diff --git a/wet/wet-op-het-hoger-onderwijs-en-wetenschappelijk-onderzoek/BWBR0005682/README.md b/wet/wet-op-het-hoger-onderwijs-en-wetenschappelijk-onderzoek/BWBR0005682/README.md index 89d24c4f6e7..a7cc6af0320 100644 --- a/wet/wet-op-het-hoger-onderwijs-en-wetenschappelijk-onderzoek/BWBR0005682/README.md +++ b/wet/wet-op-het-hoger-onderwijs-en-wetenschappelijk-onderzoek/BWBR0005682/README.md @@ -33,7 +33,7 @@ j. instellingsbestuur: – van een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die geaccrediteerde opleidingen verzorgt: het orgaan dat als zodanig in de statuten is aangewezen; k. studiejaar: het tijdvak dat aanvangt op 1 september en eindigt op 31 augustus van het daaropvolgende jaar; l. inspectie: de inspectie, bedoeld in de Wet op het onderwijstoezicht; -m. opleiding: een bacheloropleiding of een masteropleiding als bedoeld in artikel 7.3 waarvoor accreditatie is verleend of die een toets nieuwe opleiding met positief gevolg heeft ondergaan, tenzij uit deze wet het tegendeel blijkt; +m. opleiding: een associate degree-opleiding, een bacheloropleiding of een masteropleiding als bedoeld in artikel 7.3a, waarvoor accreditatie is verleend of die een toets nieuwe opleiding met positief gevolg heeft ondergaan, tenzij uit deze wet het tegendeel blijkt; n. duale opleiding: een opleiding als bedoeld in artikel 7.7, tweede lid,; o. faculteit der geneeskunde: de faculteit waarin de opleidingen voor het beroep van arts zijn ingesteld; p. accreditatieorgaan: de Nederlands-Vlaamse Accreditatie Organisatie, bedoeld in artikel 1 van het Accreditatieverdrag; @@ -41,13 +41,11 @@ q. accreditatie: het keurmerk dat tot uitdrukking brengt dat de kwaliteit van ee r. toets nieuwe opleiding: het keurmerk dat tot uitdrukking brengt dat de kwaliteit van een voorgenomen opleiding door het accreditatieorgaan positief is beoordeeld; r1. verzwaarde toets nieuwe opleiding: keurmerk als bedoeld in artikel 5a.10a, vijfde lid, dat tot uitdrukking brengt dat de kwaliteit van een opleiding positief is beoordeeld; s. instellingstoets kwaliteitszorg: het keurmerk dat tot uitdrukking brengt dat de interne kwaliteitszorg en de inzet tot verbetering van de resultaten van een instelling voor hoger onderwijs voor zover die betrekking heeft op de kwaliteit van haar opleidingen door het accreditatieorgaan positief is beoordeeld; -t visitatiegroep: opleidingen die onderwijsinhoudelijk met elkaar overeenkomen; +t. visitatiegroep: opleidingen die onderwijsinhoudelijk met elkaar overeenkomen; u. studiepunt: een studiepunt in de zin van artikel 7.4, eerste lid; v. Accreditatieverdrag: het op 3 september 2003 te Den Haag totstandgekomen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Vlaamse Gemeenschap van België inzake de accreditatie van opleidingen binnen het Nederlandse en Vlaamse hoger onderwijs (Trb. 2003, 167); -w. Ad-programma: het programma, bedoeld in artikel 7.8a, eerste lid; -x. toets nieuw Ad-programma: de toets die tot uitdrukking brengt dat de kwaliteit van een nieuw Ad-programma positief is beoordeeld; -x1. persoonsgebonden nummer: burgerservicenummer als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer, dan wel het door Onze Minister uitgegeven onderwijsnummer, bedoeld in artikel 7.31d, derde lid; -x2 *basisregister onderwijs:* basisregister onderwijs als bedoeld in artikel 24b van de Wet op het onderwijstoezicht; +w. persoonsgebonden nummer: burgerservicenummer als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer, dan wel het door Onze Minister uitgegeven onderwijsnummer, bedoeld in artikel 7.31d, derde lid; +x. *basisregister onderwijs:* basisregister onderwijs als bedoeld in artikel 24b van de Wet op het onderwijstoezicht; y. college van bestuur: – van een bijzondere instelling: het orgaan van de instelling dat als zodanig in de statuten is aangewezen; @@ -63,15 +61,6 @@ Deze wet is mede van toepassing in de openbare lichamen BES. ### Artikel 1.2 -Deze wet heeft betrekking op de volgende instellingen en academische ziekenhuizen: - -a. de in artikel 1.8 bedoelde universiteiten, hogescholen, de Open Universiteit en de levensbeschouwelijke universiteiten, -b. rechtspersonen voor hoger onderwijs met volledige rechtsbevoegdheid die initiële opleidingen verzorgen met uitzondering van de Staat en rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid die postinitiële masteropleidingen verzorgen met uitzondering van de Staat, -c. de in artikel 1.13, eerste lid, bedoelde academische ziekenhuizen, en -d. de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen te Amsterdam en de Koninklijke Bibliotheek te ’s-Gravenhage. - -### Artikel 1.2 - Vervallen ### Artikel 1.3 @@ -80,11 +69,11 @@ Vervallen **2.** Levensbeschouwelijke universiteiten zijn gericht op het verzorgen van wetenschappelijk onderwijs voor een levensbeschouwelijk ambt of beroep. Zij verrichten wetenschappelijk onderzoek op levensbeschouwelijk terrein, voorzien in de opleiding tot wetenschappelijk onderzoeker en dragen kennis over ten behoeve van de maatschappij. -**3.** Hogescholen zijn gericht op het verzorgen van hoger beroepsonderwijs. Zij verrichten ontwerp- en ontwikkelactiviteiten of onderzoek gericht op de beroepspraktijk. Zij verzorgen in elk geval bacheloropleidingen in het hoger beroepsonderwijs, zij verzorgen in voorkomende gevallen masteropleidingen in het hoger beroepsonderwijs en zij dragen in elk geval kennis over ten behoeve van de maatschappij. Zij dragen bij aan de ontwikkeling van beroepen waarop het onderwijs is gericht. +**3.** Hogescholen zijn gericht op het verzorgen van hoger beroepsonderwijs. Zij verrichten ontwerp- en ontwikkelactiviteiten of onderzoek gericht op de beroepspraktijk. Zij verzorgen in elk geval bacheloropleidingen in het hoger beroepsonderwijs, zij verzorgen in voorkomende gevallen associate degree-opleidingen en masteropleidingen in het hoger beroepsonderwijs en zij dragen in elk geval kennis over ten behoeve van de maatschappij. Zij dragen bij aan de ontwikkeling van beroepen waarop het onderwijs is gericht. **4.** De Open Universiteit is gericht op het verzorgen van wetenschappelijk onderwijs en hoger beroepsonderwijs, het, in overeenstemming met het profiel van de Open Universiteit, verrichten van wetenschappelijk onderzoek en onderzoek gericht op de beroepspraktijk, alsmede het leveren van een bijdrage aan de vernieuwing van het hoger onderwijs. Zij verzorgt in elk geval initiële opleidingen. Zij verzorgt deze in de vorm van afstandsonderwijs. -**5.** De universiteiten, levensbeschouwelijke universiteiten, hogescholen en de Open Universiteit schenken mede aandacht aan de persoonlijke ontplooiing en aan de bevordering van maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef. Zij richten zich in het kader van hun werkzaamheden op het gebied van het onderwijs wat betreft Nederlandstalige studenten mede op de bevordering van de uitdrukkingsvaardigheid in het Nederlands. +**5.** De instellingen voor hoger onderwijs schenken mede aandacht aan de persoonlijke ontplooiing van hun studenten en de bevordering van hun maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef. De bevordering van maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef houdt ten minste in dat de instellingen, met inbegrip van degenen die hen formeel of informeel vertegenwoordigen, zich onthouden van discriminatoire gedragingen en uitlatingen. De instellingen richten zich in het kader van hun werkzaamheden op het gebied van het onderwijs wat betreft Nederlandstalige studenten mede op de bevordering van de uitdrukkingsvaardigheid in het Nederlands. ### Artikel 1.4 @@ -159,9 +148,9 @@ De voordracht voor die algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan d ### Artikel 1.9 -**1.** Ten behoeve van het verzorgen van initieel onderwijs en, voorzover het universiteiten betreft, mede ten behoeve van het verrichten van wetenschappelijk onderzoek hebben de in de bijlage van deze wet onder a, c, h en j opgenomen instellingen, onderscheidenlijk rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid, waarvan de overige in de bijlage van deze wet opgenomen instellingen uitgaan, aanspraak op bekostiging uit ’s Rijks kas, voorzover aan de aan die instellingen verbonden opleidingen accreditatie is verleend of die opleidingen de toets nieuwe opleiding dan wel de toets nieuw Ad-programma met positief gevolg hebben ondergaan. Voor de toepassing van dit lid worden de ontwerp- en ontwikkelactiviteiten en onderzoek gericht op de beroepspraktijk, aan hogescholen gerekend tot het daarop betrekking hebbende onderwijs. +**1.** Ten behoeve van het verzorgen van initieel onderwijs en, voorzover het universiteiten betreft, mede ten behoeve van het verrichten van wetenschappelijk onderzoek hebben de in de bijlage van deze wet onder a, c, h en j opgenomen instellingen, onderscheidenlijk rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid, waarvan de overige in de bijlage van deze wet opgenomen instellingen uitgaan, aanspraak op bekostiging uit ’s Rijks kas, voorzover aan de aan die instellingen verbonden opleidingen accreditatie is verleend of die opleidingen de toets nieuwe opleiding met positief gevolg hebben ondergaan. Voor de toepassing van dit lid worden de ontwerp- en ontwikkelactiviteiten en onderzoek gericht op de beroepspraktijk, aan hogescholen gerekend tot het daarop betrekking hebbende onderwijs. -**2.** Aan de met goed gevolg afgelegde examens van initiële opleidingen en daarbinnen uitgevoerde Ad-programma’s, verzorgd door bekostigde instellingen, is een graad verbonden. Degenen aan wie een dergelijke graad is verleend onderscheidenlijk degenen die hebben voldaan aan de vereisten, gesteld in artikel 7.18, zijn gerechtigd in de daarvoor in aanmerking komende gevallen de graden, genoemd in de artikelen 7.10a, 7.10b en 7.18, in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen. +**2.** Aan de met goed gevolg afgelegde examens van initiële opleidingen, verzorgd door bekostigde instellingen, is een graad verbonden. Degenen aan wie een dergelijke graad is verleend onderscheidenlijk degenen die hebben voldaan aan de vereisten, gesteld in artikel 7.18, zijn gerechtigd in de daarvoor in aanmerking komende gevallen de graden, genoemd in de artikelen 7.10a en 7.18, in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen. **3.** @@ -188,7 +177,7 @@ Vervallen ### Artikel 1.12 -**1.** Aan de met goed gevolg afgelegde examens van initiële opleidingen en daarbinnen uitgevoerde Ad-programma’s, verzorgd door rechtspersonen voor hoger onderwijs, is een graad als bedoeld in artikel 7.10a onderscheidenlijk artikel 7.10b verbonden. +**1.** Aan de met goed gevolg afgelegde examens van initiële opleidingen, verzorgd door rechtspersonen voor hoger onderwijs, is een graad als bedoeld in artikel 7.10a verbonden. **2.** @@ -196,7 +185,8 @@ Voorwaarde voor het bepaalde in het eerste lid is dat de desbetreffende rechtspe a. de kwaliteitszorg, b. de registratie, het onderwijs en de examens, -c. de vooropleidingseisen. +c. de vooropleidingseisen, +d. het gebruik van het persoonsgebonden nummer. **3.** Het bestuur van de rechtspersoon verstrekt Onze minister de nodige inlichtingen omtrent de rechtspersoon. Het bestuur van de rechtspersoon doet Onze minister jaarlijks een verslag toekomen omtrent de werkzaamheden van de rechtspersoon en betrekt daarbij de uitkomsten van kwaliteitsbeoordeling als bedoeld in artikel 1.18, alsmede andere gegevens omtrent de kwaliteit van de werkzaamheden van de rechtspersoon. @@ -283,7 +273,7 @@ d. het bestuur en de inrichting. **2.** Onze minister ziet toe op de uitvoering van het eerste lid met uitzondering van de laatste volzin. Hij kan onderzoek laten verrichten naar de kwaliteit van de werkzaamheden van de instellingen voorzover het betreft de instellingen, bedoeld in artikel 1.5. -**3.** Het instellingsbestuur van een instelling voor hoger onderwijs draagt er tevens zorg voor dat in samenwerking met andere instellingen binnen een visitatiegroep, wordt voorzien in een regelmatige beoordeling, door onafhankelijke deskundigen, van de kwaliteit van de opleidingen, daaronder begrepen de Ad-programma’s. De tweede volzin van het eerste lid is van overeenkomstige toepassing en de uitkomsten van de beoordeling zijn openbaar. De beoordeling bevat een samenvattend oordeel. De beoordeling vindt ten minste plaats op basis van het deel van het accreditatiekader voor accreditatie op grond van artikel 5a.8 of artikel 5a.13f en de aspecten van kwaliteit, bedoeld in 5a.8, tweede lid, of 5a.13f, eerste lid. +**3.** Het instellingsbestuur van een instelling voor hoger onderwijs draagt er tevens zorg voor dat in samenwerking met andere instellingen binnen een visitatiegroep, wordt voorzien in een regelmatige beoordeling, door onafhankelijke deskundigen, van de kwaliteit van de opleidingen. De tweede volzin van het eerste lid is van overeenkomstige toepassing en de uitkomsten van de beoordeling zijn openbaar. De beoordeling bevat een samenvattend oordeel. De beoordeling vindt ten minste plaats op basis van het deel van het accreditatiekader voor accreditatie op grond van artikel 5a.8 of artikel 5a.13f en de aspecten van kwaliteit, bedoeld in 5a.8, tweede lid, of 5a.13f, eerste lid. ### Titel 4. Overige voorschriften @@ -697,15 +687,15 @@ Vervallen ### Artikel 5a.2 -**1.** Er is een accreditatieorgaan dat is belast met activiteiten in het kader van het verlenen van accreditatie, de toets nieuwe opleiding, de toets nieuw Ad-programma en de instellingstoets kwaliteitszorg op grond van titel 2 of 2a van dit hoofdstuk en overige hem bij of krachtens de wet opgedragen taken. Het accreditatieorgaan bezit rechtspersoonlijkheid. +**1.