2024-01-01 | BWBR0019031 | Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet

This commit is contained in:
Coornhert 2024-01-01 12:00:00 +00:00
parent 51630fe0de
commit ba75619a1d

View file

@ -57,7 +57,7 @@ aa. herwonnen fosfaten:
### Artikel 1a
Dit besluit berust mede op artikel 12.29, aanhef en onder e en f, van de Wet milieubeheer.
Dit besluit berust mede op artikel 20.6 in verbinding met artikel 20.7, aanhef en onder a, van de Omgevingswet.
### Artikel 2
@ -104,7 +104,12 @@ c. uitwerpselen van dieren, daaronder begrepen de geheel of gedeeltelijk verteer
**2.** Bij ministeriële regeling kunnen afvalstoffen of reststoffen, categorieën afvalstoffen of reststoffen of eindproducten van bij die regeling omschreven bewerkingsprocédés worden aangewezen, indien er naar het oordeel van Onze Minister geen landbouwkundige en milieukundige bezwaren bestaan dat deze stoffen als meststof worden verhandeld of bij de productie van meststoffen worden gebruikt.
**3.** Meststoffen zijn niet met afvalstoffen of reststoffen gemengd, tenzij het betreft de krachtens het tweede lid, aangewezen stoffen.
**3.**
Meststoffen zijn niet met afvalstoffen of reststoffen gemengd, tenzij het betreft:
a. de krachtens het tweede lid, aangewezen stoffen;
b. afvalwaterstromen die gelet op de op grond van artikel 4.3, eerste lid, of artikel 4.6, eerste lid, van de Omgevingswet gestelde regels of de op grond van artikel 4.5, eerste lid, van de Omgevingswet gestelde maatwerkvoorschriften of vergunningvoorschriften gelijkmatig over de landbouwgronden verspreid mogen worden.
### Artikel 6
@ -216,7 +221,7 @@ Overige organische meststoffen bevatten geen biologisch afbreekbare delen met ee
**2.** Compost bevat ten minste tien gewichtsprocenten organische stof van de droge stof.
**3.** Het is uitsluitend toegestaan om bij de bereiding van compost bodembestanddelen te gebruiken, indien dit betreft grond als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit, waarvan de kwaliteit de krachtens artikel 40 van dat besluit, vastgestelde achtergrondwaarden niet overschrijdt.
**3.** Het is uitsluitend toegestaan om bij de bereiding van compost bodembestanddelen te gebruiken, indien dit betreft grond als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit, die voldoet aan de kwaliteitseisen voor grond die gelden voor de kwaliteitsklasse landbouw/natuur als bedoeld in artikel 25d, tweede lid, van het Besluit bodemkwaliteit.
**4.** Compost overschrijdt niet de in bijlage II, onder tabel 3, bij dit besluit opgenomen maximale waarden voor zware metalen, uitgedrukt in milligrammen per kilogram droge stof.
@ -319,7 +324,7 @@ Voor de toepassing van artikel 11, eerste lid, van de wet, en de krachtens artik
### Artikel 25
Voor de toepassing van de artikelen 9, 10, eerste lid, 11, eerste lid, van de wet en de krachtens artikel 11, tweede lid, van de wet vastgestelde ministeriële regeling wordt de teeltvrije zone, bedoeld in de artikelen 3.80, 3.81 en 3.85 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, niet aangemerkt als tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond.
Voor de toepassing van de artikelen 9, 10, eerste lid, 11, eerste lid, van de wet en de krachtens artikel 11, tweede lid, van de wet vastgestelde ministeriële regeling worden de bufferstroken, bedoeld in de artikelen 4.1199c en 4.1212b van het Besluit activiteiten leefomgeving, niet aangemerkt als tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond.
### Artikel 25a
@ -350,7 +355,7 @@ b. de overige te verstrekken gegevens, de wijze waarop en de uiterlijke datum wa
### Artikel 27
**1.** Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt als opslagruimte voor meststoffen uitsluitend in aanmerking genomen de opslagruimte voor dierlijke meststoffen waarvoor een omgevingsvergunning geldt als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of waarop een algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 8.40 van de Wet milieubeheer van toepassing is.
**1.** Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt als opslagruimte voor meststoffen uitsluitend in aanmerking genomen de opslagruimte voor dierlijke meststoffen die onder de reikwijdte van paragraaf 3.3.14, 3.6.1 of 3.6.8 van het Besluit activiteiten leefomgeving valt.
**2.** Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt de hoeveelheid dierlijke meststoffen uitgedrukt in kubieke meters.
@ -362,10 +367,10 @@ b. de overige te verstrekken gegevens, de wijze waarop en de uiterlijke datum wa
De hoeveelheid dierlijke meststoffen, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend door vermenigvuldiging van:
a. het aantal dieren van de onderscheiden diersoorten en diercategorieën dat op grond van de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, in de tot het bedrijf behorende stallen kan worden gehouden, met
a. het aantal dieren van de onderscheiden diersoorten en diercategorieën dat op grond van de omgevingsvergunning, bedoeld in de artikelen 3.201 of 3.202 van het Besluit activiteiten leefomgeving kan worden gehouden, met
b. de voor de betrokken diersoort en diercategorie bij ministeriële regeling vastgestelde forfaitaire productienormen.
**3.** Ingeval voor het bedrijf ingevolge artikel 8.40 van de Wet milieubeheer geen vergunningplicht geldt, wordt, in plaats van het in het tweede lid, onderdeel a, bedoelde aantal dieren, als uitgangspunt genomen het aantal dieren van de onderscheiden diersoorten en diercategorieën dat in de bij het bedrijf behorende stallen kan worden gehouden.
**3.** Ingeval de activiteiten die door het bedrijf worden verricht niet zijn aangewezen als vergunningplichtig geval in artikel 3.202 van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt, in plaats van het in het tweede lid, onderdeel a, bedoelde aantal dieren, als uitgangspunt genomen het aantal dieren van de onderscheiden diersoorten en diercategorieën dat in de bij het bedrijf behorende stallen kan worden gehouden.
**4.** De in het tweede lid, onderdeel b, bedoelde productienormen kunnen verschillend worden vastgesteld al naar gelang het gehanteerde bedrijfssysteem.
@ -376,8 +381,8 @@ b. de voor de betrokken diersoort en diercategorie bij ministeriële regeling va
De capaciteit van de opslagruimte voor dierlijke meststoffen kan kleiner zijn dan de ingevolge artikel 28 vereiste capaciteit, voor zover de producent van dierlijke meststoffen kan aantonen dat:
a. de overeenkomstig artikel 28, tweede en derde lid, berekende hoeveelheid dierlijke meststoffen die wordt geproduceerd boven de werkelijke opslagcapaciteit op een voor het milieu onschadelijke wijze van het bedrijf zal worden verwijderd;
b. de overeenkomstig artikel 28, tweede en derde lid, berekende hoeveelheid dierlijke meststoffen die wordt geproduceerd boven de werkelijke opslagcapaciteit zal worden aangewend op tot het bedrijf behorend bouwland of grasland waarvoor het in artikel 4 van het Besluit gebruik meststoffen gestelde verbod niet geldt;
c. het aantal dieren dat in de periode van augustus tot en met februari feitelijk in de tot het bedrijf behorende stallen kan worden gehouden kleiner is dan op grond van de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, is toegestaan; of
b. de overeenkomstig artikel 28, tweede en derde lid, berekende hoeveelheid dierlijke meststoffen die wordt geproduceerd boven de werkelijke opslagcapaciteit zal worden aangewend op tot het bedrijf behorend bouwland of grasland en voldoet aan paragraaf 3.2.20 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
c. het aantal dieren dat in de periode van augustus tot en met februari feitelijk kan worden gehouden kleiner is dan op grond van de omgevingsvergunning voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.202 van het Besluit activiteiten leefomgeving, is toegestaan; of
d. in de periode van augustus tot en met februari stelselmatig minder dieren worden gehouden in de bij het bedrijf behorende stallen.
**2.** Het eerste lid, aanhef en onderdeel b, geldt niet voor de hoeveelheid dierlijke meststoffen die in februari wordt geproduceerd.
@ -421,7 +426,7 @@ b. de oppervlakte en gegevens ter identificatie van de percelen van de tot het b
1° de verschillende teelten of andere vormen van gebruik;
2° de fosfaattoestand van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond, zoals deze wordt onderscheiden in artikel 21a, eerste lid;
3° grasland en bouwland, en
4°. voor zover het betreft tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond zijnde natuurterrein dat de hoofdfunctie natuur heeft, het beheersregime dat ingevolge artikel 2, tweede lid, van het Besluit gebruik meststoffen, op de desbetreffende percelen ten aanzien van mestgebruik geldt;
4°. voor zover het betreft tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond zijnde natuurterrein dat de hoofdfunctie natuur heeft, waarop een beheer wordt gevoerd dat beperkingen verbindt aan de gebruikte hoeveelheid meststoffen op de desbetreffende percelen;
c. de oppervlakte en gegevens ter identificatie van de exclusief bij het bedrijf in gebruik zijnde percelen landbouwgrond die zijn gelegen in België en Duitsland in het grensgebied met Nederland, onderscheiden naar de verschillende teelten of andere vormen van gebruik;
d. de aantallen op het bedrijf gehouden dan wel anderszins aanwezige varkens, kippen en kalkoenen en het gemiddeld in het kalenderjaar op het bedrijf gehouden aantal van deze dieren, onderscheiden naar diercategorieën per soort overeenkomstig bijlage II van de wet;
e. de aantallen voor gebruiks- of winstdoeleinden op het bedrijf gehouden dan wel anderszins aanwezige dieren, anders dan varkens, kippen en kalkoenen, onderscheiden naar diersoorten en diercategorieën per soort, voor zover dit onderscheid wordt gemaakt in de krachtens artikel 36 gestelde regels;