2016-01-01 | BWBR0032006 | Inkomstenbelasting, aanmerkelijk belang, verzamelbesluit

This commit is contained in:
Coornhert 2016-01-01 12:00:00 +00:00
parent 75c8de97a1
commit b47de61bc9

View file

@ -10,23 +10,22 @@ citeertitel: Inkomstenbelasting, aanmerkelijk belang, verzamelbesluit
# Inkomstenbelasting, aanmerkelijk belang, verzamelbesluit
*Dit besluit is een actualisering van het besluit van 23 november 2006, nr. CPP 2006/2674M. Hierin zijn beleidsstandpunten verwerkt die zijn ontwikkeld naar aanleiding van de toepassing van de wijzigingen in de aanmerkelijkbelangregeling met ingang van 2010.*
*Dit besluit is een actualisering van het besluit van 23 november 2006, nr. CPP 2006/2674M. Hierin zijn beleidsstandpunten verwerkt die zijn ontwikkeld naar aanleiding van de toepassing van de wijzigingen in de aanmerkelijkbelangregeling met ingang van 2010.*
## 1. Inleiding
De volgende onderdelen zijn nieuw opgenomen in het besluit:
Onderdeel 3.2: *Onbelast reguliere voordelen genieten*: dit onderdeel heeft betrekking op verruiming van de mogelijkheid reguliere voordelen bij vererfde aandelen niet als inkomen uit aanmerkelijk belang in aanmerking te nemen;
Onderdeel 4.4: aan het onderdeel *Wijziging gewone aandelen in preferente aandelen* is een alinea ter verduidelijking toegevoegd;
Onderdeel 4.11: dit onderdeel heeft betrekking op een toelichting op een uitspraak van het Hof s-Hertogenbosch van 29 oktober 2010, nr. 09/00410, LJN BP3710.
Onderdeel 4.11: dit onderdeel heeft betrekking op een toelichting op een uitspraak van het Hof s-Hertogenbosch van 29 oktober 2010, nr. 09/00410, LJN BP3710.
Onderdelen 5.4 en 5.5: deze hebben betrekking op de nieuwe doorschuifregeling in het aanmerkelijk belang (artikel 4.17c van de Wet IB 2001.
Onderdeel 7.2: dit onderdeel heeft betrekking op de gedeeltelijke omzetting van een verlies uit aanmerkelijk belang in een belastingkorting (artikel 4.53 van de Wet IB 2001).
Onderdeel 8: dit onderdeel heeft betrekking op de transparantie van rechtspersonen met natuurschoonwet-landgoederen, zogenoemde NSW-lichamen (artikel 10.9 van de Wet IB 2001).
De volgende onderdelen (nummering uit het vorige besluit) zijn niet langer opgenomen:
Onderdeel 3.1 (opties op nieuw uit te geven aandelen) is inmiddels bevestigd in jurisprudentie (Hoge Raad 11 juli 2008, nr. 41 949, LJN BA4120). In dit arrest heeft de Hoge Raad beslist dat bij de beoordeling of een bepaald bezit aan rechten een aanmerkelijk belang vormt, moet worden uitgegaan van het feitelijke geplaatste aandelenkapitaal op het beoordelingsmoment.
Onderdeel 6.9 (prijsgeven optie) in verband met het arrest van de Hoge Raad 7 oktober 2011, nr. 11/00572, LJN BT6844. In dit arrest heeft de Hoge Raad beslist dat een vergoeding voor het afzien van uitoefening van optierechten belast is als winst uit aanmerkelijk belang. Dit oordeel omvat het beleidsstandpunt uit onderdeel 6.9, dat daarmee overbodig is geworden.
Onderdeel 3.1 (opties op nieuw uit te geven aandelen) is inmiddels bevestigd in jurisprudentie (Hoge Raad 11 juli 2008, nr. 41 949, LJN BA4120). In dit arrest heeft de Hoge Raad beslist dat bij de beoordeling of een bepaald bezit aan rechten een aanmerkelijk belang vormt, moet worden uitgegaan van het feitelijke geplaatste aandelenkapitaal op het beoordelingsmoment.
Onderdeel 6.9 (prijsgeven optie) in verband met het arrest van de Hoge Raad 7 oktober 2011, nr. 11/00572, LJN BT6844. In dit arrest heeft de Hoge Raad beslist dat een vergoeding voor het afzien van uitoefening van optierechten belast is als winst uit aanmerkelijk belang. Dit oordeel omvat het beleidsstandpunt uit onderdeel 6.9, dat daarmee overbodig is geworden.