** Er is een accreditatieorgaan dat is belast met activiteiten in het kader van het verlenen van accreditatie, de toets nieuwe opleiding en de instellingstoets kwaliteitszorg op grond van titel 2 of 2a van dit hoofdstuk en overige hem bij of krachtens de wet opgedragen taken. Het accreditatieorgaan bezit rechtspersoonlijkheid. -**2.** Het accreditatieorgaan is tevens belast met het instellen van een commissie van deskundigen, die adviseert over de aanvraag om de toets nieuwe opleiding, de toets nieuw Ad-programma of de instellingstoets kwaliteitszorg. Daarnaast stemt het accreditatieorgaan in met een door de instellingsbesturen binnen een visitatiegroep gezamenlijk samengestelde commissie van deskundigen, voor de beoordeling, bedoeld in artikel 1.18, derde lid, ten behoeve van de aanvraag om accreditatie, indien het accreditatieorgaan zich ervan verzekerd heeft dat de commissie van deskundigen onafhankelijk en deskundig is. Indien het instellingsbestuur er niet in slaagt in samenwerking met andere instellingen binnen een visitatiegroep een commissie van deskundigen samen te stellen, doet het accreditatieorgaan een bindende voordracht voor de samenstelling van de commissie. Van de in de vorige volzinnen bedoelde commissies van deskundigen maakt een student deel uit. +**2.** Het accreditatieorgaan is tevens belast met het instellen van een commissie van deskundigen, die adviseert over de aanvraag om de toets nieuwe opleiding of de instellingstoets kwaliteitszorg. Daarnaast stemt het accreditatieorgaan in met een door de instellingsbesturen binnen een visitatiegroep gezamenlijk samengestelde commissie van deskundigen, voor de beoordeling, bedoeld in artikel 1.18, derde lid, ten behoeve van de aanvraag om accreditatie, indien het accreditatieorgaan zich ervan verzekerd heeft dat de commissie van deskundigen onafhankelijk en deskundig is. Indien het instellingsbestuur er niet in slaagt in samenwerking met andere instellingen binnen een visitatiegroep een commissie van deskundigen samen te stellen, doet het accreditatieorgaan een bindende voordracht voor de samenstelling van de commissie. Van de in de vorige volzinnen bedoelde commissies van deskundigen maakt een student deel uit. **2a.** Het accreditatieorgaan toetst bij de accreditatie en de toets nieuwe opleiding tevens: -a. de door een instellingsbestuur voorgestelde toevoeging aan een graad als bedoeld in artikel 7.10a, tweede en derde lid, op internationale herkenbaarheid aan de hand van een referentielijst die bij ministeriële regeling wordt vastgesteld; +a. de door een instellingsbestuur voorgestelde toevoeging aan een graad als bedoeld in artikel 7.10a, tweede lid, op internationale herkenbaarheid aan de hand van een referentielijst die bij ministeriële regeling wordt vastgesteld; b. of de door het instellingsbestuur gehanteerde naam van de opleiding voldoende inzicht biedt in de inhoud van de opleiding en aansluit bij hetgeen gebruikelijk is binnen de visitatiegroep of sector waartoe de opleiding behoort. **3.** Het accreditatieorgaan is desgevraagd belast met het adviseren van Onze minister over het gebruiken van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 5a.12b en 5a.13e, tweede lid. Voordat het accreditatieorgaan een advies als bedoeld in de eerste volzin uitbrengt, kan hij een onderzoek instellen waarbij de artikelen 5:13, 5:16, 5:17 en 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing zijn en schakelt hij een commissie van deskundigen in. @@ -722,7 +712,7 @@ b. of de door het instellingsbestuur gehanteerde naam van de opleiding voldoende ### Artikel 5a.2a -**1.** Het accreditatieorgaan legt zijn werkwijze voor het verlenen van accreditatie, toets nieuwe opleiding, toets nieuw Ad-programma en instellingstoets kwaliteitszorg, de samenstelling van een visitatiegroep en de uitwerking van de criteria, bedoeld in artikel 5a.8, tweede lid, 5a.10a, tweede lid, 5a.13b, tweede lid, 5a.13f, eerste lid en 5a.13g, eerste lid, vast in het accreditatiekader, waarbij voor de beoordeling ten minste onderscheid wordt gemaakt tussen het wetenschappelijk onderwijs en het hoger beroepsonderwijs, tussen bacheloropleidingen en masteropleidingen en waarbij het verschil in de wijze van beoordeling van aanvragen op grond van titel 2a ten opzichte van titel 2 wordt opgenomen. +**1.** Het accreditatieorgaan legt zijn werkwijze voor het verlenen van accreditatie, toets nieuwe opleiding en instellingstoets kwaliteitszorg, de samenstelling van een visitatiegroep en de uitwerking van de criteria, bedoeld in artikel 5a.8, tweede lid, 5a.10a, tweede lid, 5a.13b, tweede lid, 5a.13f, eerste lid en 5a.13g, eerste lid, vast in het accreditatiekader, waarbij voor de beoordeling ten minste onderscheid wordt gemaakt tussen het wetenschappelijk onderwijs en het hoger beroepsonderwijs, tussen bacheloropleidingen en masteropleidingen en waarbij het verschil in de wijze van beoordeling van aanvragen op grond van titel 2a ten opzichte van titel 2 wordt opgenomen. **2.** Alvorens het accreditatiekader vast te stellen of te wijzigen, voert het accreditatieorgaan overleg met vertegenwoordigers van de instellingen en andere betrokkenen, waaronder studentenorganisaties als bedoeld in artikel 3.3 en de daarvoor in aanmerking komende vakorganisaties van overheids- en onderwijspersoneel. @@ -932,7 +922,7 @@ d. na zes maanden, indien het instellingsbestuur een opleiding, niet zijnde een Indien de accreditatie van een opleiding na het verstrijken van de periode, bedoeld in artikel 5a.9, zesde en zevende lid, of artikel 5a.12a, eerste lid, niet opnieuw wordt verleend, draagt de instelling er zorg voor dat aan studenten die voor de opleiding zijn ingeschreven, de gelegenheid wordt geboden deze opleiding te voltooien aan een andere instelling. Voor de studenten voor wie dat niet mogelijk is, wordt de opleiding aan de instelling voortgezet. Het instellingsbestuur maakt de inhoud van het besluit waarbij de accreditatie niet opnieuw wordt verleend, binnen zes weken bekend. Daarbij maakt het instellingsbestuur tevens bekend: a. aan welke andere instelling studenten die opleiding kunnen voltooien, -b. de termijn gedurende welke de opleiding wordt voortgezet ten behoeve van de studenten, bedoeld in de tweede volzin, met dien verstande dat zij die opleiding zonder onderbreking blijven volgen en die termijn ten hoogste de voor die studenten resterende aan de studielast van de opleiding of van het gevolgde Ad-programma gerelateerde duur vermeerderd met één jaar bedraagt. +b. de termijn gedurende welke de opleiding wordt voortgezet ten behoeve van de studenten, bedoeld in de tweede volzin, met dien verstande dat zij die opleiding zonder onderbreking blijven volgen en die termijn ten hoogste de voor die studenten resterende aan de studielast van de opleiding gerelateerde duur vermeerderd met één jaar bedraagt. **2.** Het verstrijken van de periode, bedoeld in artikel 5a.9, zesde en zevende lid, of artikel 5a.12a, eerste lid, heeft ten aanzien van een bekostigde instelling tot gevolg dat na het verstrijken van de door de instelling vastgestelde termijn, genoemd in het eerste lid, geen aanspraak bestaat op bekostiging als bedoeld in artikel 1.9, eerste lid, dat aan de examens geen graad als bedoeld in artikel 7.10a is verbonden en dat de registratie in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13, wordt beëindigd. @@ -966,15 +956,7 @@ b. de termijn gedurende welke de opleiding wordt voortgezet ten behoeve van de s ### Artikel 5a.13 -**1.** De toets nieuw Ad-programma wordt verleend op aanvraag van het instellingsbestuur. Het instellingsbestuur vermeldt daarbij de opleiding waarbinnen het programma zal worden uitgevoerd. Een aanvraag kan niet worden ingediend indien en voor zolang ten aanzien van die opleiding artikel 5a.12a is toegepast onderscheidenlijk van toepassing is. - -**2.** Het accreditatieorgaan neemt binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag een besluit. In dit besluit geeft het accreditatieorgaan aan welk onderdeel van het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13, naar zijn oordeel voor de opleiding passend is. - -**3.** Het besluit tot het verlenen van een toets nieuw Ad-programma vervalt indien het instellingsbestuur het Ad-programma niet binnen tien maanden heeft laten registreren in het in het tweede lid bedoelde register als het Ad-programma binnen een bekostigde opleiding zal worden verzorgd en indien het instellingsbestuur het Ad-programma niet binnen zes maanden in dat register heeft laten registreren als het Ad-programma binnen een niet-bekostigde opleiding zal worden verzorgd. - -**4.** Het besluit waaruit blijkt dat de toets nieuw Ad-programma met positief gevolg is ondergaan, vervalt eveneens op het moment dat de geldigheid van het laatst genomen accreditatiebesluit of het besluit toets nieuwe opleiding vervalt met betrekking tot de bacheloropleiding waarvan het Ad-programma onderdeel uitmaakt. - -**5.** De artikelen 5a.9, negende lid, 5a.10, 5a.11, vierde lid, en 5a.12b zijn van overeenkomstige toepassing. +Vervallen ### Titel 2a. Instellingstoets kwaliteitszorg @@ -1095,10 +1077,8 @@ Vervallen Het instellingsbestuur legt het voornemen tot: -a. het verzorgen van een nieuwe opleiding, -b. het samenvoegen van bestaande opleidingen, -c. het verzorgen van een Ad-programma binnen een bacheloropleiding als bedoeld in artikel 7.3a, tweede lid, onder a, of -d. het verzorgen van een masteropleiding in het hoger beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 7.3a, tweede lid, onder b, +a. het verzorgen van een nieuwe opleiding, of +b. het samenvoegen van bestaande opleidingen. ter instemming aan Onze minister voor met het oog op de beoordeling van een doelmatig onderwijsaanbod en de beoordeling van een doelmatige taakverdeling tussen de instellingen, gelet op het geheel van de voorzieningen op het gebied van het hoger onderwijs. Artikel 7.17, derde lid, is van overeenkomstige toepassing. @@ -1112,7 +1092,7 @@ ter instemming aan Onze minister voor met het oog op de beoordeling van een doel **6.** Ingeval van een nieuwe opleiding in een van de openbare lichamen BES wordt bij de beoordeling gelet op de voorzieningen op het gebied van hoger onderwijs in Nederland en Aruba, Curaçao en Sint Maarten. -**7.** De instemming van Onze minister vervalt, indien de opleiding onderscheidenlijk het Ad-programma niet binnen tien maanden nadat de instemming is verleend, is geregistreerd in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13. +**7.** De instemming van Onze minister vervalt, indien de opleiding niet binnen tien maanden nadat de instemming is verleend, is geregistreerd in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13. **8.** Onze minister stelt beleidsregels vast op grond waarvan hij de aanvragen beoordeelt. Wijzigingen van de beleidsregels worden meegedeeld aan beide Kamers der Staten-Generaal. @@ -1128,14 +1108,14 @@ Vervallen **1.** -Onze minister kan besluiten dat aan een opleiding onderscheidenlijk een Ad-programma de rechten, genoemd in artikel 1.9, eerste en tweede lid, worden ontnomen, indien: +Onze minister kan besluiten dat aan een opleiding de rechten, genoemd in artikel 1.9, eerste en tweede lid, worden ontnomen, indien: -a. de verzorging van die opleiding onderscheidenlijk het Ad-programma, gelet op de spreiding en de mate van verscheidenheid van de voorzieningen in het hoger onderwijs, en het profiel van de instelling die de desbetreffende opleiding onderscheidenlijk het Ad-programma verzorgt, in redelijkheid niet of niet meer doelmatig kan worden geacht, of +a. de verzorging van die opleiding, gelet op de spreiding en de mate van verscheidenheid van de voorzieningen in het hoger onderwijs, en het profiel van de instelling die de desbetreffende opleiding verzorgt, in redelijkheid niet of niet meer doelmatig kan worden geacht, of b. niet of niet meer wordt voldaan aan hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald over de kwaliteitszorg, de registratie, het onderwijs, de examens, de promoties of de vooropleidingseisen of toelatingseisen. **2.** Bij een besluit als bedoeld in het eerste lid bepaalt Onze minister het tijdstip waarop dat besluit van kracht wordt. -**3.** Artikel 5a.12, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing op de opleiding, onderscheidenlijk het Ad-programma, waaraan de rechten, genoemd in artikel 1.9, eerste en tweede lid, zijn ontnomen. +**3.** Artikel 5a.12, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing op de opleiding, waaraan de rechten, genoemd in artikel 1.9, eerste en tweede lid, zijn ontnomen. ### Artikel 6.6 @@ -1217,31 +1197,37 @@ Vervallen ### Artikel 6.9 -**1.** Een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die de bevoegdheid wenst te verkrijgen om graden te verlenen als bedoeld in artikel 7.10a of 7.10b, dient daartoe een verzoek in bij Onze Minister onder overlegging van een verzwaarde toets nieuwe opleiding. +**1.** Een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die de bevoegdheid wenst te verkrijgen om graden te verlenen als bedoeld in artikel 7.10a, dient daartoe een verzoek in bij Onze Minister onder overlegging van een verzwaarde toets nieuwe opleiding voor een bacheloropleiding of een masteropleiding. **2.** Naar aanleiding van het verzoek, bedoeld in het eerste lid, adviseert de inspectie Onze minister over de continuïteit van de desbetreffende rechtspersoon en de naleving door de desbetreffende rechtspersoon van de artikelen 1.12, tweede lid en 1.12a. -**3.