2009-10-01 | BWBR0020112 | Besluit landbouw milieubeheer
This commit is contained in:
parent
6bb1ab71b9
commit
b7778584f9
1 changed files with 111 additions and 90 deletions
|
|
@ -16,52 +16,57 @@ citeertitel: Besluit landbouw milieubeheer
|
|||
|
||||
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
|
||||
|
||||
a. afgedragen gewas: gedeelte van het gewas dat resteert aan het einde van de teelt, nadat de voor consumptie bedoelde delen van het gewas zijn verwijderd;
|
||||
b. akkerbouw- of tuinbouwbedrijf met open grondteelt: inrichting die tot een krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer aangewezen categorie behoort en die deel uitmaakt van een bedrijf dat uitsluitend of in hoofdzaak is bestemd voor het telen van akkerbouwproducten of tuinbouwproducten op of in de open grond;
|
||||
c. ammoniakemissie: emissie van ammoniak, uitgedrukt in kilogram NH_3 per jaar;
|
||||
d. bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is een vergunning te verlenen voor een inrichting als bedoeld in artikel 2;
|
||||
e. bijlage: bij dit besluit behorende bijlage;
|
||||
f. brandbare vloeistof: stof in vloeibare toestand die een vlampunt heeft dat hoger ligt dan 55°C;
|
||||
g. compost: een product dat geheel of grotendeels bestaat uit één of meer organische afvalstoffen die met behulp van micro-organismen zijn afgebroken en omgezet tot een zodanig stabiel eindprodukt dat daarin alleen nog een langzame afbraak van humeuze verbindingen plaatsvindt;
|
||||
h. composteren: omzetten van plantaardig restmateriaal en hulpstoffen in compost;
|
||||
i. CPR 1: Richtlijn 1 van de Commissie Preventie van Rampen door Gevaarlijke Stoffen, getiteld «Nitraathoudende meststoffen, vervoer en opslag”, derde druk, uitgave 1991;
|
||||
j. CPR 11-5: Richtlijn 11-5 van de Commissie Preventie van Rampen door Gevaarlijke Stoffen, getiteld «Propaan, vulstations van butaan- en propaanflessen», eerste druk, uitgave 1994;
|
||||
k. diercategorie: categorie dieren, bedoeld in bijlage 1 van de Regeling ammoniak en veehouderij;
|
||||
l. dierenverblijf: al dan niet overdekte ruimte waarbinnen landbouwhuisdieren worden gehouden;
|
||||
m. dunne mest: mest die verpompbaar is en die bestaat uit faeces of urine van landbouwhuisdieren, al dan niet vermengd met mors-, spoel-, schrob-, reinigings- of regenwater;
|
||||
n. gebruikt substraatmateriaal: materiaal van natuurlijke of kunstmatige oorsprong, nadat het is gebruikt voor het telen van gewassen los van de grond;
|
||||
o. gemechaniseerd loonbedrijf: inrichting die tot een krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer aangewezen categorie behoort en die deel uitmaakt van een bedrijf dat uitsluitend of in hoofdzaak agrarisch gemechaniseerd loonwerk, zoals cultuurtechnische werken, mestdistributie en grondverzet, en soortgelijke dienstverlening verricht;
|
||||
p. gevaarlijke stof: stof die of preparaat dat bij of krachtens het Besluit verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten is ingedeeld in een categorie als bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de Wet milieugevaarlijke stoffen;
|
||||
q. huisvestingssysteem: gedeelte van een dierenverblijf, waarin landbouwhuisdieren van één diercategorie op dezelfde wijze worden gehouden;
|
||||
r. kleinschalige veehouderij: inrichting, die tot een krachtens artikel 1.1, derde lid van de Wet milieubeheer aangewezen categorie behoort en die deel uitmaakt van een bedrijf dat uitsluitend of in hoofdzaak is bestemd voor het houden van landbouwhuisdieren en waarin niet meer landbouwhuisdieren en geen andere categorieën landbouwhuisdieren worden gehouden dan genoemd in artikel 3, eerste lid;
|
||||
s. melkrundvee:
|
||||
- *ADR:* op 30 september 1957 te Genève totstandgekomen Europese Overeenkomst betreffende het internationale vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg (Trb. 1959, 171);
|
||||
- *afgedragen gewas:* gedeelte van het gewas dat resteert aan het einde van de teelt, nadat de voor consumptie bedoelde delen van het gewas zijn verwijderd;
|
||||
- *akkerbouw- of tuinbouwbedrijf met open grondteelt:* inrichting die tot een krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer aangewezen categorie behoort en die deel uitmaakt van een bedrijf dat uitsluitend of in hoofdzaak is bestemd voor het telen van akkerbouwproducten of tuinbouwproducten op of in de open grond;
|
||||
- *ammoniakemissie:* emissie van ammoniak, uitgedrukt in kilogram NH_3 per jaar;
|
||||
- *bevoegd gezag:* bestuursorgaan dat bevoegd is een vergunning te verlenen voor een inrichting als bedoeld in artikel 2;
|
||||
- *bijlage:* bij dit besluit behorende bijlage;
|
||||
- *bodembedreigende stof:* stof die de bodem kan verontreinigen als bedoeld in paragraaf 3.1 van deel A3 van de NRB;
|
||||
- *compost:* een product dat geheel of grotendeels bestaat uit één of meer organische afvalstoffen die met behulp van micro-organismen zijn afgebroken en omgezet tot een zodanig stabiel eindprodukt dat daarin alleen nog een langzame afbraak van humeuze verbindingen plaatsvindt;
|
||||
- *composteren:* omzetten van plantaardig restmateriaal en hulpstoffen in compost;
|
||||
- *diercategorie:* categorie dieren, bedoeld in bijlage 1 van de Regeling ammoniak en veehouderij;
|
||||
- *dierenverblijf:* al dan niet overdekte ruimte waarbinnen landbouwhuisdieren worden gehouden;
|
||||
- *dunne mest:* mest die verpompbaar is en die bestaat uit faeces of urine van landbouwhuisdieren, al dan niet vermengd met mors-, spoel-, schrob-, reinigings- of regenwater;
|
||||
- *gebruikt substraatmateriaal:* materiaal van natuurlijke of kunstmatige oorsprong, nadat het is gebruikt voor het telen van gewassen los van de grond;
|
||||
- *gemechaniseerd loonbedrijf:* inrichting die tot een krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer aangewezen categorie behoort en die deel uitmaakt van een bedrijf dat uitsluitend of in hoofdzaak agrarisch gemechaniseerd loonwerk, zoals cultuurtechnische werken, mestdistributie en grondverzet, en soortgelijke dienstverlening verricht;
|
||||
- *gevaarlijke stoffen:* stoffen, preparaten en voorwerpen, waarvan het vervoer volgens het ADR is verboden of slechts onder daarin opgenomen voorwaarden is toegestaan;
|
||||
- *huisvestingssysteem:* gedeelte van een dierenverblijf, waarin landbouwhuisdieren van één diercategorie op dezelfde wijze worden gehouden;
|
||||
- *kleinschalige veehouderij:* inrichting, die tot een krachtens artikel 1.1, derde lid van de Wet milieubeheer aangewezen categorie behoort en uitsluitend of in hoofdzaak is bestemd voor het houden van landbouwhuisdieren en waarin niet meer landbouwhuisdieren en geen andere categorieën landbouwhuisdieren worden gehouden dan genoemd in artikel 3, eerste lid;
|
||||
- *maatwerkvoorschrift:* voorschrift als bedoeld in artikel 8.42, eerste lid, van de Wet milieubeheer, inhoudende:
|
||||
|
||||
1°. melkvee met bijbehorend vrouwelijk jongvee, dat overwegend wordt gehouden voor de melkproductie, met inbegrip van de dieren die in de mestperiode worden gemolken, tijdens de lactatie worden gemest of zijn drooggezet en worden afgemest;
|
||||
2°. vrouwelijk vleesvee ouder dan 2 jaar met bijbehorend vrouwelijk jongvee, dat op een met melkvee vergelijkbare manier wordt gehouden voor de vleesproductie en het voortbrengen en zogen van kalveren;
|
||||
t. melkrundveehouderij: inrichting die tot een krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer aangewezen categorie behoort en die uitsluitend of in hoofdzaak is bestemd voor het houden van melkrundvee;
|
||||
u. mestbassin: reservoir bestemd voor het bewaren van dunne mest, dat niet geheel of gedeeltelijk is gelegen onder een stal;
|
||||
v. mestvarkeneenheid: rekeneenheid voor geuremissie, bedoeld in de Richtlijn veehouderij en stankhinder 1996, nr. DWL/96057153, uitgegeven door het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;
|
||||
w. object categorie I:
|
||||
a. een beschikking waarbij het bevoegd gezag aanvullende eisen stelt; dan wel
|
||||
b. een ontheffing waarbij het bevoegd gezag de daarbij aangewezen bepalingen niet van toepassing verklaart al dan niet onder het stellen van beperkingen of voorwaarden;
|
||||
- *melkrundvee:*
|
||||
|
||||
1°. melkvee, dat overwegend wordt gehouden voor de melkproductie, met inbegrip van de dieren die in de mestperiode worden gemolken, tijdens de lactatie worden gemest of zijn drooggezet en worden afgemest;
|
||||
2°. vrouwelijk vleesvee ouder dan 2 jaar, dat op een met melkvee vergelijkbare manier wordt gehouden voor de vleesproductie en het voortbrengen en zogen van kalveren;
|
||||
3°. Vrouwelijk jongvee tot 2 jaar dat bestemd is om te worden gehouden als melkvee bedoeld onder 1° dan wel als vrouwelijk vleesvee bedoeld onder 2°;
|
||||
- *melkrundveehouderij:* inrichting die tot een krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer aangewezen categorie behoort en die uitsluitend of in hoofdzaak is bestemd voor het houden van melkrundvee;
|
||||
- *mestbassin:* reservoir bestemd voor het bewaren van dunne mest, dat niet geheel of gedeeltelijk is gelegen onder een stal;
|
||||
- *mestvarkeneenheid:* rekeneenheid voor geuremissie, bedoeld in de Richtlijn veehouderij en stankhinder 1996, nr. DWL/96057153, uitgegeven door het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;
|
||||
- *object categorie I:*
|
||||
|
||||
1°. bebouwde kom met stedelijk karakter;
|
||||
2°. ziekenhuis, sanatorium en internaat, en
|
||||
3°. objecten voor verblijfsrecreatie,
|
||||
x. object categorie II:
|
||||
- *object categorie II:*
|
||||
|
||||
1°. bebouwde kom of aaneengesloten woonbebouwing van beperkte omvang in een overigens agrarische omgeving;
|
||||
2°. objecten voor dagrecreatie;
|
||||
y. object categorie III:
|
||||
|
||||
verspreid liggende niet-agrarische bebouwing die aan het betreffende buitengebied een overwegende woon- of recreatiefunctie verleent;
|
||||
z. object categorie IV:
|
||||
- *object categorie III:* verspreid liggende niet-agrarische bebouwing die aan het betreffende buitengebied een overwegende woon- of recreatiefunctie verleent;
|
||||
- *object categorie IV:*
|
||||
|
||||
1°. woning behorend bij een agrarisch bedrijf, niet zijnde een veehouderij waar 50 of meer mestvarkeneenheden op grond van een vergunning of een algemene maatregel van bestuur aanwezig mogen zijn;
|
||||
2°. verspreid liggende niet-agrarische bebouwing;
|
||||
aa. object categorie V: woning, behorend bij een veehouderij waar 50 of meer mestvarkeneenheden op grond van een vergunning of een algemene maatregel van bestuur aanwezig mogen zijn;
|
||||
ab. paardenhouderij: inrichting, die tot een krachtens artikel 1.1, derde lid van de Wet milieubeheer aangewezen categorie behoort en die deel uitmaakt van een bedrijf dat uitsluitend of in hoofdzaak is bestemd voor het houden van paarden;
|
||||
ac. spoelbassin: voorziening bestemd voor de verwijdering van tarra van in de grond geteelde gewassen waarbij gebruik wordt gemaakt van een spoelmachine en een bezinkbassin;
|
||||
ad. vaste mest: mest die geheel of gedeeltelijk bestaat uit faeces of urine van landbouwhuisdieren en die niet verpompbaar is, met uitzondering van compost;
|
||||
ae. vergunning: vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer.
|
||||
- *object categorie V:* woning, behorend bij een veehouderij waar 50 of meer mestvarkeneenheden op grond van een vergunning of een algemene maatregel van bestuur aanwezig mogen zijn;
|
||||
- *paardenhouderij:* inrichting, die tot een krachtens artikel 1.1, derde lid van de Wet milieubeheer aangewezen categorie behoort uitsluitend of in hoofdzaak is bestemd voor het houden van paarden;
|
||||
- *PGS 7:* publicatie 7 in de Publicatiereeks gevaarlijke stoffen, getiteld «Opslag van vaste minerale anorganische meststoffen», uitgave oktober 2007;
|
||||
- *PGS 23:* publicatie 23 in de Publicatiereeks gevaarlijke stoffen, getiteld «Propaan, vulstations van butaan- en propaanflessen», uitgave juli 2005;
|
||||
- *spoelbassin:* voorziening bestemd voor de verwijdering van tarra van in de grond geteelde gewassen waarbij gebruik wordt gemaakt van een spoelmachine en een bezinkbassin;
|
||||
- *vaste mest:* mest die geheel of gedeeltelijk bestaat uit faeces of urine van landbouwhuisdieren en die niet verpompbaar is, met uitzondering van compost;
|
||||
- *vergunning:* vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer;
|
||||
- *vloeibare brandstof:* lichte olie, halfzware olie of gasolie als bedoeld in artikel 26 van de Wet op de accijns.
|
||||
|
||||
**2.** Onder objecten als bedoeld in het eerste lid, onderdelen v tot en met z, worden niet verstaan van een agrarisch bedrijf deel uitmakende kleinschalige terreinen die ter beschikking worden gesteld voor het plaatsen van enkele kampeermiddelen, waarbij onder kampeermiddelen worden verstaan onderkomens of voertuigen die bestemd of geschikt zijn voor recreatief nachtverblijf en die geen bouwwerk zijn in de zin van de Woningwet.
|
||||
|
||||
|
|
@ -92,89 +97,105 @@ g. een inrichting die tot een krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet milie
|
|||
Dit besluit is niet van toepassing op een inrichting als bedoeld in artikel 2, indien:
|
||||
|
||||
a. meer dan 50 mestvarkeneenheden, daarbij niet meegerekend ten hoogste 50 schapen die gedurende de aflamperiode in de inrichting worden gehouden.
|
||||
b. meer dan 200 stuks melkrundvee worden gehouden, exclusief bijbehorend vrouwelijk jongvee jonger dan 2 jaar;
|
||||
c. meer dan 50 geiten worden gehouden;
|
||||
d. meer dan 50 voedsters worden gehouden;
|
||||
e. pelsdieren bedrijfsmatig worden gehouden;
|
||||
f. meer dan 50 paarden worden gehouden;
|
||||
g. meer dan 50 landbouwhuisdieren, anders dan bedoeld in de onderdelen a tot en met f worden gehouden, tenzij de inrichting een kinderboerderij betreft;
|
||||
h. een permanente opstand van glas of van kunststof voor het telen van gewassen groter is dan 2.500 m^2;
|
||||
i. afvalstoffen worden op- of overgeslagen, die niet binnen het eigen bedrijf zijn ontstaan, voorzover de inrichting beschikt over een opslagcapaciteit:
|
||||
b. meer dan 200 stuks melkrundvee worden gehouden, waarbij het aantal stuks vrouwelijk jongvee tot 2 jaar niet wordt meegeteld;
|
||||
c. meer dan 340 stuks vrouwelijk jongvee worden gehouden, of het totaal aantal gehouden stuks vrouwelijk jongvee tot 2 jaar en overig melkrundvee meer dan 340 stuks bedraagt;
|
||||
d. meer dan 50 geiten worden gehouden;
|
||||
e. meer dan 50 voedsters worden gehouden;
|
||||
f. pelsdieren bedrijfsmatig worden gehouden;
|
||||
g. meer dan 50 paarden worden gehouden;
|
||||
h. meer dan 50 landbouwhuisdieren, anders dan bedoeld in de onderdelen a tot en met g worden gehouden, tenzij de inrichting een kinderboerderij betreft;
|
||||
i. een permanente opstand van glas of van kunststof voor het telen van gewassen groter is dan 2.500 m^2;
|
||||
j. afvalstoffen worden op- of overgeslagen, die niet binnen het eigen bedrijf zijn ontstaan, voorzover de inrichting beschikt over een opslagcapaciteit:
|
||||
|
||||
1°. van meer dan 35 m^3 voor de opslag van afvalstoffen, behoudens zand, grind en grond van categorie 1 en 2 van het Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming en van onbekende kwaliteit;
|
||||
1°. van meer dan 35 m3 voor de opslag van afvalstoffen, behoudens zand, grind en grond voor zover deze stoffen bedoeld en geschikt zijn voor nuttige toepassing;
|
||||
2°. voor de opslag van gevaarlijke afvalstoffen, of
|
||||
3°. van meer dan 1.000 m^3 per jaar voor de overslag van afvalstoffen;
|
||||
j. een of meer werkplaatsen aanwezig zijn die in hoofdzaak worden gebruikt voor onderhoud, ondersteuning of reparatie van niet tot de inrichting behorende gebouwen, installaties, toestellen of voertuigen, van derden;
|
||||
k. bij de teelt van eetbare paddestoelen de teeltoppervlakte meer bedraagt dan 5.000 m^2 of verse compost wordt gepasteuriseerd;
|
||||
l. apparatuur aanwezig is voor het verspuiten van gewasbeschermingsmiddelen of biociden met een vliegtuig;
|
||||
m. in de inrichting of een onderdeel daarvan voorzieningen of installaties aanwezig zijn voor het:
|
||||
3°. van meer dan 1.000 m^3 per jaar voor de overslag van afvalstoffen;
|
||||
k. een of meer werkplaatsen aanwezig zijn die in hoofdzaak worden gebruikt voor onderhoud, ondersteuning of reparatie van niet tot de inrichting behorende gebouwen, installaties, toestellen of voertuigen, van derden;
|
||||
l. bij de teelt van eetbare paddestoelen de teeltoppervlakte meer bedraagt dan 5.000 m^2 of verse compost wordt gepasteuriseerd;
|
||||
m. apparatuur aanwezig is voor het verspuiten van gewasbeschermingsmiddelen of biociden met een vliegtuig;
|
||||
n. in de inrichting of een onderdeel daarvan voorzieningen of installaties aanwezig zijn voor het:
|
||||
|
||||
1°. opslaan van meer dan 600 m^3 vaste mest;
|
||||
2°. opslaan van meer dan 500 m^3 strooizout;
|
||||
3°. opslaan of bewerken en verwerken van meer dan in totaal 2.000 m^3 zand, grind en grond;
|
||||
4°. opslaan of bewerken en verwerken van zand, grind en grond dat niet afkomstig is van eigen werkzaamheden of niet wordt aangewend voor eigen werkzaamheden;
|
||||
5°. afleveren van LPG of aardgas voor tractie;
|
||||
6°. opslaan van gewasbeschermingsmiddelen of biociden als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden met een capaciteit van 10.000 kilogram of meer;
|
||||
7°. opslaan van gevaarlijke stoffen in emballage met een capaciteit van 10.000 kilogram of meer;
|
||||
8°. opslaan van vloeibare gevaarlijke stoffen, vloeibare gevaarlijke afvalstoffen of brandbare vloeistoffen in tanks, tenzij sprake is van:
|
||||
6°. opslaan van verpakte gevaarlijke stoffen, niet zijnde vaste kunstmeststoffen, in een opslagvoorziening met een opslagcapaciteit van meer dan 10.000 kilogram;
|
||||
7°. opslaan van vloeibare gevaarlijke stoffen, vloeibare brandstoffen of afgewerkte olie in tanks, tenzij sprake is van:
|
||||
|
||||
a. opslaan in een of meer ondergrondse tanks, waarop het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer van toepassing is,
|
||||
b. opslaan van diesel, huisbrandolie, gasolie, lichte stookolie of afgewerkte olie in een of meer bovengrondse tanks,
|
||||
c. opslaan van petroleum in een of meer bovengrondse tanks met een gezamenlijke inhoud van ten hoogste 15.000 liter, of
|
||||
d. opslaan van vloeibare kunstmeststoffen in bovengrondse tanks;
|
||||
9°. Opslaan van gassen of gasmengsels in tanks, tenzij sprake is van opslag waarop het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer van toepassing is;
|
||||
10°. opslaan van dunne mest in mestbassins met een gezamenlijke oppervlakte van meer dan 750 m^2, of een gezamenlijke inhoud van meer dan 2.500 m^3;
|
||||
11°. beluchten, geforceerd vergisten of op andere wijze bewerken of verwerken, behoudens mengen of roeren, van dunne mest in mestbassins;
|
||||
12°. vullen van gasflessen door middel van een vulstation anders dan de in richtlijn CPR 11-5 opgenomen type A of type B vulstations;
|
||||
13°. aflevering van andere motorbrandstoffen dan LPG of aardgas voor tractie, tenzij dit plaats vindt voor eigen gebruik;
|
||||
14°. verrichten in vast opgestelde voorzieningen en installaties van werkzaamheden met chemische gewasbeschermingsmiddelen voor derden;
|
||||
15°. verven van bloemen en siergewassen; of
|
||||
16°. composteren van materiaal of het opslaan van afgedragen gewas of bloembollenafval met een totaal volume van meer dan 600 m^3.
|
||||
n. nitraathoudende kunstmeststoffen worden bewaard van de klassen A of B als bedoeld in CPR-1;
|
||||
o. een of meer installaties of voorzieningen, met uitzondering van een smidse, aanwezig zijn, die kunnen worden gebruikt voor het verstoken of verbranden van andere brandstoffen dan aardgas, propaangas, butaangas, gasolie of petroleum, tenzij sprake is van een open haard of houtkachel voor het verbranden van hout, die alleen is bedoeld voor sfeerverwarming;
|
||||
p. windenergie in elektrische energie wordt omgezet met een of meer windturbines;
|
||||
q. in de inrichting of een onderdeel daarvan:
|
||||
a. opslaan van vloeibare brandstoffen of afgewerkte olie in ondergrondse tanks met een gezamenlijke inhoud van ten hoogste 150 m^3,
|
||||
b. opslaan van diesel, huisbrandolie, gasolie, lichte stookolie of afgewerkte olie in bovengrondse tanks in de buitenlucht met een gezamenlijke inhoud van ten hoogste 150 m^3,
|
||||
c. opslaan van diesel, huisbrandolie, gasolie, lichte stookolie of afgewerkte olie in bovengrondse tanks inpandig met een gezamenlijke inhoud van ten hoogste 15 m^3,
|
||||
d. opslaan van petroleum in een of meer bovengrondse tanks met een gezamenlijke inhoud van ten hoogste 1,5 m^3, of
|
||||
e. opslaan van vloeibare kunstmeststoffen in bovengrondse tanks;
|
||||
8°. opslaan van gassen of gasmengsels in tanks, tenzij sprake is van opslag waarop het Besluit voorzieningen en installaties milieubeheer van toepassing is;
|
||||
9°. opslaan van dunne mest in mestbassins met een gezamenlijke oppervlakte van meer dan 750 m^2, of een gezamenlijke inhoud van meer dan 2.500 m^3;
|
||||
10°. beluchten, geforceerd vergisten of op andere wijze bewerken of verwerken, behoudens mengen of roeren, van dunne mest in mestbassins;
|
||||
11°. vullen van gasflessen met uitzondering van het vullen van gasflessen met propaan of butaan vanuit een gasfles van maximaal 150 liter van gasflessen met een inhoud kleiner dan 12 liter en met uitzondering van het vullen van persluchtflessen door middel van een compressor;
|
||||
12°. aflevering van andere motorbrandstoffen dan LPG of aardgas voor tractie, tenzij dit plaats vindt voor eigen gebruik;
|
||||
13°. verrichten in vast opgestelde voorzieningen en installaties van werkzaamheden met chemische gewasbeschermingsmiddelen voor derden;
|
||||
14°. verven van bloemen en planten; of
|
||||
15°. composteren van materiaal of het opslaan van afgedragen gewas of bloembollenafval met een totaal volume van meer dan 600 m^3.
|
||||
o. kunstmeststoffen worden opgeslagen behorende tot groep 3 of groep 4 als bedoeld in PGS 7 of meer dan 50 ton kunstmeststoffen behorende tot groep 2 wordt opgeslagen als bedoeld in PGS 7;
|
||||
p. een of meer installaties of voorzieningen, met uitzondering van een smidse, aanwezig zijn, die kunnen worden gebruikt voor het verstoken of verbranden van andere brandstoffen dan aardgas, propaangas, butaangas, gasolie of petroleum, tenzij sprake is van een open haard of houtkachel voor het verbranden van hout, die alleen is bedoeld voor sfeerverwarming;
|
||||
q. windenergie in elektrische energie wordt omgezet met een of meer windturbines;
|
||||
r. in de inrichting of een onderdeel daarvan:
|
||||
|
||||
1°. een of meer stooktoestellen voor verwarming aanwezig zijn met een thermisch vermogen per toestel van 7.500 kW of meer;
|
||||
2°. een warmtekrachtopwekking aanwezig is met een gezamenlijk nominaal elektrisch vermogen van 10 MW of meer;
|
||||
r. koel- en vriesinstallaties of warmtepompen aanwezig zijn met een capaciteit of een totale capaciteit van meer dan 200 kilogram ammoniak of van meer dan 100 kilogram propaan, butaan of mengsels van propaan of butaan;
|
||||
s. activiteiten of handelingen plaatsvinden als bedoeld in categorie 21, bijlage I, behorende bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer.
|
||||
1°. een of meer stooktoestellen voor verwarming aanwezig zijn met een thermisch vermogen per toestel van 7.500 kW of meer;
|
||||
2°. een warmtekrachtopwekking aanwezig is met een gezamenlijk nominaal elektrisch vermogen van 10 MW of meer;
|
||||
s. koel- en vriesinstallaties of warmtepompen aanwezig zijn met een inhoud per installatie van meer dan 1.500 kilogram ammoniak of van meer dan 100 kilogram propaan, butaan of mengsels van propaan of butaan;
|
||||
t. activiteiten of handelingen plaatsvinden als bedoeld in categorie 21, bijlage I, behorende bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer.
|
||||
|
||||
**2.** Dit besluit is eveneens niet van toepassing op een inrichting als bedoeld in artikel 2, waarvoor krachtens hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer een milieu-effectrapport is vereist.
|
||||
|
||||
**3.** Dit besluit is eveneens niet van toepassing op een inrichting waarop het Besluit externe veiligheid inrichtingen van toepassing is.
|
||||
|
||||
### Artikel 4
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Dit besluit is niet van toepassing op een inrichting waar landbouwhuisdieren worden gehouden die is opgericht:
|
||||
|
||||
a. op of na 1 januari 2002 en waarvan een tot de inrichting behorend dierenverblijf geheel of gedeeltelijk is gelegen in een kwetsbaar gebied als bedoeld in artikel 2 van de Wet ammoniak en veehouderij of in een zone van 250 meter rondom een zodanig gebied;
|
||||
b. voor 1 januari 2002 en waarvan een tot de inrichting behorend dierenverblijf geheel of gedeeltelijk is gelegen in een kwetsbaar gebied als bedoeld in artikel 2 van de Wet ammoniak en veehouderij of in een zone van 250 meter rondom een zodanig gebied, en waarvan het aantal gehouden landbouwhuisdieren van een of meer diercategorieën hoger is dan op 31 december 2001:
|
||||
a. op of na 1 januari 2002 en waarvan een tot de inrichting behorend dierenverblijf geheel of gedeeltelijk is gelegen in een zeer kwetsbaar gebied in de zin van de Wet ammoniak en veehouderij of in een zone van 250 meter rondom een zodanig gebied;
|
||||
b. voor 1 januari 2002 en waarvan een tot de inrichting behorend dierenverblijf geheel of gedeeltelijk is gelegen in een zeer kwetsbaar gebied in de zin van de Wet ammoniak en veehouderij of in een zone van 250 meter rondom een zodanig gebied, en waarvan het aantal gehouden landbouwhuisdieren van een of meer diercategorieën hoger is dan op 31 december 2001:
|
||||
|
||||
1°. overeenkomstig een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 8.40 van de Wet milieubeheer, zoals die op die datum luidde, in de veehouderij aanwezig mocht zijn, of
|
||||
2°. ingevolge een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer in de veehouderij aanwezig mocht zijn.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Dit besluit is niet van toepassing op een inrichting waar landbouwhuisdieren worden gehouden met uitzondering van een kinderboerderij:
|
||||
Dit besluit is niet van toepassing op een inrichting als bedoeld in artikel 2 waar landbouwhuisdieren worden gehouden:
|
||||
|
||||
a. die is gelegen op een afstand van minder dan 100 meter van een object categorie I of II, of
|
||||
b. die is gelegen op een afstand van minder dan 50 meter van een object categorie III, IV of V.
|
||||
|
||||
**3.** In afwijking van het tweede lid is dit besluit van toepassing op een inrichting die is gelegen op een afstand van minder dan 100 meter van een object categorie I of II, of op een afstand van minder dan 50 meter van een object categorie III, IV of V en die is opgericht voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit, indien het aantal landbouwhuisdieren dat gehouden wordt niet groter is dan het aantal landbouwhuisdieren dat op grond van een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer of op grond van het Besluit melkrundveehouderijen milieubeheer of het Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer gehouden mocht worden en voorzover de afstand tot het dichtstbijzijnde object categorie I, II, III, IV of V niet is afgenomen.
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
In afwijking van het tweede lid is dit besluit van toepassing op:
|
||||
|
||||
a. een inrichting die is gelegen op een afstand van minder dan 100 meter van een object categorie I of II, of op een afstand van minder dan 50 meter van een object categorie III, IV of V en die is opgericht voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit, indien:
|
||||
|
||||
1°. per diercategorie het aantal landbouwhuisdieren dat gehouden wordt niet groter is dan het aantal landbouwhuisdieren van die diercategorie dat op grond van een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer of op grond van het Besluit melkrundveehouderijen milieubeheer of het Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer of het Besluit landbouw milieubeheer zoals dat luidde voor [datum inwerkingtreding] gehouden mocht worden, en
|
||||
2°. voor zover de afstand tot enig object categorie I of II, gelegen op een afstand van minder dan 100 meter van de inrichting, of tot enig object categorie III, IV of V, gelegen op een afstand van minder dan 50 meter van de inrichting, niet is afgenomen;
|
||||
b. een kinderboerderij die is gelegen op een afstand van minder dan 100 meter van een object categorie I of II, of op een afstand van minder dan 50 meter van een object categorie III, IV of V.
|
||||
|
||||
**4.** De afstanden bedoeld in het tweede en het derde lid, worden gemeten vanaf de buitenzijde van een object categorie I, II, III, IV of V tot het dichtstbijzijnde emissiepunt van het dierenverblijf.
|
||||
|
||||
**5.**
|
||||
|
||||
Dit besluit is niet van toepassing op een inrichting waar geen landbouwhuisdieren worden gehouden en die is opgericht na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit en:
|
||||
Dit besluit is niet van toepassing op een inrichting die is opgericht na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit en:
|
||||
|
||||
a. die is gelegen op een afstand van minder dan 50 meter van een object categorie I of II, of
|
||||
b. die is gelegen op een afstand van minder dan 25 meter van een object categorie III, IV of V
|
||||
|
||||
**6.** In afwijking van het vijfde lid is dit besluit van toepassing op een inrichting waarin geen landbouwhuisdieren worden gehouden, die is gelegen op een afstand van minder dan 50 meter van een object categorie I of II, of op een afstand van minder dan 25 meter van een object categorie III, IV of V, die is opgericht voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit en waarvan de afstand die moet worden aangehouden op grond van een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer of op grond van het Besluit melkrundveehouderijen milieubeheer of het Besluit akkerbouw-bedrijven milieubeheer of het Besluit bedekte teelt milieubeheer tot het dichtstbijzijnde object categorie I, II, III, IV of V, niet is afgenomen.
|
||||
**6.**
|
||||
|
||||
**7.** De afstanden bedoeld in het vijfde en zesde lid, worden gemeten vanaf het onderdeel van het bedrijf dat het dichtst bij het genoemde object is gelegen, waarbij een waterbassin, een watersilo, een warmwateropslagtank en het erf niet als een zodanig onderdeel worden beschouwd.
|
||||
In afwijking van het vijfde lid is dit besluit van toepassing op:
|
||||
|
||||
a. een inrichting die is gelegen op een afstand van minder dan 50 meter van een object categorie I of II, of op een afstand van minder dan 25 meter van een object categorie III, IV of V, die is opgericht voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit en waarvan de afstand die moet worden aangehouden op grond van een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer of op grond van het Besluit melkrundveehouderijen milieubeheer of het Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer of het Besluit bedekte teelt milieubeheer tot enig object categorie I of II, gelegen op een afstand van minder dan 50 meter van de inrichting, of tot enig object categorie III, IV of V, gelegen op een afstand van minder dan 25 meter van de inrichting, niet is afgenomen, en
|
||||
b. een kinderboerderij die is gelegen op een afstand van minder dan 50 meter van een object categorie I of II, of op een afstand van minder dan 25 meter van een object categorie III, IV of V.