Onderdeel 9.1 (slotverlies uit aanmerkelijk belang en overlijden binnen de wachttijd) is inmiddels gecodificeerd (artikel 4.53, vijfde lid, van de Wet IB 2001).
Voor het overige is geen inhoudelijke wijziging beoogd. Wel zijn redactionele wijzigingen aangebracht. De in dit besluit opgenomen goedkeuringen zijn gebaseerd op artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
@ -65,29 +64,11 @@ Onder de hierna te stellen voorwaarden keur ik goed dat in geval van een dergeli
Een terugbetaling van kapitaal op aandelen zonder nominale waarde (bijvoorbeeld door een Belgische NV aan een in Nederland woonachtige aandeelhouder) is belast als een regulier voordeel uit aanmerkelijk belang. Er wordt namelijk niet aan alle vereisten voldaan voor een onbelaste teruggaaf van wat op aandelen is gestort (artikel 4.13, eerste lid, onderdeel b, van de Wet IB 2001). Eén van die vereisten is dat de nominale waarde van de aandelen bij statutenwijziging wordt verlaagd. Hieraan wordt niet voldaan als de aandelen geen nominale waarde hebben. Ook een terugbetaling van agio of informeel kapitaal is onder die omstandigheden belast als regulier voordeel. Voor de volledigheid merk ik op dat een belaste terugbetaling niet leidt tot een verlaging van de verkrijgingsprijs.
### 3.2. Onbelast reguliere voordelen genieten
Een belastingplichtige die aanmerkelijkbelangaandelen erft, heeft onder omstandigheden de mogelijkheid over die verkregen aandelen onbelast reguliere voordelen te genieten. De voordelen moeten onder andere zijn genoten binnen 24 maanden na het overlijden van de erflater en bij laatstgenoemde moet bij de overgang van de aandelen inkomen uit AB in aanmerking zijn genomen. Ook brengt de regeling mee dat de verkrijgingsprijs van de aandelen met het genoten voordeel wordt verlaagd (artikel 4.12a van de Wet IB 2001).
Dividend wordt op grond van het civiele recht uitgekeerd over alle aandelen in de vennootschap (artikel 2:201 BW). Dit kan bezwarend zijn voor degene die (ook) niet-vererfde aandelen in diezelfde vennootschap bezit (bijvoorbeeld de langstlevende die aandelen bezit krachtens huwelijksvermogensrecht). Alleen voor de vererfde aandelen bestaat nu immers recht op de faciliteit terwijl een dividenduitkering over alle aandelen plaatsvindt. Toepassing van de regeling heeft voor genoemde belastingplichtigen dus tot gevolg dat zij wat de niet-vererfde aandelen betreft verplicht worden geconfronteerd met een heffing in box 2. Dit acht ik niet gewenst. Daarom keur ik vooruitlopend op wetgeving het volgende goed.
1 Ik keur goed dat de verkrijger krachtens erfrecht bovengenoemde faciliteit kan toepassen op zowel de vererfde aandelen/winstbewijzen als op de aandelen/winstbewijzen van dezelfde soort in dezelfde vennootschap die reeds in het bezit zijn op het tijdstip van overlijden.
2 Ik keur onder de volgende 2 voorwaarden ook goed dat de erfgenamen voor wie de wettelijk vereiste 24-maandentermijn al is verstreken, desgewenst alsnog gebruik kunnen maken van de hiervoor geformuleerde verruimde faciliteit. Dit geldt ook voor de erfgenamen die:
in aanmerking zouden kunnen komen voor de verruimde faciliteit;
hiertoe geen verzoek hebben ingediend of gedeeltelijk hebben moeten afrekenen en
wiens aanslagen al onherroepelijk vaststaan.
1. Het verzoek moet uiterlijk op 31 december 2014 zijn ingediend bij de inspecteur.
2. De reguliere voordelen moeten uiterlijk op 31 december 2014 zijn genoten.
Bovenstaande goedkeuringen gelden niet als de aandelen na het overlijdenstijdstip van de erflater geheel of gedeeltelijk zijn vervreemd.
## 4. Vervreemdingsvoordelen
### 4.1. Uitgifte winstbewijzen
Als een vennootschap winstbewijzen uitkeert aan haar enige aandeelhouder is sprake van een vervreemding voor zover winstrechten verschuiven van de aandelen naar de winstbewijzen (artikel 4.12, onderdeel b, van de Wet IB 2001). De overdrachtsprijs wordt gesteld op de waarde in het economische verkeer van de winstbewijzen (artikel 4.22 van de Wet IB 2001). Het arrest van de Hoge Raad van 2 juni 2006, nr. 41 552, LJN AV1333, is niet van toepassing omdat dit betrekking heeft op het jaar 1996 en het aanmerkelijkbelangregime met ingang van 1997 is gewijzigd.
Als een vennootschap winstbewijzen uitkeert aan haar enige aandeelhouder is sprake van een vervreemding voor zover winstrechten verschuiven van de aandelen naar de winstbewijzen (artikel 4.12, onderdeel b, van de Wet IB 2001). De overdrachtsprijs wordt gesteld op de waarde in het economische verkeer van de winstbewijzen (artikel 4.22 van de Wet IB 2001). Het arrest van de Hoge Raad van 2 juni 2006, nr. 41 552, LJN AV1333, is niet van toepassing omdat dit betrekking heeft op het jaar 1996 en het aanmerkelijkbelangregime met ingang van 1997 is gewijzigd.
### 4.2. Verkrijgingsprijs; aandelen in volle en blote eigendom
@ -95,9 +76,9 @@ In het aanmerkelijkbelangregime wordt uitgegaan van de gemiddelde verkrijgingspr
*Voorbeeld (verkoop vruchtgebruik)*
Y heeft 20 aandelen met een verkrijgingsprijs van € 1.000 per aandeel. Hij verkoopt een recht van vruchtgebruik op 10 aandelen aan een derde voor € 70.000. Op dat moment zijn de aandelen in volle eigendom € 10.000 per stuk waard. Na de verkoop heeft hij nog 10 aandelen met een verkrijgingsprijs van € 1.000 en de blote eigendom van 10 aandelen met een verkrijgingsprijs van € 300. Enkele jaren later koopt Y 10 aandelen van een zelfde soort erbij voor € 15.000 per stuk. De totale verkrijgingsprijs bedraagt:
Y heeft 20 aandelen met een verkrijgingsprijs van € 1.000 per aandeel. Hij verkoopt een recht van vruchtgebruik op 10 aandelen aan een derde voor € 70.000. Op dat moment zijn de aandelen in volle eigendom € 10.000 per stuk waard. Na de verkoop heeft hij nog 10 aandelen met een verkrijgingsprijs van € 1.000 en de blote eigendom van 10 aandelen met een verkrijgingsprijs van € 300. Enkele jaren later koopt Y 10 aandelen van een zelfde soort erbij voor € 15.000 per stuk. De totale verkrijgingsprijs bedraagt:
 10.000 + € 3.000 + € 150.000 = € 163.000
10.000 + € 3.000 + € 150.000 = € 163.000
Per aandeel waarvan Y de volle eigendom bezit is de verkrijgingsprijs:
@ -105,7 +86,7 @@ Per aandeel waarvan Y de volle eigendom bezit is de verkrijgingsprijs:
Per aandeel waarvan Y de blote eigendom bezit is de verkrijgingsprijs:
300/1.000 x € 7.087 = € 2.126
300/1.000 x € 7.087 = € 2.126
NB De breuk geeft de verhouding weer tussen de waarde van de blote eigendom en de waarde van de volle eigendom op het moment dat het recht van vruchtgebruik wordt gevestigd. Deze breuk blijft voor de berekening van de verkrijgingsprijs ongewijzigd indien op een later moment een nieuwe verkrijgingsprijs moet worden berekend omdat aandelen van een zelfde soort worden bijgekocht.
