2009-08-26 | BWBR0012288 | Vreemdelingencirculaire 2000 (C)

This commit is contained in:
Coornhert 2009-08-26 12:00:00 +00:00
parent 9c44220729
commit b4555f9b06

View file

@ -555,47 +555,80 @@ Artikel 29, eerste lid, onder f, Vw bepaalt dat de verblijfsvergunning asiel voo
Cumulatieve vereisten in beide gevallen zijn:
dat de hier bedoelde gezinsleden dezelfde nationaliteit hebben als de houder van de verblijfsvergunning asiel;
dat zij feitelijk behoren tot zijn gezin én;
dat zij gelijktijdig met hem zijn ingereisd, dan wel binnen drie maanden nadat de bedoelde vreemdeling zijn verblijfsvergunning heeft verkregen, zijn nagereisd; daarnaast geldt dat een eerdere inreisdatum van een familielid dan de inreisdatum van de hoofdpersoon ook wordt beschouwd als een tijdige nareis.
• dat de hier bedoelde gezinsleden dezelfde nationaliteit hebben als de houder van de verblijfsvergunning asiel;
• dat zij feitelijk behoren tot zijn gezin;
• dat de houder van de verblijfsvergunning asiel deze gezinsleden heeft genoemd tijdens diens asielprocedure; én
• dat zij gelijktijdig met hem zijn ingereisd, dan wel binnen drie maanden nadat de bedoelde vreemdeling zijn verblijfsvergunning asiel heeft verkregen, zijn nagereisd.
De driemaandentermijn gaat in op het moment dat de oorspronkelijke verblijfsvergunning wordt verleend. Indien de houder van de verblijfsvergunning asiel in Nederland bij de Visadienst een verzoek om advies heeft ingediend binnen die drie maanden dan wel indien de gezinsleden in het buitenland een mvv aanvragen binnen die drie maanden, wordt dit gezien als een tijdig ingediende aanvraag.
De driemaanden termijn gaat in op het moment dat de oorspronkelijke verblijfsvergunning wordt verleend. Indien de houder van de verblijfsvergunning asiel in Nederland bij de Visadienst een verzoek om advies heeft ingediend binnen die drie maanden dan wel indien de gezinsleden in het buitenland een mvv aanvragen binnen die drie maanden, wordt dit gezien als een tijdig ingediende aanvraag. Daarnaast geldt dat een eerdere inreisdatum van een familielid dan de inreisdatum van de hoofdpersoon ook wordt beschouwd als een tijdige nareis.
Het moet hier dus gaan om een huwelijk of partnerschap dat reeds bestond toen beide echtgenoten nog in het buitenland verbleven.
De gezinsleden dienen, om voor verblijf in aanmerking te komen, tot aan het vertrek van de hoofdpersoon uit het land van herkomst feitelijk hebben behoord tot diens gezin. Ook moeten deze gezinsleden zijn genoemd als gezinsleden tijdens de asielprocedure van de hoofdpersoon. Indien zij niet zijn genoemd gedurende de asielprocedure is niet aannemelijk dat zij feitelijk behoren tot het gezin van de hoofdpersoon.
Indien ten tijde van de aanvraag sprake is van een polygame situatie kan slechts één vrouw en de uit haar geboren kinderen voor verblijf in aanmerking komen. Van een polygame situatie is sprake, indien de vreemdeling of de persoon bij wie de vreemdeling verblijf beoogt, met een andere persoon (of meerdere andere personen) tegelijkertijd een huwelijk en/of een relatie is aangegaan (inclusief geregistreerd partnerschap).
De bewijslast omtrent het in het land van herkomst feitelijk tot het gezin hebben behoord, ligt bij de hoofdpersoon. Hiervan dient in beginsel indicatief bewijs te worden overgelegd. Indien dit niet mogelijk is, dienen hier aanvullende gegevens en/of plausibele, aannemelijke en consistente verklaringen over te worden verstrekt.