** Naar aanleiding van het verzoek en mede op grond van het advies beslist Onze minister of de artikelen 1.12, eerste lid, of 1.12a op de opleiding, verzorgd door de desbetreffende rechtspersoon, van toepassing zijn. Onze minister wijst het verzoek om graden te mogen verlenen in ieder geval af indien de continuïteit van de desbetreffende rechtspersoon of de naleving van artikel 1.12, tweede en derde lid, in onvoldoende mate zijn gewaarborgd. Onze minister neemt binnen 16 weken na ontvangst van het verzoek, bedoeld in het eerste lid, een besluit. +**3.** Naar aanleiding van het verzoek en mede op grond van het advies beslist Onze minister of de artikelen 1.12, eerste lid, of 1.12a op de opleiding, verzorgd door de desbetreffende rechtspersoon, van toepassing zijn. Onze minister wijst het verzoek om graden te mogen verlenen in ieder geval af indien de continuïteit van de desbetreffende rechtspersoon of de naleving van de artikelen 1.3, vijfde lid, en 1.12, tweede lid en derde lid, in onvoldoende mate zijn gewaarborgd. Onze minister neemt binnen 16 weken na ontvangst van het verzoek, bedoeld in het eerste lid, een besluit. **4.** Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing indien de desbetreffende rechtspersoon de opleiding overdraagt aan een andere rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid waarop de artikelen 1.12 of 1.12a op het moment van de overdracht niet van toepassing zijn. -**5.** Indien door de in het eerste lid bedoelde rechtspersoon geen in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13, geregistreerde opleidingen meer worden verzorgd dan wel door de rechtspersoon uitsluitend een opleiding in afbouw als bedoeld in artikel 5a.12 wordt verzorgd, kan deze rechtspersoon slechts opnieuw graden verlenen na toepassing van het eerste tot en met derde lid. +**5.** Indien door de in het eerste lid bedoelde rechtspersoon geen in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13, geregistreerde opleidingen meer worden verzorgd, naast een associate degree-opleiding als bedoeld in artikel 7.3a, tweede lid, onderdeel a, niet langer een bacheloropleiding als bedoeld in artikel 7.3a, tweede lid, onderdeel b, of uitsluitend een opleiding in afbouw als bedoeld in artikel 5a.12 wordt verzorgd dan wel door de rechtspersoon uitsluitend een opleiding in afbouw als bedoeld in artikel 5a.12 wordt verzorgd, kan deze rechtspersoon slechts opnieuw graden verlenen na toepassing van het eerste tot en met derde lid. ### Artikel 6.10 -**1.** Onze minister kan besluiten dat aan een opleiding of aan alle opleidingen, onderscheidenlijk een Ad-programma of alle Ad-programma’s, verzorgd door een rechtspersoon voor hoger onderwijs, de rechten, genoemd in artikel 1.12, eerste lid, worden ontnomen, indien de continuïteit van de desbetreffende rechtspersoon of de naleving van artikel 1.12, tweede of derde lid, niet of niet langer is gewaarborgd. +**1.** Onze minister kan besluiten dat aan een opleiding of aan alle opleidingen, verzorgd door een rechtspersoon voor hoger onderwijs, de rechten, genoemd in artikel 1.12, eerste lid, worden ontnomen, indien de continuïteit van de desbetreffende rechtspersoon of de naleving van de artikelen 1.3, vijfde lid, en 1.12, tweede en derde lid, niet of niet langer is gewaarborgd. -**2.** Een besluit op grond van het eerste lid houdt in dat aan de examens van de desbetreffende opleiding of van alle opleidingen onderscheidenlijk een Ad-programma of alle Ad-programma’s geen graad als bedoeld in artikel 7.10a onderscheidenlijk artikel 7.10b is verbonden, dat de registratie in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13, wordt beëindigd en dat de instelling niet meer het recht heeft zich universiteit te noemen, als bedoeld in artikel 1.22, eerste lid, dan wel hogeschool als bedoeld in artikel 1.23, eerste lid. +**2.** Een besluit op grond van het eerste lid houdt in dat aan de examens van de desbetreffende opleiding of van alle opleidingen geen graad als bedoeld in artikel 7.10a is verbonden, dat de registratie in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13, wordt beëindigd en dat de instelling niet meer het recht heeft zich universiteit te noemen, als bedoeld in artikel 1.22, eerste lid, dan wel hogeschool als bedoeld in artikel 1.23, eerste lid. **3.** Artikel 6.5, tweede en derde lid, en artikel 6.6 zijn van overeenkomstige toepassing. **4.** Voordat Onze minister een besluit op grond van het eerste lid neemt, geeft hij het instellingsbestuur een waarschuwing onder bepaling van een termijn waarbinnen aan die waarschuwing gevolg moet zijn gegeven en desgewenst overleg met hem dienaangaande plaats kan vinden. De termijn waarbinnen aan de waarschuwing gevolg moet zijn gegeven, bedraagt ten minste drie maanden. -**5.** Indien Onze minister een besluit als bedoeld in het eerste lid heeft genomen ten aanzien van alle opleidingen onderscheidenlijk alle Ad-programma’s verzorgd door de desbetreffende rechtspersoon, kan deze rechtspersoon slechts opnieuw graden als bedoeld in artikel 7.10a onderscheidenlijk artikel 7.10b verlenen na toepassing van artikel 6.9. +**5.** Indien Onze minister een besluit als bedoeld in het eerste lid heeft genomen ten aanzien van alle opleidingen verzorgd door de desbetreffende rechtspersoon, kan deze rechtspersoon slechts opnieuw graden als bedoeld in artikel 7.10a verlenen na toepassing van artikel 6.9. ### Artikel 6.11 -Vervallen +**1.** Er is een commissie van advies die tot taak heeft om Onze Minister op diens verzoek advies te geven indien hij, vanwege het door een instelling niet nakomen van de verplichting het maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef van studenten te bevorderen als bedoeld in artikel 1.3, vijfde lid, eerste en tweede volzin, overweegt een besluit te nemen om een verzoek als bedoeld in artikel 6.9, eerste lid, af te wijzen of een besluit te nemen op grond van artikel 6.5, eerste lid, 6.10, eerste lid, of 15.1, eerste lid, van deze wet dan wel op grond van artikel 4:49 van de Algemene wet bestuursrecht. + +**2.** Onze Minister neemt geen besluit als bedoeld in het eerste lid dan nadat hij advies heeft gevraagd aan de commissie van advies. + +**3.** De commissie bestaat uit drie leden die voldoen aan de vereisten voor benoembaarheid tot rechterlijk ambtenaar, bedoeld in artikel 5 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren. De leden worden benoemd en ontslagen door Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. + +**4.** Over de samenstelling, werkwijze en bezoldiging van de commissie worden regels gesteld bij ministeriële regeling. ### Artikel 6.12 @@ -1281,35 +1267,34 @@ m. de door de instelling op grond van artikel 5a.12, eerste lid, vierde volzin, n. de door Onze minister op grond van artikel 5a.12, zesde lid, of 5a.15, vastgestelde termijn, o. indien toepassing is gegeven aan artikel 5a.12a: de termijn, bedoeld in het eerste lid van dat artikel, en het door het accreditatieorgaan genomen besluit op grond van vijfde lid van dat artikel, p. het tijdstip waarop voor het eerst inschrijving voor de opleiding mogelijk is, -q. indien de opleiding niet langer zal worden verzorgd, het tijdstip waarop de registratie zal worden beëindigd, alsmede het tijdstip waarop voor het eerst inschrijving in de propedeutische fase van de opleiding of, indien die fase niet is ingesteld, de eerste periode in een bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs met een studielast van 60 studiepunten, niet meer mogelijk is, +q. indien de opleiding niet langer zal worden verzorgd, het tijdstip waarop de registratie zal worden beëindigd, alsmede het tijdstip waarop voor het eerst inschrijving in de propedeutische fase van de opleiding of, indien die fase niet is ingesteld, de eerste periode in een associate degree-opleiding of een bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs met een studielast van 60 studiepunten, niet meer mogelijk is, r. indien artikel 5a.9, zevende lid, van toepassing is: de door het accreditatieorgaan vastgestelde termijn, bedoeld in de tweede volzin van dat artikellid, s. of Onze minister met betrekking tot een opleiding toestemming heeft verleend voor het hanteren van specifieke selectiecriteria, bedoeld in artikel 6.7, en in samenhang daarmee voor het vaststellen van een hoger collegegeld als bedoeld in dat artikel, t. of binnen de opleiding een programma wordt aangeboden ten aanzien waarvan Onze minister toestemming heeft verleend voor het hanteren van specifieke selectiecriteria, bedoeld in artikel 6.7, en in samenhang daarmee voor het vaststellen van een hoger collegegeld als bedoeld in dat artikel, u. of Onze minister toestemming heeft verleend voor het vaststellen van een hoger collegegeld als bedoeld in artikel 6.8, -v. of binnen de opleiding een Ad-programma wordt aangeboden en of dat programma een voltijds, deeltijds of duaal karakter heeft, -w. of binnen de opleiding een versneld traject wordt aangeboden als bedoeld in artikel 7.9a, -x. de graad en de toevoeging ingevolge artikel 7.10a. +v. of binnen de opleiding een versneld traject wordt aangeboden als bedoeld in artikel 7.9a, +w. de graad en de toevoeging ingevolge artikel 7.10a. **5.** Het Centraal register opleidingen hoger onderwijs bevat van elke opleiding als bedoeld in artikel 7.3b: a. de naam van de opleiding en de rechtspersoon waarvan de opleiding uitgaat, en -b. de gegevens, bedoeld in het vierde lid, onderdelen b tot en met g, m, n, o, q, w en x. +b. de gegevens, bedoeld in het vierde lid, onderdelen b tot en met g, m, n, o, q, v en w. **6.** Onze minister legt het ontwerp van de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het derde lid, voor aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal. De voordracht voor die algemene maatregel van bestuur wordt niet gedaan dan nadat dertig dagen na die voorlegging zijn verstreken. ### Artikel 6.14 -**1.** Het instellingsbestuur kan een aanvraag doen tot registratie van een opleiding waaraan accreditatie is verleend. Het instellingsbestuur kan een aanvraag doen tot registratie van een opleiding die de instelling voornemens is te verzorgen, nadat die opleiding de toets nieuwe opleiding met positief gevolg heeft ondergaan. Het instellingsbestuur kan een aanvraag doen tot registratie van een Ad-programma, nadat dat Ad-programma de toets nieuw Ad-programma met positief gevolg heeft ondergaan. Indien er sprake is van het ongedaan maken van een samenvoeging als bedoeld in artikel 6.2, vijfde lid, doet het instellingsbestuur een nieuwe aanvraag tot registratie van de oorspronkelijke opleidingen. +**1.** Het instellingsbestuur kan een aanvraag doen tot registratie van een opleiding waaraan accreditatie is verleend. Het instellingsbestuur kan een aanvraag doen tot registratie van een opleiding die de instelling voornemens is te verzorgen, nadat die opleiding de toets nieuwe opleiding met positief gevolg heeft ondergaan. Indien er sprake is van het ongedaan maken van een samenvoeging als bedoeld in artikel 6.2, vijfde lid, doet het instellingsbestuur een nieuwe aanvraag tot registratie van de oorspronkelijke opleidingen. -**2.** De aanvraag geschiedt onder vermelding van de gegevens, bedoeld in artikel 6.13, vierde lid. Bij de aanvraag van een geaccrediteerde opleiding, voegt het instellingsbestuur het accreditatierapport, bedoeld in artikel 5a.10, eerste lid. Bij de aanvraag van een opleiding die de toets nieuwe opleiding met positief gevolg heeft ondergaan, voegt het instellingsbestuur het rapport van de toets nieuwe opleiding en het besluit van instemming van Onze minister, bedoeld in artikel 6.2, eerste lid. Indien de indeling van het Centraal register opleidingen hoger onderwijs naar het oordeel van het instellingsbestuur niet voldoet, volstaat het instellingsbestuur met een aanduiding van het onderdeel dat naar zijn oordeel het gebied van de opleiding onderscheidenlijk het Ad-programma het best omschrijft. Het instellingsbestuur dat een aanvraag doet voor registratie van een masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs, voegt zo nodig het besluit van Onze minister, bedoeld in artikel 7.4a, vijfde lid, eerste volzin, toe. Het instellingsbestuur dat een aanvraag doet voor registratie van een Ad-programma voegt het rapport van de toets nieuw Ad-programma en het besluit van instemming van Onze minister, bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, bij. +**2.** De aanvraag geschiedt onder vermelding van de gegevens, bedoeld in artikel 6.13, vierde lid. Bij de aanvraag van een geaccrediteerde opleiding, voegt het instellingsbestuur het accreditatierapport, bedoeld in artikel 5a.10, eerste lid. Bij de aanvraag van een opleiding die de toets nieuwe opleiding met positief gevolg heeft ondergaan, voegt het instellingsbestuur het rapport van de toets nieuwe opleiding en het besluit van instemming van Onze minister, bedoeld in artikel 6.2, eerste lid. Indien de indeling van het Centraal register opleidingen hoger onderwijs naar het oordeel van het instellingsbestuur niet voldoet, volstaat het instellingsbestuur met een aanduiding van het onderdeel dat naar zijn oordeel het gebied van de opleiding het best omschrijft. Het instellingsbestuur dat een aanvraag doet voor registratie van een masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs, voegt zo nodig het besluit van Onze minister, bedoeld in artikel 7.4a, vijfde lid, eerste volzin, toe. -**3.** Onze Minister registreert binnen een redelijke termijn de opleiding onderscheidenlijk het Ad-programma overeenkomstig de door het instellingsbestuur verstrekte gegevens in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs. +**3.