2009-01-01 | BWBR0020674 | Besluit inburgering

This commit is contained in:
Coornhert 2009-01-01 12:00:00 +00:00
parent 91f4dc494e
commit b7e36dd8dd

View file

@ -23,22 +23,15 @@ d. onderzoek: het onderzoek, bedoeld in artikel 25 van de wet;
e. Informatiesysteem Inburgering: het informatiesysteem, bedoeld in artikel 47 van de wet;
f. Bestand Potentiële Inburgeringsplichtigen: het bestand, bedoeld in artikel 48 van de wet;
g. potentiële inburgeringsplichtige: een persoon als bedoeld in artikel 48, eerste lid, tweede volzin, van de wet;
h. rijksbijdrage: de rijksbijdrage, bedoeld in artikel 52 van de wet;
h. rijksbijdrage: de rijksbijdrage, bedoeld in artikel 52 van de wet, zoals dat artikel luidde voor de datum van inwerkingtreding van de Wet participatiebudget;
i. handhavingsbeschikking: de beschikking, bedoeld in artikel 26 van de wet, die niet tevens is gegeven op grond van artikel 22, tweede lid, van de wet;
j. inburgeringsvoorziening: de inburgeringsvoorzieningen, bedoeld in hoofdstuk 5, paragraaf 2, van de wet, de Regeling inburgering allochtone vrouwen G31, de Regeling inburgering allochtone vrouwen niet-G31 en het extensieve deel van de Pilot inburgering allochtone vrouwen Taal Totaal;
k. gecombineerde inburgeringsvoorziening: een inburgeringsvoorziening, gecombineerd met een voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de wet;
l. lening: de lening, bedoeld in artikel 16 van de wet;
m. prognose: de opgave van het college met betrekking tot:
1°. het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de wet aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald, en ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening zal vaststellen;
2°. het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de wet aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald, en ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een gecombineerde inburgeringsvoorziening zal vaststellen;
3°. het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de wet aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald, en ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening zal vaststellen;
4°. het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de wet aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald, en ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een gecombineerde inburgeringsvoorziening zal vaststellen;
n. budget: het budget dat in het jaar waarop de prognoses betrekking hebben beschikbaar is voor de verstrekking aan gemeenten van de voorschotten op het prestatie-afhankelijke deel van de rijksbijdragen;
o. inburgeringscursus: een door een cursusinstelling aangeboden cursus welke een inburgeringsplichtige in staat stelt mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal en kennis van de Nederlandse samenleving te verwerven, teneinde het inburgeringsexamen te behalen;
p. Wet inburgering nieuwkomers: Wet inburgering nieuwkomers zoals die luidde op 31 december 2006;
q. persoonsvolgend budget: budget dat wordt verstrekt ten behoeve van de inburgering van een persoon als bedoeld in het besluit van de Staatssecretaris van Justitie van 12 juni 2007, nr. 2007/11, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Stcrt. 2007, 111), die inburgeringsplichtig is op grond van de artikelen 3 tot en met 6 van de wet en die op 1 januari 2008 in een opvangvoorziening als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers verblijft;
r. duale inburgeringsvoorziening: inburgeringsvoorziening die met het oog op de actieve deelname van de inburgeringsplichtige aan de Nederlandse samenleving mede voorziet in activiteiten die in samenhang, en ten minste voor een deel gelijktijdig, met het verwerven van mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal en kennis van de Nederlandse samenleving worden uitgevoerd.
m. inburgeringscursus: een door een cursusinstelling aangeboden cursus welke een inburgeringsplichtige in staat stelt mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal en kennis van de Nederlandse samenleving te verwerven, teneinde het inburgeringsexamen te behalen;
n. Wet inburgering nieuwkomers: Wet inburgering nieuwkomers zoals die luidde op 31 december 2006;
o. persoonsvolgend budget: budget dat wordt verstrekt ten behoeve van de inburgering van een persoon als bedoeld in het besluit van de Staatssecretaris van Justitie van 12 juni 2007, nr. 2007/11, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Stcrt. 2007, 111), die inburgeringsplichtig is op grond van de artikelen 3 tot en met 6 van de wet en die op 1 januari 2008 in een opvangvoorziening als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers verblijft;
p. duale inburgeringsvoorziening: inburgeringsvoorziening die met het oog op de actieve deelname van de inburgeringsplichtige aan de Nederlandse samenleving mede voorziet in activiteiten die in samenhang, en ten minste voor een deel gelijktijdig, met het verwerven van mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal en kennis van de Nederlandse samenleving worden uitgevoerd.
## Hoofdstuk 2. Inburgeringsplicht
@ -624,7 +617,7 @@ Indien de debiteur niet in staat is het overeenkomstig artikel 4.8 vastgestelde
**1.** Ter bepaling van de draagkracht van de debiteur wordt het toetsingsinkomen van de debiteur en dat van zijn partner in aanmerking genomen.
**2.** Het toetsingsinkomen wordt berekend overeenkomstig artikel 8, eerste tot en met vierde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen.
**2.** Het toetsingsinkomen wordt berekend overeenkomstig artikel 8, eerste tot en met derde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen.
**3.** Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld ten aanzien van de wijze waarop de draagkracht van de debiteur wordt vastgesteld.
@ -732,7 +725,7 @@ e. degene aan wie een persoonsvolgend budget is verstrekt.
### Artikel 4.23
De socialezekerheidswetten en socialezekerheidsregelingen, bedoeld in artikel 19, vierde lid, van de wet, zijn:
De socialezekerheidswetten en socialezekerheidsregelingen, bedoeld in artikel 19, derde lid, van de wet, zijn:
a. de Werkloosheidswet;
b. de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
@ -748,7 +741,7 @@ i. de Tijdelijke regeling inkomensgevolgen herbeoordeelde arbeidsongeschikten.
### Artikel 4.24
**1.** De inburgeringsvoorziening, bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel b, van de wet, omvat een cursus die toeleidt naar de in ingevolge paragraaf 2 van hoofdstuk 3 voor geestelijke bedienaren geldende onderdelen van het inburgeringsexamen.
**1.** De inburgeringsvoorziening, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel b, van de wet, omvat een cursus die toeleidt naar de in ingevolge paragraaf 2 van hoofdstuk 3 voor geestelijke bedienaren geldende onderdelen van het inburgeringsexamen.
**2.** Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld omtrent de cursus.
@ -982,9 +975,9 @@ Onder «college» wordt voor de toepassing van dit hoofdstuk mede verstaan het c
### Artikel 7.1
**1.** De rijksbijdrage voor een gemeente omvat een vast deel, een prestatie-afhankelijk deel en een variabel deel.
**1.** De rijksbijdrage voor 2007 en 2008 voor een gemeente omvat een vast deel, een prestatie-afhankelijk deel en een variabel deel.
**2.** Het vaste deel, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld met behulp van de verdeelsleutel, bedoeld in artikel 7.2, tweede lid.
**2.** Het vaste deel, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld met behulp van de verdeelsleutel, bedoeld in artikel 7.2, tweede lid, zoals dat artikel luidde op 31 december 2008.
**3.**
@ -1017,65 +1010,15 @@ De inburgeringsplichtigen, bedoeld in het besluit van de Staatssecretaris van Ju
### Artikel 7.2
**1.** Onze Minister stelt jaarlijks per gemeente een indicatief voorschot op het prestatie-afhankelijke deel van de rijksbijdrage vast.
**2.** Onze Minister stelt jaarlijks een verdeelsleutel vast ten behoeve van de vaststelling van het indicatieve voorschot op het prestatie-afhankelijke deel van de rijksbijdrage en ten behoeve van de vaststelling van het voorschot op het vaste en variabele deel van de rijksbijdrage.
**3.** Onze Minister maakt de indicatieve voorschotten tezamen met de verdeelsleutel jaarlijks voor 15 september van het jaar, voorafgaand aan het jaar waarop de prognoses betrekking hebben, bekend.