Ook indien de in Nederland verblijvende hoofdpersoon met een andere man of vrouw duurzaam samenleeft, komen de wettelijke echtgenote alsmede eventuele gezinsleden niet voor toelating in aanmerking.
De biologische kinderen (minderjarig en meerderjarig) behoren niet langer tot het gezin van de hoofdpersoon indien de gezinsband als verbroken kan worden beschouwd.
Onder minder- of meerderjarige kinderen dienen tevens te worden begrepen kinderen van één van de beide echtgenoten of partners uit een eerder huwelijk of relatie, of adoptie- of pleegkinderen die feitelijk tot het gezin behoorden.
Dit doet zich in elk geval voor indien er sprake is van één of meer van de volgende omstandigheden:
• het kind is duurzaam opgenomen in een ander gezin dan het gezin van de hoofdpersoon;
• het kind is zelfstandig gaan wonen;
• het kind heeft een eigen gezin gevormd doordat het gehuwd is of een relatie is aangegaan.
Voor niet-biologische (pleeg- of adoptie)kinderen gelden bovenstaande criteria eveneens en geldt voorts dat de gezinsband als verbroken wordt beschouwd, indien deze kinderen na vertrek van de hoofdpersoon zijn opgenomen in een ander gezin.
De bewijslast om aan te tonen dat de feitelijke gezinsband tussen ouder en kind niet is verbroken, ligt bij de in Nederland verblijvende ouder die de overkomst van het kind vraagt.
Het moet gaan om een huwelijk of partnerschap dat reeds bestond toen beide echtgenoten nog in het buitenland verbleven. Een traditioneel huwelijk wordt gelijkgesteld aan partnerschap.
Indien ten tijde van de aanvraag sprake is van een polygame situatie kan slechts één echtgenoot, geregistreerd partner of partner tegelijkertijd en de uit die vreemdeling geboren kinderen voor verblijf in aanmerking komen. Van een polygame situatie is sprake indien de vreemdeling of de persoon bij wie de vreemdeling verblijf beoogt, met een andere persoon (of meerdere andere personen) tegelijkertijd een huwelijk en/of een relatie is aangegaan (inclusief geregistreerd partnerschap).
Indien de in Nederland verblijvende hoofdpersoon reeds met een andere man of vrouw duurzaam samenleeft, komen de wettelijke echtgeno(o)t(e) alsmede eventuele andere gezinsleden niet voor toelating in aanmerking.
Dat er door betrokkenen in het buitenland ook daadwerkelijk is samengewoond is een belangrijke indicatie om vast te kunnen stellen dat er ook feitelijk sprake is van een gezinsband. Het niet hebben samengewoond is geen absolute afwijzingsgrond, men moet echter wel een aannemelijke verklaring hebben voor de omstandigheid dat men weliswaar (traditioneel) gehuwd was, maar dat er geen sprake was of kon zijn van daadwerkelijke samenwoning.
Onder minder- of meerderjarige kinderen dienen tevens te worden begrepen biologische kinderen van één van de beide echtgenoten of partners uit een eerder huwelijk of relatie die in het land van herkomst feitelijk tot het gezin behoorden.
De minder- of meerderjarigheid wordt beoordeeld naar Nederlands recht.
Minderjarig zijn kinderen die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt en niet gehuwd of in Nederland geregistreerd zijn en ook nimmer gehuwd of geregistreerd zijn geweest (artikel 1:233 Burgerlijk Wetboek).
Op het moment dat de ouder op één van de gronden van artikel 29, eerste lid, onder a tot en met c, Vw in het bezit wordt gesteld van een verblijfsvergunning asiel bepaalde tijd, komt het in Nederland tijdens de procedure geboren kind in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, onder e, Vw. Op het moment dat de ouder op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, Vw in het bezit wordt gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, komt het in Nederland tijdens de procedure geboren kind in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op dezelfde grond als de ouder, namelijk op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, Vw (zie voor de procedure ook C11/1.1.3).