** Onze Minister registreert binnen een redelijke termijn de opleiding overeenkomstig de door het instellingsbestuur verstrekte gegevens in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs. -**4.** Indien de gegevens niet volledig zijn of de indeling in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs naar het oordeel van Onze minister in redelijkheid niet passend kan worden geacht voor de opleiding onderscheidenlijk, voor zover het betreft het niet volledig zijn van de gegevens, het Ad-programma, stelt Onze Minister het instellingsbestuur in de gelegenheid om, binnen een door Onze Minister te bepalen termijn, te voorzien in de ontbrekende gegevens onderscheidenlijk de indeling te herzien. Indien het betreft de gegevens, bedoeld in het tweede lid, derde volzin, stelt Onze Minister de termijn vast binnen de termijn, bedoeld in artikel 5a.11, zesde lid, onderdeel c of d. Onverminderd artikel 6.15 weigert Onze Minister registratie in het register uitsluitend, indien Onze Minister de gegevens binnen deze termijn niet of niet volledig heeft ontvangen, indien hij constateert dat de gegevens niet juist zijn, of indien de herziene indeling naar het oordeel van Onze minister in redelijkheid niet passend geoordeeld kan worden voor de opleiding onderscheidenlijk, voor zover het betreft het niet of niet volledig ontvangen van de gegevens binnen de gestelde termijn of het niet juist zijn van de gegevens, het Ad-programma. +**4.** Indien de gegevens niet volledig zijn of de indeling in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs naar het oordeel van Onze minister in redelijkheid niet passend kan worden geacht voor de opleiding stelt Onze Minister het instellingsbestuur in de gelegenheid om, binnen een door Onze Minister te bepalen termijn, te voorzien in de ontbrekende gegevens onderscheidenlijk de indeling te herzien. Indien het betreft de gegevens, bedoeld in het tweede lid, derde volzin, stelt Onze Minister de termijn vast binnen de termijn, bedoeld in artikel 5a.11, zesde lid, onderdeel c of d. Onverminderd artikel 6.15 weigert Onze Minister registratie in het register uitsluitend, indien Onze Minister de gegevens binnen deze termijn niet of niet volledig heeft ontvangen, indien hij constateert dat de gegevens niet juist zijn, of indien de herziene indeling naar het oordeel van Onze minister in redelijkheid niet passend geoordeeld kan worden voor de opleiding. -**5.** Indien Onze minister constateert dat de gegevens in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs onvolledig of onjuist zijn of de indeling niet passend is voor de opleiding, kunnen de gegevens of de indeling door Onze minister aangepast worden. Onze minister heeft dezelfde bevoegdheid voor zover het betreft het onvolledig of onjuist zijn van de gegevens voor het Ad-programma. +**5.** Indien Onze minister constateert dat de gegevens in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs onvolledig of onjuist zijn of de indeling niet passend is voor de opleiding, kunnen de gegevens of de indeling door Onze minister aangepast worden. **6.** Dit artikel is van overeenkomstige toepassing bij wijziging van de gegevens, bedoeld in artikel 6.13, vierde en vijfde lid. @@ -1317,12 +1302,12 @@ b. de gegevens, bedoeld in het vierde lid, onderdelen b tot en met g, m, n, o, q **1.** -Onze Minister beëindigt de registratie van een opleiding onderscheidenlijk een Ad-programma als bedoeld in artikel 7.3a indien: +Onze Minister beëindigt de registratie van een opleiding als bedoeld in artikel 7.3a indien: -a. het instellingsbestuur te kennen heeft gegeven dat de instelling de opleiding onderscheidenlijk het Ad-programma niet langer zal verzorgen, +a. het instellingsbestuur te kennen heeft gegeven dat de instelling de opleiding niet langer zal verzorgen, b. de termijn, bedoeld in de artikelen 5a.12, eerste, vierde of vijfde lid, of artikel 5a.15, is verstreken, -c. Onze minister met toepassing van artikel 6.5 heeft besloten dat ten aanzien van de opleiding onderscheidenlijk het Ad-programma de rechten, genoemd in artikel 1.9, eerste en tweede lid, ontnomen worden, dan wel -d. Onze minister met toepassing van de artikelen 6.9, vierde lid, of 6.10 heeft besloten dat ten aanzien van de opleiding onderscheidenlijk het Ad-programma de rechten, bedoeld in artikel 1.12, ontnomen worden. +c. Onze minister met toepassing van artikel 6.5 heeft besloten dat ten aanzien van de opleiding de rechten, genoemd in artikel 1.9, eerste en tweede lid, ontnomen worden, dan wel +d. Onze minister met toepassing van de artikelen 6.9, vierde lid, of 6.10 heeft besloten dat ten aanzien van de opleiding de rechten, bedoeld in artikel 1.12, ontnomen worden. **2.** Onze Minister wijzigt de registratie van het gegeven, bedoeld in artikel 6.13, vierde lid, onder l, overeenkomstig het besluit, bedoeld in artikel 7.17a. @@ -1344,6 +1329,14 @@ Vervallen **2.** De titels 1 en 2 van dit hoofdstuk, met uitzondering van de artikelen 7.3a, tweede lid, onder b, 7.8b, 7.17, 7.17a, 7.18, 7.22, 7.25, 7.30b, tweede tot en met zesde lid, en 7.30e, zijn van toepassing op de rechtspersonen voor hoger onderwijs. +**3.** + +Van titel 3 van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de rechtspersonen voor hoger onderwijs: + +a. artikel 7.52, eerste lid, tweede lid, met uitzondering van onderdeel h, voor zover het betreft de reden van de beëindiging van de inschrijving, en onderdeel i, derde lid en vijfde tot en met achtste lid, met dien verstande dat artikel 7.52, tweede lid, onderdeel e, wordt gelezen als: de opleiding of opleidingen dan wel de onderwijseenheid of onderwijseenheden waarvoor de student of extraneus is ingeschreven; +b. artikel 7.52a; +c. artikel 7.52b, eerste, derde en vierde lid, met dien verstande dat artikel 7.52b, eerste lid, onderdeel a, wordt gelezen als: Onze Minister voor zover deze gegevens noodzakelijk zijn voor de planning van de instellingen en de beleidsvoorbereiding. + ### Titel 1. Het onderwijs, de examens en de promoties #### Paragraaf 1. Het onderwijs en de examens @@ -1368,7 +1361,7 @@ c. indien de specifieke aard, de inrichting of de kwaliteit van het onderwijs da **5.** Het examen, bedoeld in het derde lid, dat met goed gevolg is afgelegd en de met het oog daarop vervaardigde werkstukken worden door het instellingsbestuur gedurende een periode van ten minste zeven jaar bewaard. -**6.** Indien het instellingsbestuur besluit een opleiding of een Ad-programma binnen een opleiding, te beëindigen, worden de aan die opleiding of dat Ad-programma ingeschreven studenten in de gelegenheid gesteld hun opleiding, onderscheidenlijk het Ad-programma zonder onderbreking bij die instelling te vervolgen. Daarbij wordt een termijn in acht genomen die ten hoogste de voor de betrokken studenten resterende, aan de studielast van de opleiding, onderscheidenlijk van het gevolgde Ad-programma, gerelateerde studieduur vermeerderd met een jaar bedraagt. +**6.** Indien het instellingsbestuur besluit een opleiding, te beëindigen, worden de aan die opleiding ingeschreven studenten in de gelegenheid gesteld hun opleiding zonder onderbreking bij die instelling te vervolgen. Daarbij wordt een termijn in acht genomen die ten hoogste de voor de betrokken studenten resterende, aan de studielast van de opleiding gerelateerde studieduur vermeerderd met een jaar bedraagt. **7.** Het instellingsbestuur kan de naam van een opleiding wijzigen in het kader van het verlenen van accreditatie of tussentijds als daarmee wordt bereikt dat de naam beter aansluit bij wat binnen de visitatiegroep of de sector gebruikelijk is. Tussentijdse wijziging kan slechts plaatsvinden na instemming door het accreditatieorgaan. Het accreditatieorgaan stemt in als wordt voldaan aan de criteria, bedoeld in artikel 5a.2, lid 2a, onder b. @@ -1385,8 +1378,9 @@ b. masteropleidingen, volgend op de bacheloropleidingen, bedoeld onder a. Binnen het hoger beroepsonderwijs worden onderscheiden: -a. bacheloropleidingen, en -b. masteropleidingen, volgend op de bacheloropleidingen, bedoeld onder a. +a. associate degree-opleidingen, +b. bacheloropleidingen, en +c. masteropleidingen volgend op de bacheloropleidingen, bedoeld onder b. ### Artikel 7.3b @@ -1397,13 +1391,13 @@ b. postinitiële masteropleidingen in het hoger beroepsonderwijs. ### Artikel 7.3c -**1.** Een instelling voor hoger onderwijs kan gezamenlijk met een of meer Nederlandse of buitenlandse instellingen voor hoger onderwijs een opleiding, een afstudeerrichting of een Ad-programma verzorgen. +**1.** Een instelling voor hoger onderwijs kan gezamenlijk met een of meer Nederlandse of buitenlandse instellingen voor hoger onderwijs een opleiding of een afstudeerrichting verzorgen. -**2.** Indien een gezamenlijke opleiding, een gezamenlijke afstudeerrichting of een gezamenlijk Ad-programma uitsluitend door Nederlandse instellingen voor hoger onderwijs wordt verzorgd, is daaraan een gezamenlijke graad verbonden. +**2.** Indien een gezamenlijke opleiding of een gezamenlijke afstudeerrichting uitsluitend door Nederlandse instellingen voor hoger onderwijs wordt verzorgd, is daaraan een gezamenlijke graad verbonden. -**3.** Indien een gezamenlijke opleiding, een gezamenlijke afstudeerrichting of een gezamenlijk Ad-programma mede door een buitenlandse instelling voor hoger onderwijs wordt verzorgd, kan daaraan een gezamenlijke graad of twee of meer afzonderlijke graden worden verbonden, afhankelijk van het aantal daarbij betrokken instellingen voor hoger onderwijs. +**3.** Indien een gezamenlijke opleiding of een gezamenlijke afstudeerrichting mede door een buitenlandse instelling voor hoger onderwijs wordt verzorgd, kan daaraan een gezamenlijke graad of kunnen daaraan twee of meer afzonderlijke graden worden verbonden, afhankelijk van het aantal daarbij betrokken instellingen voor hoger onderwijs. -**4.** Een instelling voor hoger onderwijs kan uitsluitend gezamenlijk met een buitenlandse instelling voor hoger onderwijs een opleiding, een afstudeerrichting of een Ad-programma verzorgen, indien het instellingsbestuur met betrekking tot dat onderwijs met de buitenlandse instelling voor hoger onderwijs een overeenkomst heeft afgesloten. +**4.** Een instelling voor hoger onderwijs kan uitsluitend gezamenlijk met een buitenlandse instelling voor hoger onderwijs een opleiding of een afstudeerrichting verzorgen, indien het instellingsbestuur met betrekking tot dat onderwijs met de buitenlandse instelling voor hoger onderwijs een overeenkomst heeft afgesloten. **5.** @@ -1417,19 +1411,19 @@ e. de collegegeldverplichtingen voor studenten. ### Artikel 7.3d -**1.** In geval een Nederlandse instelling voor hoger onderwijs gezamenlijk met een of meer andere Nederlandse instellingen voor hoger onderwijs een opleiding, een afstudeerrichting of een Ad-programma verzorgt, zijn die instellingsbesturen gezamenlijk verantwoordelijk voor de naleving van de artikelen 5a.9, 5a.11, 6.2, 6.14, 7.4a, derde en achtste lid, 7.4b, derde lid, 7.8, 7.8a, 7.8b, 7.9, 7.9a, 7.9b, 7.10a, 7.10b, 7.11, 7.12a, 7.13, 7.17, 7.24 tot en met 7.30d, 7.32, 7.37, 7.42, 7.42a, 9.18, 10.3c en 11.11. +**1.** In geval een Nederlandse instelling voor hoger onderwijs gezamenlijk met een of meer andere Nederlandse instellingen voor hoger onderwijs een opleiding of een afstudeerrichting verzorgt, zijn die instellingsbesturen gezamenlijk verantwoordelijk voor de naleving van de artikelen 5a.9, 5a.11, 6.2, 6.14, 7.4a, derde en achtste lid, 7.4b, vierde lid, 7.8, 7.8a, 7.8b, 7.9, 7.9a, 7.9b, 7.10a, 7.11, 7.12a, 7.13, 7.17, 7.24 tot en met 7.30d, 7.32, 7.37, 7.42, 7.42a, 9.18, 10.3c en 11.11. -**2.** Voor de naleving van andere dan de in het eerste lid bedoelde voorschriften op grond van deze wet die betrekking hebben op een opleiding, een afstudeerrichting of een Ad-programma, leggen de betrokken instellingsbesturen in een overeenkomst vast welk instellingsbestuur daarvoor verantwoordelijk is. +**2.** Voor de naleving van andere dan de in het eerste lid bedoelde voorschriften op grond van deze wet die betrekking hebben op een opleiding of een afstudeerrichting leggen de betrokken instellingsbesturen in een overeenkomst vast welk instellingsbestuur daarvoor verantwoordelijk is. ### Artikel 7.3e -**1.** Als een student of een aspirant-student zich voor een gezamenlijke opleiding, een gezamenlijke afstudeerrichting of een gezamenlijk Ad-programma bij een Nederlandse instelling voor hoger onderwijs laat inschrijven, draagt die instelling er zorg voor dat die student ook wordt ingeschreven bij de andere betrokken Nederlandse instelling of instellingen voor hoger onderwijs. +**1.** Als een student of een aspirant-student zich voor een gezamenlijke opleiding of een gezamenlijke afstudeerrichting bij een Nederlandse instelling voor hoger onderwijs laat inschrijven, draagt die instelling er zorg voor dat die student ook wordt ingeschreven bij de andere betrokken Nederlandse instelling of instellingen voor hoger onderwijs. -**2.** In geval van een gezamenlijke opleiding, gezamenlijke afstudeerrichting of gezamenlijk Ad-programma met een of meer buitenlandse instellingen voor hoger onderwijs kan het instellingsbestuur een student of een aspirant-student verplichten zich gedurende die opleiding, die afstudeerrichting of dat Ad-programma onafgebroken bij de Nederlandse instelling of instellingen voor hoger onderwijs in te schrijven. +**2.