Vervallen
### Artikel 7.3
**1.** Het college dient voor 15 oktober, voorafgaand aan het jaar waarop de prognose betrekking heeft, een aanvraag tot verlening van het vaste en prestatie-afhankelijke deel van de rijksbijdrage in bij Onze Minister. De aanvraag gaat vergezeld van de prognose, welke door het college wordt vastgesteld op basis van het indicatieve voorschot, bedoeld in artikel 7.2 en de voorschotvergoedingen, bedoeld in artikel 7.7.
**2.** Onze Minister beoordeelt de door de gemeenten ingediende prognoses gezamenlijk en stelt een voorschot op het prestatie-afhankelijke deel van de rijksbijdrage voor een gemeente vast aan de hand van het derde lid en met inachtneming van het vijfde lid.
**3.**
Het voorschot voor een gemeente wordt berekend:
a. indien de door die gemeente ingediende prognose niet tot gevolg heeft dat het voor die gemeente gegeven indicatieve voorschot moet worden verhoogd, met de formule:
A = [ B x C ] + [ D x E ] + [ H x I ] + [ J x K ];
b. indien de door die gemeente ingediende prognose tot gevolg heeft dat het voor die gemeente gegeven indicatieve voorschot moet worden verhoogd, en het budget daartoe toereikend is, met de formule:
A = [ B x C ] + [ D x E ] + [ H x I ] + [ J x K ];
c. indien de door die gemeente ingediende prognose tot gevolg heeft dat het voor die gemeente gegeven indicatieve voorschot moet worden verhoogd, en het budget niet toereikend is, met de formule:
A = [ B x C ] + [ D x E ] + [ H x I ] + [ J x K ] + [ L x M ].
**4.**
In de formules, genoemd in het derde lid, wordt voorgesteld:
met de letter A: het voorschot voor een gemeente ten behoeve van het jaar waarop de prognose betrekking heeft;
met de letter B: het deel van de prognose dat betrekking heeft op het aantal door het college vast te stellen inburgeringsvoorzieningen ten behoeve van inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de wet;
met de letter C: de voorschotvergoeding ten aanzien van de in de letter B bedoelde inburgeringsvoorziening;
met de letter D: het deel van de prognose dat betrekking heeft op het aantal door het college vast te stellen gecombineerde inburgeringsvoorzieningen ten behoeve van inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de wet;
met de letter E: de voorschotvergoeding ten aanzien van de in de letter D bedoelde gecombineerde inburgeringsvoorziening;
met de letter H: het deel van de prognose dat betrekking heeft op het aantal door het college vast te stellen inburgeringsvoorzieningen ten behoeve van inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de wet;
met de letter I: de voorschotvergoeding ten aanzien van de in de letter H bedoelde inburgeringsvoorziening;
met de letter J: het deel van de prognose dat betrekking heeft op het aantal door het college vast te stellen gecombineerde inburgeringsvoorzieningen ten behoeve van inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de wet;
met de letter K: de voorschotvergoeding ten aanzien van de in de letter J bedoelde gecombineerde inburgeringsvoorziening;
met de letter L: het na toepassing van de in het derde lid, onderdelen a en b, genoemde formules resterende deel van het budget;
met de letter M: het relatieve aandeel van de gemeente, die een hogere prognose heeft ingediend dan het voor die gemeente gegeven indicatieve voorschot toelaat, in de overtekening van het budget.
**5.** Indien door Onze Minister toepassing wordt gegeven aan het derde lid, onderdeel c, is het voorschot voor een gemeente niet hoger dan het met de door die gemeente ingediende prognose corresponderende voorschot.
**6.** Onze Minister verhoogt ten behoeve van het aanbieden van duale inburgeringsvoorzieningen het voorschot voor een gemeente met een met behulp van de verdeelsleutel, bedoeld in artikel 7.2, tweede lid, vastgesteld bedrag.
**7.** Onze Minister stelt de hoogte van het voorschot op het prestatie-afhankelijke deel van de rijksbijdrage voor een gemeente voor 1 december van het jaar, voorafgaand aan het jaar waarop de prognose betrekking heeft, vast.
**8.** Het voorschot wordt verleend onder voorbehoud van goedkeuring van de beschikbare middelen door de begrotingswetgever en wordt uiterlijk binnen zes maanden na de vaststelling ervan betaald.
Vervallen
### Artikel 7.4
**1.** Het college dient voor 15 oktober, voorafgaand aan het jaar waarop het vaste en variabele deel van de rijksbijdrage betrekking hebben, een aanvraag tot verlening van het vaste en het variabele deel van de rijksbijdrage in bij Onze Minister.
**2.** Onze Minister stelt een voorschot op het vaste en variabele deel van de rijksbijdrage vast aan de hand van de verdeelsleutel, bedoeld in artikel 7.2, tweede lid.
**3.** Onze Minister stelt de hoogte van het voorschot voor 1 december, voorafgaand aan het jaar waarop het vaste deel van de rijksbijdrage betrekking heeft, vast.
**4.** Het voorschot wordt verleend onder voorbehoud van goedkeuring van de beschikbare middelen door de begrotingswetgever en wordt uiterlijk binnen zes maanden na de vaststelling ervan betaald.
Vervallen
### Artikel 7.5
@ -1088,14 +1031,14 @@ A = ( [ B x C ] + [ D x E ] + [ H x I ] + [ J x K ] + [ L x M ] + [ N x O ] + [
waarin wordt voorgesteld:
met de letter A: het prestatie-afhankelijke deel van de rijksbijdrage;
met de letter B: het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de wet ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald;
met de letter C: de bijdragevergoeding ten aanzien van de vaststelling van de inburgeringsvoorziening ten behoeve van inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de wet;
met de letter D: het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de wet ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een gecombineerde inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald;
met de letter E: de bijdragevergoeding ten aanzien van de vaststelling van de gecombineerde inburgeringsvoorziening ten behoeve van inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de wet;
met de letter H: het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de wet ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald;
met de letter I: de bijdragevergoeding ten aanzien van de vaststelling van de inburgeringsvoorziening ten behoeve van inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de wet;
met de letter J: het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de wet ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een gecombineerde inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald;
met de letter K: de bijdragevergoeding ten aanzien van de vaststelling van de gecombineerde inburgeringsvoorziening ten behoeve van inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de wet;
met de letter B: het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de wet, zoals die luidde voor de inwerkingtreding van de Wet participatiebudget ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald;
met de letter C: de bijdragevergoeding ten aanzien van de vaststelling van de inburgeringsvoorziening ten behoeve van inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de wet, zoals die luidde voor de inwerkingtreding van de Wet participatiebudget;
met de letter D: het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de wet, zoals die luidde voor de inwerkingtreding van de Wet participatiebudget ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een gecombineerde inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald;
met de letter E: de bijdragevergoeding ten aanzien van de vaststelling van de gecombineerde inburgeringsvoorziening ten behoeve van inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de wet, zoals die luidde voor de inwerkingtreding van de Wet participatiebudget;
met de letter H: het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de wet, zoals die luidde voor de inwerkingtreding van de Wet participatiebudget ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald;
met de letter I: de bijdragevergoeding ten aanzien van de vaststelling van de inburgeringsvoorziening ten behoeve van inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de wet, zoals die luidde voor de inwerkingtreding van de Wet participatiebudget;
met de letter J: het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de wet, zoals die luidde voor de inwerkingtreding van de Wet participatiebudget ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een gecombineerde inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald;
met de letter K: de bijdragevergoeding ten aanzien van de vaststelling van de gecombineerde inburgeringsvoorziening ten behoeve van inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de wet, zoals die luidde voor de inwerkingtreding van de Wet participatiebudget;
met de letter L: het aantal in de letter B bedoelde inburgeringsplichtigen dat binnen twee jaren na het jaar waarop de prognose betrekking heeft, heeft deelgenomen aan het inburgeringsexamen of het examen, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, onderdeel c;
met de letter M: de bijdragevergoeding ten aanzien van de deelname aan een van de examens, bedoeld in letter L;
met de letter N: het aantal in de letter D bedoelde inburgeringsplichtigen dat binnen twee jaren na het jaar waarop de prognose betrekking heeft, heeft deelgenomen aan het inburgeringsexamen of het examen, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, onderdeel c;
@ -1106,7 +1049,7 @@ waarin wordt voorgesteld:
met de letter U: de bijdragevergoeding ten aanzien van de deelname aan een van de examens, bedoeld in letter T;
met de letter V: het aantal inburgeringsplichtigen ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een duale inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald;
met de letter W: de bijdragevergoeding ten aanzien van de vaststelling van de duale inburgeringsvoorziening;
met de letter X: het aantal inburgeringsplichtigen, niet zijnde geestelijke bedienaar, ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een taalkennisvoorziening als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de wet heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald;
met de letter X: het aantal inburgeringsplichtigen, niet zijnde geestelijke bedienaar, ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een taalkennisvoorziening als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de wet, zoals die luidde voor de inwerkingtreding van de Wet participatiebudget heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald;
met de letter Y: de bijdragevergoeding ten aanzien van de vaststelling van de taalkennisvoorziening;
met de letter Z: het aantal door het college in 2007 op grond van de Wet inburgering nieuwkomers genomen beschikkingen omtrent een inburgeringsprogramma;
met de letters AA: de door Onze Minister vast te stellen vergoeding met betrekking tot een inburgeringsprogramma als bedoeld in de letter Z;
@ -1158,13 +1101,11 @@ waarin wordt voorgesteld:
### Artikel 7.7
**1.** Onze Minister stelt ten behoeve van de verlening van het voorschot op het prestatie-afhankelijke deel van de rijksbijdrage en de vaststelling van de rijksbijdrage jaarlijks de voorschotvergoedingen, bedoeld in artikel 7.3, respectievelijk de bijdragevergoedingen, bedoeld in artikel 7.5 en 7.6, vast.
**1.** Onze Minister stelt ten behoeve van de vaststelling van de rijksbijdrage jaarlijks de bijdragevergoedingen, bedoeld in artikel 7.5 en 7.6, vast.
**2.** Onze Minister stelt ten behoeve van de vast te stellen hoogte van de bijdragevergoedingen jaarlijks de onderlinge verhouding vast tussen de indicatoren, bedoeld in artikel 7.1, derde lid, onderdelen a, c, e en g, en artikel 7.1, vierde lid, onderdeel c, enerzijds en de indicatoren, bedoeld in artikel 7.1, derde lid, onderdelen b, d, f en h, en artikel 7.1, vierde lid, onderdelen d en e, anderzijds.
**2.** Onze Minister stelt de bijdragevergoedingen vast aan de hand van de verhouding, bedoeld in het vierde lid, de hoogte van de eigen bijdrage, bedoeld in artikel 23, tweede lid, van de wet en een uitvalpercentage ter hoogte van 10%.
**3.** Onze Minister stelt de bijdragevergoedingen vast aan de hand van de verhouding, bedoeld in het vierde lid, de hoogte van de eigen bijdrage, bedoeld in artikel 23, tweede lid, van de wet en een uitvalpercentage ter hoogte van 10%.
**4.** Onze Minister maakt de hoogte van de voorschotvergoedingen en van de bijdragevergoedingen jaarlijks voor 15 september bekend.
**3.** Onze Minister maakt de hoogte van de bijdragevergoedingen jaarlijks voor 15 september bekend.
### Artikel 7.8
@ -1225,16 +1166,12 @@ nieuwe inburgeringsplichtigen: inburgeringsplichtigen als bedoeld in het besluit
De rijksbijdrage voor een gemeente ten behoeve van nieuwe inburgeringsplichtigen wordt berekend op de grondslag van:
a. het aantal nieuwe inburgeringsplichtigen, ten behoeve van wie het college voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening, een duale inburgeringsvoorziening of een taalkennisvoorziening als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de wet heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald;
a. het aantal nieuwe inburgeringsplichtigen, ten behoeve van wie het college voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening, een duale inburgeringsvoorziening of een taalkennisvoorziening als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de wet, zoals die luidde voor de inwerkingtreding van de Wet participatiebudget heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald;
b. het aantal in onderdeel a bedoelde nieuwe inburgeringsplichtigen dat binnen drie kalenderjaren nadat voor hen de inburgeringsvoorziening is vastgesteld, heeft deelgenomen aan het inburgeringsexamen of het examen, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, onderdeel c.