@ -115,7 +96,7 @@ Gebruikelijk loon in de zin van artikel 12a van de Wet op de loonbelasting 1964
*Voorbeeld 1 (BV verhaalt loonheffing en zorgpremie)*
B is werkzaam voor een BV waarin hij een aanmerkelijk belang heeft. Hij ontvangt geen salaris. Een gebruikelijk loon van € 50.000 wordt in aanmerking genomen. De BV draagt hierover € 17.000 loonbelasting/premie volksverzekeringen (loonheffing) af. Over het (gebruikelijke) loon is op grond van de Zorgverzekeringswet (ZVW) een inkomensafhankelijke bijdrage verschuldigd van € 3.250. Verder heeft de verzekeringsplichtige recht op een volledige vergoeding door de inhoudingsplichtige van deze bijdrage. De BV verhaalt de af te dragen loonheffing alsmede zorgpremie op B. De informele kapitaalstorting bedraagt € 50.000, te weten het gebruikelijke loon inclusief de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW. De volgende journaalposten kunnen worden gemaakt:
B is werkzaam voor een BV waarin hij een aanmerkelijk belang heeft. Hij ontvangt geen salaris. Een gebruikelijk loon van € 50.000 wordt in aanmerking genomen. De BV draagt hierover € 17.000 loonbelasting/premie volksverzekeringen (loonheffing) af. Over het (gebruikelijke) loon is op grond van de Zorgverzekeringswet (ZVW) een inkomensafhankelijke bijdrage verschuldigd van € 3.250. Verder heeft de verzekeringsplichtige recht op een volledige vergoeding door de inhoudingsplichtige van deze bijdrage. De BV verhaalt de af te dragen loonheffing alsmede zorgpremie op B. De informele kapitaalstorting bedraagt € 50.000, te weten het gebruikelijke loon inclusief de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW. De volgende journaalposten kunnen worden gemaakt:
| | | |
| --- | --- | --- |
@ -125,7 +106,7 @@ B is werkzaam voor een BV waarin hij een aanmerkelijk belang heeft. Hij ontvangt
| Aan af te dragen LB/PH | | € 17.000 |
| Aan af te dragen zorgpremie | | € 3.250 |
Dezelfde gegevens als bij voorbeeld 1, maar nu verhaalt de BV de af te dragen loonheffing en de zorgpremie niet op B. Het voordeel door het niet verhalen wordt aangemerkt als daadwerkelijk genoten loon. Dat bedraagt € 20.250 (€ 17.000 af te dragen loonheffing, vermeerderd met € 3.250 vergoeding van de inkomensafhankelijke bijdrage). De informele kapitaalstorting bedraagt in dit geval € 29.750. De volgende journaalposten kunnen worden gemaakt:
Dezelfde gegevens als bij voorbeeld 1, maar nu verhaalt de BV de af te dragen loonheffing en de zorgpremie niet op B. Het voordeel door het niet verhalen wordt aangemerkt als daadwerkelijk genoten loon. Dat bedraagt € 20.250 (€ 17.000 af te dragen loonheffing, vermeerderd met € 3.250 vergoeding van de inkomensafhankelijke bijdrage). De informele kapitaalstorting bedraagt in dit geval € 29.750. De volgende journaalposten kunnen worden gemaakt:
| | | |
| --- | --- | --- |
@ -138,7 +119,7 @@ Dezelfde gegevens als bij voorbeeld 1, maar nu verhaalt de BV de af te dragen lo
De wetgever heeft in 2010 een bedrijfsopvolgingsregeling in het aanmerkelijk belang geïntroduceerd (artikel 4.17c van de Wet IB 2001). Het vormgeven van een bedrijfsopvolging langs de lijnen van die bepaling, een overdracht door schenking, behoort sindsdien tot de mogelijkheden. In dat geval wordt op verzoek die overdracht niet als een vervreemding aangemerkt en geldt een doorschuifregeling.
Het komt voor ook nog bij bedrijfsopvolging dat (een gedeelte van) de aandelen in een vennootschap bij statutenwijziging worden omgevormd tot preferente aandelen of dat een verlettering van aandelen plaatsvindt. Er kan twijfel bestaan over het antwoord op de vraag of in dergelijke situaties sprake is van een vervreemding. In zijn algemeenheid geldt dat een vervreemding wordt aangenomen indien de economische betekenis van de aandelen vóór de statutenwijziging (hierna: ongewijzigde aandelen) niet overeenkomt met de economische betekenis van de aandelen na de statutenwijziging (hierna: gewijzigde aandelen). Er dient dan in elk geval sprake te zijn van een zodanige verandering van financiële rechten dat de gewijzigde aandelen niet met de ongewijzigde aandelen kunnen worden vereenzelvigd (vgl. Gerechtshof Arnhem, 30 oktober 1989, nr. 1023/1987, LJN AW2363).
Het komt voor ook nog bij bedrijfsopvolging dat (een gedeelte van) de aandelen in een vennootschap bij statutenwijziging worden omgevormd tot preferente aandelen of dat een verlettering van aandelen plaatsvindt. Er kan twijfel bestaan over het antwoord op de vraag of in dergelijke situaties sprake is van een vervreemding. In zijn algemeenheid geldt dat een vervreemding wordt aangenomen indien de economische betekenis van de aandelen vóór de statutenwijziging (hierna: ongewijzigde aandelen) niet overeenkomt met de economische betekenis van de aandelen na de statutenwijziging (hierna: gewijzigde aandelen). Er dient dan in elk geval sprake te zijn van een zodanige verandering van financiële rechten dat de gewijzigde aandelen niet met de ongewijzigde aandelen kunnen worden vereenzelvigd (vgl. Gerechtshof Arnhem, 30 oktober 1989, nr. 1023/1987, LJN AW2363).