|
||||
|
||||
**7.** De afstanden bedoeld in het vijfde en zesde lid, worden gemeten vanaf het onderdeel van het bedrijf dat het dichtst bij het genoemde object is gelegen, waarbij een waterbassin, een watersilo, een warmwateropslagtank, in plastic folie verpakte veevoederbalen als bedoeld in voorschrift 2.3.4 van de bijlage en het erf niet als een zodanig onderdeel worden beschouwd.
|
||||
|
||||
### Artikel 5
|
||||
|
||||
|
|
@ -190,16 +211,16 @@ b. die is gelegen op een afstand van minder dan 25 meter van een object categori
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen met betrekking tot:
|
||||
Het bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften stellen met betrekking tot:
|
||||
|
||||
a. de in de bijlage opgenomen voorschriften voorzover dat in hoofdstuk 4 van die bijlage is aangegeven, en
|
||||
b. de aanwezigheid van brandbestrijdingsmiddelen, de veiligheid van toestellen en installaties voor gas of elektriciteit, de veiligheid van de opslag van stoffen, de gevolgen van het verkeer van personen of goederen van en naar de inrichting en de nadelige gevolgen voor het milieu die de inrichting kan veroorzaken waarop paragraaf 1.9 van de bijlage betrekking heeft, indien dat is aangewezen in het belang van de bescherming van het milieu.
|
||||
|
||||
**2.** Nadere eisen gelden voor degene die de inrichting drijft. Die draagt er zorg voor dat de nadere eisen wordt nageleefd.
|
||||
**2.** Maatwerkvoorschriften gelden voor degene die de inrichting drijft. Die draagt er zorg voor dat de maatwerkvoorschriften wordt nageleefd.
|
||||
|
||||
**3.** Het bevoegd gezag kan nadere eisen wijzigen, aanvullen of intrekken indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet.
|
||||
**3.** Het bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften wijzigen, aanvullen of intrekken indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet.
|
||||
|
||||
**4.** Van de beschikking waarbij nadere eisen worden gesteld krachtens dit besluit wordt kennisgegeven in een of meer dagbladen, nieuwsbladen of huis-aan-huisbladen.
|
||||
**4.** Van de beschikking waarbij maatwerkvoorschriften worden gesteld krachtens dit besluit wordt kennisgegeven in een of meer dagbladen, nieuwsbladen of huis-aan-huisbladen.
|
||||
|
||||
### Artikel 7
|
||||
|
||||
|
|
@ -220,11 +241,11 @@ f. de geluidsbronnen en per vast opgestelde voorziening of installatie de plaats
|
|||
g. de plaats waar wordt geladen en gelost, en
|
||||
h. het tijdstip waarop de inrichting of de verandering daarvan in werking zal worden gebracht of de verandering van de werking daarvan verwezenlijkt zal zijn.
|
||||
|
||||
**4.** Indien aannemelijk is dat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau of het piekniveau vanwege de geluidsbronnen hoger zal zijn dan de waarden, bedoeld in voorschrift 1.1.1, 1.1.2 of 1.1.3 van de bijlage, kan het bevoegd gezag binnen vier weken na ontvangst van de melding besluiten dat een rapport van een onderzoek naar de akoestische situatie moet worden overgelegd.
|
||||
**4.** Indien aannemelijk is dat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau of het piekniveau vanwege de geluidsbronnen hoger zal zijn dan de waarden, bedoeld in voorschrift 1.1.1, 1.1.2, 1.1.3 of 4.1.1 van de bijlage, kan het bevoegd gezag binnen vier weken na ontvangst van de melding besluiten dat een rapport van een onderzoek naar de akoestische situatie moet worden overgelegd.
|
||||
|
||||
**5.** Het onderzoek richt zich met gebruikmaking van geluidmetingen of geluidberekeningen op de bestaande en te verwachten geluidniveaus en op maatregelen en voorzieningen die ertoe kunnen leiden dat de geluidniveaus de waarden bedoeld in voorschrift 1.1.1, 1.1.2 of 1.1.3 van de bijlage niet zullen overschrijden.
|
||||
**5.** Het onderzoek richt zich met gebruikmaking van geluidmetingen of geluidberekeningen op de bestaande en te verwachten geluidniveaus en op maatregelen en voorzieningen die ertoe kunnen leiden dat de geluidniveaus de waarden bedoeld in voorschrift 1.1.1, 1.1.2, 1.1.3 of 4.1.1 van de bijlage niet zullen overschrijden.
|
||||
|
||||
**6.** Indien aannemelijk is dat de geluidniveaus vanwege werkzaamheden en activiteiten hoger zullen zijn dan de waarden als bedoeld in voorschrift 1.1.1 of 1.1.2 van de bijlage, kan het bevoegd gezag binnen vier weken na ontvangst van de melding besluiten dat een rapport van een onderzoek naar de akoestische situatie moet worden overgelegd. Het onderzoek richt zich met gebruikmaking van geluidmetingen of geluidberekeningen op de bestaande en te verwachten geluidniveaus vanwege de werkzaamheden en activiteiten.
|
||||
**6.** Indien aannemelijk is dat de geluidniveaus vanwege werkzaamheden en activiteiten een significante bijdrage leveren aan de totale geluidsbelasting, kan het bevoegd gezag binnen vier weken na ontvangst van de melding besluiten dat een rapport van een onderzoek naar de akoestische situatie moet worden overgelegd. Het onderzoek richt zich met gebruikmaking van geluidmetingen of geluidberekeningen op de bestaande en te verwachten geluidniveaus vanwege de werkzaamheden en activiteiten.
