2004-12-10 | BWBR0004092 | Inkomensbesluit Toeslagenwet

This commit is contained in:
Coornhert 2004-12-10 12:00:00 +00:00
parent b6d3f197d6
commit bb065127c5

View file

@ -38,7 +38,8 @@ In afwijking van het eerste lid wordt niet als opbrengst van arbeid beschouwd:
a. een aanspraak om na verloop van tijd of onder een voorwaarde een of meer uitkeringen of verstrekkingen te ontvangen, voor zover deze niet wordt gedekt door stortingen van de werknemer;
b. een loondervingsuitkering in de zin van de wet en een uitkering op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, van de Wet arbeid en zorg aan de werknemer of gelijkgestelde, bedoeld in artikel 3:6, eerste lid, van die wet of aan de zelfstandige of beroepsbeoefenaar op arbeidsovereenkomst, bedoeld in artikel 3:17 van die wet, al dan niet vermeerderd met een toeslag op grond van de wet;
c. een aanvulling op een loondervingsuitkering;
d. vakantie-uitkering.
d. vakantie-uitkering;
e. loon als bedoeld in artikel 629, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek dan wel de bezoldiging of hetgeen daarmee overeenkomt, bedoeld in artikel XV, tweede lid, van de Wet terugdringing ziekteverzuim, van degene die aanspraak maakt op een toeslag.
**3.** Indien op grond van artikel 7, eerste lid, van de wet van inkomen uit arbeid een gedeelte is vrijgelaten, worden, in afwijking van het bepaalde in het tweede lid, onderdelen *b* en *c*, de op dat inkomen betrekking hebbende uitkeringen op grond van de verplichte verzekering van de Ziektewet, op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, van de Wet arbeid en zorg aan de werknemer of gelijkgestelde, bedoeld in artikel 3:6, eerste lid, van die wet en op grond van de verplichte verzekering van de Werkloosheidswet, voor zolang de dienstbetrekking voortduurt, alsmede aanvullingen op die uitkeringen als opbrengst van arbeid beschouwd.
@ -89,21 +90,22 @@ Voor de toepassing van artikel 6, eerste lid, van de wet wordt onder inkomen in
a. een loondervingsuitkering in de zin van de wet of een uitkering in de zin van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, van de Wet arbeid en zorg aan de werknemer of gelijkgestelde, bedoeld in artikel 3:6, eerste lid, van die wet, alsmede een uitkering die naar aard en strekking daarmede overeenkomt, met uitzondering van de uitkeringen die op grond van artikel 3, derde lid, als opbrengst van arbeid worden beschouwd;
b. een uitkering op grond van een particuliere verzekering wegens derving van inkomen, welke ten behoeve van de werknemer in het kader van een individuele of collectieve arbeidsovereenkomst is afgesloten;
c. een uitkering op grond van een pensioenregeling, voorzover niet begrepen onder a;
d. een uitkering op grond van een buitenlandse wettelijke sociale verzekeringsregeling, voorzover niet begrepen onder a, met uitzondering van een uitkering, die naar aard en strekking overeenkomt met een uitkering op grond van de Algemene Kinderbijslagwet of een verstrekking op grond van de Ziekenfondswet (*Stb.* 1964, 392), of de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten;
d. een uitkering op grond van een buitenlandse wettelijke sociale verzekeringsregeling, voorzover niet begrepen onder a, met uitzondering van een uitkering, die naar aard en strekking overeenkomt met een uitkering op grond van de Algemene Kinderbijslagwet of een verstrekking op grond van de Ziekenfondswet (Stb. 1964, 392), of de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten;
e. een uitkering op grond van een regeling voor vervroegde uittreding of een regeling, die naar aard en strekking daarmede overeenkomt;
f. een uitkering op grond van een regeling voor functioneel leeftijdsontslag;
g. loon dat uit vroegere dienstbetrekking wordt genoten, voorzover niet begrepen onder a , b, c, d, e of f;
g. loon dat uit vroegere dienstbetrekking wordt genoten, voorzover niet begrepen onder a, b, c, d, e of f;
h. een toeslag op grond van de wet;
i. een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet;
j. een uitkering op grond van de Algemene Ouderdomswet (*Stb.* 1985, 181);
k. een pensioen op grond van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 (*Stb.* 1977, 493);
l. een uitkering op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (*Stb.* 1986, 386);
m. een pensioen op grond van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers (*Stb.* 1977, 495);
n. een uitkering op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (*Stb.* 1984, 94);
o. een pensioen op grond van de Wet buitengewoon pensioen Indisch Verzet (*Stb.* 1986, 360);
j. een uitkering op grond van de Algemene Ouderdomswet (Stb. 1985, 181);
k. een pensioen op grond van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 (Stb. 1977, 493);
l. een uitkering op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Stb. 1986, 386);
m. een pensioen op grond van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers (Stb. 1977, 495);
n. een uitkering op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Stb. 1984, 94);
o. een pensioen op grond van de Wet buitengewoon pensioen Indisch Verzet (Stb. 1986, 360);
p. een basisbeurs en een aanvullende beurs op grond van de Wet studiefinanciering 2000, alsmede een beurs, die naar aard en strekking daarmee overeenkomt;
q. een bedrijfsbeëindigingsvergoeding van de door Onze Minister van Economische Zaken opgerichte Stichting ontwikkeling en sanering midden- en kleinbedrijf; en
r. een maandelijkse bedrijfsbeëindigingsvergoeding van de door Onze Minister van Landbouw en Visserij opgerichte Stichting ontwikkelings- en saneringsfonds voor de landbouw.
q. een bedrijfsbeëindigingsvergoeding van de door Onze Minister van Economische Zaken opgerichte Stichting ontwikkeling en sanering midden- en kleinbedrijf;
r. een maandelijkse bedrijfsbeëindigingsvergoeding van de door Onze Minister van Landbouw en Visserij opgerichte Stichting ontwikkelings- en saneringsfonds voor de landbouw; en
s. loon als bedoeld in artikel 629, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek dan wel de bezoldiging of hetgeen daarmee overeenkomt, bedoeld in artikel XV, tweede lid, van de Wet terugdringing ziekteverzuim, van degene die aanspraak maakt op een toeslag.
**2.**
@ -112,24 +114,24 @@ In afwijking van het eerste lid, wordt niet als inkomen in verband met arbeid be
a. een aanspraak om na verloop van tijd of onder een voorwaarde een of meer uitkeringen of verstrekkingen te ontvangen, voor zover deze niet worden gedekt door stortingen van degene die het desbetreffende inkomen geniet;
b. een eenmalige uitkering welke na beëindiging van de dienstbetrekking aan een werknemer in verband met die beëindiging wordt betaald;
c. 81% van het bedrag waarmee de arbeidsongeschiktheidsuitkering is verhoogd met toepassing van artikel 13 van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, artikel 22 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of beide artikelen;
d. het bedrag waarmede een loondervingsuitkering op grond van de artikelen 24 en 48 van de Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid (*Stb.* 1986, 567) wordt verhoogd;
d. het bedrag waarmede een loondervingsuitkering op grond van de artikelen 24 en 48 van de Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid (Stb. 1986, 567) wordt verhoogd;
e. vakantie-uitkering, over de in dat lid genoemde inkomensbestanddelen;
f. een vakantiebon, verstrekt naast een loondervingsuitkering, voor zover niet begrepen onder e;
f. een vakantiebon, verstrekt naast een loondervingsuitkering, voor zover niet begrepen onder *e*;
g. een uitkering die naar aard en strekking overeenkomt met een loondervingsuitkering, toegekend aan een directeur-grootaandeelhouder, wiens arbeidsverhouding niet als dienstbetrekking als bedoeld in artikel 3a, eerste lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering, wordt beschouwd;
h. afkoopsommen als bedoeld in de artikelen 32c, 32d en 32p van de Liquidatiewet invaliditeitswetten (*Stb.* 1967, 307);
h. afkoopsommen als bedoeld in de artikelen 32c, 32d en 32p van de Liquidatiewet invaliditeitswetten (Stb. 1967, 307);
i. een uitkering op grond van artikel 15 van de Algemene Weduwen- en Wezenwet;
j. een vergoeding ingevolge het Reglement eenmalige silicosevergoeding oud-mijnwerkers.
**3.**
Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel *c*, wordt onder pensioenregeling verstaan:
Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel c, wordt onder pensioenregeling verstaan:
a. een regeling die uitsluitend of nagenoeg uitsluitend ten doel heeft de verzorging van werknemers en gewezen werknemers bij invaliditeit en ouderdom en de verzorging van hun echtgenoten en van hun minderjarige kinderen en pleegkinderen door middel van pensioen;
b. een door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ingevolge het bepaalde in artikel 6, derde lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering aangewezen regeling.
**4.** Voor zover over een inkomen, genoemd in het eerste lid, geen aanspraak op vakantie-uitkering bestaat, wordt dit inkomen slechts voor een deel in aanmerking genomen. Artikel 5, derde lid, laatste volzin, is voor het vaststellen van dit deel van overeenkomstige toepassing.
**5.** Het vierde lid is niet van toepassing op uitkeringen op grond van de Ziektewet (*Stb.* 1987, 88) en op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, van de Wet arbeid en zorg aan de werknemer of gelijkgestelde, bedoeld in artikel 3:6, eerste lid, van die wet, tenzij de dienstbetrekking van de werknemer tijdens het genot van de uitkering eindigt en tengevolge hiervan het dagloon met een evenredig deel van de vakantietoeslag wordt verhoogd.
**5.** Het vierde lid is niet van toepassing op uitkeringen op grond van de Ziektewet (Stb. 1987, 88) en op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, van de Wet arbeid en zorg aan de werknemer of gelijkgestelde, bedoeld in artikel 3:6, eerste lid, van die wet, tenzij de dienstbetrekking van de werknemer tijdens het genot van de uitkering eindigt en tengevolge hiervan het dagloon met een evenredig deel van de vakantietoeslag wordt verhoogd.
### Paragraaf 3. Bepaling van het inkomen