2008-02-28 | BWBR0023537 | Inkomstenbelasting, vragen en antwoorden uitgaven voor levensonderhoud van kinderen, buitengewone uitgaven, weekenduitgaven voor gehandicapten, scholingsuitgaven en Zorgverzekeringswet

This commit is contained in:
Coornhert 2008-02-28 12:00:00 +00:00
parent 00875f9e03
commit ba994c4f11

View file

@ -128,7 +128,14 @@ De Hoge Raad heeft in het arrest van 6 december 1995, nr. 30 884 (LJN: AA1686
### 1.12. Hardheidsclausule
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Een belastingplichtige en zijn echtgenote hebben een zoon van 18 jaar die bij hen woont. Deze zoon volgt een opleiding aan het Regionaal Opleidingen Centrum en ontvangt een prestatiebeurs van ongeveer € 70 per maand. De uitgaven voor levensonderhoud, boeken, lesgeld en dergelijke komen voor rekening van belastingplichtige. Op grond van artikel 6.14 van de Wet IB 2001 heeft belastingplichtige geen recht op aftrek van uitgaven voor levensonderhoud voor deze zoon. Wordt een verzoek om toepassing van de hardheidsclausule gehonoreerd?
Nee. Op grond van de wettelijke bepalingen wordt met de uitgaven voor levensonderhoud van kinderen jonger dan 30 jaar op forfaitaire wijze rekening gehouden; hetzij door middel van kinderbijslag, hetzij door middel van studiefinanciering of tegemoetkoming in de studiekosten, hetzij door aftrek van uitgaven voor levensonderhoud. Hoofdregel voor de aftrek van uitgaven voor levensonderhoud van een kind jonger dan 30 jaar is dan ook dat uitsluitend aftrek kan worden verleend indien:
het kind geen recht heeft op een gift, een voorwaardelijke gift of een prestatiebeurs volgens de Wet studiefinanciering 2000 die niet uitsluitend bestaat uit een reisvoorziening in de zin van die wet, op financiële ondersteuning als bedoeld in artikel 7.51, eerste tot en met zesde lid, 7.51a en 16.9b van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, op tegemoetkoming volgens hoofdstuk III van de Wet tegemoetkoming studiekosten of op een tegemoetkoming volgens een naar aard en strekking van genoemde regelingen overeenkomende buitenlandse regeling, en
de belastingplichtige of een persoon die tot zijn huishouden behoort voor het kind geen recht heeft op kinderbijslag volgens de Algemene Kinderbijslagwet of op een tegemoetkoming volgens een naar aard en strekking met die wet overeenkomende buitenlandse regeling.
Verzoeken om met toepassing van de hardheidsclausule aftrek van uitgaven voor levensonderhoud toe te staan in de gevallen waarin kinderbijslag of één van de andere hierboven vermelde tegemoetkomingen wordt genoten, wijs ik dan ook af. Dat in bepaalde gevallen de werkelijk gemaakte kosten hoger zijn dan de ontvangen kinderbijslag of een van de hierboven vermelde tegemoetkomingen is door de wetgever welbewust aanvaard.
### 1.13. Geen recht op kinderbijslag, wel recht op aftrek van uitgaven voor levensonderhoud?
@ -186,7 +193,9 @@ Op grond van artikel 6.1, derde lid, van de Wet IB 2001 zijn uitgaven slechts al
### 1.21. In belangrijke mate onderhouden in
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Zowel in artikel 6.13 als in artikel 8.15 van de Wet IB 2001 wordt gesproken van kinderen die in belangrijke mate worden onderhouden. Dient de beoordeling voor de toepassing van de beide artikelen op dezelfde wijze plaats te vinden, met name gelet op het voor de toepassing van artikel 6.13 van de Wet IB 2001 van belang zijnde artikel 6.1, derde lid, van de Wet IB 2001 waarin is aangegeven dat de belastingplichtige zich redelijkerwijs gedrongen heeft kunnen voelen tot het doen van die uitgaven?
Ja. Artikel 1.5 van de Wet IB 2001 bepaalt: Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen kunnen bij ministeriële regeling regels worden gesteld op grond waarvan wordt beoordeeld of een kind in belangrijke mate wordt onderhouden. Die ministeriële regeling is artikel 2 van de URIB 2001. Bij de beoordeling of sprake is van aftrekbare uitgaven levensonderhoud spelen eigen inkomen en vermogen, plaats in de maatschappij et cetera van de ondersteunde een rol. Voor de toepassing van artikel 8.15 van de Wet IB 2001 geldt dat evenzeer als voor de toepassing van artikel 6.13 van de Wet IB 2001. Zie in dit verband ook de jurisprudentie voor de toepassing van tariefgroep 4/5 onder de Wet op de inkomstenbelasting 1964.
### 1.22. Ondersteuning ouders. Hardheidsclausule
@ -1006,7 +1015,14 @@ Lidmaatschapskosten van beroeps- en wetenschappelijke verenigingen kunnen niet w
### 4.9. Personal computer (pc)
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Belastingplichtige volgt een studie met het oog op het verwerven van inkomen uit werk en woning. Hij heeft geen recht op studiefinanciering op grond van de WSF 2000. Voor zijn studie is een pc onontbeerlijk. Zijn deze kosten aan te merken als scholingsuitgaven en hoe worden deze kosten berekend?
De Hoge Raad heeft in het arrest van 31 maart 1993, nr. 29 038 (BNB 1993/170), aangegeven dat de als studiekosten aan te merken afschrijvingskosten van een pc voor het volle bedrag kunnen worden gerekend tot de uitgaven in de zin van het toenmalige artikel 46, lid 1, onderdeel c, van de Wet IB 1964, voorzover zij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs plegen te worden gemaakt en niet louter op persoonlijke voorkeur berusten. In navolging van dit arrest kan op grond van de artikel 6.27 en volgende van de Wet IB 2001 het afschrijvingsbedrag van de pc, inclusief toebehoren en randapparatuur, dat betrekking heeft op het desbetreffende jaar als scholingsuitgaven worden aangemerkt. Dit afschrijvingsbedrag kan als volgt worden berekend:
de afschrijvingstermijn wordt gesteld op 3 jaar (lineair);
voor de berekening van de afschrijving dient rekening te worden gehouden met een restwaarde van 10%.
Bij aanschaf van een tweedehands pc kan deze berekeningswijze ook worden toegepast. Is de pc bij aanschaf tenminste een jaar oud, dan kan evenwel van een afschrijvingstermijn van twee jaar worden uitgegaan. Met betrekking tot de toetsing aan het redelijkheidscriterium geldt dat bij pcs met een aanschafprijs onder de € 3.176 het aannemelijk kan worden geacht dat hieraan reeds invulling is gegeven. Daarboven moet het redelijkheidscriterium individueel worden getoetst. Uiteraard kan aftrek, met inachtneming van de in artikel 6.30 van de Wet IB 2001 genoemde bedragen, alleen worden verleend indien en voorzover de pc voor opleidings- en/of studiedoeleinden (in de zin van artikel 6.27 van de Wet IB 2001) wordt gebruikt en tevens wordt voldaan aan de voorwaarden die de Hoge Raad in bovenvermeld arrest heeft geformuleerd.
### 4.10. Promotiekosten