|
||||
|
||||
**7.** Indien een toekomstige bodemverontreiniging als gevolg van de bedrijfsactiviteiten aannemelijk is, kan het bevoegd gezag binnen vier weken na ontvangst van de melding besluiten dat een rapport van een onderzoek naar de nulsituatie van de bodem moet worden overgelegd. Het onderzoek naar de nulsituatie richt zich op de stoffen die door de werkzaamheden ter plaatse een bedreiging voor de bodemkwaliteit vormen en op de plaatsen waar bodembedreigende handelingen plaatsvinden of zullen plaatsvinden.
|
||||
|
||||
|
|
@ -234,15 +255,15 @@ h. het tijdstip waarop de inrichting of de verandering daarvan in werking zal wo
|
|||
|
||||
Indien binnen de inrichting een bassin voor de opslag van dunne mest aanwezig is waarop de voorschriften uit het Besluit mestbassins milieubeheer niet van toepassing zijn, worden bij de melding tevens de volgende gegevens verstrekt:
|
||||
|
||||
a. gegevens waaruit kan worden afgeleid of omstandigheden als bedoeld in artikel 3, eerste lid onder m, sub 10 en 11 zich voordoen en gegevens waaruit de noodzaak tot het stellen van nadere eisen kan blijken;
|
||||
a. gegevens waaruit kan worden afgeleid of omstandigheden als bedoeld in artikel 3, onder n, sub 9 en 10 zich voordoen en gegevens waaruit de noodzaak tot het stellen van maatwerkvoorschriften kan blijken;
|
||||
b. een door de installateur van het bassin verstrekte verklaring waaruit blijkt dat het bassin overeenkomstig de betreffende voorschriften van de bijlage is uitgevoerd en welke referentieperioden van toepassing zijn, en
|
||||
c. gegevens over de wijze van afdekken van het bassin.
|
||||
|
||||
### Artikel 8
|
||||
|
||||
**1.** Voor een inrichting die voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit is opgericht en waarvoor voor dat tijdstip een vergunning in werking en onherroepelijk was, blijven de voorschriften van die vergunning in verbinding met de gegevens die behoren bij de aanvraag en de aanvraag voorzover die deel uitmaakt van de vergunning en gegevens bevat die zich lenen voor opname of omzetting in voorschriften, gedurende drie jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit gelden als nadere eisen als bedoeld in artikel 6, behoudens wijziging of intrekking van die nadere eisen.
|
||||
**1.** Voor een inrichting die voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit is opgericht en waarvoor voor dat tijdstip een vergunning in werking en onherroepelijk was, blijven de voorschriften van die vergunning in verbinding met de gegevens die behoren bij de aanvraag en de aanvraag voorzover die deel uitmaakt van de vergunning en gegevens bevat die zich lenen voor opname of omzetting in voorschriften, gedurende drie jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit gelden als maatwerkvoorschriften als bedoeld in artikel 6, behoudens wijziging of intrekking van die maatwerkvoorschriften, mits het voorschrift betrekking heeft op een onderwerp dat is genoemd in artikel 6, eerste lid, onderdeel a.
|
||||
|
||||
**2.** De nadere eisen die voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit golden krachtens een vergunning, het Besluit melkrundveehouderijen milieubeheer, het Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer, het Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer of het Besluit tuinbouwbedrijven met bedekte teelt milieubeheer voorzover laatstgenoemd besluit betrekking heeft op een inrichting die uitsluitend of in hoofdzaak bestemd is voor de witloftrek of de teelt van eetbare paddestoelen, blijven na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit gelden als nadere eisen als bedoeld in artikel 6 van dit besluit.
|
||||
**2.** De maatwerkvoorschriften die voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit golden krachtens een vergunning, het Besluit melkrundveehouderijen milieubeheer, het Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer, het Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer of het Besluit tuinbouwbedrijven met bedekte teelt milieubeheer voorzover laatstgenoemd besluit betrekking heeft op een inrichting die uitsluitend of in hoofdzaak bestemd is voor de witloftrek of de teelt van eetbare paddestoelen, blijven na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit gelden als maatwerkvoorschriften als bedoeld in artikel 6 van dit besluit, mits het voorschrift betrekking heeft op een onderwerp dat is genoemd in artikel 6, eerste lid, onderdeel a.
|
||||
|
||||
### Artikel 9
|
||||
|
||||
|
|
@ -262,7 +283,7 @@ c. gegevens over de wijze van afdekken van het bassin.
|
|||
|
||||
### Artikel 11
|
||||
|
||||
Indien op grond van een vergunning die in werking of onherroepelijk was, het Besluit melkrundveehouderijen milieubeheer, het Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer, het Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer of het Besluit tuinbouwbedrijven met bedekte teelt milieubeheer voorzover laatstgenoemd besluit betrekking heeft op een inrichting die uitsluitend of in hoofdzaak bestemd is voor de witloftrek of de teelt van eetbare paddestoelen, een termijn voor keuring niet is verstreken, is de termijn als bedoeld in dit besluit van toepassing vanaf het tijdstip na afloop van die termijn voor keuring.
|
||||
Indien op grond van een vergunning die in werking of onherroepelijk was, het Besluit melkrundveehouderijen milieubeheer, het Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer, het Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer of het Besluit tuinbouwbedrijven met bedekte teelt milieubeheer voorzover laatstgenoemd besluit betrekking heeft op een inrichting die uitsluitend of in hoofdzaak bestemd is voor de witloftrek of de teelt van eetbare paddestoelen, een keuringstermijn niet is verstreken, is de termijn als bedoeld in dit besluit van toepassing vanaf het tijdstip na afloop van die keuringstermijn.
|
||||
|
||||
### Artikel 12
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue