From b7b0b2e06f61411e6a3f12e3738e46aae64ddcb6 Mon Sep 17 00:00:00 2001 From: Coornhert Date: Mon, 1 Jul 2024 12:00:00 +0000 Subject: [PATCH] 2024-07-01 | BWBR0036702 | Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015 --- .../BWBR0036702/README.md | 212 ++++++++++++++---- 1 file changed, 170 insertions(+), 42 deletions(-) diff --git a/amvb/besluit-toegelaten-instellingen-volkshuisvesting-2015/BWBR0036702/README.md b/amvb/besluit-toegelaten-instellingen-volkshuisvesting-2015/BWBR0036702/README.md index 1b0040c31a2..7a3dc938bba 100644 --- a/amvb/besluit-toegelaten-instellingen-volkshuisvesting-2015/BWBR0036702/README.md +++ b/amvb/besluit-toegelaten-instellingen-volkshuisvesting-2015/BWBR0036702/README.md @@ -68,7 +68,7 @@ b. verwerven van onroerende zaken die verband houden met werkzaamheden die behor – *ratingbureau:* bureau dat een rating verstrekt; – *rentecap:* financieel derivaat tussen twee partijen bij of inzake een financiering, waarbij de koper tegen betaling van een geldsom gedurende een bij dat derivaat overeengekomen periode de garantie van een ten hoogste te betalen rentetarief verkrijgt; – *renteswap:* financieel derivaat tussen twee partijen om gedurende een bij dat derivaat overeengekomen periode kasstromen in de vorm van rentebetalingen uit te wisselen; -– *saneringsplan:* plan als bedoeld in de artikelen 29, eerste lid, en 57, eerste lid, onderdeel a, van de wet; +– *saneringsplan:* plan als bedoeld in artikel 29, tweede lid, tweede volzin, van de wet; – *splitsing:* splitsing als bedoeld in artikel 334a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek; – *variabele lening:* lening waarvan de rente elke 12 maanden of vaker wordt herzien; – *vervreemding van een woongelegenheid voor eigen gebruik:* vervreemding van een woongelegenheid aan een natuurlijke persoon, waarin die persoon of een bloed- of aanverwant in de eerste graad van die persoon zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben; @@ -412,10 +412,11 @@ f. de getaxeerde marktwaarde van die woongelegenheid of dat complex. Het verzoek gaat, tenzij de beoogde verkrijger een dochtermaatschappij van de vervreemdende toegelaten instelling is, tevens vergezeld van bescheiden waaruit blijkt dat: a. bij een verhuurde woongelegenheid die een zelfstandige woning, bedoeld in artikel 234 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, is: dat deze gedurende ten minste vier weken te koop is aangeboden aan de huurder tegen een prijs van ten hoogste de marktwaarde vrij van huur en gebruik; -b. bij een woongelegenheid of complex: dat deze gedurende ten minste vier weken te koop is aangeboden aan andere toegelaten instellingen; en -c. bij een woongelegenheid of complex: dat deze gedurende ten minste vier weken in het openbaar te koop is aangeboden aan elke gegadigde, tenzij de toegelaten instelling 5% of meer van de aandelen van de beoogde verkrijger houdt. +b. bij een niet-verhuurde woongelegenheid die een eengezinswoning is: dat deze gedurende ten minste vier weken voor eigen gebruik te koop is aangeboden aan de huurders van DAEB-woongelegenheden van toegelaten instellingen in ten minste de gemeente waar de woning is gelegen onder bekendmaking van de getaxeerde marktwaarde; +c. bij een woongelegenheid of complex: dat deze gedurende ten minste vier weken te koop is aangeboden aan andere toegelaten instellingen; en +d. bij een woongelegenheid of complex: dat deze gedurende ten minste vier weken in het openbaar te koop is aangeboden aan elke gegadigde, tenzij de toegelaten instelling 5% of meer van de aandelen van de beoogde verkrijger houdt. -**3.** Uit de bescheiden, bedoeld in het tweede lid, volgen, voor zover van toepassing, de afwegingen die ertoe hebben geleid dat niet achtereenvolgens aan de huurder of andere toegelaten instellingen is vervreemd. +**3.** Uit de bescheiden, bedoeld in het tweede lid, volgen, voor zover van toepassing, de afwegingen die ertoe hebben geleid dat niet achtereenvolgens aan de huurder, huurders van DAEB-woongelegenheden van toegelaten instellingen bedoeld in het tweede lid, onder b of andere toegelaten instellingen is vervreemd. ### Artikel 23a @@ -432,7 +433,15 @@ d. de zienswijze van de gemeente waar die woongelegenheid of dat complex is gele 2°. die woongelegenheid of de van dat complex deel uitmakende woongelegenheden worden vervreemd onder het beding dat zij ten minste zeven jaar na de eigendomsoverdracht als gevolg van de vervreemding voor verhuur met een huurprijs van ten hoogste € 1000,– bestemd blijven; en e. de getaxeerde marktwaarde van die woongelegenheid of dat complex. -**2.** Het verzoek gaat, tenzij de beoogde verkrijger een dochtermaatschappij van de vervreemdende toegelaten instelling is, tevens vergezeld van bescheiden waaruit blijkt dat die woongelegenheid of dat complex gedurende ten minste vier weken in het openbaar te koop is aangeboden aan elke gegadigde, tenzij de toegelaten instelling 5% of meer van de aandelen van de beoogde verkrijger houdt. +**2.** + +Het verzoek gaat, tenzij de beoogde verkrijger een dochtermaatschappij van de vervreemdende toegelaten instelling is, tevens vergezeld van bescheiden waaruit blijkt dat: + +a. bij een verhuurde woongelegenheid die een eengezinswoning is: dat deze gedurende ten minste vier weken te koop is aangeboden aan de huurder tegen een prijs van ten hoogste de marktwaarde vrij van huur en gebruik; +b. bij een niet-verhuurde woongelegenheid die een eengezinswoning is: dat deze gedurende ten minste vier weken voor eigen gebruik te koop is aangeboden aan de huurders van DAEB-woongelegenheden van toegelaten instellingen in ten minste de gemeente waar de woning is gelegen onder bekendmaking van de getaxeerde marktwaarde; +c. die woongelegenheid of dat complex gedurende ten minste vier weken in het openbaar te koop is aangeboden aan elke gegadigde, tenzij de toegelaten instelling 5% of meer van de aandelen van de beoogde verkrijger houdt. + +**3.** Uit de bescheiden, bedoeld in het tweede lid, volgen, voor zover van toepassing, de afwegingen die ertoe hebben geleid dat niet achtereenvolgens aan de huurder, bedoeld in het tweede lid, onder a, of aan andere huurders als bedoeld in het tweede lid, onder b, is vervreemd. ### Artikel 23b @@ -521,7 +530,7 @@ a. aan een rechtspersoon met de status van professionele organisatie voor monume b. tegen een prijs van ten minste de getaxeerde waarde die zij met behoud van haar huidige bestemming vertegenwoordigt; en c. onder het beding dat zij gedurende ten minste zeven jaar na de eigendomsoverdracht als gevolg van die vervreemding voor verhuur bestemd blijft. -**4.** Onze Minister kan het bepaalde bij of krachtens het eerste en tweede lid buiten toepassing laten, of bepalen dat het door de toegelaten instelling overleggen van bescheiden waaruit blijkt dat een aanbieding aan de huurder als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, van de artikelen 23 of 23c heeft plaatsgevonden niet vereist is, indien ten aanzien van de betrokken toegelaten instelling een situatie als bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de wet, of 57, eerste lid, onderdeel a, van de wet, van toepassing is. +**4.** Onze Minister kan het bepaalde bij of krachtens het eerste en tweede lid buiten toepassing laten, of bepalen dat het door de toegelaten instelling overleggen van bescheiden waaruit blijkt dat een aanbieding aan de huurder als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, van de artikelen 23, 23a of 23c heeft plaatsgevonden niet vereist is, indien ten aanzien van de betrokken toegelaten instelling een situatie als bedoeld in artikel 29, eerste lid, eerste volzin, of tweede lid, eerste volzin, van de wet, of 57, eerste lid, onderdeel a, van de wet, van toepassing is. **5.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven omtrent de toepassing van het tweede en vierde lid. @@ -1322,8 +1331,6 @@ c. in het vijfde lid voor «tweede, derde en vierde lid» wordt gelezen: tweede **5.** Bij ministeriële regeling wordt bepaald welke delen van een gemeente voor de toepassing van het eerste tot en met vierde lid als wijk of buurt worden beschouwd. -**6.** Dit artikel is niet van toepassing, indien de betrokken gemeente een gemeente is als genoemd in artikel 1.11, tweede lid, onderdeel b, van de Wet maatregelen woningmarkt II, of een deelgemeente van de gemeente Rotterdam is als genoemd in artikel 1.11, tweede lid, onderdeel a, van die wet. - #### Paragraaf 3. Inrichting van en geldstromen tussen de daeb-tak en de niet-daeb-tak ### Artikel 66 @@ -1336,7 +1343,7 @@ a. haar verhuurde woongelegenheden met een huurprijs van ten hoogste het in arti b. haar niet verhuurde woongelegenheden die laatstelijk waren verhuurd tegen een huurprijs als bedoeld in onderdeel a; c. haar woongelegenheden, bedoeld in artikel 47, eerste lid, onderdelen c en d, van de wet; d. haar bestaande en geprojecteerde gebouwen, bedoeld in artikel 45, tweede lid, onderdeel d, van de wet alsmede haar niet verhuurde gebouwen die laatstelijk waren verhuurd overeenkomstig dat artikel; -e. haar onbebouwde grond, voor zover daarop ingevolge een bestemmingsplan woningbouw zal moeten plaatsvinden, en zij, blijkens het overzicht, bedoeld in artikel 44a, eerste lid, onderdeel a, van de wet, voornemens is daarop binnen vijf jaar na het ingangstijdstip, bedoeld in artikel II, vierde lid, tweede of derde volzin, van de Herzieningswet toegelaten instellingen volkshuisvesting, zoals dat luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop die wet werd ingetrokken, indien zij die grond op dat tijdstip in eigendom had, of binnen vijf jaar na het verwerven van die grond woongelegenheden te doen bouwen, van welke ten minste 90% zal behoren tot de woongelegenheden, bedoeld in onderdeel a; +e. haar onbebouwde grond, voor zover daarop ingevolge een bestemmingsplan woningbouw zal moeten plaatsvinden, en zij voornemens is daarop binnen tien jaar na het verwerven van die grond woongelegenheden te doen bouwen, van welke ten minste 90% zal behoren tot de woongelegenheden, bedoeld in onderdeel a; f. de door haar aangetrokken leningen met gebruikmaking van de borgingsvoorziening, of van borgstelling daarvan door overheden; g. de voorziening, bedoeld in artikel 13a, tweede lid; h. haar financieel waardeerbare rechten en verplichtingen uit hoofde van bedingen die betrekking hebben op een opvolgende vervreemding door de verkrijger van een woongelegenheid van de toegelaten instelling, indien die woongelegenheid op het tijdstip dat deze laatstelijk door de toegelaten instelling werd verhuurd, was aan te merken als een woongelegenheid als bedoeld in onderdeel a of c, en is vervreemd aan een natuurlijke persoon, en @@ -1366,8 +1373,6 @@ e. haar baten en lasten, naar de mate waarin zij betrekking hebben op activa of **3.** Artikel 65, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing. -**4.** Dit artikel is niet van toepassing, indien de betrokken gemeente een gemeente is als genoemd in artikel 1.11, tweede lid, onderdeel b, van de Wet maatregelen woningmarkt II, of een deelgemeente van de gemeente Rotterdam is als genoemd in artikel 1.11, tweede lid, onderdeel a, van die wet. - ### Artikel 69 **1.** @@ -1383,8 +1388,6 @@ b. voor zover die herstructurering bestaat uit werkzaamheden als bedoeld in arti **4.** Bij toepassing van het eerste lid, aanhef en onderdeel a, gaat onverwijld na het bouwrijp maken van de grond, bedoeld in dat onderdeel, die grond over naar de niet-daeb-tak onder verrekening tussen de daeb-tak en de niet-daeb-tak van de marktwaarde daarvan, bepaald overeenkomstig dat onderdeel. -**5.** Het tweede, derde en vierde lid zijn niet van toepassing, indien de betrokken gemeente een gemeente is als genoemd in artikel 1.11, tweede lid, onderdeel b, van de Wet maatregelen woningmarkt II, of een deelgemeente van de gemeente Rotterdam is als genoemd in artikel 1.11, tweede lid, onderdeel a, van die wet. - ### Artikel 70 **1.** Indien de toepassing van het bepaalde bij en krachtens de artikelen 66 en 67 er zonder nadere maatregelen toe zou leiden, dat de financiële continuïteit van de daeb-tak niet in dezelfde mate is gewaarborgd als die van de niet-daeb-tak, voert de toegelaten instelling bij die toepassing onder de naam «interne startlening» een vordering van de daeb-tak op de niet-daeb-tak op. Op het rentepercentage van die vordering is het bepaalde bij en krachtens artikel 10, tweede lid, onderdeel a, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het rentepercentage, bedoeld in dat artikel, geldt als minimumpercentage. @@ -1881,7 +1884,141 @@ Vervallen ## Hoofdstuk VI. Sanering van en projectsteun ten behoeve van toegelaten instellingen -### Afdeling 1. De subsidies +### Afdeling 1. Adviescommissie noodzakelijke werkzaamheden toegelaten instellingen + +#### Paragraaf 1. Samenstelling en werkwijze commissie + +### Artikel 110a + +**1.** + +De adviescommissie noodzakelijke werkzaamheden bestaat uit vijf leden, waaronder: + +a. de voorzitter; +b. een lid, op schriftelijke voordracht van de in het belang van de toegelaten instellingen werkzame organisaties; en +c. een lid dat beschikt over financiële kennis, waaronder kennis van de herstructurering en het herstel van organisaties. + +**2.** Onze Minister benoemt de leden voor een periode van ten hoogste vier jaar, en zij kunnen tweemaal voor ten hoogste vier jaar worden herbenoemd. + +**3.** Ieder lid kan te allen tijde door Onze Minister worden geschorst of ontslagen op verzoek of indien de omstandigheden daar aanleiding toe geven. + +**4.** De leden hebben zitting op persoonlijke titel en oefenen hun functie uit zonder last of ruggespraak. De leden beschikken gezamenlijk over de deskundigheid, ervaring en affiniteit voor het uitvoeren van de taken, bedoeld in artikel 56a, tweede lid, van de wet. + +**5.** Een lid vervult geen functie waarvan de uitoefening ongewenst is met het oog op een goede vervulling van diens lidmaatschap of het behoud van en het vertrouwen in diens onpartijdigheid en onafhankelijkheid. + +### Artikel 110b + +**1.** De adviescommissie noodzakelijke werkzaamheden stelt haar eigen werkwijze vast die de goedkeuring behoeft van Onze Minister. + +**2.** Onze Minister voorziet in het secretariaat van de adviescommissie noodzakelijke werkzaamheden. + +**3.** De leden van de adviescommissie noodzakelijke werkzaamheden ontvangen per vergadering een vergoeding, voor zover zij niet vallen onder de uitzondering van artikel 2, derde lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies en hiermee niet het in artikel 6, eerste lid, van het Besluit vergoedingen adviescolleges en commissies bedoelde maximumbedrag overschrijden. + +**4.** De adviescommissie noodzakelijke werkzaamheden brengt uiterlijk twaalf weken nadat het adviesverzoek, bedoeld in artikel 56a, tweede lid, van de wet bij haar is ingediend advies uit. De adviescommissie noodzakelijke werkzaamheden kan deze termijn door schriftelijke kennisgeving daarvan aan de verzoekende toegelaten instelling telkens gemotiveerd verlengen met een door haar daarbij te bepalen termijn van ten hoogste vier weken, van welke verlenging zij kennis geeft voor het verstrijken van de beslistermijn. + +**5.** De adviescommissie noodzakelijke werkzaamheden draagt zo spoedig mogelijk na het afronden van een advies of, indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven zoveel eerder, de bescheiden betreffende die werkzaamheden voor een advies over aan Onze Minister. + +**6.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven omtrent wijze van verantwoording en ondersteuning van de adviescommissie noodzakelijke werkzaamheden. + +#### Paragraaf 2. Verzoek om advies + +### Artikel 110c + +**1.** + +Een verzoek waarbij een advies als bedoeld in artikel 56a, tweede lid, van de wet aan de adviescommissie noodzakelijke werkzaamheden wordt gevraagd, wordt door de verzoekende partij ondertekend en bevat ten minste: + +a. de dagtekening; +b. de naam en het adres van de betrokken toegelaten instelling; +c. een beschrijving van de situatie als bedoeld in artikel 29, eerste lid, eerste volzin, van de wet van de betrokken toegelaten instelling; en +d. een beschrijving van de volkshuisvestelijke situatie op de korte, middellange en lange termijn, waaronder in ieder geval de bevolkingssamenstelling en vraag naar typen woningen. + +**2.** + +De toegelaten instelling die een verzoek als bedoeld in het eerste lid aan de adviescommissie noodzakelijke werkzaamheden voorlegt, verschaft voorts de bescheiden die voor het advies van de adviescommissie noodzakelijke werkzaamheden nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Tot deze gegevens behoren in ieder geval: + +a. de bescheiden, bedoeld in artikel 38, eerste lid en tweede lid, van de wet; +b. de in de betreffende gemeente geldende woonvisie, bedoeld in artikel 42, eerste lid, van de wet; en +c. de bescheiden, bedoeld in artikel 44a, eerste lid en tweede lid, van de wet. + +**3.** De toegelaten instelling die het verzoek tot advies aan de adviescommissie noodzakelijke werkzaamheden richt, zendt een afschrift van het verzoek aan toegelaten instellingen die feitelijk werkzaam zijn in hetzelfde gebied, bedoeld in artikel 41b, tweede lid, van de wet als de verzoekende instelling en de partijen genoemd in artikel 110f, onderdelen b, c, d, g, h en i. + +#### Paragraaf 3. Zienswijzen en uitgangspunten + +### Artikel 110d + +**1.** + +De adviescommissie noodzakelijke werkzaamheden betrekt in haar advies ten aanzien van artikel 56a, tweede lid, van de wet in ieder geval: + +a. de zienswijzen van de autoriteit en een organisatie die zich ten doel stelt de belangen van toegelaten instellingen te behartigen over de omvang van de in artikel 56a, tweede lid, onderdeel a, van de wet bedoelde noodzakelijke werkzaamheden alsmede de mogelijkheden, waaronder en de financiële draagkracht om die werkzaamheden binnen een redelijke termijn voort te zetten, van de toegelaten instellingen die feitelijk werkzaam zijn in hetzelfde gebied aangewezen op grond van artikel 41b, eerste lid, als de verzoekende toegelaten instelling; +b. de zienswijzen van de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten waar de verzoekende toegelaten instelling meer dan 5% van het totaal van de diensten bedoeld in artikel 47, eerste lid, van de wet in die gemeente verricht, over de omvang van de in artikel 56a, tweede lid, onderdeel a, van de wet bedoelde noodzakelijke werkzaamheden; +c. de zienswijzen van de in het belang van de huurders van de woongelegenheden van de verzoekende toegelaten instelling werkzame huurdersorganisaties en bewonerscommissies over de omvang van de in artikel 56a, tweede lid, onderdeel a, van de wet, bedoelde noodzakelijke werkzaamheden; +d. de zienswijzen van de toegelaten instellingen die feitelijk werkzaam zijn in hetzelfde gebied aangewezen op grond van in artikel 41b, eerste lid, van de wet als de verzoekende instelling; en +e. de zienswijze van de borgingsvoorziening over de risico’s voor de borgstelling van het conceptadvies dat de Adviescommissie noodzakelijke werkzaamheden voornemens is uit te brengen. + +**2.** + +De adviescommissie noodzakelijke werkzaamheden stelt de in het eerste lid bedoelde partijen in de gelegenheid hun zienswijze aan haar kenbaar te maken binnen een termijn van: + +a. vier weken, voor de zienswijzen bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, b, c en d; +b. twee weken, voor de zienswijze bedoeld in het eerste lid, onderdeel e. + +### Artikel 110e + +**1.** + +De adviescommissie noodzakelijke werkzaamheden hanteert de volgende uitgangspunten voor de vaststelling van haar advies: + +a. de omvang van de in artikel 56a, tweede lid, onderdeel a, van de wet bedoelde noodzakelijke werkzaamheden is niet groter dan hetgeen in de zienswijzen, bedoeld in artikel 110d, eerste lid, onderdeel b, naar voren is gebracht; +b. bij het onderzoek naar de in artikel 56a, tweede lid, onderdeel b, van de wet bedoelde mogelijkheden wordt de investeringscapaciteit van toegelaten instellingen vastgesteld aan de hand van informatie uit het overzicht, bedoeld in artikel 44a, eerste lid, onderdeel a, van de wet en de door de autoriteit kenbaar gemaakte financiële normen. +c. het onderzoek naar de in artikel 56a, tweede lid, onderdeel b, van de wet bedoelde mogelijkheden wordt gericht op toegelaten instellingen die feitelijk werkzaam zijn in hetzelfde gebied aangewezen op grond van artikel 41b, eerste lid, van de wet als de verzoekende toegelaten instelling, waarbij voorts als prioritering geldt, tenzij afwijking daarvan in het belang van de volkshuisvesting is: + +1°. de toegelaten instellingen die feitelijk werkzaam zijn in dezelfde gemeenten als de verzoekende toegelaten instelling; +2°. de toegelaten instellingen die feitelijk werkzaam zijn in gemeenten die grenzen aan de gemeenten waar de verzoekende toegelaten instelling feitelijk werkzaam is; +3°. de toegelaten instellingen die feitelijk werkzaam zijn in de nabijheid van de gemeenten waar de verzoekende toegelaten instelling feitelijk werkzaam is. + +**2.** + +De adviescommissie noodzakelijke werkzaamheden betrekt bij haar advies: + +a. de woonvisie, bedoeld in artikel 42, eerste lid, van de wet van de betrokken gemeente(n); en +b. de afspraken als bedoeld in artikel 44, eerste lid, van de wet. + +**3.** + +De adviescommissie noodzakelijke werkzaamheden weegt in ieder geval mee in haar advies: + +a. de financiële en de volkshuisvestelijke gevolgen van de door de adviescommissie noodzakelijke werkzaamheden verschillende te overwegen scenario’s in het kader van het advies, bedoeld in artikel 56a, tweede lid, van de wet voor alle daarbij betrokken partijen; en +b. de kwaliteit van de woningen, waaronder de mogelijkheden tot verduurzaming in het kader van het advies bedoeld in artikel 56a, tweede lid, onder c, van de wet. + +**4.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over het eerste en derde lid. + +#### Paragraaf 4. Verstrekken advies + +### Artikel 110f + +De adviezen, bedoeld in artikel 56a, tweede lid, van de wet worden verstrekt aan: + +a. de verzoekende toegelaten instelling, bedoeld in artikel 56a, tweede lid, van de wet; +b. de gemeenten waar de verzoekende toegelaten instelling feitelijk werkzaam is; +c. de in het belang van de huurders van de woongelegenheden van de verzoekende toegelaten instelling werkzame huurdersorganisaties; +d. toegelaten instellingen die feitelijk werkzaam zijn in hetzelfde gebied als bedoeld in artikel 41b, tweede lid, als de verzoekende toegelaten instelling; +e. de toegelaten instellingen die op grond van het advies van belang zijn om de in artikel 56a, tweede lid, onder a, van de wet bedoelde noodzakelijke werkzaamheden binnen een redelijke termijn voort te zetten; +f. de toegelaten instellingen die op grond van artikel 56, derde lid, inlichtingen hebben verschaft aan de adviescommissie noodzakelijke werkzaamheden; +g. de in het belang van de toegelaten instellingen werkzame organisaties; +h. de borgingsvoorziening; en +i. de autoriteit. + +#### Paragraaf 5. Aanwijzing tot voortzetten noodzakelijke werkzaamheden + +### Artikel 110g + +**1.** Indien de minister een aanwijzing geeft als bedoeld in artikel 56b, eerste lid, van de wet geschiedt de overdracht tegen de getaxeerde marktwaarde. + +**2.** De minister stelt de borgingsvoorziening in de gelegenheid haar zienswijzen als bedoeld in artikel 56b, eerste lid, onderdeel d, van de wet aan hem kenbaar te maken binnen een termijn van twee weken. Indien de borgingsvoorziening binnen die termijn geen zienswijze heeft verstrekt, wordt zij geacht geen bezwaren te hebben tegen de voorgenomen aanwijzing. + +### Afdeling 2. De subsidies #### Paragraaf 1. Subsidies voor financiële sanering @@ -1900,14 +2037,15 @@ c. meerjarenanalyses ten aanzien van in elk geval: 3°. de mogelijkheden voor het vervreemden van haar onroerende zaken en 4°. de mogelijkheden om haar werkzaamheden die behoren tot de diensten van algemeen economisch belang door andere toegelaten instellingen te laten voortzetten; d. het laatstelijk opgestelde overzicht, bedoeld in artikel 44a, eerste lid, onderdeel a, van de wet; -e. het saneringsplan dat Onze Minister heeft goedgekeurd en waarover de toegelaten instelling overleg heeft gevoerd met de gemeenten waar zij feitelijk werkzaam is en met de borgingsvoorziening en -f. de uitkomsten van het overleg, bedoeld in onderdeel e. +e. het door Onze Minister goed te keuren saneringsplan waarover de toegelaten instelling overleg heeft gevoerd met de gemeenten waar zij feitelijk werkzaam is en met de borgingsvoorziening; +f. de uitkomsten van het overleg, bedoeld in onderdeel e en; +g. het advies, bedoeld in artikel 56a, tweede lid, van de wet. **2.** Indien uit de analyse, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, naar het oordeel van Onze Minister blijkt dat de daarin genoemde oorzaken geheel of ten dele voortvloeien uit de werkzaamheden van de toegelaten instelling die niet behoren tot de diensten van algemeen economisch belang, neemt de toegelaten instelling in het saneringsplan mogelijke maatregelen op om die werkzaamheden zo spoedig mogelijk te beëindigen of door andere rechtspersonen of vennootschappen te laten voortzetten. **3.** Het saneringsplan bestrijkt een daarin op te nemen periode van ten hoogste 10 jaar. De stukken, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b en c, bestrijken de periode die het saneringsplan bestrijkt. -**4.** Het doel van het saneringsplan is in elk geval dat een toegelaten instelling, na de periode die het saneringsplan bestrijkt, de financiële middelen kan aantrekken om de betrokken werkzaamheden die behoren tot de diensten van algemeen economisch belang te kunnen verrichten of voortzetten. +**4.** Het doel van het saneringsplan is dat een toegelaten instelling, na de periode die het saneringsplan bestrijkt, de in artikel 56a, tweede lid, onderdeel a, van de wet bedoelde werkzaamheden kan verrichten of voortzetten. **5.** @@ -1932,11 +2070,14 @@ a. indien naar zijn oordeel zonder die subsidie een toegelaten instelling niet i b. indien het verrichten of voortzetten van die werkzaamheden naar het oordeel van burgemeester en wethouders van de gemeenten waar zij worden verricht noodzakelijk is voor het in stand houden van voldoende woongelegenheden in die gemeenten, als bedoeld in artikel 47, eerste lid, onderdelen b en c, van de wet en c. voor zover hij over voldoende middelen daarvoor beschikt als verkregen of te verkrijgen uit de bijdragen, bedoeld in artikel 58, tweede lid, van de wet. -**2.** De subsidie is niet hoger dan het bedrag dat naar het oordeel van Onze Minister noodzakelijk is om te waarborgen dat een toegelaten instelling na uitvoering van het saneringsplan over voldoende financiële middelen beschikt om de betrokken werkzaamheden die behoren tot de diensten van algemeen economisch belang te verrichten of voort te zetten. +**2.** -**3.** Indien de subsidie wordt besteed aan het verrichten of voortzetten van werkzaamheden die behoren tot de diensten van algemeen economisch belang door een andere toegelaten instelling dan de toegelaten instelling die de subsidie ontvangt, betaalt de ontvangende toegelaten instelling die subsidie door aan die andere toegelaten instelling. +De subsidie is niet hoger dan het bedrag dat naar het oordeel van Onze Minister noodzakelijk is om te waarborgen dat een toegelaten instelling na uitvoering van het saneringsplan over voldoende financiële middelen beschikt om de in artikel 56a, tweede lid, onderdeel a, van de wet bedoelde werkzaamheden te verrichten of voort te zetten in het geval: -**4.** Onze Minister kan aan de verstrekking van de subsidie voorwaarden en verplichtingen verbinden ter waarborging van de uitvoering van het saneringsplan. +a. de werkzaamheden worden verricht of voortgezet door een andere toegelaten instelling dan de toegelaten instelling die de subsidie ontvangt, wordt de hoogte vastgesteld met inachtneming van het verschil tussen de waarde waartegen de andere toegelaten instelling met inachtneming van haar financiële continuïteit die werkzaamheden kan verkrijgen en de getaxeerde marktwaarde daarvan; of +b. de werkzaamheden worden verricht of voortgezet door de toegelaten instelling die de subsidie ontvangt, wordt de hoogte vastgesteld met inachtneming van haar financiële continuïteit en, voor zover werkzaamheden worden verricht zonder dat daartoe een wettelijke verplichting bestaat, voor die werkzaamheden aan de hand van een benchmark met andere toegelaten instellingen waarbij het niveau gelijk is aan de bovenkant van het onderste kwintiel. + +**3.** Onze Minister kan aan de verstrekking van de subsidie voorwaarden en verplichtingen verbinden ter waarborging van de uitvoering van het saneringsplan. #### Paragraaf 2. Subsidies voor werkzaamheden @@ -1972,13 +2113,13 @@ a. indien de werkzaamheden in verband met welke de toegelaten instelling die sub b. indien de toegelaten instelling de werkzaamheden in verband met welke zij die subsidie heeft aangevraagd naar het oordeel van Onze Minister niet zonder die subsidie kan verrichten en c. voor zover hij over voldoende middelen daarvoor beschikt als verkregen of te verkrijgen uit de bijdragen, bedoeld in artikel 58, tweede lid, van de wet. -**2.** Bij de verstrekking van een subsidie als bedoeld in artikel 57, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de wet geeft Onze Minister voorrang aan aanvragen om een zodanige subsidie van toegelaten instellingen op welke een situatie als bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de wet van toepassing is. +**2.** Bij de verstrekking van een subsidie als bedoeld in artikel 57, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de wet geeft Onze Minister voorrang aan aanvragen om een zodanige subsidie van toegelaten instellingen op welke een situatie als bedoeld in artikel 29, eerste lid, eerste volzin, of tweede lid, eerste volzin, van de wet van toepassing is. **3.** De subsidie is niet hoger dan de kosten van de werkzaamheden ter tegemoetkoming in de kosten waarvan zij wordt verstrekt, verminderd met de door Onze Minister geraamde opbrengsten daaruit, en verminderd met bijdragen als bedoeld in artikel 113, tweede lid, onderdeel d. **4.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven omtrent de berekening van de subsidie, bedoeld in artikel 57, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de wet. -### Afdeling 2. De bijdrage +### Afdeling 3. De bijdrage ### Artikel 115 @@ -2011,38 +2152,25 @@ b. de helft van de som van de ingevolge artikel 115, eerste lid, begrote bedrage ### Artikel 118 -**1.** Onze Minister kan op verzoek van een toegelaten instelling de op grond van artikel 58, tweede lid, van de wet verschuldigde bijdrage kwijtschelden, indien die toegelaten instelling naar zijn oordeel niet over de financiële middelen beschikt om haar werkzaamheden te kunnen voortzetten. +**1.** Onze Minister kan ambtshalve of op verzoek van een toegelaten instelling de op grond van artikel 58, tweede lid, van de wet verschuldigde bijdrage kwijtschelden, indien die toegelaten instelling naar zijn oordeel niet over de financiële middelen beschikt om haar werkzaamheden te kunnen voortzetten. **2.** -Onze Minister kan op verzoek van een toegelaten instelling een gedeelte van de op grond van artikel 58, tweede lid, van de wet verschuldigde bijdrage kwijtschelden, indien naar zijn oordeel de verzoekende toegelaten instelling gedurende de periode, bedoeld in artikel 111, vierde lid, bij een andere toegelaten instelling betrokken is geweest door middel van: +Onze Minister kan ambtshalve of op verzoek van een toegelaten instelling de op grond van artikel 58, tweede lid, van de wet verschuldigde bijdrage, of een deel daarvan, kwijtschelden, indien naar zijn oordeel de verzoekende toegelaten instelling na het uitbrengen van het advies, bedoeld in artikel 56a, tweede lid, van de wet of gedurende de periode, bedoeld in artikel 111, vierde lid, bij een andere toegelaten instelling betrokken is geweest door middel van: a. het verwerven van woongelegenheden als bedoeld in artikel 47, eerste lid, onderdelen b en c, van de wet van die toegelaten instelling tegen ten minste de marktwaarde in verhuurde staat van die woongelegenheden op het tijdstip van die verwerving en onder het beding deze vanaf dat tijdstip ten minste zeven jaar te zullen verhuren; b. het financieel bijdragen aan werkzaamheden van die toegelaten instelling, indien naar zijn oordeel zonder dat bijdragen aan die toegelaten instelling een subsidie als bedoeld in artikel 57, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de wet had kunnen worden verstrekt, of c. het fuseren met die toegelaten instelling. -**3.** +**3.** De kwijtschelding betreft ten hoogste de verschuldigde bijdragen gedurende het jaar waarin het verzoek is ingediend en de vijf kalenderjaren die hier direct op volgen. -De kwijtschelding, bedoeld in het tweede lid, bedraagt ten hoogste: +**4.