Omgekeerd geldt dus dat normaal gesproken geen sprake is van een vervreemding indien:
@ -208,7 +189,7 @@ Indien echtgenoten die buiten gemeenschap van goederen zijn gehuwd, gaan scheide
Hierna wordt uitgegaan van de situatie dat tijdens een buiten gemeenschap van goederen gesloten huwelijk het onverteerde inkomen jaarlijks wordt gedeeld (periodiek verrekenbeding). Man en vrouw verwerven tijdens het huwelijk ieder 50% van de aandelen in een BV. Bij echtscheiding worden alle aandelen toegedeeld aan de vrouw.
De toedeling van de aandelen aan de vrouw is een vervreemding door de man. Artikel 4.17 van de Wet IB 2001 is niet van toepassing. Civielrechtelijke jurisprudentie (bijvoorbeeld Hoge Raad, 7 april 1995, nr. 15 605, LJN ZC1695) leidt niet tot een andere uitkomst. In die jurisprudentie heeft de Hoge Raad slechts beslissingen gegeven voor situaties waarin de jaarlijkse besparingen in afwijking van de huwelijkse voorwaarden niet waren verdeeld. Dat is hier niet aan de orde. Dat betekent dat er ten aanzien van de toedeling van de aandelen aan de vrouw geen sprake is van een overgang krachtens huwelijksvermogensrecht of van verdeling van de huwelijksgemeenschap, zoals is vereist in artikel 4.17 van de Wet IB 2001.
De toedeling van de aandelen aan de vrouw is een vervreemding door de man. Artikel 4.17 van de Wet IB 2001 is niet van toepassing. Civielrechtelijke jurisprudentie (bijvoorbeeld Hoge Raad, 7 april 1995, nr. 15 605, LJN ZC1695) leidt niet tot een andere uitkomst. In die jurisprudentie heeft de Hoge Raad slechts beslissingen gegeven voor situaties waarin de jaarlijkse besparingen in afwijking van de huwelijkse voorwaarden niet waren verdeeld. Dat is hier niet aan de orde. Dat betekent dat er ten aanzien van de toedeling van de aandelen aan de vrouw geen sprake is van een overgang krachtens huwelijksvermogensrecht of van verdeling van de huwelijksgemeenschap, zoals is vereist in artikel 4.17 van de Wet IB 2001.
In de situatie dat sprake is van een finaal verrekenbeding bestaat slechts een vorderingsrecht op de waardevermeerdering. Artikel 4.17 van de Wet IB 2001 is derhalve niet van toepassing.
@ -216,7 +197,7 @@ Ook als in afwijking van de huwelijkse voorwaarden het onverteerde inkomen niet
### 4.9. Legaat van aanmerkelijkbelangaandelen
Indien een erflater in zijn testament een legaat van de aandelen heeft opgenomen en in het testament niets heeft bepaald over de ingangsdatum van het legaat, is met betrekking tot de vraag of sprake is van een fictieve vervreemding de regeling in het BW beslissend. Voor de periode vanaf 1 januari 2003 geldt artikel 4:201, eerste lid, BW. Dit artikel bepaalt dat de legataris het legaat verkrijgt zonder dat een aanvaarding nodig is. Dit betekent dat de aandelen onder algemene titel overgaan op de legataris op grond van artikel 4.16, eerste lid, onderdeel e, van de Wet IB 2001. De legataris wordt hierdoor direct aanmerkelijkbelanghouder ten aanzien van de aandelen. Ook als het legaat nog niet is afgegeven, zijn eventuele reguliere voordelen daarom belast bij de legataris in box 2. Onder deze omstandigheden verkrijgen de erfgenamen geen aandelen.
Indien een erflater in zijn testament een legaat van de aandelen heeft opgenomen en in het testament niets heeft bepaald over de ingangsdatum van het legaat, is met betrekking tot de vraag of sprake is van een fictieve vervreemding de regeling in het BW beslissend. Voor de periode vanaf 1 januari 2003 geldt artikel 4:201, eerste lid, BW. Dit artikel bepaalt dat de legataris het legaat verkrijgt zonder dat een aanvaarding nodig is. Dit betekent dat de aandelen onder algemene titel overgaan op de legataris op grond van artikel 4.16, eerste lid, onderdeel e, van de Wet IB 2001. De legataris wordt hierdoor direct aanmerkelijkbelanghouder ten aanzien van de aandelen. Ook als het legaat nog niet is afgegeven, zijn eventuele reguliere voordelen daarom belast bij de legataris in box 2. Onder deze omstandigheden verkrijgen de erfgenamen geen aandelen.
In de situatie dat de legataris het legaat verwerpt, komen de aandelen en de inkomsten daaruit vanaf het tijdstip van overlijden toe aan de erfgenamen. Dit betekent dat de erfgenamen vanaf de datum van overlijden steeds aanmerkelijkbelanghouder zijn geweest.
@ -240,7 +221,7 @@ In uitzonderlijke gevallen blijkt dat een verdeling binnen twee jaren niet mogel
Indien aandelen onder een blokkeringsregeling vallen, is voor de aanmerkelijkbelangregeling pas sprake van een vervreemding op het moment dat aan de voorwaarden van de blokkeringsregeling is voldaan.
Een obligatoire overeenkomst tot vervreemding van aandelen die onder een blokkeringsregeling vallen, wordt beschouwd als overeengekomen onder de opschortende voorwaarde dat de verkoper met inachtneming van de blokkeringsregeling toestemming krijgt voor levering van de aandelen. Aangenomen moet immers worden dat de koper en verkoper zich slechts hebben willen binden voor het geval de verkoper in staat blijkt de aandelen rechtsgeldig te leveren. Tot het moment waarop de opschortende voorwaarde wordt vervuld, is derhalve geen sprake van een perfecte overeenkomst en mitsdien evenmin van een vervreemding in de zin van de aanmerkelijkbelangregeling (Hof Den Bosch 28 mei 1957, NJ 1958, 129, en Rechtbank Haarlem 10 mei 1983, NJ 1984, 431). Indien sprake is van een overeenkomst onder opschortende voorwaarde, heeft de koper slechts een voorwaardelijk recht verkregen en kan het economische belang bij de aandelen hem niet toekomen voordat de voorwaarde in vervulling is gegaan (HR 9 oktober 2009, nr. 08/03606, LJN BI37245, en HR 19 april 2000, nr. 33 560, LJN AA5540). Ik verwijs ook naar mijn toelichting van 17 december 2010, nr. DGB2010-7615 naar aanleiding van de uitspraak van het Hof s-Hertogenbosch van 29 oktober 2010, nr. 2009/00410, LJN BP3710 (*V-N* 2012/15.22).
Een obligatoire overeenkomst tot vervreemding van aandelen die onder een blokkeringsregeling vallen, wordt beschouwd als overeengekomen onder de opschortende voorwaarde dat de verkoper met inachtneming van de blokkeringsregeling toestemming krijgt voor levering van de aandelen. Aangenomen moet immers worden dat de koper en verkoper zich slechts hebben willen binden voor het geval de verkoper in staat blijkt de aandelen rechtsgeldig te leveren. Tot het moment waarop de opschortende voorwaarde wordt vervuld, is derhalve geen sprake van een perfecte overeenkomst en mitsdien evenmin van een vervreemding in de zin van de aanmerkelijkbelangregeling (Hof Den Bosch 28 mei 1957, NJ 1958, 129, en Rechtbank Haarlem 10 mei 1983, NJ 1984, 431). Indien sprake is van een overeenkomst onder opschortende voorwaarde, heeft de koper slechts een voorwaardelijk recht verkregen en kan het economische belang bij de aandelen hem niet toekomen voordat de voorwaarde in vervulling is gegaan (HR 9 oktober 2009, nr. 08/03606, LJN BI37245, en HR 19 april 2000, nr. 33 560, LJN AA5540). Ik verwijs ook naar mijn toelichting van 17 december 2010, nr. DGB2010-7615 naar aanleiding van de uitspraak van het Hof s-Hertogenbosch van 29 oktober 2010, nr. 2009/00410, LJN BP3710 (*V-N* 2012/15.22).
## 5. Doorschuifregelingen
@ -344,25 +325,25 @@ De preferente aandelen moeten o.a. een omzetting vormen van een eerder door de e
#### 5.5.1. Preferente aandelen die zijn ontstaan vóór 2010
Het komt voor dat bij een omzetting van gewone aandelen in preferente aandelen vóór 1 januari 2010 geen rekening is gehouden met de na die datum geldende wettelijke voorwaarde dat de omzetting gepaard is gegaan met het toekennen van gewone aandelen aan een ander. Ik heb er begrip voor dat met deze voorwaarde destijds nog geen rekening kon worden gehouden in gevallen waarbij er reeds een beoogd bedrijfsopvolger is, die al gewone aandelen bezit in de desbetreffende vennootschap.
Het komt voor dat bij een omzetting van gewone aandelen in preferente aandelen vóór 1 januari 2010 geen rekening is gehouden met de na die datum geldende wettelijke voorwaarde dat de omzetting gepaard is gegaan met het toekennen van gewone aandelen aan een ander. Ik heb er begrip voor dat met deze voorwaarde destijds nog geen rekening kon worden gehouden in gevallen waarbij er reeds een beoogd bedrijfsopvolger is, die al gewone aandelen bezit in de desbetreffende vennootschap.
Ik keur goed dat ervan kan worden uitgegaan dat de omzetting van gewone aandelen in (indirect gehouden) preferente aandelen gepaard is gegaan met het toekennen van gewone aandelen aan een ander als bedoeld in artikel 4.17a, derde lid, onderdelen b en d, van de Wet IB 2001 en artikel 26b, derde lid, onderdelen b en d, van de URIB 2001. Aan deze goedkeuring verbind ik de volgende voorwaarden:
de omzetting heeft plaatsgevonden vóór 1 januari 2010;
de omzetting heeft plaatsgevonden vóór 1 januari 2010;
op het moment van de omzetting hield een ander ook gewone aandelen;
alleen de gewone aandelen uit de vorige voorwaarde zijn aan te merken als de gewone aandelen die zijn toegekend aan een ander in de zin van de hiervoor vermelde wettelijke bepalingen;
de verkrijger van de preferente aandelen is op het moment van de verkrijging voor ten minste 5% van het totaal geplaatste aandelenkapitaal (direct of indirect) aandeelhouder van de in de vorige voorwaarde bedoelde gewone aandelen;
de goedkeuring geldt slechts voor de preferente aandelen, die zijn ontstaan op het moment waarop de gewone aandelen zijn omgezet in preferente aandelen.
#### 5.5.2. Preferente aandelen die vóór 1 januari 2010 zijn ontstaan door omwisseling van een vordering
#### 5.5.2. Preferente aandelen die vóór 1 januari 2010 zijn ontstaan door omwisseling van een vordering
Voor de doorschuiffaciliteit bij de aanmerkelijkbelangregeling worden vorderingen niet als ondernemingsvermogen aangemerkt. Dat geldt eveneens als de vordering is ontstaan in het kader van een bedrijfsopvolging. Een uitzondering is echter gemaakt voor vererving als de vordering is ontstaan vóór 1 januari 2010 (artikel 4.17a, zevende lid, van de Wet IB 2001).
Voor de doorschuiffaciliteit bij de aanmerkelijkbelangregeling worden vorderingen niet als ondernemingsvermogen aangemerkt. Dat geldt eveneens als de vordering is ontstaan in het kader van een bedrijfsopvolging. Een uitzondering is echter gemaakt voor vererving als de vordering is ontstaan vóór 1 januari 2010 (artikel 4.17a, zevende lid, van de Wet IB 2001).
Het komt voor dat bij een omzetting van de schuldig gebleven koopsom in preferente aandelen vóór 1 januari 2010 nog geen rekening is gehouden met de na die datum geldende voorwaarde dat de preferente aandelen moeten zijn ontstaan door omwisseling van gewone aandelen. Dergelijke verzoeken wijs ik af. Ik heb slechts begrip voor de situatie waarin de schuldig gebleven koopsom vóór 1 januari 2010 is ontstaan en op dezelfde dag is omgezet in preferente aandelen.
Het komt voor dat bij een omzetting van de schuldig gebleven koopsom in preferente aandelen vóór 1 januari 2010 nog geen rekening is gehouden met de na die datum geldende voorwaarde dat de preferente aandelen moeten zijn ontstaan door omwisseling van gewone aandelen. Dergelijke verzoeken wijs ik af. Ik heb slechts begrip voor de situatie waarin de schuldig gebleven koopsom vóór 1 januari 2010 is ontstaan en op dezelfde dag is omgezet in preferente aandelen.
Ik keur goed dat de preferente aandelen die vóór 1 januari 2010 zijn ontstaan door omzetting van een vordering, worden aangemerkt als preferente aandelen als bedoeld in artikel 4.17a, derde lid, onderdeel a, van de Wet IB 2001 en artikel 26b, derde lid, onderdeel a, van de URIB 2001. Aan deze goedkeuring verbind ik de volgende voorwaarden:
Ik keur goed dat de preferente aandelen die vóór 1 januari 2010 zijn ontstaan door omzetting van een vordering, worden aangemerkt als preferente aandelen als bedoeld in artikel 4.17a, derde lid, onderdeel a, van de Wet IB 2001 en artikel 26b, derde lid, onderdeel a, van de URIB 2001. Aan deze goedkeuring verbind ik de volgende voorwaarden:
de vordering is vóór 1 januari 2010 ontstaan door overdracht van gewone aandelen aan een ander;
de vordering is vóór 1 januari 2010 ontstaan door overdracht van gewone aandelen aan een ander;
de vordering is vervolgens op dezelfde dag omgezet in preferente aandelen;
voor de toepassing van artikel 13d, zesde lid, en artikel 13i van de Wet VPB wordt de inbreng van de aandelen tegen de vordering geacht te hebben plaatsgevonden tegen uitreiking van preferente aandelen.
@ -370,7 +351,7 @@ Voor de toepassing van artikel 4.17a, derde lid, onderdeel b, van de Wet IB 2001
### 5.6. Aandelenruil en ongelijke tegenprestatie
Een ongelijke en dus een onzakelijke ruilverhouding brengt in zijn algemeenheid mee dat de aandelenfusiefaciliteit op die grond niet kan worden verleend (Hoge Raad, 25 oktober 2000, nr. 35 957, LJN AA7846).
Een ongelijke en dus een onzakelijke ruilverhouding brengt in zijn algemeenheid mee dat de aandelenfusiefaciliteit op die grond niet kan worden verleend (Hoge Raad, 25 oktober 2000, nr. 35 957, LJN AA7846).
Ik keur niettemin goed dat een aandelenfusie met ongelijke ruilverhouding wordt toegestaan. Aan deze goedkeuring verbind ik de volgende voorwaarden:
@ -391,7 +372,7 @@ Ten aanzien van de vraag of een dergelijke omvorming kwalificeert als een vervre
### 6.1. Fictieve vervreemding van fictief aanmerkelijk belang
Als sprake is van een fictief aanmerkelijk belang in de zin van artikel 4.11 van de Wet IB 2001 worden de aandelen geacht te zijn vervreemd als belastingplichtige daarom verzoekt (artikel 4.16, derde lid, van de Wet IB 2001). Een belastingplichtige kan niet terugkomen op een dergelijk verzoek. Zou dat anders zijn, dan zou dat de mogelijkheid bieden tot ongewenste manipulatie: belastingplichtige zou dan een verzoek tot overbrenging van de aandelen naar box 3 per 1 januari van een jaar kunnen indienen en vervolgens het waardeverloop van de aandelen in dat jaar kunnen afwachten. Stijgt de waarde van zijn aandelenpakket, dan blijft hij bij zijn oorspronkelijke keuze en realiseert de waardestijging in box 3. Daalt de waarde van zijn aandelenpakket, dan herroept hij het verzoek en dient kort daarop een volgend, gelijkluidend verzoek in. De mogelijkheid om terug te komen op een verzoek ex artikel 4.16, derde lid, van de Wet IB 2001 past overigens ook niet bij het vervreemdingsbegrip van het aanmerkelijk belang. Dat is een éénmalig moment. Het onderscheid tussen een civielrechtelijke vervreemding en een fictieve vervreemding is in dit verband niet relevant.
Als sprake is van een fictief aanmerkelijk belang in de zin van artikel 4.11 van de Wet IB 2001 worden de aandelen geacht te zijn vervreemd als belastingplichtige daarom verzoekt (artikel 4.16, derde lid, van de Wet IB 2001). Een belastingplichtige kan niet terugkomen op een dergelijk verzoek. Zou dat anders zijn, dan zou dat de mogelijkheid bieden tot ongewenste manipulatie: belastingplichtige zou dan een verzoek tot overbrenging van de aandelen naar box 3 per 1 januari van een jaar kunnen indienen en vervolgens het waardeverloop van de aandelen in dat jaar kunnen afwachten. Stijgt de waarde van zijn aandelenpakket, dan blijft hij bij zijn oorspronkelijke keuze en realiseert de waardestijging in box 3. Daalt de waarde van zijn aandelenpakket, dan herroept hij het verzoek en dient kort daarop een volgend, gelijkluidend verzoek in. De mogelijkheid om terug te komen op een verzoek ex artikel 4.16, derde lid, van de Wet IB 2001 past overigens ook niet bij het vervreemdingsbegrip van het aanmerkelijk belang. Dat is een éénmalig moment. Het onderscheid tussen een civielrechtelijke vervreemding en een fictieve vervreemding is in dit verband niet relevant.
## 7. Verliesverrekening
@ -427,7 +408,7 @@ De overgang onder algemene titel is naar nationaal recht een fictieve vervreemdi
Het volgende besluit is ingetrokken met ingang van de inwerkingtreding van dit besluit:
besluit van 23 november 2006, nr. CPP2006/2674M, Stcrt. nr. 236
besluit van 23 november 2006, nr. CPP2006/2674M, Stcrt. nr. 236
## 11. Inwerkingtreding