** In geval van een gezamenlijke opleiding of een gezamenlijke afstudeerrichting met een of meer buitenlandse instellingen voor hoger onderwijs kan het instellingsbestuur een student of een aspirant-student verplichten zich gedurende die opleiding of die afstudeerrichting onafgebroken bij de Nederlandse instelling of instellingen voor hoger onderwijs in te schrijven. ### Artikel 7.3f -**1.** Het bestuur van de betrokken Nederlandse instelling voor hoger onderwijs is ten aanzien van studenten die zich hebben ingeschreven bij een gezamenlijke opleiding, een gezamenlijke afstudeerrichting of een gezamenlijk Ad-programma met een buitenlandse instelling, bevoegd het collegegeld op nihil te stellen dan wel lager vast te stellen dan het bedrag van het collegegeld bedoeld in artikel 7.45. +**1.** Het bestuur van de betrokken Nederlandse instelling voor hoger onderwijs is ten aanzien van studenten die zich hebben ingeschreven bij een gezamenlijke opleiding of een gezamenlijke afstudeerrichting met een buitenlandse instelling, bevoegd het collegegeld op nihil te stellen dan wel lager vast te stellen dan het bedrag van het collegegeld bedoeld in artikel 7.45. **2.** Artikel 7.46, tweede lid, tweede volzin, is van overeenkomstige toepassing op de vaststelling van het collegegeld, bedoeld in het eerste lid. @@ -1469,21 +1463,23 @@ Een student die is ingeschreven voor een opleiding in het wetenschappelijk onder ### Artikel 7.4b -**1.** De studielast van een bacheloropleiding in het hoger beroepsonderwijs bedraagt 240 studiepunten. +**1.** De studielast van een associate degree-opleiding bedraagt 120 studiepunten. -**2.** De studielast van een masteropleiding in het hoger beroepsonderwijs bedraagt 60 studiepunten. +**2.** De studielast van een bacheloropleiding in het hoger beroepsonderwijs bedraagt 240 studiepunten. -**3.** De studielast van de masteropleidingen op het gebied van de kunst bedraagt ten minste 60 studiepunten en ten hoogste 120 studiepunten. Het instellingsbestuur bepaalt de studielast van de opleiding. +**3.** De studielast van een masteropleiding in het hoger beroepsonderwijs bedraagt 60 studiepunten. -**4.** De studielast van de masteropleidingen tot leraar voortgezet onderwijs van de eerste graad in algemene vakken bedraagt 90 studiepunten. +**4.** De studielast van de masteropleidingen op het gebied van de kunst bedraagt ten minste 60 studiepunten en ten hoogste 120 studiepunten. Het instellingsbestuur bepaalt de studielast van de opleiding. -**5.** De studielast van de masteropleidingen advanced nurse practitioner bedraagt 120 studiepunten. +**5.** De studielast van de masteropleidingen tot leraar voortgezet onderwijs van de eerste graad in algemene vakken bedraagt 90 studiepunten. -**6.** De studielast van de masteropleidingen physician assistant bedraagt 150 studiepunten. +**6.** De studielast van de masteropleidingen advanced nurse practitioner bedraagt 120 studiepunten. -**7.** De studielast van de masteropleidingen op het gebied van de bouwkunst bedraagt 240 studiepunten. +**7.** De studielast van de masteropleidingen physician assistant bedraagt 150 studiepunten. -**8.** Het instellingsbestuur kan bepalen dat een opleiding als bedoeld in het tweede lid een grotere studielast heeft dan 60 studiepunten. +**8.** De studielast van de masteropleidingen op het gebied van de bouwkunst bedraagt 240 studiepunten. + +**9.** Het instellingsbestuur kan bepalen dat een opleiding als bedoeld in het eerste lid een grotere studielast heeft dan 120 studiepunten en een opleiding als bedoeld in het tweede lid een grotere studielast heeft dan 60 studiepunten. ### Artikel 7.5 @@ -1542,21 +1538,15 @@ Vervallen ### Artikel 7.8a -**1.** Het instellingsbestuur kan in een bacheloropleiding in het hoger beroepsonderwijs een Associate-degreeprogramma instellen. +**1.** Onze Minister kan op aanvraag van een instellingsbestuur goedkeuren dat een deel van een associate degree-opleiding wordt uitgevoerd door een instelling als bedoeld in artikel 1.1.1, onderdeel b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs dan wel een andere instelling voor beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 1.4.1 van die wet. -**2.** De studielast van het programma bedraagt ten minste 120 studiepunten. +**2.** Indien Onze Minister goedkeuring als bedoeld in het eerste lid verleent, wordt ten minste de helft van de associate degree-opleiding, waaronder in ieder geval de afstudeerfase en het afsluitend examen, verzorgd door de instelling voor hoger onderwijs. Op verzoek van het instellingsbestuur kan Onze Minister in bijzondere gevallen toestaan dat minder dan de helft van een dergelijke opleiding, met uitzondering van de afstudeerfase en het afsluitend examen, door de instelling voor hoger onderwijs wordt verzorgd. -**3.** Onze minister kan op verzoek van een instellingsbestuur goedkeuren dat een deel van het Ad-programma wordt uitgevoerd door een instelling als bedoeld in artikel 1.1.1, onderdeel b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs dan wel een andere instelling voor beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 1.4.1 van die wet. - -**4.** Indien Onze minister goedkeuring als bedoeld in het derde lid heeft verleend, wordt ten minste de helft van het programma, waaronder in ieder geval de afstudeerfase en het afsluitend examen, verzorgd door de instelling voor hoger onderwijs. Indien een deel van het Ad-programma wordt uitgevoerd door een andere instelling voor beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 1.4.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs is artikel 7.34, vijfde lid, van overeenkomstige toepassing. - -**5.** Een persoon aan wie een graad als bedoeld in artikel 7.10b, eerste lid, is verleend, heeft het recht zijn bacheloropleiding in het hoger beroepsonderwijs te vervolgen. Een instellingsbestuur kan daarbij in de onderwijs- en examenregeling voorschrijven welke onderwijseenheden binnen de desbetreffende bacheloropleiding nog moeten gevolgd. - -**6.** De artikelen 7.8b, 7.10, vierde lid, 7.53, 7.54 en 7.56 zijn van overeenkomstige toepassing. +**3.** Voor zover de associate degree-opleiding wordt uitgevoerd door een andere instelling voor beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 1.4.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs is artikel 7.34, vijfde lid, van overeenkomstige toepassing. ### Artikel 7.8b -**1.** Het instellingsbestuur van een bekostigde universiteit, hogeschool of levensbeschouwelijke universiteit brengt iedere student uiterlijk aan het einde van diens eerste jaar van inschrijving voor de propedeutische fase van een voltijdse of duale bacheloropleiding advies uit over de voortzetting van zijn studie binnen of buiten de bacheloropleiding. In geval van een deeltijdse bacheloropleiding regelt het instellingsbestuur het tijdstip waarop dat advies wordt uitgebracht. +**1.** Het instellingsbestuur van een bekostigde universiteit, hogeschool of levensbeschouwelijke universiteit brengt iedere student uiterlijk aan het einde van diens eerste jaar van inschrijving voor de propedeutische fase van een voltijdse of duale bacheloropleiding advies uit over de voortzetting van zijn studie binnen of buiten de associate degree-opleiding of de bacheloropleiding. In geval van een deeltijdse associate degree-opleiding of bacheloropleiding regelt het instellingsbestuur het tijdstip waarop dat advies wordt uitgebracht. **2.** Onverminderd het eerste lid kan het instellingsbestuur het advies aan de student uitbrengen zolang deze het propedeutisch examen niet met goed gevolg heeft afgelegd. @@ -1570,7 +1560,7 @@ Vervallen **7.** Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald welke persoonlijke omstandigheden, bedoeld in het derde lid, het instellingsbestuur in zijn beoordeling betrekt. -**8.** Voor de toepassing van dit artikel wordt onder «propedeutische fase» mede begrepen de eerste periode in een bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs met een studielast van 60 studiepunten. Voor de toepassing van dit artikel worden onder «propedeutisch examen» mede begrepen de tentamens, verbonden aan onderwijseenheden in de eerste periode in een bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs met een gezamenlijke studielast van 60 studiepunten. +**8.** Voor de toepassing van dit artikel wordt onder «propedeutische fase» mede begrepen de eerste periode in een associate degree-opleiding of een bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs met een studielast van 60 studiepunten. Voor de toepassing van dit artikel worden onder «propedeutisch examen» mede begrepen de tentamens, verbonden aan onderwijseenheden in de eerste periode in een associate degree-opleiding of een bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs met een gezamenlijke studielast van 60 studiepunten. ### Artikel 7.9 @@ -1600,7 +1590,7 @@ Het instellingsbestuur stelt de student alvorens tot een beslissing over te gaan **2.** Het instellingsbestuur kan besluiten ook een andere student dan degene, bedoeld in het eerste lid, tot het versnelde traject toe te laten indien hij naar het oordeel van het instellingsbestuur blijk heeft gegeven van geschiktheid voor dat traject. -**3.** In afwijking van artikel 7.4b, eerste lid, bedraagt de studielast voor een versneld traject 180 studiepunten. Het instellingsbestuur kan in bijzondere, door het instellingsbestuur vast te stellen en toe te lichten, gevallen bepalen dat de studielast voor een versneld traject 240 studiepunten bedraagt. +**3.** In afwijking van artikel 7.4b, tweede lid, bedraagt de studielast voor een versneld traject 180 studiepunten. Het instellingsbestuur kan in bijzondere, door het instellingsbestuur vast te stellen en toe te lichten, gevallen bepalen dat de studielast voor een versneld traject 240 studiepunten bedraagt. ### Artikel 7.9b @@ -1640,21 +1630,19 @@ Vervallen **3.** Het instellingsbestuur is verantwoordelijk voor de praktische organisatie van tentamens en examens. +**4.** Het instellingsbestuur kan de geldigheidsduur van met goed gevolg afgelegde tentamens beperken, behoudens de bevoegdheid van de examencommissie die geldigheidsduur in een individueel geval te verlengen. De geldigheidsduur van een met goed gevolg afgelegd tentamen kan uitsluitend worden beperkt, indien de getentamineerde kennis of het getentamineerde inzicht aantoonbaar verouderd is, of indien de getentamineerde vaardigheden aantoonbaar verouderd zijn. Het instellingsbestuur stelt nadere regels vast omtrent de uitvoering van dit lid en over de wijze waarop bij het beperken van de geldigheidsduur in redelijkheid rekening wordt gehouden met bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 7.51, tweede lid. De geldigheidsduur van met goed gevolg afgelegde tentamens wordt in geval van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 7.51, tweede lid, ten minste verlengd met de duur van de op grond van artikel 7.51, eerste lid, toegekende financiële ondersteuning. + ### Artikel 7.10a -**1.** Het instellingsbestuur verleent de graad Bachelor en de graad Master aan degene die met goed gevolg het afsluitend examen van een bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs onderscheidenlijk het afsluitend examen van een masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs heeft afgelegd. Afhankelijk van het vakgebied waarin het met goed gevolg afgelegde afsluitend examen van een bacheloropleiding onderscheidenlijk het met goed gevolg afgelegde examen van een masteropleiding is afgelegd, wordt aan de verleende graad toegevoegd «of Arts» dan wel «of Science». Bij ministeriële regeling kan voor een opleiding of een groep van opleidingen met betrekking tot een in dit lid bedoelde graad een andere toevoeging dan die, bedoeld in de tweede volzin, worden vastgesteld. +**1.** Het instellingsbestuur verleent de graad Bachelor aan degene die in het wetenschappelijk onderwijs met goed gevolg het afsluitend examen van een bacheloropleiding heeft afgelegd en de graad Master aan degene die het afsluitende examen van een masteropleiding of een postinitiële masteropleiding als bedoeld in artikel 7.3b, onderdeel a, heeft afgelegd. Afhankelijk van het vakgebied waarin het met goed gevolg afgelegde afsluitend examen van een bacheloropleiding, een masteropleiding of postinitiële masteropleiding is afgelegd, wordt aan de verleende graad toegevoegd «of Arts» dan wel «of Science». Bij ministeriële regeling kan voor een opleiding of een groep van opleidingen een andere toevoeging worden vastgesteld. -**2.** Het instellingsbestuur verleent de graad Bachelor en de graad Master aan degene die met goed gevolg het afsluitend examen van een bacheloropleiding in het hoger beroepsonderwijs onderscheidenlijk het afsluitend examen van een masteropleiding in het hoger beroepsonderwijs heeft afgelegd. Afhankelijk van het vakgebied waarin het met goed gevolg afgelegde afsluitend examen van een bacheloropleiding onderscheidenlijk het met goed gevolg afgelegde afsluitend examen van een masteropleiding is afgelegd, wordt aan de verleende graad de toevoeging verbonden die op grond van artikel 5a.2, lid 2a, onder a, met positief resultaat is getoetst. +**2.** Het instellingsbestuur verleent de graad Associate degree, aan degene die in het hoger beroepsonderwijs met goed gevolg het afsluitend examen van een associate degree-opleiding heeft afgelegd, de graad Bachelor aan degene die in het hoger beroepsonderwijs met goed gevolg het afsluitend examen van een bacheloropleiding heeft afgelegd en de graad Master aan degene die in het hoger beroepsonderwijs met goed gevolg een masteropleiding of een postinitiële masteropleiding als bedoeld in artikel 7.3b, onderdeel b, heeft afgelegd. Afhankelijk van het vakgebied waarin het met goed gevolg afgelegde afsluitend examen van een bacheloropleiding, een masteropleiding of een postinitiële masteropleiding is afgelegd, wordt aan de verleende graad de toevoeging verbonden die op grond van artikel 5a.2, lid 2a, onder a, met positief resultaat is getoetst. -**3.