diff --git a/wet/wet-inkomensvoorziening-oudere-en-gedeeltelijk-arbeidsongeschikte-gewezen-zelfst/BWBR0004163/README.md b/wet/wet-inkomensvoorziening-oudere-en-gedeeltelijk-arbeidsongeschikte-gewezen-zelfst/BWBR0004163/README.md index 1d53c987d26..1fbaec24be3 100644 --- a/wet/wet-inkomensvoorziening-oudere-en-gedeeltelijk-arbeidsongeschikte-gewezen-zelfst/BWBR0004163/README.md +++ b/wet/wet-inkomensvoorziening-oudere-en-gedeeltelijk-arbeidsongeschikte-gewezen-zelfst/BWBR0004163/README.md @@ -123,8 +123,8 @@ c. de alleenstaande gewezen zelfstandige zonder kinderen. De in het eerste lid bedoelde voorwaarden zijn voor de gewezen zelfstandige, bedoeld in artikel 2: 1°. de gewezen zelfstandige heeft gedurende drie jaar, onmiddellijk voorafgaand aan de aanvraag, onafgebroken rechtmatig een bedrijf of beroep in Nederland uitgeoefend en gedurende de zeven jaar daarvoor eveneens rechtmatig een bedrijf of beroep in Nederland uitgeoefend dan wel arbeid in dienstbetrekking verricht; -2°. het inkomen uit of in verband met arbeid in het bedrijfs- of beroepsleven van de gewezen zelfstandige bedroeg de laatste drie boekjaren gemiddeld minder dan ƒ 36 800 per 1 januari 2009: € 20.335,00 per jaar; -3°. het inkomen uit of in verband met arbeid in het bedrijfs- of beroepsleven van de gewezen zelfstandige zou bij voortzetting van het bedrijf of beroep naar verwachting duurzaam minder dan ƒ 36 800 per 1 januari 2009: € 20.335,00 per jaar bedragen; en +2°. het inkomen uit of in verband met arbeid in het bedrijfs- of beroepsleven van de gewezen zelfstandige bedroeg de laatste drie boekjaren gemiddeld minder dan ƒ 36 800 per 1 januari 2009: € 20.335,00 per jaar; +3°. het inkomen uit of in verband met arbeid in het bedrijfs- of beroepsleven van de gewezen zelfstandige zou bij voortzetting van het bedrijf of beroep naar verwachting duurzaam minder dan ƒ 36 800 per 1 januari 2009: € 20.335,00 per jaar bedragen; en 4°. de aanvraag is ingediend voor het beëindigen van het bedrijf of beroep en de beëindiging heeft plaatsgevonden binnen een periode van anderhalf jaar, volgend op het tijdstip van aanvraag. **3.** Het recht op uitkering komt de gewezen zelfstandige en de echtgenoot gezamenlijk toe. De uitkering wordt aan de gewezen zelfstandige en de echtgenoot ieder voor de helft uitbetaald, dan wel op hun gezamenlijk verzoek aan een van hen voor het geheel. @@ -133,9 +133,9 @@ De in het eerste lid bedoelde voorwaarden zijn voor de gewezen zelfstandige, bed De grondslag bedoeld in het eerste lid, wordt door Onze Minister zodanig vastgesteld dat voor: -a. de gewezen zelfstandige en de echtgenoot de helft van de grondslag netto gelijk is aan € 641,93; -b. de alleenstaande gewezen zelfstandige met een of meer kinderen de grondslag netto gelijk is aan € 1.155,47; -c. voor de alleenstaande gewezen zelfstandige zonder kinderen netto gelijk is aan € 898,70. +a. de gewezen zelfstandige en de echtgenoot de helft van de grondslag netto gelijk is aan € 641,93; +b. de alleenstaande gewezen zelfstandige met een of meer kinderen de grondslag netto gelijk is aan € 1.155,47; +c. voor de alleenstaande gewezen zelfstandige zonder kinderen netto gelijk is aan € 898,70. **5.** Onze Minister herziet de bedragen, genoemd in het tweede lid, 2° en 3°, met ingang van een door hem te bepalen dag zodanig, dat deze netto gelijk zijn aan het netto minimumloon. @@ -183,7 +183,7 @@ Als inkomen wordt aangemerkt: a. voor de gewezen zelfstandige en de echtgenoot: de som van het inkomen uit of in verband met arbeid in het bedrijfs- en beroepsleven van hemzelf en zijn echtgenoot; b. voor de alleenstaande gewezen zelfstandige: zijn inkomen uit of in verband met arbeid in het bedrijfs- en beroepsleven. -**2.** Als inkomen wordt voorts aangemerkt het inkomen uit het vermogen waarover de gewezen zelfstandige en zijn echtgenoot na de beëindiging van het bedrijf of beroep beschikken, met dien verstande dat daarbij een vermogen van ƒ 202 000 per 1 januari 2009: € 119.929,00. buiten beschouwing blijft. Het inkomen uit vermogen wordt bepaald op 5% Bij Stcrt. 1996/247 is dit percentage m.i.v. 1 januari 1997 vastgesteld op 4%. per jaar van het vermogen. +**2.** Als inkomen wordt voorts aangemerkt het inkomen uit het vermogen waarover de gewezen zelfstandige en zijn echtgenoot na de beëindiging van het bedrijf of beroep beschikken, met dien verstande dat daarbij een vermogen van ƒ 202 000 per 1 januari 2009: € 119.929,00. buiten beschouwing blijft. Het inkomen uit vermogen wordt bepaald op 5% Bij Stcrt. 1996/247 is dit percentage m.i.v. 1 januari 1997 vastgesteld op 4%. per jaar van het vermogen. **3.** Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere en zonodig afwijkende regels gesteld met betrekking tot het inkomen, bedoeld in het eerste lid en in artikel 5, tweede lid. Daarbij kunnen tevens nadere regels worden gesteld met betrekking tot de vaststelling van het inkomen, bedoeld in het eerste lid en in artikel 5, tweede lid, alsmede de periode waarop de vaststelling betrekking heeft. @@ -787,6 +787,10 @@ b. indien vóór het bereiken van het van toepassing zijnde tijdstip, bedoeld on **12.** Het tiende en elfde lid en dit lid vervallen met ingang van de eerste dag van de dertiende kalendermaand na de datum van inwerkingtreding van de Wet verbetering arbeidsmarktpositie alleenstaande ouders. +### Artikel 38a + +Het college kan ter uitvoering van artikel 34, eerste lid, onderdeel a, degene die uitkering op grond van deze wet ontvangt en voor wie de kans op inschakeling in het arbeidsproces gering is en die daardoor vooralsnog niet bemiddelbaar is op de arbeidsmarkt, onbeloonde additionele werkzaamheden laten verrichten gedurende maximaal twee jaar. Artikel 10a, tweede tot en met zesde en achtste tot en met tiende lid, van de Wet werk en bijstand alsmede de regels, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdelen e en f, van die wet, zijn van overeenkomstige toepassing. + ### Artikel 39 Gereserveerd. @@ -856,11 +860,11 @@ n. derden die in het kader van de uitoefening van beroep of bedrijf de arbeidsin De in het eerste en het derde lid bedoelde verplichtingen strekken zich mede uit tot degene: -a. van wie kosten van uitkeringen worden of kunnen worden teruggevorderd ingevolge hoofdstuk II, paragraaf 5; +a. van wie kosten van uitkeringen worden of kunnen worden teruggevorderd ingevolge hoofdstuk II, paragraaf 5; b. die hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning, of ten aanzien van wie dat redelijkerwijs kan worden vermoed, als degene: 1°. te wiens behoeve een uitkering ingevolge deze wet is gevraagd of wordt verleend; -2°. van wie kosten van uitkering worden of kunnen worden teruggevorderd ingevolge hoofdstuk II, paragraaf 5. +2°. van wie kosten van uitkering worden of kunnen worden teruggevorderd ingevolge hoofdstuk II, paragraaf 5. **5.** De in het eerste en het derde lid bedoelde opgaven en inlichtingen worden desgevraagd schriftelijk, of in een andere vorm die redelijkerwijs kan worden verlangd, en zo spoedig mogelijk, doch in elk geval binnen vier weken na ontvangst van het verzoek hiertoe, verstrekt. @@ -1004,7 +1008,7 @@ Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet zijn ### Artikel 59a -**1.** Indien bij de vaststelling van de ten laste van de gemeente gebleven kosten, bedoeld in artikel 59c, blijkt, dat de ten laste van de gemeente gebleven kosten, bedoeld in artikel 58, eerste lid, in een kalenderjaar meer bedragen dan 115% van het bedrag van de uitkering, bedoeld in artikel 58, of meer dan het totaal van het bedrag van de uitkering en het bedrag dat wordt verkregen door een bedrag van € 6,81 te vermenigvuldigen met het aantal inwoners in die gemeente op 1 januari van het desbetreffende kalenderjaar, wordt door Onze Minister ten laste van 's Rijks kas aan de gemeente een aanvullende uitkering toegekend. +**1.** Indien bij de vaststelling van de ten laste van de gemeente gebleven kosten, bedoeld in artikel 59c, blijkt, dat de ten laste van de gemeente gebleven kosten, bedoeld in artikel 58, eerste lid, in een kalenderjaar meer bedragen dan 115% van het bedrag van de uitkering, bedoeld in artikel 58, of meer dan het totaal van het bedrag van de uitkering en het bedrag dat wordt verkregen door een bedrag van € 6,81 te vermenigvuldigen met het aantal inwoners in die gemeente op 1 januari van het desbetreffende kalenderjaar, wordt door Onze Minister ten laste van 's Rijks kas aan de gemeente een aanvullende uitkering toegekend. **2.** @@ -1015,7 +1019,7 @@ b. gelijk aan het verschil tussen het bedrag van de ten laste van de gemeente ge **3.** Het percentage en het met het aantal inwoners te vermenigvuldigen bedrag, bedoeld in het eerste en tweede lid, kunnen bij algemene maatregel van bestuur worden verhoogd of verlaagd. -**4.** Het aantal inwoners, bedoeld in het eerste lid, wordt ontleend aan de statistiek «Bevolking der gemeenten in Nederland op 1 januari» van het Centraal Bureau voor de Statistiek. +**4.** Het aantal inwoners, bedoeld in het eerste lid, wordt ontleend aan de statistiek «Bevolking der gemeenten in Nederland op 1 januari» van het Centraal Bureau voor de Statistiek. ### Artikel 59b @@ -1039,8 +1043,8 @@ c. de aanvullende uitkering, bedoeld in artikel 59a. De volgens opgave van het college ten laste gebleven kosten worden bij de vaststelling, bedoeld in artikel 59c, eerste lid, buiten aanmerking gelaten indien: -a. het een uitkering betreft die is verleend in strijd met bij of krachtens deze wet gestelde regels, of die niet of niet volledig overeenkomstig hoofdstuk II, paragraaf 5, is of wordt teruggevorderd; -b. niet is voldaan aan de bij of krachtens de artikelen 20 of 20a gestelde regels, voor een bedrag gelijk aan het bedrag waarmee de kosten zouden zijn verlaagd indien het college op een juiste wijze toepassing zou hebben gegeven aan deze artikelen. +a. het een uitkering betreft die is verleend in strijd met bij of krachtens deze wet gestelde regels, of die niet of niet volledig overeenkomstig hoofdstuk II, paragraaf 5, is of wordt teruggevorderd; +b. niet is voldaan aan de bij of krachtens de artikelen 20 of 20a gestelde regels, voor een bedrag gelijk aan het bedrag waarmee de kosten zouden zijn verlaagd indien het college op een juiste wijze toepassing zou hebben gegeven aan deze artikelen. **2.** Indien als gevolg van het niet hebben voldaan door het college aan de bij of krachtens de artikelen 13 tot en met 19 en 41 gestelde regels, niet kan worden vastgesteld of en voor welk bedrag de ten laste van de gemeenten gebleven kosten buiten aanmerking moeten worden gelaten, wordt volgens door Onze Minister te stellen regels hiervoor een bedrag vastgesteld. @@ -1122,7 +1126,7 @@ Het recht tot strafvordering vervalt indien het college aan de belanghebbende te **3.** Artikel 7 is niet van toepassing op de persoon die als gevolg van de inwerkingtreding van artikel 1.18, onderdeel A, van de Wet Invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen geen gewezen zelfstandige is en de echtgenoot van die persoon. -**4.** Op de persoon die op grond van het eerste of tweede lid als gewezen zelfstandige wordt aangemerkt en zijn echtgenoot blijven de artikelen 2, 5, derde lid, 5a, 6, en 8, derde lid, en de daarop berustende bepalingen zoals deze luidden op 28 december 2005 van toepassing. +**4.** Op de persoon die op grond van het eerste of tweede lid als gewezen zelfstandige wordt aangemerkt en zijn echtgenoot blijven de artikelen 2, 5, derde lid, 5a, 6, en 8, derde lid, en de daarop berustende bepalingen zoals deze luidden op 28 december 2005 van toepassing. ## Hoofdstuk IX. Slotbepalingen