** Indien Onze Minister een verzoek als bedoeld in het eerste of tweede lid inwilligt en de bijdrage in het jaar van het verzoek reeds door de toegelaten instelling voldaan is, betaalt hij een als gevolg daarvan ten onrechte betaald bedrag terug aan de toegelaten instelling, vermeerderd met de wettelijke rente van niet-handelstransacties vanaf het tijdstip van betaling van de bijdrage tot het tijdstip van terugbetaling van de onverschuldigd betaalde bijdrage. -a. in geval van een verwerving als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a: 20% van de gemiddelde WOZ-waarde van de verworven woongelegenheden op het tijdstip van die verwerving; -b. in geval van een financieel bijdragen als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b: de door Onze Minister geraamde subsidie, bedoeld in dat onderdeel, respectievelijk -c. in geval van een fusie als bedoeld in het tweede lid, onderdeel c: de subsidie, bedoeld in artikel 57, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de wet, die de verzoekende toegelaten instelling naar het oordeel van Onze Minister had kunnen verkrijgen, indien zij niet was gefuseerd met een toegelaten instelling als bedoeld in de aanhef van het tweede lid. - -**4.** Het tweede lid vindt geen toepassing, indien de uitgaven, gemoeid met de in het tweede lid, onderdelen a en b, bedoelde transacties, en de gedorven subsidie, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, gezamenlijk in de twee kalenderjaren die direct voorafgaan aan de indiening van het verzoek minder bedragen dan 0,5% van de WOZ-waarde van de onroerende zaken in eigendom van de verzoekende toegelaten instelling op 31 december van het kalenderjaar dat voorafgaat aan het kalenderjaar waarover de bijdrage verschuldigd is. - -**5.** De kwijtschelding betreft ten hoogste de verschuldigde bijdragen gedurende de vijf kalenderjaren die direct volgen op het jaar waarin het verzoek is ingediend. - -**6.** Indien Onze Minister een verzoek als bedoeld in het eerste of tweede lid inwilligt en de bijdrage in het jaar van het verzoek reeds door de toegelaten instelling voldaan is, betaalt hij een als gevolg daarvan ten onrechte betaald bedrag terug aan de toegelaten instelling, vermeerderd met de wettelijke rente van niet-handelstransacties vanaf het tijdstip van betaling van de bijdrage tot het tijdstip van terugbetaling van de onverschuldigd betaalde bijdrage. - -### Afdeling 3. Toepasselijkheid bij mandaat aan borgingsvoorziening +### Afdeling 4. Toepasselijkheid bij mandaat aan borgingsvoorziening ### Artikel 119 -Voor zover een mandaat als bedoeld in artikel 59, tweede lid, van de wet de betrokken in dat lid bedoelde bevoegdheid betreft: - -a. zijn de artikelen 111, 112 en 115 tot en met 118 van overeenkomstige toepassing op de borgingsvoorziening en -b. is artikel 111, eerste lid, onderdeel e, niet van toepassing, waar het het in dat onderdeel bedoelde overleg met de borgingsvoorziening betreft. +Voor zover een mandaat als bedoeld in artikel 59, tweede lid, van de wet de betrokken in dat lid bedoelde bevoegdheid betreft zijn de artikelen 111, 112 en 115 tot en met 118 van overeenkomstige toepassing op de borgingsvoorziening. ## Hoofdstuk VII. Toezicht op toegelaten instellingen en dochtermaatschappijen @@ -2075,7 +2203,7 @@ Onze Minister stelt de betrokken raden van commissarissen en besturen van dochte a. zijn voornemens om toepassing te geven aan artikel 19, vierde lid, 48, achtste lid, 61d, 61g, eerste, tweede of derde lid, 61h, eerste lid, 104a, eerste lid, 105, eerste lid, of 120b van de wet, alsmede zijn besluiten daartoe; b. zijn voornemens om een goedkeuring als bedoeld in artikel 21, eerste lid, 27, eerste lid, 41b, eerste lid, 49a, tweede lid, 50b, eerste lid, of 53, tweede lid, eerste volzin, van de wet, niet te verlenen, alsmede zijn besluiten daartoe; -c. zijn activiteiten en voorgenomen activiteiten jegens toegelaten instellingen ten aanzien van welke een situatie als bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de wet of 57, eerste lid, onderdeel a, van de wet van toepassing is; +c. zijn activiteiten en voorgenomen activiteiten jegens toegelaten instellingen ten aanzien van welke een situatie als bedoeld in artikel 29, eerste lid eerste volzin, of tweede lid, eerste volzin, van de wet of 57, eerste lid, onderdeel a, van de wet van toepassing is; d. de saneringsplannen die hij heeft goedgekeurd; e. zijn oordeel over de stukken, bedoeld in artikel 38, eerste, tweede en derde lid, van de wet, indien daaruit kan worden opgemaakt dat hij van oordeel is dat de betrokken toegelaten instellingen schade aan het belang van de volkshuisvesting hebben berokkend, en f. zijn andere activiteiten, besluiten en voornemens daartoe, in de gevallen waarin hij van oordeel is dat kennisneming daarvan door de betrokken raden van commissarissen of besturen van dochtermaatschappijen uit het oogpunt van een goede uitvoering van hun toezicht noodzakelijk is.