2005-01-01 | BWBR0017240 | Besluit uitvoering sociale werkvoorziening en begeleid werken

This commit is contained in:
Coornhert 2005-01-01 12:00:00 +00:00
parent d0714866d6
commit b67335ee92

View file

@ -0,0 +1,354 @@
---
titel: Besluit uitvoering sociale werkvoorziening en begeleid werken
bwb_id: BWBR0017240
type: AMvB
status: geldend
datum_inwerkingtreding: '2005-01-01'
bron: https://wetten.overheid.nl/BWBR0017240
citeertitel: Besluit uitvoering sociale werkvoorziening en begeleid werken
---
# Besluit uitvoering sociale werkvoorziening en begeleid werken
## Hoofdstuk 1. Indicatie en herindicatie
### Artikel 1
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. de wet: de Wet sociale werkvoorziening;
b. aanvrager: de persoon die een aanvraag voor indicatie heeft ingediend of voor wie een aanvraag voor indicatie is ingediend;
c. indicatie: de beschikking, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de wet;
d. geïndiceerde: de persoon van wie is vastgesteld dat hij tot de doelgroep van de wet behoort;
e. sociale werkvoorziening: de arbeidsomgeving waar gewerkt wordt in een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de wet;
f. begeleid werken: de arbeid, bedoeld in hoofdstuk 3 van de wet;
g. beperkingen van lichamelijke aard: alle beperkingen ten gevolge van stoornissen die niet van verstandelijke of psychische aard zijn, zoals gekwalificeerd in de internationale statistische classificatie van ziekten en aanverwante gezondheidsproblemen (ICD-10) en de internationale classificatie van stoornissen, beperkingen en handicaps (ICIDH) van de Wereld Gezondheidsorganisatie;
h. beperkingen van verstandelijke aard: beperkingen ten gevolge van stoornissen die in de ICIDH zijn gekwalificeerd onder 12 en 13;
i. beperkingen van psychische aard: beperkingen ten gevolge van stoornissen die in de ICIDH zijn gekwalificeerd onder 15 tot en met 19 en 23 tot en met 29;
j. aanpassingen: aanpassingen met behulp waarvan door de geïndiceerde arbeid kan worden verricht, die betrekking hebben op:
1°. technische aanpassingen in de werkplek en werkomgeving;
2°. organisatorische aanpassingen in het werk;
3°. speciale begeleiding bij het werk;
4°. aanpassing van de werktijd;
5°. aanpassing van het werktempo;
k. begeleidingsorganisatie: een organisatie die de arbeidsinpassing van de geïndiceerde met een advies begeleid werken of voor de arbeidsinpassing met inbegrip van de begeleiding van de geïndiceerde met een advies begeleid werken op zijn werkplek verzorgt gedurende het begeleid werken.
### Artikel 2
**1.** Een aanvraag tot indicatie wordt ingediend door of namens de aanvrager bij de Centrale organisatie werk en inkomen. Ondertekent de aanvrager de aanvraag tot indicatie niet zelf, dan wordt de reden daarvan vermeld.
**2.** In de aanvraag wordt aangegeven of de aanvrager toestemming geeft tot het zo nodig raadplegen van behandelend artsen of psychologen en het gebruik maken van bij dezen aanwezige medische of psychologische gegevens.
**3.** Na ontvangst van de aanvraag toetst de Centrale organisatie werk en inkomen de woonplaats van de aanvrager en draagt er zonodig zorg voor dat de aanvrager als werkzoekende ingeschreven staat bij haar organisatie.
**4.** De Centrale organisatie werk en inkomen tekent onverwijld de datum van ontvangst van de aanvraag aan, en zendt hem een bewijs van ontvangst. Een afschrift van het bewijs van ontvangst wordt toegezonden aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de aanvrager woonachtig is alsmede aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, indien de aanvrager van dat instituut een uitkering ontvangt.
### Artikel 3
**1.**
In het kader van de aanvraag tot indicatie verricht de Centrale organisatie werk en inkomen, met inachtneming van de bijlage behorend bij dit besluit, onderzoek naar:
a. de beperkingen van de aanvrager van lichamelijke, verstandelijke en psychische aard;
b. de mogelijkheid, dat de aanvrager in staat is passende arbeid te verrichten onder normale omstandigheden, zonder dat er sprake is van aanpassingen;
c. de aanpassingen die voor de aanvrager noodzakelijk zijn en de vraag of deze binnen redelijke grenzen in een normale arbeidsomgeving kunnen worden gerealiseerd;
d. de mogelijkheid, dat de aanvrager met de aanpassingen in staat is regelmatig arbeid in de sociale werkvoorziening of begeleid werken te verrichten;
e. de indeling in een arbeidshandicapcategorie als bedoeld in artikel 4, tweede lid;
f. de mogelijkheid, dat de aanvrager een advies voor begeleid werken kan worden gegeven.
**2.** Het onderzoek wordt op adequate wijze verricht door personen die over voldoende deskundigheid beschikken.
**3.** Bij ministeriële regeling wordt bepaald wanneer bij het onderzoek een arbeidsdeskundige, een arts en een psycholoog wordt betrokken. Daarbij worden ook regels gesteld met betrekking tot het opleidings- en ervaringsniveau van genoemde deskundigen en de onverenigbaarheid van andere functies met die van deskundige als bedoeld in dit lid.
**4.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de wijze waarop de Centrale organisatie werk en inkomen het onderzoek uitvoert.
### Artikel 4
**1.** De Centrale organisatie werk en inkomen stelt de indicatie vast binnen zestien weken na ontvangst van de aanvraag tot indicatie.
**2.** De indicatie bevat de vermelding of de aanvrager een geïndiceerde is.
**3.** De Centrale organisatie werk en inkomen deelt de geïndiceerde in de arbeidshandicapcategorie matig of ernstig in, op grond van de noodzakelijke aanpassingen en van het prestatieniveau volgens de bijlage behorend bij dit besluit.
**4.** De Centrale organisatie werk en inkomen stelt van de geïndiceerde de geldigheidsduur van de indicatie vast. Deze bedraagt minimaal 2 jaar en maximaal 5 jaar.
**5.**
De indicatie bevat bij een geïndiceerde tevens:
a. de arbeidshandicapcategorie waarin hij is ingedeeld;
b. de geldigheidsduur van de indicatie;
c. een advies over de eventuele aanpassingen die in eerste aanleg noodzakelijk worden bevonden bij het verrichten van arbeid, en
d. een advies of hij in staat wordt geacht tot begeleid werken.
**6.** Indien de aanvrager niet wordt geïndiceerd, omdat hij ook onder normale omstandigheden tot regelmatige arbeid in staat wordt geacht, bevat de indicatie tevens het advies, bedoeld in artikel 21a, eerste lid, onderdeel c, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
**7.** Indien de aanvrager niet wordt geïndiceerd, omdat hij ook onder aangepaste omstandigheden niet tot regelmatige arbeid is staat wordt geacht, bevat de indicatie tevens een gericht advies betreffende de doorgeleiding naar een indicatie voor een voorziening voor ondersteunende en activerende begeleiding in het kader van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten.
**8.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de geldigheidsduur van de indicatie.
### Artikel 5
**1.** De indicatie wordt door de Centrale organisatie werk en inkomen zo spoedig mogelijk na vaststelling toegezonden aan de geïndiceerde, het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de geïndiceerde woonachtig is, en, voor zover van toepassing, de in artikel 2, derde lid, van de wet bedoelde rechtspersoon. Indien de geïndiceerde een uitkering ontvangt van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, ontvangt dat instituut zo spoedig mogelijk na de vaststelling de mededeling dat de aanvrager een geïndiceerde is.
**2.** Indien de aanvrager niet wordt geïndiceerd wordt dat besluit door de Centrale organisatie werk en inkomen zo spoedig mogelijk na vaststelling toegezonden aan hem, het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de aanvrager woonachtig is, en het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen indien de aanvrager van genoemd instituut een uitkering ontvangt.
**3.** Indien het college van burgemeester en wethouders toepassing geeft aan artikel 2, vierde lid, van de wet bericht dat college in afschrift de Centrale organisatie werk en inkomen en het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen indien de geïndiceerde van genoemd instituut een uitkering ontvangt.
### Artikel 6
**1.**
Telkens uiterlijk 16 weken voor het verstrijken van de geldigheidsduur van een indicatie wordt:
a. bij een geïndiceerde die op de wachtlijst staat door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de geïndiceerde woonachtig is, of
b. bij een geïndiceerde die arbeid verricht door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente die voor de geïndiceerde in het kader van de wet subsidie van het Rijk ontvangt,
een herindicatie aangevraagd bij de Centrale organisatie werk en inkomen.
**2.**
Bij de aanvraag voor een herindicatie verstrekt het college van burgemeester en wethouders aan de Centrale organisatie werk en inkomen in ieder geval recente gegevens betreffende:
a. de wijze van functioneren van de geïndiceerde in de sociale werkvoorziening of het begeleid werken, en
b. de uitvoering van de door de Centrale organisatie werk en inkomen afgegeven adviezen.
**3.** Onverminderd het eerste lid, kan een aanvraag tot herindicatie op gemotiveerd verzoek van of namens de geïndiceerde op een eerder tijdstip dan bedoeld in het eerste lid, bij de Centrale organisatie werk en inkomen plaatsvinden. Het tweede lid is van toepassing.
**4.** De artikelen 2, tweede lid, 3, 4 en 5, eerste en tweede lid, zijn op een aanvraag tot herindicatie van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat bij een herindicatie de geldigheidsduur van de indicatie, mede gelet op de stabiliteit van de beperkingen en de arbeidshandicapcategorie, bedoeld in artikel 4, derde lid, maximaal 10 jaar kan bedragen.
**5.** Door of namens een werknemer die op 31 december 1997 een dienstbetrekking is aangegaan met een gemeente op basis van de Wet Sociale Werkvoorziening, zoals die wet luidde op genoemd tijdstip, kan door tussenkomst van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente die voor hem in het kader van de wet subsidie van het Rijk ontvangt, een aanvraag tot herindicatie bij de Centrale organisatie werk en inkomen worden ingediend, indien die werknemer in aanmerking wenst te komen voor begeleid werken. Bij deze herindicatie wordt door de Centrale organisatie werk en inkomen uitsluitend beoordeeld of hij tot dergelijke arbeid in staat wordt geacht.
**6.** De Centrale organisatie werk en inkomen betrekt bij een besluit over de herindicatie de op grond van het tweede lid van het college van burgemeester en wethouders verkregen gegevens.
### Artikel 7
Bij haar advies, bedoeld in artikel 6, derde lid, van de wet, betrekt de Centrale organisatie werk en inkomen de krachtens artikel 6 van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 gestelde regels met betrekking tot de toestemming.
### Artikel 8
**1.** Het college van burgemeester en wethouders beheert een wachtlijst.
**2.** Plaatsing op de wachtlijst geschiedt op volgorde van de datum van aanvraag tot indicatie onverwijld nadat het college van burgemeester en wethouders de mededeling, bedoeld in artikel 5, eerste lid, heeft ontvangen.
**3.**
Bij de plaatsing op de wachtlijst worden ten minste de volgende gegevens van de geïndiceerde vermeld:
a. naam, adres, postcode en woonplaats;
b. geboortedatum;
c. geslacht;
d. sofinummer;
e. de datum van aanvraag en indicatie, en
f. de indeling in arbeidshandicapcategorie, onderscheiden naar indicaties met en zonder advies begeleid werken.
**4.**
Het college van burgemeester en wethouders registreert van een geïndiceerde die langer dan 12 maanden op de wachtlijst staat periodiek of die geïndiceerde, vanaf de datum van aanvraag tot indicatie tot het moment waarop hij van de wachtlijst wordt gehaald, gedurende een of meer aaneengesloten perioden van ten minste 30 dagen niet beschikbaar is geweest voor arbeid, alsmede de duur van dergelijke perioden, vanwege:
a. een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel als bedoeld in de Penitentiaire beginselenwet;
b. het volgen van een voltijdsscholing of -opleiding, of
c. opname in een ziekenhuis als bedoeld in artikel 462, tweede lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, tenzij de geïndiceerde daar zijn woonplaats heeft als bedoeld in Titel 3, Boek 1, van dat wetboek.
**5.**
De geïndiceerde wordt van de wachtlijst gehaald met ingang van de dag, en die dag wordt onverwijld geregistreerd, waarop hij:
a. daartoe een schriftelijk verzoek indient bij het college van burgemeester en wethouders;
b. een dienstbetrekking of begeleid werken aanvaardt;
c. andere arbeid dan bedoeld onder b aanvaardt, tenzij:
1°. deze arbeid ook bijkomend zou worden verricht, indien de geïndiceerde een dienstbetrekking of begeleid werken zou zijn aangegaan, of
2°. deze arbeid wordt verricht in het kader van artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Wet werk en bijstand;
d. een indicatie voor een voorziening voor ondersteunende en activerende begeleiding ontvangt;
e. na een herindicatie als bedoeld in artikel 6 niet langer tot de doelgroep behoort;
f. zich blijvend in een andere gemeente vestigt;
g. met toepassing van artikel 2, vierde lid, van de wet zijn indicatiebeschikking of herindicatiebeschikking verliest;
h. de leeftijd van 65 jaar bereikt;
i. overlijdt.
**6.** Indien de geïndiceerde zich blijvend in een andere gemeente vestigt, worden zijn gegevens door de gemeente waar hij gevestigd was overgedragen aan de gemeente waar hij zich gevestigd heeft. De gemeente waar de geïndiceerde zich gevestigd heeft plaatst hem op de wachtlijst overeenkomstig het tweede lid.
### Artikel 9
**1.** Een persoon die vanaf de wachtlijst arbeid gaat verrichten buiten het kader van de wet en vervolgens binnen drie jaar onvrijwillig werkloos wordt, wordt op zijn verzoek en indien hij tot de doelgroep behoort, door het college van burgemeester en wethouders op de oorspronkelijke datum van aanvraag tot indicatie op de wachtlijst geplaatst.
**2.** Een persoon die begeleid werkt en vervolgens onvrijwillig werkloos wordt, wordt op zijn verzoek en indien hij tot de doelgroep behoort, door het college van burgemeester en wethouders op de oorspronkelijke datum van aanvraag tot indicatie op de wachtlijst geplaatst en bij voorrang begeleid werken aangeboden.
**3.** Een persoon die in aansluiting op een dienstbetrekking of begeleid werken arbeid gaat verrichten buiten het kader van de wet en vervolgens binnen drie jaar onvrijwillig werkloos wordt, wordt op zijn verzoek en indien hij tot de doelgroep behoort, door het college van burgemeester en wethouders op de oorspronkelijke datum van aanvraag tot indicatie op de wachtlijst geplaatst en bij voorrang een dienstbetrekking of begeleid werken aangeboden.
## Hoofdstuk 2. Begeleid werken
### Artikel 10
Bij ministeriële regeling wordt jaarlijks vastgesteld welk percentage van het aantal plaatsingen vanaf de wachtlijst in nieuwe dienstbetrekkingen of begeleid werken door het college van burgemeester en wethouders ten minste wordt gebruikt voor begeleid werken, voor zover hiervoor geïndiceerden beschikbaar zijn. Hierbij wordt op een bij die regeling aangegeven wijze rekening gehouden met het aantal plaatsingen vanuit dienstbetrekkingen in begeleid werken.
### Artikel 11
**1.** Bij het tot stand doen brengen van begeleid werken, draagt het college van burgemeester en wethouders zorg voor de arbeidsinpassing met inbegrip van de begeleiding van de geïndiceerde op zijn werkplek.
**2.** Het college van burgemeester en wethouders schakelt bij de taak op grond van het eerste lid een begeleidingsorganisatie in en deelt dit de geïndiceerde mede.
**3.** Bij de arbeidsinpassing wordt rekening gehouden met wensen van de geïndiceerde met betrekking tot de keuze van de begeleidingsorganisatie en de wensen en mogelijkheden van de geïndiceerde met betrekking tot de aard van het werk en van de werkgever.
**4.** Het college van burgemeester en wethouders verstrekt bij het totstandkomen van begeleid werken aan de werkgever van de geïndiceerde uit de voor de gemeente beschikbare subsidie een loonkostensubsidie en een subsidie voor de noodzakelijke kosten van aanpassing van zijn werkplek en aan de begeleidingsorganisatie een vergoeding voor de kosten van arbeidsinpassing met inbegrip van de begeleiding van de geïndiceerde op zijn werkplek.
### Artikel 12
**1.** In afwijking van artikel 11, eerste, tweede en derde lid, kan de geïndiceerde met toestemming van het college van burgemeester en wethouders zelf voor de arbeidsinpassing zorgdragen.
**2.** Het college van burgemeester en wethouders verleent de geïndiceerde in ieder geval de toestemming, bedoeld in het eerste lid, als het niet binnen 6 maanden na het moment, bedoeld in artikel 11, tweede lid, voor de geïndiceerde begeleid werken tot stand heeft gebracht.
**3.** Bij de toepassing van het eerste of tweede lid ziet het college van burgemeester en wethouders erop toe dat de geïndiceerde voor de arbeidsinpassing met inbegrip van de begeleiding op zijn werkplek een begeleidingsorganisatie inschakelt.
### Artikel 13
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de begeleidingsorganisatie, het functioneren van de begeleidingsorganisatie en de deskundigen die de arbeidsinpassing en begeleiding bij de begeleidingsorganisatie verzorgen.
### Artikel 14
Indien de geïndiceerde begeleid werkt kan hij het college van burgemeester en wethouders gemotiveerd verzoeken een andere begeleidingsorganisatie in te schakelen voor begeleiding op zijn werkplek, dan wel het college van burgemeester en wethouders gemotiveerd verzoeken voor arbeidsinpassing ten behoeve van ander begeleid werk en begeleiding op zijn werkplek zorg te dragen. Het college van burgemeester en wethouders willigt het verzoek van de geïndiceerde in, tenzij het verzoek kennelijk onredelijk is. Artikel 11, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
## Hoofdstuk 3. Financieel verdeelmodel
### Artikel 15
**1.**
In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. de standaardeenheid: de eenheid die overeenkomt met een arbeidsplaats van 36 uur voor een werknemer die op grond van de indicatie of herindicatie, bedoeld in artikel 11 van de wet, op grond van artikel 4, derde lid, is ingedeeld in de arbeidshandicapcategorie matig;
b. arbeidsplaats: een of meer dienstbetrekkingen met de gemeente alsmede een of meer begeleid werken plaatsen, die het gehele kalenderjaar zijn vervuld op tienden nauwkeurig omgerekend naar een werkweek van 36 uur, waarbij vijfhonderdste of meer naar boven wordt afgerond op een tiende;
c. subsidiejaar: het jaar (t) waarvoor de subsidie wordt verleend;
d. toekenning: het aantal standaardeenheden over enig subsidiejaar waarvoor aan een gemeente subsidie wordt verstrekt;
e. realisatie: het aantal arbeidsplaatsen uitgedrukt in standaardeenheden dat door een gemeente in enig jaar feitelijk is gerealiseerd;
f. overrealisatie: het deel van de realisatie dat door een gemeente in enig jaar boven de toekenning is gerealiseerd;
g. onderrealisatie: het deel van de toekenning dat door een gemeente in enig jaar niet is gerealiseerd;
h. grondslag: de toekenning van het jaar (t-1) voorafgaand aan het subsidiejaar (t) zoals dat op 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het subsidiejaar bij Onze Minister bekend is, gecorrigeerd door een bij ministeriële regeling vast te stellen factor;
i. gecorrigeerde gemeentelijke wachtlijst: het in het jaar (t-2) voorafgaand aan het jaar (t-1) van de grondslag gemiddeld in standaardeenheden uitgedrukt aantal personen van de wachtlijst, bedoeld in artikel 8, vermeerderd met de overrealisatie in dat jaar (t-2) en verminderd met de onderrealisatie in dat jaar (t-2);
j. gecorrigeerde landelijke wachtlijst: de som van de gecorrigeerde gemeentelijke wachtlijsten;
k. relatieve wachtlijst: de gecorrigeerde gemeentelijke wachtlijst gedeeld door de gecorrigeerde landelijke wachtlijst;
l. netto uitstroompercentage: het aantal arbeidsplaatsen uitgedrukt in standaardeenheden dat in enig jaar door de gemeente is beëindigd op grond van Titel 10 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek of de wet als percentage van het aantal arbeidsplaatsen, uitgedrukt in standaardeenheden, dat in dat jaar door de gemeente is gerealiseerd;
m. gemiddelde netto uitstroompercentage: het gemiddelde van de netto uitstroompercentages over de drie jaren (t-4, t-3 en t-2) voorafgaand aan het jaar (t-1) van de grondslag;
n. gemeentelijke vacatureruimte: een bij ministeriële regeling vast te stellen deel van het gemiddelde netto uitstroompercentage vermenigvuldigd met de grondslag;
o. landelijke vacatureruimte: de som van de gemeentelijke vacatureruimten vermenigvuldigd met een bij ministeriële regeling vast te stellen factor.
**2.** Een arbeidsplaats voor een werknemer die op grond van artikel 4, derde lid, is ingedeeld in de arbeidshandicapcategorie ernstig, wordt als factor van de standaardeenheid uitgedrukt. De hoogte van de factor wordt jaarlijks bij ministeriële regeling vastgesteld.
**3.** De realisatie, bedoeld in het eerste lid, onder e, wordt berekend door de eindaantallen uitgedrukt in standaardeenheden van de maanden van het jaar bij elkaar op te tellen en te delen door twaalf.
**4.** Het gemiddeld in standaardeenheden uitgedrukt aantal personen van de wachtlijst, bedoeld in het eerste lid, onder i, wordt berekend door de eindaantallen uitgedrukt in standaardeenheden van de kwartalen van het jaar van de genoemde personen bij elkaar op te tellen en te delen door vier. Personen die langer dan 12 maanden op de wachtlijst staan, waarbij perioden als bedoeld in artikel 8, vierde lid, dat die personen niet beschikbaar zijn voor arbeid buiten beschouwing worden gelaten, worden in deze berekening niet meegenomen. De vorige volzin is alleen van toepassing, voor zover het aantal personen, bedoeld in de vorige volzin, groter is dan de mate waarin het aantal personen op de wachtlijst aan het begin van het jaar minus het aantal personen dat in dat jaar anders dan op grond van artikel 5, vijfde lid, onderdeel b, van de wachtlijst is gehaald, het aantal personen overstijgt dat in dat jaar een dienstbetrekking of begeleid werken heeft aanvaard plus de onderrealisatie aan het eind van het jaar. Bij deze berekeningen wordt een persoon die op de wachtlijst is geplaatst, gelijkgesteld aan een werknemer met dezelfde arbeidshandicapcategorie die een arbeidsplaats vervult.
**5.** Bij de berekening van het netto uitstroompercentage, bedoeld in het eerste lid, onder l, worden werknemers die in onmiddellijke aansluiting op een dienstbetrekking of begeleid werken arbeid aanvaarden op basis van een arbeidsovereenkomst onder normale omstandigheden, buiten beschouwing gelaten.
### Artikel 16
**1.** De subsidie aan de gemeente, bedoeld in artikel 8 van de wet, wordt berekend door de subsidie per standaardeenheid, bedoeld in artikel 17, eerste lid, te vermenigvuldigen met het aantal standaardeenheden dat bepaald wordt door de grondslag van de gemeente te verminderen met de gemeentelijke vacatureruimte en te vermeerderen met het product van de landelijke vacatureruimte en de relatieve wachtlijst.
**2.** Aan een gemeente wordt over enig jaar geen subsidie verstrekt als de toekenning voor de gemeente minder dan één standaardeenheid bedraagt. In dat geval wordt artikel 18 niet toegepast.
### Artikel 17
**1.** De subsidie van de standaardeenheid wordt bepaald door het totaal van de voor het subsidiejaar (t) ter uitvoering van de wet beschikbare begrotingsmiddelen, nadat daarop de voor artikel 18, eerste lid, benodigde middelen en andere bij ministeriële regeling vastgestelde middelen in mindering zijn gebracht, te delen door het totaal van de in het subsidiejaar (t) bij de gemeenten te subsidiëren aantal standaardeenheden.
**2.** Het landelijk te subsidiëren aantal standaardeenheden wordt bepaald door het totaal aantal toegekende standaardeenheden in het jaar (t-1) voorafgaand aan het subsidiejaar (t) te corrigeren met een bij ministeriële regeling vast te stellen factor.
### Artikel 18
**1.** De subsidie over enig jaar, verleend vóór 1 oktober van het voorgaande jaar t-1, wordt vóór 1 oktober van het jaar t aangevuld tot 95% van de realisatie van het jaar t-1, wanneer blijkt dat de subsidie meer dan 5% lager is dan de realisatie in het jaar t-1. De eerste volzin geldt voor zover de realisatie de toekenning in het jaar t-1 niet te boven gaat.
**2.** Bij de berekening van de subsidie op basis van het eerste lid worden wijzigingen van de subsidie als bedoeld in artikel 8, zesde lid, van de wet en afwijkingen van de verleende subsidie bij de definitieve vaststelling op grond van artikel 9, eerste lid, van de wet buiten beschouwing gelaten.
### Artikel 19
**1.** De subsidie wordt als volgt betaalbaar gesteld: in de maand mei 14,75 procent en in de overige maanden 7,75 procent van het berekende bedrag.
**2.** De betalingen vinden plaats op of omstreeks de 15e dag van iedere maand.
### Artikel 20
**1.** Indien bij ministeriële regeling vastgestelde bescheiden niet of niet volledig binnen de daarvoor gestelde termijnen zijn ontvangen kan de betaling van de subsidie door Onze Minister worden opgeschort.
**2.** Hervatting van de betaling vindt zo spoedig mogelijk plaats na ontvangst van de in het eerste lid bedoelde bescheiden, doch uiterlijk op of omstreeks de 15e dag van de maand volgend op de maand waarin de bescheiden zijn ontvangen.
### Artikel 21
**1.** Op verzoek van een college van burgemeester en wethouders, dat door Onze Minister is ontvangen uiterlijk 1 juli van enig kalenderjaar, wordt de subsidie over een lopend subsidiejaar door Onze Minister aangepast aan een door een of meer gemeenten gewijzigde uitvoering van de wet.
**2.**
Bij een verzoek als bedoeld in het eerste lid wordt door het college van burgemeester en wethouders:
a. aangegeven op welke wijze de subsidie over het lopende jaar wordt verdeeld, betaalbaar gesteld en vastgesteld ten behoeve van een andere gemeente, en
b. wordt een verklaring overlegd van de andere gemeente, waaruit blijkt dat het college van burgemeester en wethouders van die andere gemeente bereid is de uitvoering van de wet op zich te nemen en instemt met de wijze van verdeling, betaalbaarstelling en vaststelling van de subsidie.
**3.** Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de gegevens of de verklaring die het college van burgemeester en wethouders aan Onze Minister overlegt bij een verzoek als bedoeld in het eerste lid.
## Hoofdstuk 4. Subsidievaststelling
### Artikel 22
In dit hoofdstuk en de daarop gebaseerde bepalingen wordt onder maatregel verstaan het ten opzichte van de subsidieverlening, bedoeld in artikel 8 van de wet, lager vaststellen van de subsidie op grond van artikel 9 van de wet.
### Artikel 23
**1.** Onze Minister stelt de subsidie aan de gemeente vast binnen een jaar na ontvangst van de daarvoor bij ministeriële regeling vastgestelde bescheiden.
**2.** Indien de bescheiden, bedoeld in het eerste lid, niet zijn ontvangen binnen 18 maanden na het kalenderjaar waarop deze betrekking hebben wordt de subsidie ambtshalve vastgesteld.
**3.** Indien de subsidie aan de gemeente lager wordt vastgesteld dan de verleende subsidie over het subsidiejaar, wordt het verschil teruggevorderd dan wel verrekend met de subsidie over het lopende subsidiejaar.
**4.** Voor dienstbetrekkingen en begeleid werken aangegaan door werknemers die zijn geïndiceerd na inwerkingtreding van de wet, geldt voor de vaststelling van de subsidie aan de gemeenten een maximum van gemiddeld 32 uur per week uitgedrukt in standaardeenheden.
### Artikel 24
In een geval als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de wet stelt Onze Minister het bedrag van de maatregel vast op het bedrag dat aan subsidie is verleend voor die dienstbetrekking.
### Artikel 25
**1.** In een geval als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de wet stelt Onze Minister het bedrag van de maatregel vast op het bedrag dat in strijd met het bij of krachtens de wet bepaalde aan subsidie is besteed.
**2.** Indien in een geval als bedoeld in het eerste lid, niet wordt voldaan aan artikel 11, eerste lid, onderdeel b, onder sub 2, van de wet wordt bij de vaststelling van de subsidie uitgegaan van de indeling van de persoon in de arbeidshandicapcategorie matig, bedoeld in artikel 4, derde lid.
### Artikel 26
**1.** Indien in een geval als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de wet het bedrag, bedoeld in artikel 25, niet kan worden vastgesteld, stelt Onze Minister het bedrag van de maatregel vast op een percentage van het totaalbedrag dat aan subsidie voor het betreffende jaar is verleend.
**2.** Bij ministeriële regeling worden voor de toepassing van het eerste lid nadere regels gesteld.
### Artikel 27
**1.** Indien in een geval als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de wet niet wordt voldaan aan het krachtens artikel 10 vastgestelde percentage stelt Onze Minister het bedrag van de maatregel vast op het bedrag dat wordt verkregen door het aantal niet gerealiseerde begeleid werken plaatsen te vermenigvuldigen met het bedrag behorende bij een persoon die op grond van artikel 4, derde lid, is ingedeeld in de arbeidshandicapcategorie matig.
**2.** Van het opleggen van een maatregel als bedoeld in het eerste lid, wordt door Onze Minister afgezien indien het college van burgemeester en wethouders naar het oordeel van Onze Minister aannemelijk heeft gemaakt dat het geen verwijt kan worden gemaakt van de in het eerste lid bedoelde tekortkoming.
## Hoofdstuk 5. Slot- en overgangsbepalingen
### Artikel 28
**1.** In afwijking van artikel 9, tweede lid, wordt een persoon die op 31 december 1997 werkzaam was met toepassing van de artikelen 11 en 12 van de Regeling samenloop arbeidsongeschikheidsuitkering met inkomsten uit arbeid en de Regeling vergoeding persoonlijke ondersteuning gehandicapte werknemers, zoals deze regelingen luidde tot die datum en die na die datum deze arbeidsovereenkomst in het kader van de wet heeft voortgezet, op zijn verzoek, door het college van burgemeester en wethouders op de wachtlijst geplaatst op de volgorde van de datum waarop hij tot genoemde regelingen was toegelaten en krijgt hij bij voorrang begeleid werken aangeboden, indien hij onvrijwillig werkloos wordt.
**2.** In afwijking van artikel 9, derde lid, wordt een persoon die op 31 december 1997 een dienstbetrekking heeft krachtens de Wet Sociale Werkvoorziening (Stb. 1967, 687) zoals die luidde tot die datum en die na die datum deze dienstbetrekking heeft voortgezet, op zijn verzoek, door het college van burgemeester en wethouders wederom op de wachtlijst geplaatst op de volgorde van de datum waarop hij tot de personenkring van de Wet Sociale Werkvoorziening (Stb. 1967, 687) was toegelaten en krijgt hij bij voorrang een dienstbetrekking aangeboden, indien hij in aansluiting op zijn dienstbetrekking arbeid gaat verrichten buiten het kader van de wet en vervolgens binnen drie jaar onvrijwillig werkloos wordt. Daarbij wordt zijn nieuwe dienstbetrekking aangemerkt als een voortzetting van zijn eerdere dienstbetrekking in de zin van de wet.
### Artikel 29
**1.** Personen die op 31 december 1997 al in de sociale werkvoorziening werkzaam waren, worden, zolang die dienstbetrekking voortduurt, ingedeeld in de arbeidshandicapcategorie matig.
**2.** Personen met beperkingen ten gevolge van stoornissen, zoals gekwalificeerd in de internationale classificatie van stoornissen, beperkingen en handicaps onder punt 50.0 tot en met 50.5, 51 en 52 en die op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wet werkzaam zijn bij de blindenwerkplaats Blizo, behorend tot de bestuurlijke eenheid WSD te Boxtel, en de Blindenwerkplaats Proson, behorende tot de bestuurlijke eenheid DSW, te Nunspeet, worden, zolang die dienstbetrekking voortduurt, ingedeeld in de arbeidshandicapcategorie ernstig.
### Artikel 30
**1.** Het Besluit indicatie sociale werkvoorziening, het Besluit arbeidsinpassing en begeleiding sociale werkvoorziening, het Besluit financieel verdeelmodel sociale werkvoorziening en het Besluit vaststelling subsidie Wet sociale werkvoorziening worden ingetrokken.
**2.** De in het eerste lid genoemde besluiten, zoals deze luidden op 31 december 2004, blijven van toepassing op de subsidievaststelling over perioden die gelegen zijn vóór 1 januari 2005, met dien verstande dat artikel 11 van het Besluit vaststelling subsidie Wet sociale werkvoorziening bij de subsidievaststelling over de subsidiejaren 2003 en 2004 niet wordt toegepast.
### Artikel 31
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2005.
### Artikel 32
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit uitvoering sociale werkvoorziening en begeleid werken.
## Bijlage