordt voor het tweede tijdvak van het volgende kalenderjaar, bedoeld in de eerste volzin, gelezen: het tijdvak waarin de inhoudingsplicht is geëindigd.
|
||||
|
||||
**17.** Indien extraterritoriale kosten als bedoeld in het tweede lid, onderdeel e, worden vergoed aan een werknemer die voldoet aan de voorwaarden van het achtste lid, onderscheidenlijk negende lid, dient de inhoudingsplichtige ter zake van het eerste loontijdvak van ieder kalenderjaar waarin die werknemer aan die voorwaarden voldoet en die kosten door hem aan die werknemer worden vergoed een keuze te maken voor het al dan niet toepassen van het achtste lid, onderscheidenlijk negende lid. De keuze, bedoeld in de eerste zin, geldt voor het gehele kalenderjaar zolang de werknemer, bedoeld in de eerste zin, aan de voorwaarden, bedoeld in die zin, blijft voldoen.
|
||||
|
||||
**18.** Indien binnen de eerste vier maanden van aanvang van de tewerkstelling als werknemer met extraterritoriale kosten een verzoek tot toepassing of voortgezette toepassing van de bewijsregel, bedoeld in de algemene maatregel van bestuur gebaseerd op het achtste lid, wordt gedaan, dient de keuze, bedoeld in het zeventiende lid, in afwijking in zoverre van dat lid, eerste zin, voor het eerst te worden gemaakt ter zake van het eerstvolgende loontijdvak na afloop van die eerste vier maanden en geldt in dat geval vanaf dat loontijdvak voor de resterende periode van het kalenderjaar waarin de termijn van die eerste vier maanden afloopt zolang de werknemer, bedoeld in het zeventiende lid, eerste zin, aan de voorwaarden, bedoeld in die zin, blijft voldoen.
|
||||
|
||||
### Artikel 32
|
||||
|
||||
**1.** In afwijking van artikel 31a, eerste lid, kan de belasting die door alle gezamenlijk in concernverband opererende inhoudingsplichtigen is verschuldigd met betrekking tot vergoedingen en verstrekkingen als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f en onderdeel g, worden bepaald alsof deze inhoudingsplichtigen gezamenlijk één inhoudingsplichtige zijn. Deze belasting wordt aangegeven en afgedragen door de tot het concernverband behorende inhoudingsplichtige met het grootste bedrag aan loon waarover in het kalenderjaar met toepassing van de artikelen 20a, 20b, 26 en 26b belasting is geheven.
|
||||
|
|
@ -1376,7 +1384,7 @@ Ter bevordering van een goede uitvoering van deze afdeling kunnen bij ministeri
|
|||
|
||||
**6.** Onder een regeling voor vervroegde uittreding wordt verstaan een regeling die of een gedeelte van een regeling dat uitsluitend of nagenoeg uitsluitend ten doel heeft voorafgaand aan het ingaan van uitkeringen ingevolge een pensioenregeling of de Algemene Ouderdomswet te voorzien in een of meer uitkeringen of verstrekkingen ter overbrugging van de periode tot het ingaan van het pensioen of de uitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet dan wel tot het aanvullen van uitkeringen ingevolge een pensioenregeling. In afwijking in zoverre van de eerste volzin wordt een regeling niet als regeling voor vervroegde uittreding aangemerkt, voor zover die regeling een pensioenovereenkomst inhoudt als bedoeld in de Pensioenwet, een beroepspensioenregeling inhoudt als bedoeld in de Wet verplichte beroepspensioenregeling of een pensioenregeling is als bedoeld in hoofdstuk IIB of in de artikelen 38d, 38e of 38f.
|
||||
|
||||
**7.** Een regeling voor vervroegde uittreding in de zin van het zesde lid wordt voor de toepassing van het eerste lid niet als zodanig aangemerkt, voor zover die regeling voorziet in een of meer uitkeringen in de periode van 36 maanden vóór het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, die in totaal niet hoger zijn dan een bedrag van € 1.874 vermenigvuldigd met het op hele maanden naar boven afgeronde aantal maanden tussen de eerste uitkering in die periode en het bereiken van die pensioengerechtigde leeftijd. Voor de toepassing van de eerste zin worden alle regelingen voor vervroegde uittreding in de zin van het zesde lid samengevoegd.
|
||||
**7.** Een regeling voor vervroegde uittreding in de zin van het zesde lid wordt voor de toepassing van het eerste lid niet als zodanig aangemerkt, voor zover die regeling voorziet in een of meer uitkeringen in de periode van 36 maanden vóór het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, die in totaal niet hoger zijn dan een bedrag van € 2.037 vermenigvuldigd met het op hele maanden naar boven afgeronde aantal maanden tussen de eerste uitkering in die periode en het bereiken van die pensioengerechtigde leeftijd. Voor de toepassing van de eerste zin worden alle regelingen voor vervroegde uittreding in de zin van het zesde lid samengevoegd.
|
||||
|
||||
**8.** Bij het begin van het kalenderjaar wordt het in het zevende lid genoemde bedrag bij ministeriële regeling vervangen door een ander bedrag. Dit bedrag wordt gesteld op het bedrag dat na aftrek van de in te houden loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen, rekening houdend met de algemene heffingskorting voor een persoon die de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, nog niet heeft bereikt, gelijk is aan het netto-ouderdomspensioen per maand, bedoeld in artikel 9, vijfde lid, onderdeel a, van die wet, waarbij de nodig geachte afronding wordt aangebracht.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1388,7 +1396,7 @@ Ter bevordering van een goede uitvoering van deze afdeling kunnen bij ministeri
|
|||
|
||||
**1.** In afwijking in zoverre van het overigens bij of krachtens deze wet bepaalde, wordt een door een inhoudingsplichtige aan een werknemer toegekende vertrekvergoeding als bedoeld in het vierde lid voor zover die vergoeding meer bedraagt dan het toetsloon, bedoeld in het derde lid, van de werknemer, aangemerkt als loon dat als een eindheffingsbestanddeel wordt belast naar een tarief van 75%.
|
||||
|
||||
**2.** Dit artikel is niet van toepassing ingeval het toetsloon van de werknemer niet meer bedraagt dan € 576.000.
|
||||
**2.** Dit artikel is niet van toepassing ingeval het toetsloon van de werknemer niet meer bedraagt dan € 612.000.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -1413,9 +1421,14 @@ b. ingeval de dienstbetrekking is aangevangen in het tweede kalenderjaar voorafg
|
|||
c. ingeval de dienstbetrekking is aangevangen in het kalenderjaar voorafgaande aan het kalenderjaar waarin de dienstbetrekking is beëindigd: het toetsloon van de werknemer, met dien verstande dat het toetsloon voor de berekening van het verschil met A naar evenredigheid wordt verminderd gerelateerd aan het aantal dagen dat de dienstbetrekking niet meer heeft bestaan in het kalenderjaar waarin de dienstbetrekking is beëindigd;
|
||||
d. ingeval de dienstbetrekking is aangevangen in het kalenderjaar waarin de dienstbetrekking is beëindigd: het toetsloon van de werknemer, met dien verstande dat het toetsloon voor de berekening van het verschil met A naar evenredigheid wordt verminderd gerelateerd aan het aantal dagen dat de dienstbetrekking niet heeft bestaan in het kalenderjaar waarin de dienstbetrekking is beëindigd.
|
||||
|
||||
**5.** Ingeval de inhoudingsplichtige in het kalenderjaar waarin de dienstbetrekking is beëindigd onderscheidenlijk in het daaraan voorafgaande kalenderjaar met de werknemer een aandelenoptierecht is overeengekomen en dat recht niet uiterlijk bij de beëindiging van de dienstbetrekking is uitgeoefend of vervreemd, wordt bij de vaststelling van A, bedoeld in het vierde lid, onderscheidenlijk B, bedoeld in het vierde lid, de waarde van dat recht mede in aanmerking genomen, waarbij die waarde wordt gesteld op hetgeen door de werknemer zou zijn genoten indien hij dat recht op het tijdstip van beëindiging van de dienstbetrekking zou hebben vervreemd of uitgeoefend.
|
||||
**5.**
|
||||
|
||||
**6.** Het eerste lid is niet van toepassing voor zover de inhoudingsplichtige aannemelijk maakt dat de som van de verschillen, bedoeld in het vierde lid, verband houdt met loon dat de werknemer heeft genoten ter zake van de uitoefening of vervreemding van een aandelenoptierecht als bedoeld in artikel 10a, dat onvoorwaardelijk is toegekend of geworden in een eerder jaar dan het kalenderjaar voorafgaande aan het kalenderjaar waarin de dienstbetrekking met die werknemer is beëindigd.
|
||||
Ingeval de inhoudingsplichtige in het kalenderjaar waarin de dienstbetrekking is beëindigd onderscheidenlijk in het daaraan voorafgaande kalenderjaar met de werknemer een aandelenoptierecht is overeengekomen en de werknemer ter zake van dat recht niet uiterlijk bij de beëindiging van de dienstbetrekking ingevolge de artikelen 10a en 13a, met uitzondering van artikel 10a, dertiende lid, loon heeft genoten, wordt bij de vaststelling van A, bedoeld in het vierde lid, onderscheidenlijk B, bedoeld in het vierde lid, mede in aanmerking genomen:
|
||||
|
||||
a. ingeval het recht nog niet is uitgeoefend: hetgeen tot het loon zou hebben behoord indien hij dat recht op het tijdstip van beëindiging van de dienstbetrekking zou hebben uitgeoefend en de daarbij verkregen aandelen onmiddellijk verhandelbaar zouden zijn; of
|
||||
b. ingeval het recht wel is uitgeoefend: hetgeen tot het loon zou hebben behoord indien de bij uitoefening van het recht verkregen aandelen op het tijdstip van beëindiging van de dienstbetrekking verhandelbaar zouden worden.
|
||||
|
||||
**6.** Het eerste lid is niet van toepassing voor zover de inhoudingsplichtige aannemelijk maakt dat de som van de verschillen, bedoeld in het vierde lid, verband houdt met loon dat de werknemer ingevolge de artikelen 10a en 13a heeft genoten ter zake van een aandelenoptierecht, dat onvoorwaardelijk is toegekend of geworden in een eerder jaar dan het kalenderjaar voorafgaande aan het kalenderjaar waarin de dienstbetrekking met die werknemer is beëindigd.
|
||||
|
||||
**7.** Voor de toepassing van het eerste lid wordt een vertrekvergoeding beschouwd te zijn toegekend op het tijdstip waarop de dienstbetrekking is beëindigd, of, voor zover de vertrekvergoeding pas daarna als loon wordt genoten, op dat latere tijdstip. Ingeval een vertrekvergoeding ingevolge de eerste volzin wordt beschouwd te zijn toegekend op meer dan een tijdstip, wordt de berekening ingevolge het vierde lid op elk tijdstip toegepast onder verrekening van hetgeen eerder is berekend.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1694,15 +1707,13 @@ Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voor buitenlandse gezelsc
|
|||
|
||||
### Artikel 35o
|
||||
|
||||
**1.** Artikel 12a, derde, vierde en tiende lid, vervalt met ingang van 1 januari 2023.
|
||||
|
||||
**2.** Artikel 13bis, tweede lid, vervalt met ingang van 1 januari 2026.
|
||||
Artikel 13bis, tweede lid, vervalt met ingang van 1 januari 2026.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk VIII. Overgangs- en slotbepalingen
|
||||
|
||||
### Artikel 36
|
||||
|
||||
Artikel 10a zoals dat luidde op 31 december 2004 blijft van toepassing op vóór 1 januari 2005 overeengekomen aandelenoptierechten ter zake waarvan vóór die datum reeds een bedrag als loon is genoten, waarbij tevens artikel 10a, derde lid, zoals dat luidt op 1 januari 2005, geldt.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 36a
|
||||
|
||||
|
|
@ -1866,6 +1877,8 @@ b. bij overlijden van de werknemer of gewezen werknemer terwijl ingevolge onderd
|
|||
|
||||
**4.** De artikelen 19a en 19b, zoals die artikelen luidden op 31 december 2016, de artikelen 3.83 en 7.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001, zoals die artikelen luidden op 31 december 2016, de artikelen 2.8, tweede lid, 2.9 en 3.136 van de Wet inkomstenbelasting 2001, artikel 30i van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de artikelen 25, vijfde lid, en 26, derde lid, van de Invorderingswet 1990 en artikel 32, derde lid, van de Successiewet 1956 zijn van overeenkomstige toepassing op aanspraken ingevolge een oudedagsverplichting als bedoeld in het eerste lid.
|
||||
|
||||
**5.** In afwijking van het eerste en tweede lid kan onder door Onze Minister te stellen voorwaarden een aanspraak ingevolge een oudedagsverplichting als bedoeld in het eerste lid ook na de ingangsdatum van de termijnen, bedoeld in het tweede lid, geruisloos worden aangewend ter verkrijging van een lijfrente als bedoeld in artikel 3.125 van de Wet inkomstenbelasting 2001 of een lijfrenterekening of lijfrentebeleggingsrecht als bedoeld in artikel 3.126a van die wet.
|
||||
|
||||
### Artikel 38q
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
|
|
@ -1903,6 +1916,8 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
**2.** In afwijking in zoverre van het eerste lid mag de waarde van de aanspraak, het tegoed van de stamrechtspaarrekening of de waarde van het stamrechtbeleggingsrecht geheel of gedeeltelijk op een eerder tijdstip worden uitgekeerd dan in de artikelen 11 en 11a, zoals die op 31 december 2013 luidden, en de daarop gebaseerde bepalingen, is bepaald.
|
||||
|
||||
**3.** In afwijking in zoverre van het eerste lid kunnen aanspraken als bedoeld in dat lid mede worden uitgevoerd door een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 3.126a, tweede lid, onderdelen b en d, van de Wet inkomstenbelasting 2001.
|
||||
|
||||
### Artikel 39g
|
||||
|
||||
Artikel 10, vijfde lid, zoals dat luidde op 31 december 2014, blijft van toepassing op uitkeringen en verstrekkingen uit een voordien niet tot het loon gerekende aanspraak ingevolge een pensioenregeling als bedoeld in artikel 32bc, zoals dat luidde op 31 december 2014.
|
||||
|
|
@ -1915,6 +1930,13 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
Voor de toepassing van artikel 20, derde lid, worden onder werknemers die in een andere lidstaat van de Europese Unie wonen mede verstaan werknemers die in het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland wonen en die in het kalenderjaar de in de artikelen 24 en 25 van het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (PbEU 2020, L 29) genoemde rechten genieten.
|
||||
|
||||
### Artikel 39k
|
||||
|
||||
Artikel 12a, derde, vierde en tiende lid, zoals dat luidde op 31 december 2022 en de daarop gebaseerde bepalingen blijven van toepassing op het loon van werknemers:
|
||||
|
||||
a. die arbeid verrichten ten behoeve van een lichaam waarin zij of hun partner een aanmerkelijk belang hebben; en
|
||||
b. van wie het vóór 1 januari 2023 genoten loon geheel of gedeeltelijk is bepaald op basis van artikel 12a, derde, vierde en tiende lid, zoals dat luidde op 31 december 2022.
|
||||
|
||||
### Artikel 40
|
||||
|
||||
**1.** De bepalingen van deze wet treden in werking op een door Ons te bepalen tijdstip, dat voor de onderscheidene bepalingen verschillend kan zijn. Ingeval dit tijdstip niet voor alle bepalingen hetzelfde is, worden door Ons voor zoveel nodig, op de grondslag van de ingevolge artikel 39 zoals dat luidt bij de inwerkingtreding van deze wet vervallen of ingetrokken bepalingen, regelen gegeven.
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue