2011-07-01 | BWBR0002668 | Besluit vervoer splijtstoffen, ertsen en radioactieve stoffen

This commit is contained in:
Coornhert 2011-07-01 12:00:00 +00:00
parent f69cb64cbd
commit ba52dedb12

View file

@ -30,6 +30,7 @@ uitgezonderd bij een interventie, een ongeval of een radiologische noodsituatie;
- *lid van de bevolking:* een persoon uit de bevolking binnen of buiten een locatie, niet zijnde een werknemer gedurende zijn werktijd of een persoon die een radiologische verrichting ondergaat;
- *locatie*: inrichting, als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet, of als aangewezen krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer of plaats, waar een handeling of een werkzaamheid wordt verricht;
- *ondernemer*: degene onder wiens verantwoordelijkheid een handeling of werkzaamheid wordt verricht;
- *Onze Minister:* Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie;
- *de richtlijn vervoer gevaarlijke goederen over land:* richtlijn nr. 2008/68/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 24 september 2008 betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen over land (PbEG L 260);
- VBG: Regeling vervoer over de binnenwateren van gevaarlijke stoffen;
- VLG: Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen;
@ -52,7 +53,7 @@ Dit besluit is niet van toepassing op:
a. radioactieve stoffen, splijtstoffen of ertsen die een integraal onderdeel vormen van het vervoermiddel;
b. radioactieve stoffen, splijtstoffen of ertsen die binnen een inrichting of een locatie of tussen twee locaties binnen een inrichting van de ondernemer worden vervoerd, indien het vervoer onderworpen is aan regelgeving die op de inrichting van toepassing is en het vervoer niet via de openbare weg plaatsvindt;
c. radioactieve stoffen, splijtstoffen of ertsen, die in het menselijk lichaam of in levende dieren aanwezig zijn;
d. radioactieve stoffen, splijtstoffen of ertsen in bij ministeriële regeling aangewezen producten bestemd voor gebruik op of in de directe omgeving van personen;
d. radioactieve stoffen, splijtstoffen of ertsen in bij regeling van Onze Minister aangewezen producten bestemd voor gebruik op of in de directe omgeving van personen;
e. natuurlijke bronnen waarmee werkzaamheden worden verricht, indien de activiteitsconcentratie daarvan lager is dan of gelijk is aan tien keer de waarden, vermeld in tabel 2.2.7.7.2.1 van bijlage 1 bij de VSG.
### Artikel 1b
@ -79,7 +80,7 @@ c. de handeling of werkzaamheid waarvoor de vergunning is aangevraagd, behoort t
### Artikel 1d
Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer kan regels stellen ten aanzien van de beveiliging van het vervoer, de opslag in verband met het vervoer en het binnen of buiten Nederlands grondgebied brengen of doen brengen van de in artikel 22 van het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen bedoelde splijtstoffen en ertsen en de in artikel 20ca van het Besluit stralingsbescherming bedoelde radioactieve stoffen.
Onze Minister kan regels stellen ten aanzien van de beveiliging van het vervoer, de opslag in verband met het vervoer en het binnen of buiten Nederlands grondgebied brengen of doen brengen van de in artikel 22 van het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen bedoelde splijtstoffen en ertsen en de in artikel 20ca van het Besluit stralingsbescherming bedoelde radioactieve stoffen.
## Hoofdstuk II. Het vervoeren en het voorhanden hebben bij opslag in verband met het vervoer
@ -100,7 +101,7 @@ b. de activiteitsconcentratie van die stoffen of ertsen lager is dan de in tabel
**3.** Het bij en krachtens artikel 25, derde, vierde en zevende lid, van het Besluit stralingsbescherming bepaalde is van overeenkomstige toepassing.
**4.** Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat het eerste lid niet van toepassing is in daarbij aangewezen categorieën van gevallen, waarin sprake is van een te hoog risico van blootstelling van werknemers of leden van de bevolking.
**4.** Bij regeling van Onze Minister kan worden bepaald dat het eerste lid niet van toepassing is in daarbij aangewezen categorieën van gevallen, waarin sprake is van een te hoog risico van blootstelling van werknemers of leden van de bevolking.
### Artikel 3
@ -117,7 +118,7 @@ f. de vermoedelijke datum van het vervoer of de duur, waarvoor vergunning wordt
g. de hoeveelheid te vervoeren splijtstoffen;
h. in gevallen van colli met het type B(M) of indien de bepalingen voor verpakkingen met splijtstoffen in hoofdstuk 6.4 van bijlage 1 bij de VSG van toepassing zijn:
1°. een afschrift van certificaten van goedkeuring of erkenning van het model van de te vervoeren colli als bedoeld in 5.1.5.3.1 van bijlage 1 bij de VSG, afgegeven door Onze Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid dan wel door de bevoegde autoriteit van een ander, met toepassing van het tweede lid aangewezen land,
1°. een afschrift van certificaten van goedkeuring of erkenning van het model van de te vervoeren colli als bedoeld in 5.1.5.3.1 van bijlage 1 bij de VSG, afgegeven door Onze Minister dan wel door de bevoegde autoriteit van een ander, met toepassing van het tweede lid aangewezen land,
2°. de gegevens, bedoeld in 6.4.23.2(c) van bijlage 1 bij de VSG;
i. in het geval dat radioactieve stoffen op grond van een speciale regeling als bedoeld in 1.7.4 worden vervoerd: de gegevens, bedoeld in 6.4.23.3 van bijlage 1 bij de VSG;
j. in gevallen, waarin een met toepassing van het tweede lid aangewezen land als eerste bij de verzending is betrokken: de door de bevoegde autoriteit van dat land afgegeven certificaten van goedkeuring van verzending, bedoeld in 5.1.5.3.1(c) en 5.1.5.3.1(b) van bijlage 1 bij de VSG;
@ -128,9 +129,9 @@ n. een opgave van alle handelingen en werkzaamheden met splijtstoffen, ertsen, r
**2.**
Een aanwijzing van landen als bedoeld in het eerste lid, onder h en j, geschiedt bij een door plaatsing in de *Staatscourant* bekend te maken besluit van Onze Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, van Economische Zaken en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Een aanwijzing van landen als bedoeld in het eerste lid, onder h en j, geschiedt bij een door plaatsing in de *Staatscourant* bekend te maken besluit van Onze Minister.
Uitsluitend aangewezen kunnen worden landen die naar het oordeel van Onze voornoemde Ministers toepassing geven aan de ter zake door de Internationale Atoomorganisatie gedane aanbevelingen.
Uitsluitend aangewezen kunnen worden landen die naar het oordeel van Onze Minister toepassing geven aan de ter zake door de Internationale Atoomorganisatie gedane aanbevelingen.
**3.** Indien een vergunning wordt aangevraagd voor een handeling die niet of als niet-gerechtvaardigd is bekendgemaakt overeenkomstig de krachtens artikel 1b, in samenhang met artikel 4, tweede lid, van het Besluit stralingsbescherming geldende regeling, omvat de aanvraag om een vergunning tevens een verzoek om rechtvaardiging van die handeling. De aanvraag om de vergunning bevat dan tevens de gegevens met betrekking tot de economische, sociale en andere voordelen van de betrokken handeling en met betrekking tot de gezondheidsschade die erdoor kan worden toegebracht, die nodig zijn met het oog op de beoordeling van de gerechtvaardigdheid van de handeling.
@ -154,7 +155,7 @@ Met betrekking tot het vervoer van splijtstoffen of ertsen over de spoorweg, ove
### Artikel 4c
**1.** De ondernemer die een radioactieve stof vervoert, meldt dit vervoer en het voorhanden hebben bij de opslag in verband met dat vervoer ten minste drie weken tevoren aan Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, onder gelijktijdige toezending van een afschrift aan Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en aan een door Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer aan te wijzen instantie.
**1.** De ondernemer die een radioactieve stof vervoert, meldt dit vervoer en het voorhanden hebben bij de opslag in verband met dat vervoer ten minste drie weken tevoren aan Onze Minister.
**2.**
@ -174,7 +175,7 @@ c. artikel 5 van toepassing is.
**4.** Het bij en krachtens artikel 25, derde, vierde, zevende en achtste lid, van het Besluit stralingsbescherming bepaalde is van overeenkomstige toepassing.
**5.** De in het eerste lid bedoelde verplichting geldt niet voor bij ministeriële regeling aangewezen handelingen en werkzaamheden, die een beperkt risico van blootstelling van mensen tot gevolg hebben.
**5.** De in het eerste lid bedoelde verplichting geldt niet voor bij regeling van Onze Minister aangewezen handelingen en werkzaamheden, die een beperkt risico van blootstelling van mensen tot gevolg hebben.
### Artikel 4d
@ -190,9 +191,9 @@ e. indien een melding wordt gedaan voor vervoer en voorhanden hebben bij de opsl
**2.** Indien een melding wordt gedaan voor vervoer en voorhanden hebben bij de opslag in verband met dat vervoer, dat niet of als niet-gerechtvaardigd is bekendgemaakt overeenkomstig de krachtens artikel 1b, in samenhang met artikel 4, tweede lid, van het Besluit stralingsbescherming geldende regeling, omvat de melding tevens een verzoek om rechtvaardiging van dat vervoer en het voorhanden hebben bij de opslag in verband met dat vervoer. De melding bevat dan tevens de gegevens met betrekking tot de economische, sociale en andere voordelen van het betrokken vervoer en het voorhanden hebben bij de opslag in verband met dat vervoer en met betrekking tot de gezondheidsschade die erdoor kan worden toegebracht, die nodig zijn met het oog op de beoordeling van de gerechtvaardigdheid van het vervoer en het voorhanden hebben bij de opslag in verband met dat vervoer.
**3.** De ondernemer meldt wijzigingen van de in het eerste lid genoemde gegevens ten minste drie werkdagen voordat het vervoer en het voorhanden hebben bij de opslag in verband met dat vervoer, waarop zij betrekking hebben, plaatsvindt aan Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en een door hem aan te wijzen instantie.
**3.** De ondernemer meldt wijzigingen van de in het eerste lid genoemde gegevens ten minste drie werkdagen voordat het vervoer en het voorhanden hebben bij de opslag in verband met dat vervoer, waarop zij betrekking hebben, plaatsvindt aan Onze Minister.
**4.** De ondernemer verstrekt Onze Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op hun verzoek nadere gegevens.
**4.** De ondernemer verstrekt Onze Minister op zijn verzoek nadere gegevens.
### Artikel 5
@ -201,7 +202,7 @@ e. indien een melding wordt gedaan voor vervoer en voorhanden hebben bij de opsl
Het in artikel 29, eerste lid, van de wet vervatte verbod zonder vergunning radioactieve stoffen te vervoeren of voorhanden te hebben geldt voor het vervoeren en het voorhanden hebben bij opslag in verband met het vervoer van stoffen in colli van het type B(M) als bedoeld in hoofdstuk 6.4 van bijlage 1 bij de VSG, tenzij het model van het collo voldoet aan de eisen met betrekking tot type B(M) zonder voortdurende druknivellering, gesteld in 6.4.9.1 en 6.4.7.5 van bijlage 1 bij de VSG, en
a. de activiteit van de radioactieve stoffen niet meer bedraagt dan aangegeven in 5.1.5.2.2 van bijlage 1 bij de VSG, dan wel
b. zulks in een door Onze Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid afgegeven certificaat van goedkeuring of erkenning van het model van het te vervoeren collo is bepaald.
b. zulks in een door Onze Minister afgegeven certificaat van goedkeuring of erkenning van het model van het te vervoeren collo is bepaald.
**2.**
@ -217,7 +218,7 @@ De aanvraag om een vergunning voor het vervoeren van radioactieve stoffen en voo
a. de gegevens, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder a tot en met g en l tot en met n, en derde lid, met dien verstande dat telkens in plaats van «splijtstoffen» wordt gelezen: «radioactieve stoffen» en in plaats van «handeling»: «handeling of werkzaamheid»;
b. in een geval als bedoeld in artikel 5, eerste lid:
1°. een afschrift van certificaten van goedkeuring of erkenning van het model van de te vervoeren colli als bedoeld in 5.1.5.3.1 van bijlage 1 bij de VSG, afgegeven door Onze Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid dan wel door de bevoegde autoriteit van een ander, met overeenkomstige toepassing van artikel 3, tweede lid, aangewezen land,
1°. een afschrift van certificaten van goedkeuring of erkenning van het model van de te vervoeren colli als bedoeld in 5.1.5.3.1 van bijlage 1 bij de VSG, afgegeven door Onze Minister dan wel door de bevoegde autoriteit van een ander, met overeenkomstige toepassing van artikel 3, tweede lid, aangewezen land,
2°. de gegevens, bedoeld in 6.4.23.2(c) van bijlage 1 bij de VSG;
c. in een geval als bedoeld in artikel 5, tweede lid: de gegevens, bedoeld in 6.4.23.3 van bijlage 1 bij de VSG;
d. in gevallen, waarin een met overeenkomstige toepassing van artikel 3, tweede lid, aangewezen land als eerste bij de verzending is betrokken: de door de bevoegde autoriteiten van dat land afgegeven certificaten van goedkeuring van de verzending, bedoeld in 5.1.5.3.1(c) en 5.1.5.3.1(b) van bijlage 1 bij de VSG.
@ -247,15 +248,15 @@ Tot de in het eerste lid bedoelde voorschriften kunnen behoren:
a. het voorschrift, dat het vervoer dient te geschieden onder daarbij aan te wijzen geleide, dan wel de opslag onder daarbij aan te wijzen toezicht;
b. het voorschrift, dat het vervoer dient plaats te vinden langs een daarbij aan te geven route;
c. het voorschrift, dat bij opslag in verband met het vervoer, onverminderd de bepalingen, welke terzake gelden op grond van andere voorschriften, zodanige maatregelen dienen te worden genomen, dat schade zo veel als redelijkerwijs mogelijk is, wordt voorkomen;
d. het voorschrift, dat bij opslag in verband met het vervoer moet worden voldaan aan nadere eisen, gesteld door een door Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer aangewezen instantie.
d. het voorschrift, dat bij opslag in verband met het vervoer moet worden voldaan aan door Onze Minister gestelde nadere eisen.
### Artikel 8
**1.** Met betrekking tot het vervoeren van splijtstoffen of ertsen over de spoorweg en het voorhanden hebben van genoemde stoffen bij opslag in verband met zodanig vervoer zijn de bepalingen van de VSG van toepassing. Indien voor het vervoeren van splijtstoffen over de spoorweg of voor het voorhanden hebben van genoemde stoffen bij opslag in verband met zodanig vervoer ingevolge dit besluit het in artikel 15, onder a, van de wet vervatte verbod geldt, kan Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer aan een vergunning van de VSG afwijkende voorschriften verbinden, voorzover de richtlijn vervoer gevaarlijke goederen over land dat toelaat.
**1.** Met betrekking tot het vervoeren van splijtstoffen of ertsen over de spoorweg en het voorhanden hebben van genoemde stoffen bij opslag in verband met zodanig vervoer zijn de bepalingen van de VSG van toepassing. Indien voor het vervoeren van splijtstoffen over de spoorweg of voor het voorhanden hebben van genoemde stoffen bij opslag in verband met zodanig vervoer ingevolge dit besluit het in artikel 15, onder a, van de wet vervatte verbod geldt, kan Onze Minister aan een vergunning van de VSG afwijkende voorschriften verbinden, voorzover de richtlijn vervoer gevaarlijke goederen over land dat toelaat.
**2.** Bij het voorhanden hebben van splijtstoffen of ertsen bij opslag in verband met het vervoer over de spoorweg dienen, indien daarvoor ingevolge dit besluit het in artikel 15, onder a, van de wet vervatte verbod niet geldt, onverminderd de bepalingen, welke terzake gelden ingevolge het eerste lid, eerste volzin, zodanige maatregelen te worden genomen, dat schade, zo veel als redelijkerwijs mogelijk is, wordt voorkomen.
**3.** Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer kan ontheffing verlenen van de in het eerste lid, eerste volzin, bedoelde bepalingen. Een zodanige ontheffing kan onder beperkingen worden verleend. Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.
**3.** Onze Minister kan ontheffing verlenen van de in het eerste lid, eerste volzin, bedoelde bepalingen. Een zodanige ontheffing kan onder beperkingen worden verleend. Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.
**4.** De bevoegdheid, bedoeld in het derde lid, eerste volzin, kan alleen worden uitgeoefend in de gevallen en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 6, tweede, derde en vijfde lid, van de richtlijn vervoer gevaarlijke goederen over land.
@ -269,9 +270,9 @@ d. het voorschrift, dat bij opslag in verband met het vervoer moet worden voldaa
### Artikel 10
**1.** Met betrekking tot het vervoeren van radioactieve stoffen over de spoorweg en het voorhanden hebben van genoemde stoffen bij opslag in verband met zodanig vervoer zijn de bepalingen van de VSG van toepassing. Indien voor het vervoeren van radioactieve stoffen over de spoorweg of voor het voorhanden hebben van genoemde stoffen bij opslag in verband met zodanig vervoer ingevolge dit besluit het in artikel 29, eerste lid, van de wet vervatte verbod geldt, kan Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer aan een vergunning van de VSG afwijkende voorschriften verbinden, voorzover de richtlijn vervoer gevaarlijke goederen over land dat toelaat.
**1.** Met betrekking tot het vervoeren van radioactieve stoffen over de spoorweg en het voorhanden hebben van genoemde stoffen bij opslag in verband met zodanig vervoer zijn de bepalingen van de VSG van toepassing. Indien voor het vervoeren van radioactieve stoffen over de spoorweg of voor het voorhanden hebben van genoemde stoffen bij opslag in verband met zodanig vervoer ingevolge dit besluit het in artikel 29, eerste lid, van de wet vervatte verbod geldt, kan Onze Minister aan een vergunning van de VSG afwijkende voorschriften verbinden, voorzover de richtlijn vervoer gevaarlijke goederen over land dat toelaat.
**2.** Bij het voorhanden hebben van radioactieve stoffen bij opslag in verband met het vervoer over de spoorweg dienen, onverminderd de bepalingen, welke terzake gelden ingevolge het eerste lid, eerste volzin, zodanige maatregelen te worden genomen, dat schade, zo veel als redelijkerwijs mogelijk is, wordt voorkomen. Daarbij moet worden voldaan aan nadere eisen, gesteld door een door Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer aangewezen instantie.
**2.** Bij het voorhanden hebben van radioactieve stoffen bij opslag in verband met het vervoer over de spoorweg dienen, onverminderd de bepalingen, welke terzake gelden ingevolge het eerste lid, eerste volzin, zodanige maatregelen te worden genomen, dat schade, zo veel als redelijkerwijs mogelijk is, wordt voorkomen. Daarbij moet worden voldaan aan door Onze Minister gestelde nadere eisen.
**3.** Ten aanzien van de in het eerste lid, eerste volzin, bedoelde bepalingen is artikel 8, derde en vierde lid, van overeenkomstige toepassing.
@ -306,10 +307,10 @@ Het in artikel 15, onder *a*, van de wet vervatte verbod geldt niet voor het ver
Ten aanzien van het vervoeren van splijtstoffen of ertsen naar en van zee of over zee zijn de artikelen 7 en 8, eerste, tweede en derde lid, van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat:
a. telkens in plaats van "VSG" wordt gelezen: de International Maritime Dangerous Goods Code, bedoeld in hoofdstuk VII, deel A-1, van het op 1 november 1974 te Londen totstandgekomen Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee (Trb. 1976, 157) en de bij dat verdrag behorende bindende protocollen, aanhangsels en bijlagen;
b. voor de toepassing van de International Maritime Dangerous Goods Code voor Nederland als bevoegde autoriteit wordt aangemerkt Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;
b. voor de toepassing van de International Maritime Dangerous Goods Code voor Nederland Onze Minister als bevoegde autoriteit wordt aangemerkt;
c. in plaats van een ingevolge de International Maritime Dangerous Goods Code voor het model van verpakkingen vereiste goedkeuring door de bevoegde autoriteiten van een of meer daarbij aangewezen landen is vereist een zodanige goedkeuring, welke is verleend:
1°. hetzij door Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
1°. hetzij door Onze Minister,
2°. hetzij door de bevoegde autoriteit van een ander land, dat met overeenkomstige toepassing van artikel 3, tweede lid, is aangewezen en dat bij het vervoer betrokken is of waar het model is ontworpen;
d. voor vervoer als bedoeld in artikel 13 met een schip onder Nederlandse vlag het bepaalde met betrekking tot de goedkeuring van de zending door de voor Nederland bevoegde autoriteit niet geldt;
e. voor vervoer als bedoeld in artikel 13 met een schip onder vreemde vlag het bepaalde met betrekking tot de goedkeuring van de zending en van het model van de verpakking door de voor Nederland bevoegde autoriteit niet geldt.
@ -320,7 +321,7 @@ e. voor vervoer als bedoeld in artikel 13 met een schip onder vreemde vlag het b
### Artikel 15
Het in artikel 29, eerste lid, van de wet vervatte verbod zonder vergunning van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer radioactieve stoffen te vervoeren geldt, in afwijking van artikel 5, niet voor het vervoeren van radioactieve stoffen over de Nederlandse territoriale zee of over niet-Nederlandse wateren.
Het in artikel 29, eerste lid, van de wet vervatte verbod zonder vergunning van Onze Minister radioactieve stoffen te vervoeren geldt, in afwijking van artikel 5, niet voor het vervoeren van radioactieve stoffen over de Nederlandse territoriale zee of over niet-Nederlandse wateren.
### Artikel 16
@ -329,10 +330,10 @@ Het in artikel 29, eerste lid, van de wet vervatte verbod zonder vergunning van
Ten aanzien van het vervoeren van radioactieve stoffen naar en van zee of over zee zijn de artikelen 8, derde lid, 9 en 10, eerste en tweede lid, van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat:
a. in artikel 10, eerste lid, in plaats van "VSG" wordt gelezen: de International Maritime Dangerous Goods Code, bedoeld in hoofdstuk VII, deel A-1, van het op 1 november 1974 te Londen totstandgekomen Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee (Trb. 1976, 158) en de bij dat verdrag behorende bindende protocollen, aanhangsels en bijlagen;
b. voor de toepassing van de International Maritime Dangerous Goods Code voor Nederland als bevoegde autoriteit wordt aangemerkt Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;
b. voor de toepassing van de International Maritime Dangerous Goods Code voor Nederland Onze Minister als bevoegde autoriteit wordt aangemerkt;
c. in plaats van een ingevolge de International Maritime Dangerous Goods Code voor het model van verpakkingen vereiste goedkeuring door de bevoegde autoriteiten van een of meer daarbij aangewezen landen is vereist een zodanige goedkeuring, welke is verleend:
1°. hetzij door Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
1°. hetzij door Onze Minister,
2°. hetzij door de bevoegde autoriteit van een ander land, dat met overeenkomstige toepassing van artikel 3, tweede lid, is aangewezen en dat bij het vervoer betrokken is of waar het model is ontworpen;
d. voor vervoer als bedoeld in artikel 15 met een schip onder Nederlandse vlag het bepaalde met betrekking tot de goedkeuring van de zending door de voor Nederland bevoegde autoriteit niet geldt;
e. voor vervoer als bedoeld in artikel 15 met een schip onder vreemde vlag het bepaalde met betrekking tot de goedkeuring van de zending en van het model van de verpakking door de voor Nederland bevoegde autoriteit niet geldt.
@ -355,7 +356,7 @@ Het in artikel 15, onder *a*, van de wet vervatte verbod geldt niet voor het ver
Tot de in het eerste lid bedoelde voorschriften kunnen behoren:
a. het voorschrift dat bijlage 18 (annex 18) van het op 7 december 1944 te Chicago tot stand gekomen verdrag inzake de internationale burgerlijke luchtvaart (*Stb.* 1947, H 165) en de daarbij behorende technische voorschriften (Technical Instructions for the safe transport of dangerous goods by air), in acht dienen te worden genomen, met dien verstande dat voor de toepassing van die regels voor Nederland als bevoegde autoriteit wordt aangemerkt Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;
a. het voorschrift dat bijlage 18 (annex 18) van het op 7 december 1944 te Chicago tot stand gekomen verdrag inzake de internationale burgerlijke luchtvaart (*Stb.* 1947, H 165) en de daarbij behorende technische voorschriften (Technical Instructions for the safe transport of dangerous goods by air), in acht dienen te worden genomen, met dien verstande dat voor de toepassing van die regels voor Nederland Onze Minister als bevoegde autoriteit wordt aangemerkt;
b. voorschriften als bedoeld in artikel 7, tweede lid, onder c en d.
### Artikel 19
@ -364,7 +365,7 @@ b. voorschriften als bedoeld in artikel 7, tweede lid, onder c en d.
Bij het vervoeren van splijtstoffen of ertsen in een luchtvaartuig en bij het voorhanden hebben van genoemde stoffen bij opslag in verband met zodanig vervoer dienen, indien daarvoor ingevolge dit besluit het in artikel 15, onder a, van de wet vervatte verbod niet geldt, bijlage 18 (annex 18) van het op 7 december 1944 te Chicago tot stand gekomen verdrag inzake de internationale burgerlijke luchtvaart (*Stb.* 1947, H 165) en de daarbij behorende technische voorschriften (Technical Instructions for the safe transport of dangerous goods by air) in acht te worden genomen, met dien verstande dat:
a. voor de toepassing van die regels voor Nederland als bevoegde autoriteit wordt aangemerkt Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;
a. voor de toepassing van die regels voor Nederland Onze Minister als bevoegde autoriteit wordt aangemerkt;
b. voor het vervoer als bedoeld in artikel 17 in een Nederlands luchtvaartuig het bepaalde met betrekking tot de goedkeuring van een zending door de voor Nederland bevoegde autoriteit niet geldt;
c. voor vervoer als bedoeld in artikel 17 in een niet-Nederlands luchtvaartuig het bepaalde met betrekking tot de goedkeuring van een zending of van het model van de verpakking door de voor Nederland bevoegde autoriteit niet geldt.
@ -374,7 +375,7 @@ c. voor vervoer als bedoeld in artikel 17 in een niet-Nederlands luchtvaartuig h
### Artikel 20
Het in artikel 29, eerste lid, van de wet vervatte verbod zonder vergunning van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer radioactieve stoffen te vervoeren geldt, in afwijking van artikel 5, niet voor het vervoeren van radioactieve stoffen in een luchtvaartuig, waarbij geen landing op Nederlands grondgebied plaatsvindt.
Het in artikel 29, eerste lid, van de wet vervatte verbod zonder vergunning van Onze Minister radioactieve stoffen te vervoeren geldt, in afwijking van artikel 5, niet voor het vervoeren van radioactieve stoffen in een luchtvaartuig, waarbij geen landing op Nederlands grondgebied plaatsvindt.
### Artikel 21
@ -386,7 +387,7 @@ Aan een vergunning voor het vervoeren van radioactieve stoffen in een luchtvaart
Bij het vervoeren van radioactieve stoffen in een luchtvaartuig en bij het voorhanden hebben van genoemde stoffen bij opslag in verband met zodanig vervoer dienen bijlage 18 (annex 18) van het op 7 december 1944 te Chicago tot stand gekomen verdrag inzake de burgerlijke luchtvaart (*Stb.* 1947, H 165) en de daarbij behorende technische voorschriften (Technical Instructions for the safe transport of dangerous goods by air) in acht te worden genomen, met dien verstande dat:
a. voor de toepassing van die regels voor Nederland als bevoegde autoriteit wordt aangemerkt Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;
a. voor de toepassing van die regels voor Nederland Onze Minister als bevoegde autoriteit wordt aangemerkt;
b. voor vervoer als bedoeld in artikel 20 in een Nederlands luchtvaartuig het bepaalde met betrekking tot de goedkeuring van een zending door de voor Nederland bevoegde autoriteit niet geldt;
c. voor vervoer als bedoeld in artikel 20 in een niet-Nederlands luchtvaartuig het bepaalde met betrekking tot de goedkeuring van een zending of van het model van de verpakking door de voor Nederland bevoegde autoriteit niet geldt.
@ -409,7 +410,7 @@ b. de activiteitsconcentratie van die stoffen en ertsen lager is dan de in tabel
**3.** Het bij en krachtens artikel 25, derde, vierde en zevende lid, van het Besluit stralingsbescherming bepaalde is van overeenkomstige toepassing.
**4.** Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat het eerste lid niet van toepassing is in daarbij aangewezen categorieën van gevallen, waarin sprake is van een te hoog risico van blootstelling van werknemers of leden van de bevolking.
**4.** Bij regeling van Onze Minister kan worden bepaald dat het eerste lid niet van toepassing is in daarbij aangewezen categorieën van gevallen, waarin sprake is van een te hoog risico van blootstelling van werknemers of leden van de bevolking.
### Artikel 24
@ -460,7 +461,7 @@ d. het voorschrift, dat de houder van de vergunning er voor dient zorg te dragen
**1.**
Het in artikel 29, eerste lid, van de wet vervatte verbod zonder vergunning van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer radioactieve stoffen binnen of buiten Nederlands grondgebied te brengen of te doen brengen geldt voor:
Het in artikel 29, eerste lid, van de wet vervatte verbod zonder vergunning van Onze Minister radioactieve stoffen binnen of buiten Nederlands grondgebied te brengen of te doen brengen geldt voor:
a. geneesmiddelen en
b. gebruiksartikelen,
@ -483,7 +484,7 @@ b. de activiteitsconcentratie van de betrokken natuurlijke bron lager is dan tie
**4.** Het bij en krachtens artikel 25, derde, vierde, zevende en achtste lid, van het Besluit stralingsbescherming bepaalde is van overeenkomstige toepassing.
**5.** Het in het eerste lid bedoelde verbod geldt niet voor bij ministeriële regeling aangewezen handelingen en werkzaamheden die een beperkt risico van blootstelling van mensen tot gevolg hebben.
**5.** Het in het eerste lid bedoelde verbod geldt niet voor bij regeling van Onze Minister aangewezen handelingen en werkzaamheden die een beperkt risico van blootstelling van mensen tot gevolg hebben.
### Artikel 28
@ -517,7 +518,7 @@ De ondernemer die:
a. een radioactieve stof binnen Nederlands grondgebied brengt of doet brengen vanuit een land buiten de Europese Unie of een radioactieve stof vanaf Nederlands grondgebied buiten het grondgebied van de Europese Unie brengt of doet brengen, of
b. een open bron vanaf Nederlands grondgebied naar het grondgebied van een andere lidstaat van de Europese Unie brengt of doet brengen,
meldt dit tenminste drie weken voordat die handeling of werkzaamheid plaatsvindt, aan Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, onder gelijktijdige toezending van een afschrift aan Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en aan een door Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer aan te wijzen instantie.
meldt dit tenminste drie weken voordat die handeling of werkzaamheid plaatsvindt, aan Onze Minister.
**2.**
@ -539,7 +540,7 @@ b. de activiteitsconcentratie van de betrokken natuurlijke bron lager is dan tie
De in het eerste lid bedoelde verplichting geldt niet:
a. voor bij ministeriële regeling aangewezen handelingen en werkzaamheden die een beperkt risico van blootstelling van mensen tot gevolg hebben, of
a. voor bij regeling van Onze Minister aangewezen handelingen en werkzaamheden die een beperkt risico van blootstelling van mensen tot gevolg hebben, of
b. indien artikel 27, eerste lid, van toepassing is.
### Artikel 32a
@ -557,7 +558,7 @@ f. indien een melding wordt gedaan voor een handeling of werkzaamheid die overee
**2.** Indien een melding wordt gedaan voor een handeling of werkzaamheid die niet of als niet-gerechtvaardigd is bekendgemaakt overeenkomstig de krachtens artikel 1b, in samenhang met artikel 4, tweede lid, van het Besluit stralingsbescherming geldende regeling, omvat de melding tevens een verzoek om rechtvaardiging van die handeling of werkzaamheid. De melding bevat dan tevens de gegevens met betrekking tot de economische, sociale en andere voordelen van de betrokken handeling of werkzaamheid en met betrekking tot de gezondheidsschade die erdoor kan worden toegebracht, die nodig zijn met het oog op de beoordeling van de gerechtvaardigdheid van de handeling of werkzaamheid.
**3.** Degene die de melding heeft gedaan, meldt wijzigingen van de in het eerste lid genoemde gegevens ten minste drie werkdagen voordat de handelingen of werkzaamheden plaatsvinden, waarop ze betrekking hebben, aan Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en een door hem aan te wijzen instantie.
**3.** Degene die de melding heeft gedaan, meldt wijzigingen van de in het eerste lid genoemde gegevens ten minste drie werkdagen voordat de handelingen of werkzaamheden plaatsvinden, waarop ze betrekking hebben, aan Onze Minister.
## Hoofdstuk IV. Inrichtingen, waarin splijtstoffen worden opgeslagen in verband met het vervoer