Meerderjarige kinderen kunnen enkel voor verblijf in aanmerking komen indien zij feitelijk behoren tot het gezin van de hoofdpersoon. Hiervan is sprake indien zij in het land van herkomst altijd tot het gezin van de hoofdpersoon zijn blijven behoren.
Voor kinderen, die in Nederland worden geboren nadat de ouder in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning op grond van één van de gronden van artikel 29, eerste lid, onder a tot en met d, Vw, dient nog immer een verblijfsvergunning regulier te worden aangevraagd. In deze en alle andere gevallen dan hierboven genoemd is het reguliere vreemdelingenbeleid van toepassing (zie B2 en artikel 3.23 Vb).
Indien het meerderjarig kind echter na het vertrek van de hoofdpersoon zelfstandig een gezin is gaan vormen door het aangaan van een huwelijk, dan wel partnerschap, of duurzaam in een ander gezin dan dat van de hoofdpersoon is opgenomen, wordt de gezinsband als verbroken beschouwd.
#### 6.2. Feitelijk behoren tot het gezin
Voor onderzoek naar de gezinsband tussen ouder(s) en biologische kinderen wordt verwezen naar C12/6 Vc.
De gezinsleden dienen, om voor verblijf in aanmerking te komen, feitelijk te behoren tot het gezin van de degene bij wie verblijf in Nederland wordt beoogd. De gezinsband moet reeds in het buitenland hebben bestaan.
Onder minder- of meerderjarige kinderen dienen tevens te worden begrepen niet biologische (adoptie- of pleeg)kinderen die in het land van herkomst feitelijk tot het gezin behoorden.
De kinderen behoren niet langer feitelijk tot het gezin en worden niet langer als afhankelijk van de hoofdpersoon beschouwd, indien de gezinsband als (feitelijk) verbroken kan worden beschouwd (zie ook B2).
Met betrekking tot onderzoek naar de gezinsband tussen ouder(s) en niet-biologische kinderen (adoptie- of pleegkinderen) geldt het volgende. Aangezien deze gezinsband niet blijkens DNA-onderzoek kan worden onderzocht, is het aan betrokkene om aannemelijk te maken dat dit kind in het land van herkomst ook daadwerkelijk behoorde tot het gezin van de hoofdpersoon.
Dit doet zich in elk geval voor indien er sprake is van één of meer van de volgende omstandigheden:
De bewijslast omtrent het in het land van herkomst feitelijk tot het gezin hebben behoord, ligt bij de hoofdpersoon. Hiervan dient in beginsel indicatief bewijs te worden overgelegd. Indien dit niet mogelijk is, dienen hier aanvullende gegevens en/of plausibele, aannemelijke en consistente verklaringen over te worden verstrekt.
duurzame opneming in een ander gezin en de hoofdpersoon is niet meer belast met het gezag;
een duurzame opneming in een ander gezin en de hoofdpersoon voorziet niet meer in de kosten en de opvoeding;
het zelfstandig gaan wonen en in eigen onderhoud voorzien;
het vormen van een zelfstandig gezin door het aangaan van een huwelijk of een relatie;
het belast zijn met de zorg voor buitenhuwelijkse kinderen.
In aanvulling hierop komt dit niet-biologische (pleeg- of adoptie)kind niet in aanmerking voor een afgeleide verblijfsvergunning bij de hoofdpersoon, indien het kind na vertrek van de hoofdpersoon is opgenomen in een ander gezin dan dat van de hoofdpersoon.
De bewijslast om aan te tonen dat de feitelijke gezinsband of de afhankelijkheidsrelatie tussen ouder en kind niet is verbroken, ligt bij de in Nederland verblijvende ouder die de overkomst van het kind vraagt (zie ook C12/6).
Indien na aankomst in Nederland echter wordt geconstateerd dat het pleegkind niet in het buitenland al tot het gezin behoorde, zal het kind vreemdelingrechtelijk als alleenstaande minderjarige vreemdeling (AMV) moeten worden beschouwd en behandeld (zie B14/2 Vc). Hieraan doet niet af of het kind met of zonder MVV is ingereisd. In geval het kind jonger dan 15 is en de pleegouder de aanvraag voor asiel heeft ingediend, moet aan betrokkene worden medegedeeld dat er in dit geval geen sprake is van een asielaanvraag nu deze niet door de vreemdeling zelf of diens wettelijk vertegenwoordiger is ingediend. Gelet hierop is deze mededeling geen besluit. Een eventueel hier tegen ingediend rechtsmiddel dient niet-ontvankelijk te worden verklaard. Voogdij instelling Stichting Nidos wordt als voogd ingeschakeld. Het kind moet een asielaanvraag indienen of Nidos moet dit doen als het kind jonger is dan 12 jaar. Het kind dient zelfstandig te worden gehoord over de opvang in het land van herkomst en over de asielmotieven. Indien de minderjarige asielzoeker wordt verwezen naar een opvangvoorziening hier te lande, dient Nidos hierover geïnformeerd te worden, tenzij de minderjarige vreemdeling ten tijde van de aanvraag 17,5 jaar of ouder was (zie ook C12/3.2 Vc).
#### 6.3. Gezinsleden en artikel 1F Vluchtelingenverdrag
Op het moment dat de ouder op één van de gronden van artikel 29, eerste lid, onder a tot en met c, Vw in het bezit wordt gesteld van een verblijfsvergunning asiel bepaalde tijd, komt het in Nederland tijdens de procedure geboren kind in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, onder e, Vw. Op het moment dat de ouder op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, Vw in het bezit wordt gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, komt het in Nederland tijdens de procedure geboren kind in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op dezelfde grond als de ouder, namelijk op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, Vw (zie voor de procedure ook C11/1.1.3 Vc).
Gezinsleden van een vreemdeling aan wie artikel 1F Vluchtelingenverdrag wordt tegengeworpen, komen op grond van artikel 3.77 en 3.107 Vb in beginsel niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning (zie C4/3.11.4.)
Voor kinderen, die in Nederland worden geboren nadat de ouder in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning op grond van één van de gronden van artikel 29, eerste lid, onder a tot en met d, Vw, dient een verblijfsvergunning regulier te worden aangevraagd. In deze en alle andere gevallen dan hierboven genoemd is het reguliere vreemdelingenbeleid van toepassing (zie B2 en artikel 3.23 Vb).
De aanvraag om een afgeleide asielvergunning wordt afgewezen indien de achterblijvende ouder geen toestemming heeft verleend voor het vertrek van het kind naar Nederland. Bij de aanvraag dient een verklaring te worden overgelegd waaruit de toestemming van de achterblijvende ouder blijkt, alsmede een kopie van het identiteitsbewijs van de achterblijvende ouder, ter verificatie van de handtekening.
Indien de achterblijvende ouder wiens toestemming is vereist de toestemming niet kan geven omdat deze ouder onvindbaar is of is overleden, moet aannemelijk worden gemaakt waarom deze verklaring niet kan worden overgelegd.
Indien de achterblijvende ouder wiens toestemming is vereist de toestemming niet wil geven, wordt de aanvraag om nareis van dit kind bij de hoofdpersoon in Nederland afgewezen.
Voor niet-biologische (adoptie- en pleeg)kinderen geldt het volgende. Indien gedurende de asielprocedure van de hoofdpersoon dan wel gedurende de onderhavige aanvraag is gebleken dat één of beide in het buitenland verblijvende biologische ouder(s) nog in leven is, wordt de aanvraag om een afgeleide asielvergunning afgewezen indien de achterblijvende ouder geen toestemming heeft verleend voor het vertrek van het kind naar Nederland. Bij de aanvraag dient een verklaring te worden overgelegd waaruit de toestemming van de achterblijvende ouder blijkt, alsmede een kopie van het identiteitsbewijs van de achterblijvende ouder, ter verificatie van de handtekening.
Indien de achterblijvende ouder wiens toestemming is vereist de toestemming niet kan geven omdat deze ouder onvindbaar is of is overleden, moet aannemelijk worden gemaakt waarom deze verklaring niet kan worden overgelegd.
Indien de achterblijvende ouder wiens toestemming is vereist de toestemming niet wil geven, wordt de aanvraag om nareis van dit kind bij de hoofdpersoon in Nederland afgewezen.
De toestemmingsverklaring wordt gevraagd om te voorkomen dat door de Nederlandse overheid wordt meegewerkt aan onrechtmatige onttrekking aan macht en gezag van degene aan wie het rechtmatig gezag over een buitenlands kind toekomt dan wel wie dat uitoefent.
#### 6.2. Gezinsleden en artikel 1F Vluchtelingenverdrag
Gezinsleden van een vreemdeling aan wie artikel 1F Vluchtelingenverdrag wordt tegengeworpen, komen op grond van artikel 3.77 en 3.107 Vb in beginsel niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning (zie C4/3.11.4.).
In het geval een ouder, niet zijnde de vreemdeling aan wie artikel 1F Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen, op zelfstandige gronden in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel, dan kunnen gerelateerd aan die ouder de overige gezinsleden, niet zijnde de vreemdeling aan wie artikel 1F Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen, in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder e of f, Vw.
@ -2507,27 +2540,25 @@ b. de resultaten uit het herhaald leeftijdsonderzoek zijn niet in tegenspraak me
### 6. Onderzoek naar de gezinsband bij nareizende gezinsleden
Indien de vreemdeling verblijf beoogt op grond van artikel 29, eerste lid, onder e of f, Vw (zie C2/6), kan er sprake zijn van twijfel aan de identiteit en de familierechtelijke relaties van de betrokkenen. Om de identiteit en de familierechtelijke relaties van betrokkenen te kunnen vaststellen, dienen in beginsel de volgende (originele) documenten te worden overgelegd.
Indien de vreemdeling verblijf beoogt op grond van artikel 29, eerste lid, onder e of f, Vw (zie C2/6), kan er sprake zijn van twijfel aan de identiteit en de familierechtelijke relaties van de betrokkenen. Om de identiteit en de familierechtelijke relaties van betrokkenen te kunnen vaststellen, dienen in beginsel de volgende (originele) documenten te worden overgelegd:
een geldig document voor grensoverschrijding dat de identiteit aantoont;
officiële documenten die het bestaan van een geldig huwelijk aantonen;
officiële documenten die het bestaan van een familierechtelijke relatie tussen de minderjarige kinderen en de ouder(s) aantonen;
documenten die gezamenlijk het partnerschap en het samenwonen in het land van herkomst aantonen.
een geldig document voor grensoverschrijding dat de identiteit aantoont;
officiële documenten die het bestaan van een geldig huwelijk aantonen;
officiële documenten die het bestaan van een familierechtelijke relatie tussen de minderjarige kinderen en de ouder(s) aantonen;
documenten die gezamenlijk het partnerschap en het samenwonen in het land van herkomst aantonen.
Indien de betrokken vreemdeling of het gezinslid de hierboven genoemde documenten niet kan overleggen, dient de vreemdeling of het gezinslid aannemelijk te maken dat het ontbreken van documenten niet aan hem is toe te rekenen. Bij de beoordeling hiervan is van belang dat:
de verklaringen omtrent het ontbreken van de betreffende documenten consistent en geloofwaardig zijn; en
dat deze verklaringen overeenkomen met hetgeen overigens bekend is ten aanzien van de situatie in het land van herkomst met betrekking tot (het verkrijgen van) documenten.
de verklaringen omtrent het ontbreken van de betreffende documenten consistent en geloofwaardig zijn; en
dat deze verklaringen overeenkomen met hetgeen overigens bekend is ten aanzien van de situatie in het land van herkomst met betrekking tot (het verkrijgen van) documenten.
Indien de betrokken vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat hem niet is toe te rekenen dat de vereiste documenten niet zijn overgelegd in de zin van artikel 31, tweede lid, onder f, Vw, kan de aanvraag worden afgewezen.
Is het ontbreken van documenten niet toe te rekenen aan de betrokken vreemdeling(en), dan dienen de identiteit en de familierelatie op andere wijze aannemelijk te worden gemaakt. Het algemene uitgangspunt hierbij is dat de bewijslast primair bij de betrokken vreemdeling(en) ligt.
Is het ontbreken van documenten niet toe te rekenen aan de betrokken vreemdeling(en), dan dienen de identiteit en de familierelatie op andere wijze aannemelijk te worden gemaakt. Het algemene uitgangspunt hierbij is dat de bewijslast primair bij de betrokken vreemdeling(en) ligt. Indien het ontbreken van documenten betrokkene(n) niet aan te rekenen is, wordt vastgesteld dat er sprake is van bewijsnood. In dat geval dient de werkwijze hieronder te worden gevolgd.
Indien er wordt vastgesteld dat er sprake is van bewijsnood voor betrokken vreemdeling(en) en dat het ontbreken van documenten betrokkene (n) niet aan te rekenen is en er voorts sprake is van uit beide ouders of uit één van beide ouders geboren kind(eren), dan worden betrokkene(n) door de IND gewezen op de mogelijkheid van DNA-onderzoek. Voor een beschrijving van het DNA-onderzoek wordt verwezen naar B2/8.6. Echter, in afwijking van deze paragraaf wordt van de vreemdeling geen eigen bijdrage gevraagd voor het uitvoeren van een DNA-onderzoek, indien de gezinsleden zich allen nog in de asielprocedure bevinden ten tijde van het onderzoek.
Indien er sprake is van biologische kinderen van één of beide ouder(s) dan wordt/worden betrokkene(n) door de IND gewezen op de mogelijkheid van DNA-onderzoek. Voor een beschrijving van het DNA-onderzoek wordt verwezen naar B2/8.6 Vc. Indien de vreemdeling verblijf beoogt op grond van artikel 29, eerste lid, onder e of f Vw, wordt in afwijking van deze paragraaf geen eigen bijdrage gevraagd voor het uitvoeren van een DNA-onderzoek.
Als de familierelatie tussen ouder(s) en kind(eren) niet met documenten kan worden aangetoond, maar het DNA-onderzoek de biologische afstammingsrelatie bevestigt, wordt de aanvraag om een verblijfsvergunning dan wel de aanvraag om een mvv, ingewilligd, tenzij overigens bekend geworden gegevens zich tegen inwilliging verzetten.
In het geval dat er geen (originele) documenten zijn overgelegd en de houder van de verblijfsvergunning asiel (referent) eerder desgevraagd de familierelatie niet heeft gemeld of de relatie heeft ontkend, is de familierechtelijke relatie tussen ouder(s) en kind(eren) niet aannemelijk geworden en wordt de aanvraag afgewezen. DNA-onderzoek is dan niet aan de orde. Uiteraard moet het departementale dossier wel voldoende informatie bevatten om het bestaan van de beweerde gezinsband en/of de identiteit al op die grond in twijfel te trekken.
Als het DNA-onderzoek de biologische afstammingsrelatie bevestigt, wordt de aanvraag om een verblijfsvergunning dan wel de aanvraag om een mvv, ingewilligd, tenzij overige bekend geworden gegevens zich tegen inwilliging verzetten.
## 13. Het nader gehoor