2013-07-20 | BWBR0033689 | Overdrachtsbelasting, ondernemingsfaciliteiten

This commit is contained in:
Coornhert 2013-07-20 12:00:00 +00:00
parent 4eaa969dbc
commit b97ee8c0d8

View file

@ -12,21 +12,21 @@ citeertitel: Overdrachtsbelasting, ondernemingsfaciliteiten
De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.
*Dit besluit vervangt het besluit van 16 oktober 2012, nr. BLKB2012/611M. Naar aanleiding van een wijziging per 1 juli 2013 van artikel 5b van het Uitvoeringsbesluit belastingen van rechtsverkeer zijn de onderdelen die zien op interne reorganisatie aangepast. Onderdeel 10 (Interne reorganisatie;wijziging definitie concern) heeft door tijdsverloop zijn belang verloren en is vervallen. Onderdeel 11 (Interne reorganisatie;concernvereiste van drie jaar) is aangepast. De in het besluit van 16 oktober 2012 opgenomen goedkeuringen zijn per 1 juli 2013 gecodificeerd. Voor één situatie (verkoop van een gedeelte van het concern) is dit niet het geval. Voor die situatie is een nieuwe goedkeuring opgenomen. Door het vervallen van onderdeel 10 zijn de onderdelen 11 tot en met 16 vernummerd tot 10 tot en met 15. Verder zijn er enkele redactionele wijzigingen aangebracht waarmee geen beleidswijziging is beoogd.*
*Dit besluit vervangt het besluit van 16 oktober 2012, nr. BLKB2012/611M. Naar aanleiding van een wijziging per 1 juli 2013 van artikel 5b van het Uitvoeringsbesluit belastingen van rechtsverkeer zijn de onderdelen die zien op interne reorganisatie aangepast. Onderdeel 10 (Interne reorganisatie;wijziging definitie concern) heeft door tijdsverloop zijn belang verloren en is vervallen. Onderdeel 11 (Interne reorganisatie;concernvereiste van drie jaar) is aangepast. De in het besluit van 16 oktober 2012 opgenomen goedkeuringen zijn per 1 juli 2013 gecodificeerd. Voor één situatie (verkoop van een gedeelte van het concern) is dit niet het geval. Voor die situatie is een nieuwe goedkeuring opgenomen. Door het vervallen van onderdeel 10 zijn de onderdelen 11 tot en met 16 vernummerd tot 10 tot en met 15. Verder zijn er enkele redactionele wijzigingen aangebracht waarmee geen beleidswijziging is beoogd.*
## 1. Inleiding
De overdrachtsbelasting heeft een aantal ondernemingsfaciliteiten in de vorm van vrijstellingen. Deze vrijstellingen zijn opgenomen in artikel 15, eerste lid, onderdelen b, e, f, en h, van de WBR. Dit besluit bevat een aantal goedkeuringen voor de toepassing van de ondernemingsfaciliteiten.
Het besluit vervangt het besluit van 16 oktober 2012, nr. BLKB2012/611M. Onderdeel 10 is vervallen en de onderdelen 11 tot en met 16 zijn vernummerd tot 10 tot en met 15. Verder zijn er enkele redactionele wijzigingen aangebracht waarmee geen beleidswijziging is beoogd.
Het besluit vervangt het besluit van 16 oktober 2012, nr. BLKB2012/611M. Onderdeel 10 is vervallen en de onderdelen 11 tot en met 16 zijn vernummerd tot 10 tot en met 15. Verder zijn er enkele redactionele wijzigingen aangebracht waarmee geen beleidswijziging is beoogd.
De verkrijging door bepaalde familieleden van een ondernemer is onder voorwaarden vrijgesteld van overdrachtsbelasting (artikel 15, eerste lid, onderdeel b, van de WBR). Het beleid voor deze vrijstelling is opgenomen in de onderdelen 2 tot en met 8.
Onderdeel 9 bevat een goedkeuring voor de vrijstelling bij inbreng of omzetting van een onderneming waarbij slechts de economische eigendom van een onroerende zaak wordt ingebracht.
Onderdeel 10 is aangepast naar aanleiding van de wijziging per 1 juli 2013 van artikel 5b van het UBBR (vrijstelling bij interne reorganisatie). De bestaande goedkeuringen zijn per 1 juli 2013 gecodificeerd, behalve die van onderdeel 11.1 van het besluit van 16 oktober 2012. Het betreft een situatie waarin binnen drie jaar na de verkrijging de niet geheven belasting alsnog is verschuldigd als gevolg van een verkoop van een gedeelte van het concern. Voor deze situatie is een nieuwe goedkeuring opgenomen.
Onderdeel 10 is aangepast naar aanleiding van de wijziging per 1 juli 2013 van artikel 5b van het UBBR (vrijstelling bij interne reorganisatie). De bestaande goedkeuringen zijn per 1 juli 2013 gecodificeerd, behalve die van onderdeel 11.1 van het besluit van 16 oktober 2012. Het betreft een situatie waarin binnen drie jaar na de verkrijging de niet geheven belasting alsnog is verschuldigd als gevolg van een verkoop van een gedeelte van het concern. Voor deze situatie is een nieuwe goedkeuring opgenomen.
Op 1 januari 2010 is een vrijstelling in de wet opgenomen voor de inbreng van een onroerende zaak die behoort tot een werkzaamheid in de zin van artikel 3.92, eerste lid, van de Wet IB 2001 (artikel 15, eerste lid, onderdeel z, van de WBR). Deze vrijstelling is op 1 januari 2011 vervallen. Voor de gevallen waarin deze vrijstelling is toegepast bevat onderdeel 11 twee goedkeuringen.
Op 1 januari 2010 is een vrijstelling in de wet opgenomen voor de inbreng van een onroerende zaak die behoort tot een werkzaamheid in de zin van artikel 3.92, eerste lid, van de Wet IB 2001 (artikel 15, eerste lid, onderdeel z, van de WBR). Deze vrijstelling is op 1 januari 2011 vervallen. Voor de gevallen waarin deze vrijstelling is toegepast bevat onderdeel 11 twee goedkeuringen.
Onderdeel 12 bevat een goedkeuring voor de vrijstelling bij inbreng van een onderneming in een vennootschap die geen in aandelen verdeeld kapitaal heeft (artikel 15, eerste lid, onderdeel e, 1°, van de WBR). Door de goedkeuring geldt de vrijstelling ook bij inbreng onder gedeeltelijk voorbehoud van stille reserves.
@ -146,13 +146,13 @@ Als de juridische eigendom van die onroerende zaken later alsnog in de ondernemi
## 10. Interne reorganisatie; concernvereiste van drie jaar
De overdrachtsbelasting die door toepassing van de vrijstelling bij interne reorganisatie niet is geheven kan alsnog verschuldigd worden als de verkrijgende vennootschap binnen drie jaren na de verkrijging niet langer deel uitmaakt van het concern (zie artikel 5b, derde lid, van het UBBR). In de praktijk leidt strikte wetstoepassing in sommige situaties tot een onbillijkheid van overwegende aard. In verband daarmee waren in het besluit BLKB2012/611M diverse goedkeuringen opgenomen in aanloop naar een meer conceptueel kader. Per 1 juli 2013 is dit conceptuele kader opgenomen in artikel 5b van het UBBR.
De overdrachtsbelasting die door toepassing van de vrijstelling bij interne reorganisatie niet is geheven kan alsnog verschuldigd worden als de verkrijgende vennootschap binnen drie jaren na de verkrijging niet langer deel uitmaakt van het concern (zie artikel 5b, derde lid, van het UBBR). In de praktijk leidt strikte wetstoepassing in sommige situaties tot een onbillijkheid van overwegende aard. In verband daarmee waren in het besluit BLKB2012/611M diverse goedkeuringen opgenomen in aanloop naar een meer conceptueel kader. Per 1 juli 2013 is dit conceptuele kader opgenomen in artikel 5b van het UBBR.
Met het conceptuele kader, zoals thans opgenomen in het nieuwe artikel 5b van het UBBR, zijn de eerdere goedkeuringen zo veel mogelijk onder één noemer gebracht en in de wetgeving opgenomen. Daarbij zijn ook ten opzichte van de goedkeuringen versoepelingen doorgevoerd. Eén eerdere goedkeuring valt buiten deze gemeenschappelijke noemer (zie voorbeeld hierna). Omdat evenwel niet is beoogd dat in die situatie de overdrachtsbelasting na toepassing van de vrijstelling bij interne reorganisatie vanaf 1 juli 2013 wel verschuldigd zou worden, keur ik voor die situatie onder voorwaarden goed dat de vrijstelling bij interne reorganisatie in stand blijft. Het betreft de volgende situatie.
Met het conceptuele kader, zoals thans opgenomen in het nieuwe artikel 5b van het UBBR, zijn de eerdere goedkeuringen zo veel mogelijk onder één noemer gebracht en in de wetgeving opgenomen. Daarbij zijn ook ten opzichte van de goedkeuringen versoepelingen doorgevoerd. Eén eerdere goedkeuring valt buiten deze gemeenschappelijke noemer (zie voorbeeld hierna). Omdat evenwel niet is beoogd dat in die situatie de overdrachtsbelasting na toepassing van de vrijstelling bij interne reorganisatie vanaf 1 juli 2013 wel verschuldigd zou worden, keur ik voor die situatie onder voorwaarden goed dat de vrijstelling bij interne reorganisatie in stand blijft. Het betreft de volgende situatie.
A BV houdt alle aandelen in B BV. Deze vennootschap houdt alle aandelen in C BV. A BV heeft zowel een belang in B BV als (middellijk) in C BV. A BV hoeft hierbij niet de top van het concern te zijn. B BV draagt een onroerende zaak over aan C BV. Dit met toepassing van de vrijstelling bij interne reorganisatie. Binnen drie jaren na de reorganisatie verkoopt A BV haar aandelen B BV aan een derde.
Dit heeft tot gevolg dat de belasting die door toepassing van de vrijstelling bij interne reorganisatie niet is geheven alsnog verschuldigd is (artikel 5b, derde lid, onderdeel a, van het UBBR (per 1 juli 2013)). Immers A BV heeft na de verkoop van de aandelen B BV niet langer een geheel of nagenoeg geheel belang in C BV.
Dit heeft tot gevolg dat de belasting die door toepassing van de vrijstelling bij interne reorganisatie niet is geheven alsnog verschuldigd is (artikel 5b, derde lid, onderdeel a, van het UBBR (per 1 juli 2013)). Immers A BV heeft na de verkoop van de aandelen B BV niet langer een geheel of nagenoeg geheel belang in C BV.
Ik keur onder voorwaarden goed dat de vrijstelling bij interne reorganisatie in stand blijft.
@ -163,9 +163,9 @@ b. B BV en C BV blijven gezamenlijk gedurende de resterende periode onderdeel ui
## 11. Inbreng onroerende zaak behorende tot een werkzaamheid in de zin van
Van 1 januari 2010 tot 1 januari 2011 was in artikel 15, eerste lid, onderdeel z, van de WBR een vrijstelling van overdrachtsbelasting opgenomen voor de inbreng van een onroerende zaak (en de rechtstreeks daarmee samenhangende schulden) die behoort tot een werkzaamheid in de zin van artikel 3.92, eerste lid van de Wet IB 2001.
Van 1 januari 2010 tot 1 januari 2011 was in artikel 15, eerste lid, onderdeel z, van de WBR een vrijstelling van overdrachtsbelasting opgenomen voor de inbreng van een onroerende zaak (en de rechtstreeks daarmee samenhangende schulden) die behoort tot een werkzaamheid in de zin van artikel 3.92, eerste lid van de Wet IB 2001.
De vrijstelling is op 1 januari 2011 vervallen. Voor de gevallen waarin de vrijstelling is toegepast zijn echter de aan de vrijstelling verbonden vereisten nog relevant. Als niet aan één of meer van deze vereisten wordt voldaan, is de bij inbreng niet geheven belasting alsnog verschuldigd.
De vrijstelling is op 1 januari 2011 vervallen. Voor de gevallen waarin de vrijstelling is toegepast zijn echter de aan de vrijstelling verbonden vereisten nog relevant. Als niet aan één of meer van deze vereisten wordt voldaan, is de bij inbreng niet geheven belasting alsnog verschuldigd.
### 11.1. Vervreemding belang
@ -213,7 +213,7 @@ De goedkeuring geldt ook als bij de inbreng van één of meer vermogensbestandde
### 13.1. Inbreng windturbineonderneming in NV of BV
In het besluit van 28 januari 2011, nr. BLKB2011/2238M, heb ik voor de inkomstenbelasting een goedkeuring opgenomen voor de exploitatie van een windturbine op ondergrond die onderdeel uitmaakt van een andere onderneming van dezelfde belastingplichtige. Goedgekeurd wordt dat de ondergrond van de windturbine niet als onttrokken aan die andere onderneming wordt beschouwd. Op grond van deze goedkeuring blijft de ondergrond van de windturbine, voor de toepassing van de inkomstenbelasting, behoren tot het bedrijfsvermogen van de andere onderneming. Door de goedkeuring kan de afzonderlijke windturbineonderneming, zonder de ondergrond van de windturbine, worden ingebracht in een NV of BV.
In het besluit van 28 januari 2011, nr. BLKB2011/2238M, heb ik voor de inkomstenbelasting een goedkeuring opgenomen voor de exploitatie van een windturbine op ondergrond die onderdeel uitmaakt van een andere onderneming van dezelfde belastingplichtige. Goedgekeurd wordt dat de ondergrond van de windturbine niet als onttrokken aan die andere onderneming wordt beschouwd. Op grond van deze goedkeuring blijft de ondergrond van de windturbine, voor de toepassing van de inkomstenbelasting, behoren tot het bedrijfsvermogen van de andere onderneming. Door de goedkeuring kan de afzonderlijke windturbineonderneming, zonder de ondergrond van de windturbine, worden ingebracht in een NV of BV.
Voor de toepassing van de vrijstelling van overdrachtsbelasting bij omzetting van een onderneming moeten alle tot het vermogen van de onderneming behorende activa en passiva die een functie vervullen in deze onderneming worden ingebracht in een NV of BV (artikel 5, eerste lid, van het UBBR). Dit brengt mee dat de ondergrond van de windturbine moet worden ingebracht in de NV of BV. Bij de inbreng van een windturbineonderneming conflicteert deze eis met de bovengenoemde goedkeuring voor de inkomstenbelasting. Dat acht ik niet gewenst en daarom keur ik het volgende goed.
@ -237,8 +237,8 @@ Het is mogelijk dat de omzetting van de onderneming heeft plaatsgevonden met een
Het volgende besluit is ingetrokken met ingang van de inwerkingtreding van dit besluit:
Het besluit van 16 oktober 2012, nr. BLKB2012/611M
Het besluit van 16 oktober 2012, nr. BLKB2012/611M
## 15. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 juli 2013.
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 juli 2013.