** Het bestuur van de rechtspersoon, bedoeld in artikel 5a.1, tweede lid, verleent de graad Master aan degene die met goed gevolg het afsluitend examen van een masteropleiding als bedoeld in artikel 7.3b, onder a of b, heeft afgelegd. De tweede en derde volzin van het eerste lid zijn van overeenkomstige toepassing op een masteropleiding als bedoeld in artikel 7.3b, onder a. De tweede volzin van het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op een masteropleiding als bedoeld in artikel 7.3b, onder b. - -**4.** Het instellingsbestuur kan de graad en de toevoeging aanvullen met de vermelding van het vakgebied of het beroepenveld waarop de graad betrekking heeft. +**3.** Het instellingsbestuur kan de graad Associate degree en de graad Bachelor of Master en de toevoeging daaraan aanvullen met de vermelding van het vakgebied of het beroepenveld waarop de graad betrekking heeft. ### Artikel 7.10b -**1.** Het instellingsbestuur verleent de graad Associate degree aan degene die met goed gevolg het examen heeft afgelegd van een Ad-programma waarvoor een besluit als bedoeld in artikel 5a.13, derde lid, of een accreditatiebesluit als bedoeld in artikel 5a.9, vierde lid, is genomen. - -**2.** Artikel 7.11, tweede, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing. +Vervallen ### Artikel 7.11 @@ -1669,7 +1657,7 @@ b. welke onderdelen het examen omvatte, c. in voorkomende gevallen welke bevoegdheid daaraan is verbonden, rekening houdend met artikel 7.6, eerste lid, d. welke graad is verleend, in overeenstemming met de opleidingsgegevens in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, en e. op welk tijdstip de opleiding voor het laatst is geaccrediteerd dan wel op welk tijdstip de opleiding de toets nieuwe opleiding, bedoeld in artikel 5a.11, tweede lid, met goed gevolg heeft ondergaan, en -f. indien het getuigschrift een gezamenlijke opleiding, een gezamenlijke afstudeerrichting of een gezamenlijk Ad-programma als bedoeld in artikel 7.3c betreft, de naam van de instelling of instellingen die de gezamenlijke opleiding, de gezamenlijke afstudeerrichting of het gezamenlijke Ad-programma mede hebben verzorgd. +f. indien het getuigschrift een gezamenlijke opleiding of een gezamenlijke afstudeerrichting als bedoeld in artikel 7.3c betreft, de naam van de instelling of instellingen die de gezamenlijke opleiding of de gezamenlijke afstudeerrichting mede heeft of hebben verzorgd. **3.** Degene die aanspraak heeft op uitreiking van een getuigschrift, kan overeenkomstig door het instellingsbestuur vast te stellen regels de examencommissie verzoeken daartoe nog niet over te gaan. @@ -1690,7 +1678,7 @@ Het supplement wordt opgesteld in het Nederlands of Engels en voldoet aan het Eu **1.** Elke opleiding of groep van opleidingen aan de instelling heeft een examencommissie. -**2.** De examencommissie is het orgaan dat op objectieve en deskundige wijze vaststelt of een student voldoet aan de voorwaarden die de onderwijs- en examenregeling stelt ten aanzien van kennis, inzicht en vaardigheden die nodig zijn voor het verkrijgen van een graad als bedoeld in artikel 7.10a of 7.10b. +**2.** De examencommissie is het orgaan dat op objectieve en deskundige wijze vaststelt of een student voldoet aan de voorwaarden die de onderwijs- en examenregeling stelt ten aanzien van kennis, inzicht en vaardigheden die nodig zijn voor het verkrijgen van een graad als bedoeld in artikel 7.10a. ### Artikel 7.12a @@ -1768,7 +1756,7 @@ v. indien van toepassing: de wijze waarop de selectie van studenten voor een spe x. de feitelijke vormgeving van het onderwijs, en y. indien van toepassing: de regeling, bedoeld in artikel 7.9a, derde lid, tweede volzin. -**3.** In de onderwijs- en examenregeling wordt aangegeven hoe een persoon het recht zijn bacheloropleiding in het hoger beroepsonderwijs te vervolgen, bedoeld in artikel 7.8a, vijfde lid, kan effectueren en aan welke eisen hij daarvoor moet voldoen. +**3.** In de onderwijs- en examenregeling van de associate degree-opleiding wordt beschreven welke mogelijkheden er zijn voor een aan de instelling afgestudeerde met een graad Associate degree om door te stromen naar een bacheloropleiding. ### Artikel 7.14 @@ -1801,7 +1789,7 @@ Het instellingsbestuur kan procedures en criteria voor de erkenning van verworve **1.** Onverminderd het tweede lid wordt een opleiding verzorgd in de gemeente of het openbaar lichaam BES waar die opleiding blijkens het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13, is gevestigd. -**2.** Het instellingsbestuur kan besluiten een opleiding, een gedeelte daarvan of het Ad-programma dan wel een deel daarvan dat binnen die opleiding wordt aangeboden al dan niet voor een bepaalde periode in een of meer andere gemeenten of een of meer openbare lichamen BES te vestigen. Hij legt het in de eerste volzin bedoelde voornemen voor een nevenvestiging dan wel verplaatsing van een opleiding ter instemming voor aan Onze minister. +**2.** Het instellingsbestuur kan besluiten een opleiding of een gedeelte daarvan al dan niet voor een bepaalde periode in een of meer andere gemeenten of een of meer openbare lichamen BES te vestigen. Hij legt het in de eerste volzin bedoelde voornemen voor een nevenvestiging dan wel verplaatsing van een opleiding ter instemming voor aan Onze minister. **3.** Voorafgaand aan het nemen van een instemmingsbesluit als bedoeld in het tweede lid stelt Onze minister de daarvoor in aanmerking komende instellingen in de gelegenheid hun zienswijze te geven op de aanvraag. @@ -1809,9 +1797,9 @@ Het instellingsbestuur kan procedures en criteria voor de erkenning van verworve ### Artikel 7.17a -**1.** Onze minister kan besluiten dat een opleiding die of een Ad-programma dat in twee of meer gemeenten, in twee of meer openbare lichamen BES of in een of meer gemeenten en een of meer openbare lichamen BES is gevestigd, niet langer in een bij zijn besluit genoemde gemeente of openbaar lichaam BES is gevestigd, indien de verzorging van de opleiding of het Ad-programma in die gemeente of dat openbaar lichaam BES, gelet op het geheel van de voorzieningen op het gebied van het hoger onderwijs, in redelijkheid niet of niet meer doelmatig kan worden geacht. +**1.** Onze minister kan besluiten dat een opleiding in twee of meer gemeenten, in twee of meer openbare lichamen BES of in een of meer gemeenten en een of meer openbare lichamen BES is gevestigd, niet langer in een bij zijn besluit genoemde gemeente of openbaar lichaam BES is gevestigd, indien de verzorging van de opleiding in die gemeente of dat openbaar lichaam BES, gelet op het geheel van de voorzieningen op het gebied van het hoger onderwijs, in redelijkheid niet of niet meer doelmatig kan worden geacht. -**2.** Bij zijn besluit bepaalt Onze minister tevens het tijdstip met ingang waarvan de opleiding of het Ad-programma niet langer in de gemeente of het openbaar lichaam BES, bedoeld in het eerste lid, is gevestigd. +**2.** Bij zijn besluit bepaalt Onze minister tevens het tijdstip met ingang waarvan de opleiding niet langer in de gemeente of het openbaar lichaam BES, bedoeld in het eerste lid, is gevestigd. #### Paragraaf 3. De promoties @@ -1823,7 +1811,7 @@ Het instellingsbestuur kan procedures en criteria voor de erkenning van verworve Tot de promotie heeft toegang ieder: -a. aan wie op grond van artikel 7.10a, eerste, tweede of derde lid, de graad Master is verleend; en die +a. aan wie op grond van artikel 7.10a, eerste of tweede lid, de graad Master is verleend; en die b. als proeve van bekwaamheid tot het zelfstandig beoefenen van de wetenschap een proefschrift heeft geschreven dan wel een proefontwerp heeft vervaardigd, en c. heeft voldaan aan de eisen, gesteld in het in artikel 7.19 bedoelde promotiereglement. @@ -1851,28 +1839,23 @@ c. indien van toepassing, de gang van zaken met betrekking tot artikel 7.18, zes ### Artikel 7.19a -**1.** Degene aan wie op grond van artikel 7.10a een graad is verleend, is gerechtigd die graad in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen, desgewenst aangevuld met de vermelding, bedoeld in artikel 7.10a, vierde lid. +**1.** Degene aan wie op grond van artikel 7.10a een graad is verleend, is gerechtigd die graad met de toevoeging in zijn eigen naamsvermelding, achter de naam geplaatst, tot uitdrukking te brengen, desgewenst aangevuld met de vermelding, bedoeld in het derde lid van dat artikel. **2.** De graden en de toevoegingen, bedoeld in artikel 7.10a, worden als volgt aangeduid: -a. Bachelor: B, -b. Master: M, -c. Bachelor met de toevoeging «of Arts»: BA, -d. Bachelor met de toevoeging «of Science»: BSc, -e. Bachelor of Master met een andere toevoeging als bedoeld in artikel 7.10a, eerste lid, derde volzin, -f. Master met de toevoeging «of Arts»: MA, -g. Master met de toevoeging «of Science»: MSc, en -h. Bachelor of Master met een toevoeging als bedoeld in artikel 7.10a, tweede lid, tweede volzin. +a. Associate degree: Ad, +b. Bachelor: B, +c. Master: M, +d. Bachelor met de toevoeging «of Arts»: BA, +e. Bachelor met de toevoeging «of Science»: BSc, +f. Bachelor of Master met een andere toevoeging als bedoeld in artikel 7.10a, eerste lid, derde volzin, +g. Master met de toevoeging «of Arts»: MA, +h. Master met de toevoeging «of Science»: MSc, en +i. Bachelor of Master met een toevoeging als bedoeld in artikel 7.10a, tweede lid, tweede volzin. -**3.** Indien artikel 7.10a, eerste lid, derde volzin, toepassing heeft gevonden, worden de afkorting van de desbetreffende graden met toevoegingen bij ministeriële regeling vastgesteld. - -**3a.** Indien artikel 7.10a, tweede lid, tweede volzin, is toegepast, wordt de afkorting van de desbetreffende graden met toevoegingen bij ministeriële regeling vastgesteld. - -**4.** Degene aan wie op grond van artikel 7.10b de graad Associate degree is verleend, is gerechtigd die graad in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen. De afkorting van die graad is Ad. - -**5.** De graad en de toevoeging worden, afgekort, in de naamsvermelding achter de naam geplaatst, desgewenst aangevuld met de vermelding, bedoeld in artikel 7.10a, vierde lid. +**3.** In de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 7.10a, eerste lid, dan wel in het besluit dat op grond van artikel 5a.2, lid 2a, wordt genomen, wordt met betrekking tot een andere toevoeging aan de graad als bedoeld in artikel 7.10a, eerste en tweede lid, tevens de aanduiding vastgesteld. ### Artikel 7.20 @@ -1947,11 +1930,11 @@ Vervallen ### Titel 2. Vooropleidingseisen en toelatingseisen -#### Paragraaf 1. Vooropleidingseisen bacheloropleidingen +#### Paragraaf 1. Vooropleidingseisen associate degree-opleidingen en bacheloropleidingen ### Artikel 7.23b -In deze paragraaf wordt onder «opleiding» verstaan een bacheloropleiding. +In deze paragraaf wordt onder «opleiding» verstaan een associate degree-opleiding of een bacheloropleiding. ### Artikel 7.24 @@ -2080,11 +2063,11 @@ Het instellingsbestuur kan met het oog op de inschrijving voor een deeltijdse op ### Artikel 7.30 -**1.** Voor de inschrijving voor een opleiding na het propedeutisch examen geldt als eis het bezit van een getuigschrift van het met goed gevolg afgelegde propedeutisch examen van die opleiding of van het met goed gevolg afgelegde propedeutisch examen dat die opleiding en een of meer andere opleidingen gemeen hebben. +**1.** Voor de inschrijving voor een bacheloropleiding na het propedeutisch examen geldt als eis het bezit van een getuigschrift van het met goed gevolg afgelegde propedeutisch examen van die bacheloropleiding of van het met goed gevolg afgelegde propedeutisch examen dat die bacheloropleiding en een of meer andere bacheloropleidingen gemeen hebben. **2.** Het instellingsbestuur kan vrijstelling verlenen van de in het eerste lid bedoelde eis aan de bezitter van een al dan niet in Nederland afgegeven diploma, indien dat diploma naar het oordeel van het instellingsbestuur ten minste gelijkwaardig is aan het in het eerste lid bedoelde getuigschrift. Indien het een buiten Nederland afgegeven diploma betreft, kan het instellingsbestuur daarbij bepalen dat geen examens of onderdelen daarvan worden afgelegd dan nadat ten genoegen van de desbetreffende examencommissie het bewijs is geleverd van voldoende beheersing van de Nederlandse taal voor het met vrucht kunnen volgen van het onderwijs. -**3.** Met inachtneming van het terzake bepaalde in de onderwijs- en examenregeling kan de examencommissie, in afwijking van het eerste lid, aan degene die is ingeschreven, op zijn verzoek, reeds de toegang tot het afleggen van een of meer onderdelen van het afsluitend examen verlenen voordat hij het propedeutisch examen van de desbetreffende opleiding met goed gevolg heeft afgelegd. +**3.** Met inachtneming van het terzake bepaalde in de onderwijs- en examenregeling kan de examencommissie, in afwijking van het eerste lid, aan degene die is ingeschreven, op zijn verzoek, reeds de toegang tot het afleggen van een of meer onderdelen van het afsluitend examen verlenen voordat hij het propedeutisch examen van de desbetreffende bacheloropleiding met goed gevolg heeft afgelegd. #### Paragraaf 2. Toelatingseisen masteropleidingen @@ -2133,48 +2116,54 @@ b. artikel 7.30c, met uitzondering van de in het tweede lid bedoelde kennis, inz Indien de betrokkene niet voldoet aan de toelatingseisen, bedoeld in de artikelen 7.30b of 7.30c, en van hem redelijkerwijs kan worden verwacht dat hij daaraan binnen een redelijke termijn alsnog kan voldoen, wordt hem de mogelijkheid geboden, de tekortkoming weg te nemen en alsnog aan de toelatingseisen te voldoen. -### Artikel 7.31 - -Vervallen - ### Titel 2A. VRIJSTELLING VAN HET AFLEGGEN VAN TENTAMENS OP GROND VAN HET BEZIT VAN EEN DIPLOMA BEROEPSONDERWIJS ### Titel 3. Studenten en extraneï #### Paragraaf 1. Aanmelding, studiekeuzeactiviteiten en studiekeuzeadvies +### Artikel 7.31 + +In deze paragraaf wordt onder «opleiding» verstaan een associatie degree-opleiding of een bacheloropleiding. + ### Artikel 7.31a -**1.** Uiterlijk op 1 mei voorafgaand aan het desbetreffende studiejaar meldt degene die zich als student wil inschrijven voor een bepaalde propedeutische fase van een bacheloropleiding aan een bepaalde instelling of, indien die fase niet is ingesteld, de eerste periode in een bacheloropleiding met een studielast van 60 studiepunten, zich aan bij Onze minister, met inachtneming van artikel 7.31d en overeenkomstig bij ministeriële regeling vast te stellen regels van procedurele aard. +**1.** Uiterlijk op 1 mei voorafgaand aan het desbetreffende studiejaar meldt degene die zich als student wil inschrijven voor de eerste periode van een associate degree-opleiding met een studielast van 60 studiepunten, voor een bepaalde propedeutische fase van een bacheloropleiding aan een bepaalde instelling of, indien die fase niet is ingesteld, de eerste periode in een bacheloropleiding met een studielast van 60 studiepunten, zich aan bij Onze minister, met inachtneming van artikel 7.31d en overeenkomstig bij ministeriële regeling vast te stellen regels van procedurele aard. -**2.** De aanmelding geschiedt onder vermelding van de instelling waarbij en de bacheloropleiding waarvoor de betrokkene zich wil inschrijven. +**2.** De aanmelding geschiedt onder vermelding van de instelling waarbij en de opleiding waarvoor de betrokkene zich wil inschrijven. -**3.** Indien de betrokkene zich voorafgaand aan het desbetreffende studiejaar voor meer dan een bacheloropleiding wil aanmelden, geldt de verplichting, bedoeld in het eerste lid, voor één bacheloropleiding. +**3.** Indien de betrokkene zich voorafgaand aan het desbetreffende studiejaar voor meer dan een opleiding wil aanmelden, geldt de verplichting, bedoeld in het eerste lid, voor één opleiding. **4.** Onze minister levert de aanmeldingsgegevens, bedoeld in dit artikel en de artikelen 7.31c en 7.31d, aan de instelling of instellingen waarvoor de betrokkene zich heeft aangemeld. -**5.** Dit artikel is niet van toepassing op een student die zich na 1 mei aanmeldt bij een andere bacheloropleiding dan die waarbij hij oorspronkelijk was ingeschreven maar kan aantonen dat de nieuwe aanmelding het gevolg is van een beëindiging van de inschrijving op grond van artikel 7.8b, vijfde lid, op een zodanig tijdstip dat hij zich niet kon aanmelden voor 1 mei, voorafgaand aan het studiejaar waarvoor hij zich wenst in te schrijven. +**5.** Dit artikel is niet van toepassing op een student die zich na 1 mei aanmeldt bij een andere opleiding dan die waarbij hij oorspronkelijk was ingeschreven maar kan aantonen dat de nieuwe aanmelding het gevolg is van een beëindiging van de inschrijving op grond van artikel 7.8b, vijfde lid, op een zodanig tijdstip dat hij zich niet kon aanmelden voor 1 mei, voorafgaand aan het studiejaar waarvoor hij zich wenst in te schrijven. ### Artikel 7.31b -**1.** Indien de betrokkene zich uiterlijk op 1 mei voor een of meer bacheloropleidingen heeft aangemeld op de wijze, bedoeld in artikel 7.31a, eerste lid, heeft hij het recht deel te nemen aan door de instelling met betrekking tot de desbetreffende bacheloropleidingen te organiseren studiekeuzeactiviteiten. Het instellingsbestuur kan besluiten dat de betrokkene verplicht is deel te nemen aan de studiekeuzeactiviteiten. +**1.** Indien de betrokkene zich uiterlijk op 1 mei voor een of meer opleidingen heeft aangemeld op de wijze, bedoeld in artikel 7.31a, eerste lid, heeft hij het recht deel te nemen aan door de instelling met betrekking tot de desbetreffende opleidingen te organiseren studiekeuzeactiviteiten. Het instellingsbestuur kan besluiten dat de betrokkene verplicht is deel te nemen aan de studiekeuzeactiviteiten. -**2.** Het instellingsbestuur brengt ten aanzien van elke student die zich heeft aangemeld en die heeft deelgenomen aan de studiekeuzeactiviteiten, een studiekeuzeadvies uit. Bij ministeriële regeling kan een maximum aantal studiekeuzeadviezen worden vastgesteld waarop de betrokkene recht heeft. +**2.** Voor het geval dat het overbruggen van de afstand tussen woon- of verblijfplaats en de plaats waar de studiekeuzeactiviteiten plaatsvinden voor een aspirant-student tot overwegende bezwaren leidt, treft het instellingsbestuur zodanige voorzieningen dat deze aspirant-student kan deelnemen aan de studiekeuzeactiviteiten zonder dat diens fysieke aanwezigheid is vereist. -**3.** Indien toepassing is gegeven aan de tweede volzin van het eerste lid en de betrokkene zonder geldige reden niet deelneemt aan de studiekeuzeactiviteiten, bedoeld in dat lid, kan het instellingsbestuur besluiten de inschrijving van de betrokkene te weigeren. +**3.** Het instellingsbestuur brengt ten aanzien van elke student die zich heeft aangemeld en die heeft deelgenomen aan de studiekeuzeactiviteiten, een studiekeuzeadvies uit. Bij ministeriële regeling kan een maximum aantal studiekeuzeadviezen worden vastgesteld waarop de betrokkene recht heeft. -**4.** Het instellingsbestuur stelt ter uitvoering van dit artikel nadere regels vast die in elk geval betrekking hebben op de aard en de inhoud van de studiekeuzeactiviteiten voor de instelling of per opleiding, de termijn waarbinnen de studiekeuzeactiviteiten plaatsvinden, de termijn waarbinnen en de wijze waarop het studiekeuzeadvies wordt uitgebracht, de gevolgen van het zonder geldige reden van verhindering niet deelnemen aan studiekeuzeactiviteiten en de geldige redenen van verhindering voor het deelnemen aan die activiteiten. Bij het vaststellen van de nadere regels treft het instellingsbestuur voor aspirant-studenten afkomstig uit de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba onderscheidenlijk Aruba, Curaçao en Sint Maarten zodanige voorzieningen dat zij kunnen deelnemen aan de studiekeuzeactiviteiten zonder dat hun fysieke aanwezigheid op de instelling vereist is. +**4.** Indien toepassing is gegeven aan de tweede volzin van het eerste lid en de betrokkene zonder geldige reden niet deelneemt aan de studiekeuzeactiviteiten, bedoeld in dat lid, kan het instellingsbestuur besluiten de inschrijving van de betrokkene te weigeren. **5.** -Dit artikel is niet van toepassing op: +Het instellingsbestuur stelt ter uitvoering van het eerste tot en met vierde lid nadere regels vast die in elk geval betrekking hebben op: -a. de inschrijving voor een bacheloropleiding waarvoor een selectieprocedure is ingesteld, en -b. degene die op grond van artikel 7.28 vanwege het bezit van een buiten Nederland behaald diploma is vrijgesteld van de diploma-eisen, bedoeld in de artikelen 7.24, eerste en tweede lid. +a. de aard en de inhoud van de studiekeuzeactiviteiten voor de instelling of per opleiding; +b. de termijn waarbinnen de studiekeuzeactiviteiten plaatsvinden; +c. de termijn waarbinnen en de wijze waarop het studiekeuzeadvies wordt uitgebracht; +d. de geldige redenen van verhindering voor het deelnemen aan studiekeuzeactiviteiten; +e. de gevolgen van het zonder geldige reden van verhindering niet deelnemen aan studiekeuzeactiviteiten; en +f. de voorzieningen, bedoeld in het tweede lid. + +**6.** Het eerste tot en met vierde lid zijn niet van toepassing op de inschrijving voor een bacheloropleiding waarvoor een selectieprocedure is ingesteld. ### Artikel 7.31c -**1.** Indien de betrokkene heeft voldaan aan de verplichting, bedoeld in artikel 7.31a, eerste lid, behorend bij die andere bacheloropleiding en zich na 1 mei voor een andere bacheloropleiding dan de bacheloropleiding, bedoeld in genoemde bepaling, aanmeldt, kan het instellingsbestuur besluiten dat de betrokkene verplicht is deel te nemen aan de studiekeuzeactiviteiten, bedoeld in artikel 7.31b, eerste lid. +**1.** Indien de betrokkene heeft voldaan aan de verplichting, bedoeld in artikel 7.31a, eerste lid, behorend bij die andere opleiding en zich na 1 mei voor een andere opleiding dan de opleiding, bedoeld in genoemde bepaling, aanmeldt, kan het instellingsbestuur besluiten dat de betrokkene verplicht is deel te nemen aan de studiekeuzeactiviteiten, bedoeld in artikel 7.31b, eerste lid. **2.** Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op de student, bedoeld in artikel 7.31a, vijfde lid. @@ -2182,14 +2171,18 @@ b. degene die op grond van artikel 7.28 vanwege het bezit van een buiten Nederla **1.** -Indien de betrokkene niet heeft voldaan aan de verplichting, bedoeld in artikel 7.31a, eerste lid, en zich na 1 mei voor een bacheloropleiding aanmeldt, kan het instellingsbestuur besluiten dat: +Indien de betrokkene niet heeft voldaan aan de aanmeldingsverplichting, bedoeld in artikel 7.31a, eerste lid, en zich na 1 mei voor een opleiding aanmeldt, kan het instellingsbestuur besluiten: -a. hij de betrokkene de inschrijving voor de desbetreffende bacheloropleiding weigert, of -b. de betrokkene verplicht is deel te nemen aan de studiekeuzeactiviteiten, bedoeld in artikel 7.31b, eerste lid. +a. dat de betrokkene de inschrijving voor de desbetreffende opleiding wordt geweigerd, of +b. dat de betrokkene verplicht is deel te nemen aan de studiekeuzeactiviteiten, bedoeld in artikel 7.31b, eerste lid. -**2.** Met betrekking tot het eerste lid, aanhef en onderdeel b, is artikel 7.31b, tweede lid, van toepassing. Indien het instellingsbestuur een negatief studiekeuzeadvies heeft uitgebracht, kan hij besluiten dat hij de betrokkene de inschrijving voor de desbetreffende bacheloropleiding weigert. Met betrekking tot dit artikel is voorts artikel 7.31b, derde, vierde en vijfde lid, van overeenkomstige toepassing. +**2.** De bevoegdheid de betrokkene de inschrijving te weigeren, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, is niet van toepassing op een student als bedoeld in artikel 7.31a, vijfde lid. -**3.** Het eerste lid, aanhef en onderdeel a, is niet van toepassing op de student, bedoeld in artikel 7.31a, vijfde lid. +**3.** Indien de betrokkene op grond van het eerste lid, aanhef en onderdeel b, verplicht wordt deel te nemen aan de studiekeuzeactiviteiten, is artikel 7.31b, tweede en derde lid, van toepassing. + +**4.** Indien het instellingsbestuur op grond van artikel 7.31b, derde lid, een negatief studiekeuzeadvies uitbrengt aan de betrokkene, kan het instellingsbestuur besluiten de betrokkene de inschrijving voor de desbetreffende opleiding te weigeren. + +**5.** Artikel 7.31b, vierde, vijfde en zesde lid, is van overeenkomstige toepassing. ### Artikel 7.31e @@ -2213,7 +2206,7 @@ De artikelen 7.31a tot en met 7.31d zijn niet van toepassing op de Open Universi **2.** In afwijking van het eerste lid is inschrijving voor een duale opleiding dan wel aan de Open Universiteit uitsluitend mogelijk als student. -**3.** De inschrijving geschiedt voor een opleiding, met dien verstande dat de inschrijving aan de Open Universiteit geschiedt voor een of meer onderwijseenheden. Een student die een Ad-programma wil volgen, schrijft zich in voor de opleiding en het Ad-programma. +**3.** De inschrijving geschiedt voor een opleiding, met dien verstande dat de inschrijving aan de Open Universiteit geschiedt voor een of meer onderwijseenheden. **4.** De inschrijving voor een opleiding geschiedt voor het gehele studiejaar. Indien de inschrijving plaatsvindt in de loop van het studiejaar, geldt zij voor het resterende gedeelte van het studiejaar. @@ -2229,6 +2222,8 @@ e. vreemdeling is, niet meer voldoet aan een van de voorwaarden, genoemd onder b **6.** Indien na de inschrijving blijkt dat deze op welke grond dan ook niet in overeenstemming met het vijfde lid heeft plaatsgevonden wordt de inschrijving van de student of extraneus onmiddellijk beëindigd. +**7.** Het instellingsbestuur kan de inschrijving laten ingaan met ingang van de eerste dag van de maand waarin de inschrijving heeft plaatsgevonden. Bij ministeriële regeling kan de bevoegdheid, bedoeld in de eerste volzin, worden beperkt. + ### Artikel 7.33 **1.** Onverminderd artikel 7.39, geschiedt de inschrijving overeenkomstig door het instellingsbestuur vast te stellen regels van procedurele aard. @@ -2255,7 +2250,7 @@ e. op studiebegeleiding; het instellingsbestuur besteedt daarbij bijzondere zorg **4.** In afwijking van het eerste lid, onder b, heeft de student, bedoeld in artikel 7.30a, eerste lid, derde volzin, niet het recht het examen van de masteropleiding af te leggen. -**5.** Een student die een Ad-programma volgt dat voor een deel wordt uitgevoerd door een instelling als bedoeld in artikel 1.1.1, onderdeel b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs heeft gedurende de tijd dat hij aan het programma deelneemt recht op toegang tot alle relevante onderwijsvoorzieningen van die instelling. +**5.** Een student die een associate degree-opleiding volgt dat voor een deel wordt uitgevoerd door een instelling als bedoeld in artikel 1.1.1, onderdeel b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs heeft gedurende de tijd dat hij de opleiding volgt recht op toegang tot alle relevante onderwijsvoorzieningen van die instelling. ### Artikel 7.35 @@ -2363,12 +2358,7 @@ Vervallen ### Artikel 7.45a -**1.** - -Het wettelijke collegegeld is verschuldigd door een student die: - -a. blijkens het basisregister onderwijs sedert 1 september 1991 voor een inschrijving aan een bacheloropleiding niet eerder een bachelorgraad als bedoeld in artikel 7.10a heeft behaald of voor een inschrijving aan een masteropleiding niet eerder een mastergraad als bedoeld in artikel 7.10a heeft behaald, en -b. tot één van de groepen van personen, bedoeld in artikel 2.2 van de Wet studiefinanciering 2000, behoort of de Surinaamse nationaliteit bezit. +**1.** Het wettelijk collegegeld is verschuldigd door een student die tot één van de groepen van personen, bedoeld in artikel 2.2 van de Wet studiefinanciering 2000 behoort of die de Surinaamse nationaliteit bezit. Voor een inschrijving aan een associate degree-opleiding geldt als aanvullende voorwaarde, dat de student blijkens het basisregister onderwijs sedert 1 september 1991 niet eerder bij een bekostigde instelling in verband met het volgen van initieel onderwijs een graad Associate degree, een graad Bachelor of een graad Master als bedoeld in artikel 7.10a heeft behaald. Voor een inschrijving aan een bacheloropleiding geldt als aanvullende voorwaarde, dat de student blijkens het basisregister onderwijs sedert 1 september 1991 niet eerder bij een bekostigde instelling in verband met het volgen van initieel onderwijs een graad Bachelor als bedoeld in artikel 7.10a heeft behaald. Voor een inschrijving aan een masteropleiding geldt als aanvullende voorwaarde, dat de student blijkens het basisregister onderwijs sedert 1 september 1991 niet eerder bij een bekostigde instelling in verband met het volgen van initieel onderwijs een graad Master als bedoeld in artikel 7.10a heeft behaald. **2.** Bij algemene maatregel van bestuur kan de categorie studenten, bedoeld in het eerste lid, worden uitgebreid. @@ -2380,18 +2370,19 @@ b. tot één van de groepen van personen, bedoeld in artikel 2.2 van de Wet stud **6.** -Voor de voorwaarde, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt met een student die een bachelorgraad als bedoeld in artikel 7.10a heeft behaald gelijkgesteld: +Voor de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, wordt met een student die een bachelorgraad als bedoeld in artikel 7.10a heeft behaald gelijkgesteld: a. een student die met goed gevolg het afsluitend examen heeft afgelegd van een hogere beroepsopleiding met een studielast van 168 studiepunten, volgens de wet zoals die luidde op 31 augustus 2002, en b. een student die met goed gevolg het kandidaatsexamen heeft afgelegd van een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in artikel 7.8, zoals dat artikel luidde op 31 augustus 2002. **7.** -Voor de voorwaarde, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt met een student die een bachelor- en mastergraad als bedoeld in artikel 7.10a heeft behaald, gelijkgesteld: +Voor de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, wordt met een student die een bachelor- en mastergraad als bedoeld in artikel 7.10a heeft behaald, gelijkgesteld: -a. een student die met goed gevolg het afsluitend examen heeft afgelegd van een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in artikel 7.3, zoals dat artikel luidde op 31 augustus 2002; -b. een student die op grond van artikel 18.14 met goed gevolg het afsluitend examen heeft afgelegd van een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs; en -c. een student die op grond van artikel 18.15 met goed gevolg het afsluitend examen heeft afgelegd van een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs. +a. een student die met goed gevolg het afsluitend examen heeft afgelegd van een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in artikel 7.3, zoals dat artikel luidde op 31 augustus 2002; en +b. een student die op grond van artikel 18.15 met goed gevolg het afsluitend examen heeft afgelegd van een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs. + +**8.** Voor de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, wordt een student die voor inwerkingtreding van de Wet invoering associate degree-opleiding met goed gevolg het afsluitend examen heeft afgelegd van een Ad-programma gelijkgesteld met een student die een graad Associate degree heeft behaald. ### Artikel 7.45b @@ -2450,7 +2441,7 @@ mits de student gedurende die periode geen onderwijs volgt of examens of tentame **5.** Vermindering of vrijstelling van het wettelijk collegegeld in andere gevallen dan bedoeld in het eerste tot en met vierde lid, de artikelen 7.3f of 7.47a wordt aangemerkt als niet doelmatige aanwending van de rijksbijdrage, bedoeld in artikel 2.9, eerste lid. -**6.** Het instellingsbestuur van de Open Universiteit stelt een regeling vast waarin een voorziening in de vorm van een verlaging van het collegegeld OU wordt getroffen, voor studenten als bedoeld in artikel 7.45b, eerste lid, van wie het toetsingsinkomen, bedoeld in artikel 8, eerste tot en met vierde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, minder dan 110% van het belastbaar minimumloon bedraagt. In de regeling stelt het instellingsbestuur vast welke aanvraagbescheiden moeten worden ingediend. De hoogte van de verlaging, bedoeld in de eerste volzin, is in elk geval afhankelijk van het inkomen van de betrokkene. +**6.** Het instellingsbestuur van de Open Universiteit stelt een regeling vast waarin een voorziening in de vorm van een verlaging van het collegegeld OU wordt getroffen, voor studenten als bedoeld in artikel 7.45b, eerste lid, van wie het toetsingsinkomen, bedoeld in artikel 8, eerste tot en met zesde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, minder dan 110% van het belastbaar minimumloon bedraagt. In de regeling stelt het instellingsbestuur vast welke aanvraagbescheiden moeten worden ingediend. De hoogte van de verlaging, bedoeld in de eerste volzin, is in elk geval afhankelijk van het inkomen van de betrokkene. ### Artikel 7.49 @@ -2578,7 +2569,7 @@ f. de opleidingsfase; g. het jaar, de maand en de dag van inschrijving; h. het jaar, de maand en de dag van beëindiging van de inschrijving en de reden van de beëindiging van de inschrijving; i. het al dan niet vrijgesteld zijn van het betalen van collegegeld op grond van de artikelen 7.47a of 7.48, eerste en tweede lid; -j. het jaar, de maand en de dag van het afsluitend examen van een bacheloropleiding en, indien van toepassing, van het afsluitend examen van een masteropleiding, een opleiding als bedoeld in artikel 18.15, of een Ad-programma; en +j. het jaar, de maand en de dag van het afsluitend examen van een bacheloropleiding en, indien van toepassing, van het afsluitend examen van een masteropleiding, een opleiding als bedoeld in artikel 18.15 of een associate degree-opleiding; en k. het registratienummer van de instelling. **3.** Bij ministeriële regeling kan een nadere specificatie worden gegeven van de gegevens, bedoeld in het tweede en vijfde lid, en kan worden bepaald welke van de gegevens, bedoeld in het tweede en vijfde lid, niet langer behoeven te worden verstrekt. Bij ministeriële regeling kunnen voorts regels worden gesteld omtrent de tijdstippen en de wijze van verstrekking van de gegevens, bedoeld in het tweede lid. @@ -2626,8 +2617,8 @@ b. de inspectie voor zover deze gegevens noodzakelijk zijn voor het uitoefenen v In deze paragraaf wordt verstaan onder: -a. opleiding: een bacheloropleiding, en -b. propedeutische fase: de propedeutische fase of, indien die fase niet is ingesteld, de eerste periode in een bacheloropleiding met een studielast van 60 studiepunten. +a. *opleiding:* een associate degree-opleiding of een bacheloropleiding, en +b. propedeutische fase: de propedeutische fase of, indien die fase niet is ingesteld, de eerste periode in een opleiding met een studielast van 60 studiepunten. ### Artikel 7.53 @@ -4923,7 +4914,7 @@ Vervallen ### Artikel 16.14 -**1.** Aan het Internationaal Instituut voor Sociale Studiën te ’s-Gravenhage kan het doctoraat worden verkregen op grond van de promotie. Tot de promotie heeft toegang ieder die met goed gevolg het afsluitend examen verbonden aan een opleiding in het derde lid, heeft afgelegd, dan wel aan wie op grond van artikel 7.10a, eerste, tweede of derde lid, de graad Master is verleend, onverminderd het tweede lid. +**1.** Aan het Internationaal Instituut voor Sociale Studiën te ’s-Gravenhage kan het doctoraat worden verkregen op grond van de promotie. Tot de promotie heeft toegang ieder die met goed gevolg het afsluitend examen verbonden aan een opleiding in het derde lid, heeft afgelegd, dan wel aan wie op grond van artikel 7.10a, eerste of tweede lid, de graad Master is verleend, onverminderd het tweede lid. **2.** De artikelen 1.12, vijfde lid, 1.18, eerste lid, eerste en tweede volzin, en tweede lid, 7.18, tweede lid, aanhef en onder b en c, derde, vierde en vijfde lid, 7.19 en 7.22 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat van het college voor promoties een of meer hoogleraren van een in de bijlage van deze wet onder a of b opgenomen universiteit deel uitmaken. @@ -5486,7 +5477,7 @@ Klachten van studenten die zijn ingediend op grond van artikel 9.28 zoals die be **2.** De hogescholen die krachtens artikel 6.9, zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel AP, van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119), waren aangewezen, worden met ingang van de datum van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel AP, van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119) aangemerkt als rechtspersonen voor hoger onderwijs als bedoeld in artikel 1.1, onder aa. -**3.** De universiteiten als bedoeld in artikel 1.2, onderdeel b, zoals dat artikel luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel B van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119) blijven universiteiten aangewezen op grond van artikel 6.9, zoals dat artikel luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel AP, van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119). De artikelen die gelden voor de rechtspersonen voor hoger onderwijs zijn op die universiteiten van toepassing, evenals de artikelen 7.18 en 7.19. +**3.** De universiteiten als bedoeld in artikel 1.2, onderdeel b, zoals dat artikel luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel B van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119) blijven universiteiten aangewezen op grond van artikel 6.9, zoals dat artikel luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel AP, van de wet van 4 februari 2010 (Stb. 119). De artikelen die bij of krachtens de wet gelden voor de rechtspersonen voor hoger onderwijs zijn op die universiteiten van toepassing, evenals de artikelen 7.18 en 7.19. **4.** Onze minister trekt de aanwijzing bedoeld in het derde lid in, indien de instelling geen in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs geregistreerde opleiding verzorgt of niet wordt voldaan aan artikel 1.12, tweede, derde of vierde lid. Artikel 6.10, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing. @@ -5572,12 +5563,32 @@ Aspirant-studenten die op het moment van inwerkingtreding van artikel I, onderde Wijzigt deze wet. +### Titel 16. Wet invoering associate degree-opleiding + +### Artikel 18.87 + +**1.** Op het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet invoering associate degree-opleiding wordt een Ad-programma dat door een instelling wordt verzorgd van rechtswege omgezet in een associate degree-opleiding tenzij het instellingsbestuur besluit het Ad-programma met ingang van dat moment te beëindigen. + +**2.** Studenten die op het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet invoering associate degree-opleiding zijn ingeschreven bij een bacheloropleiding en een Ad-programma worden met ingang van dat moment geacht te zijn ingeschreven bij de associate degree-opleiding, met dien verstande dat de inschrijving voor de toepassing van de Wet studiefinanciering 2000 een inschrijving blijft aan een associate degree-programma als bedoeld in artikel 7.8a, zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet invoering associate degree-opleiding. + +**3.** Indien het bevoegd gezag van de instelling besluit het Ad-programma te beëindigen op het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet invoering associate degree-opleiding is artikel 7.3, zesde lid, van overeenkomstige toepassing. + +**4.** Artikel 7.8a, vijfde lid, zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet associate degree-opleiding, blijft van toepassing voor een persoon die voor dat tijdstip de graad Associate degree heeft behaald tot en met het tweede studiejaar volgend op de inwerkingtreding van die wet. + +### Artikel 18.88 + +Een aanvraag voor een toets nieuw Ad-programma die op het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet invoering associate degree-opleiding in behandeling is bij het accreditatieorgaan wordt beschouwd als een aanvraag voor een toets nieuwe opleiding voor een associate degree-opleiding. + ## Hoofdstuk 19. Slotbepalingen ### Artikel 19.1 Onze minister brengt vijf jaren na de inwerkingtreding van deze wet verslag uit over de werking ervan aan de beide kamers der Staten-Generaal. +### Artikel 19.1a + +Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden + ### Artikel 19.2 Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden gesteld.