### Artikel 7.14
**1.** Het college dient voor 15 december ten behoeve van het komende kalenderjaar een aanvraag tot verlening van de rijksbijdrage ten behoeve van nieuwe inburgeringsplichtigen in bij Onze Minister. De aanvraag gaat vergezeld van een prognose met betrekking tot de door de gemeente in het voornoemde kalenderjaar vast te stellen inburgeringsvoorzieningen, bedoeld in artikel 7.13, onderdeel a.
**2.** Aan de hand van de aanvraag verleent Onze Minister een voorschot. Het voorschot wordt verleend onder voorbehoud van goedkeuring van de beschikbare middelen door de begrotingswetgever.
**3.** Onze Minister stelt de hoogte van het voorschot op de rijksbijdrage voor een gemeente voor 1 maart van het jaar waarop de prognose betrekking heeft vast. Het voorschot wordt binnen 6 maanden na de vaststelling betaald.
Vervallen
### Artikel 7.15
@ -1253,7 +1190,7 @@ waarin wordt voorgesteld:
met de letter E: de bijdragevergoeding ten aanzien van de deelname aan een van de examens, bedoeld in letter D;
met de letter F: het aantal nieuwe inburgeringsplichtigen ten behoeve van wie het college voor de eerste keer een duale inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald;
met de letter G: de bijdragevergoeding ten aanzien van de vaststelling van de duale inburgeringsvoorziening ten behoeve van nieuwe inburgeringsplichtigen;
met de letter H: het aantal nieuwe inburgeringsplichtigen ten behoeve van wie het college voor de eerste keer een taalkennisvoorziening als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de wet heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald;
met de letter H: het aantal nieuwe inburgeringsplichtigen ten behoeve van wie het college voor de eerste keer een taalkennisvoorziening als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de wet, zoals die luidde voor de inwerkingtreding van de Wet participatiebudget heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald;
met de letter I: de bijdragevergoeding ten aanzien van de vaststelling van de taalkennisvoorziening ten behoeve van nieuwe inburgeringsplichtigen.
**2.** Het college verstrekt de gegevens, bedoeld in de letters B, D, F en H van het eerste lid, tezamen met de jaarrekening, bedoeld in artikel 186 van de Gemeentewet, welke betrekking heeft op het jaar 2011. De jaarrekening is voorzien van de accountantsverklaring, bedoeld in artikel 213, derde lid, van de Gemeentewet. Het college vergewist zich ervan dat de gegevens zijn opgenomen in het Informatiesysteem Inburgering.
@ -1268,9 +1205,9 @@ waarin wordt voorgesteld:
### Artikel 7.16
**1.** Onze Minister stelt ten behoeve van de verlening en de vaststelling van de rijksbijdrage voor een gemeente ten behoeve van nieuwe inburgeringsplichtigen jaarlijks de bijdragevergoedingen, bedoeld in artikel 7.15, vast.
**1.** Onze Minister stelt ten behoeve van de vaststelling van de rijksbijdrage voor een gemeente ten behoeve van nieuwe inburgeringsplichtigen jaarlijks de bijdragevergoedingen, bedoeld in artikel 7.15, vast.
**2.** Onze Minister maakt de hoogte van de voorschotvergoedingen en van de bijdragevergoedingen jaarlijks voor 15 november bekend.
**2.** Onze Minister maakt de hoogte van de bijdragevergoedingen jaarlijks voor 15 november bekend.
## Hoofdstuk 8. Wijziging van andere besluiten