2008-01-04 | BWBR0012289 | Vreemdelingencirculaire 2000 (B)

This commit is contained in:
Coornhert 2008-01-04 12:00:00 +00:00
parent 8beaf753b0
commit bc36dbba93

View file

@ -5815,11 +5815,6 @@ Ter controle op werkgevers in Nederland die, zonder in het bezit te zijn van de
Hier komen aan de orde de regels ten aanzien van vreemdelingen die een zelfstandig beroep of bedrijf in Nederland (willen) uitoefenen. Het gaat dus niet om het verrichten van werkzaamheden in loondienst.
Werkzaamheden anders dan in loondienst kunnen worden onderscheiden in:
het uitoefenen van een bepaald beroep zoals arts, apotheker, fysiotherapeut, beeldend kunstenaar of sportleraar; en
het uitoefenen van een bedrijf zoals een slagerij, de detailhandel, of een restaurant.
#### 7.2. Algemene voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning
Artikel 3.30 Vb verleent de Minister de bevoegdheid onder de daar geregelde voorwaarden op aanvraag een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het verrichten van arbeid als zelfstandige te verlenen.
@ -5834,7 +5829,7 @@ Voor onderdanen van landen waarmee Europa-overeenkomsten zijn gesloten en die st
Naast de beleidsregels in deze paragraaf zijn ook de beleidsregels met betrekking tot de algemene voorwaarden van artikel 16 Vw van toepassing. Verwezen wordt naar B1/4.
#### 7.3. Vereisten voor het uitoefenen van een bepaald beroep
#### 7.3. Wezenlijk Nederlands economisch belang
Om voor de uitoefening van bepaalde beroepen te worden toegelaten, gelden vaak speciale bevoegdheidsvereisten.
@ -5844,11 +5839,43 @@ Zo zal een buitenlandse arts de bevoegdheid moeten bezitten om in Nederland zijn
##### 7.3.1. Puntensysteem
Met het oog op het werven van hooggekwalificeerde vreemdelingen die een gevraagde hoogwaardige kennisbijdrage aan onze economie kunnen leveren in de vorm van zelfstandig ondernemerschap, is een puntensysteem ontwikkeld dat de toelating van deze categorie beter mogelijk moet maken. Het puntensysteem vormt de basis voor het advies dat de Minister van EZ aan de IND geeft over de wezenlijke bijdrage van de vreemdeling voor het land.
##### 7.3.2. Te overleggen stukken
Voor de beoordeling van de aanvraag om advies aan de Minister van EZ met gebruikmaking van het puntensysteem dient de vreemdeling ten minste een volledig ondernemingsplan, eventueel aangevuld met onderliggend onderzoek dan wel analyses, referenties van kennisinstellingen, bedrijven of partijen op de markt, referenties of contacten met arbeidsmarktinstellingen, of referenties of contacten met financiële instellingen, te overleggen.
Het is de verantwoordelijkheid van de vreemdeling om zijn aanvraag te onderbouwen met stukken en aan te tonen dat hij met zijn onderneming een wezenlijke bijdrage aan de Nederlandse economie kan leveren. Ten behoeve van de toetsing aan het puntenstelsel kunnen, in aanvulling op het ondernemersplan, onder meer de volgende stukken worden overgelegd:
afschriften van behaalde diplomas; de vreemdeling dient zorg te dragen voor vertaling en erkenning van de overgelegde diplomas en afschriften door het Nuffic;
indien sprake is van een onderneming in het land van herkomst:
akte van oprichting en statuten onderneming;
referentie voormalige werkgever(s);
arbeidscontract(en) van voormalige dienstbetrekkingen;
getuigschriften;
referenties Nederlandse partners of contacten;
omzetgevens Nederlandse-markt;
getuigschriften Nederlandse opleiding (diploma, promotie).
Alle stukken moeten zijn opgesteld in het Nederlands, Engels, Frans of Duits of te zijn vertaald door een vertaler die door de Nederlandse rechtbank is beëdigd.
##### 7.3.3. Het ondernemingsplan
#### 7.4. Vereisten voor het uitoefenen van een bedrijf
Uit het ondernemingsplan moet in ieder geval het volgende blijken:
Hieronder vallen de personalia van de vreemdeling, maar ook zijn gezins- en inkomenssituatie, financiële verplichtingen, opleidingen (onderbouwd met behaalde diplomas) en beroepservaring;
Een samenvatting van het ondernemingsplan, de branche waarin de vreemdeling gaat opereren en het bedrijf dat hij gaat oprichten. Tevens dient informatie te worden verschaft over de startdatum, de vestigingsplaats, enzovoort;
Hierbij dient aandacht te worden besteed aan zaken als de rechtsvorm van de onderneming, de handelsnaam, aanwezigheid van eventuele vestigings- en overige vergunningen, de aansprakelijkheden, de verzekeringen en de leveringsvoorwaarden;
Hierbij dient een omschrijving te worden gegeven van het type product of dienst, van de markt waarop de vreemdeling actief wil worden, wat de doelgroep is van de beoogde ondernemingsactiviteit (de afnemers), welke concurrenten er zijn, wat hun sterke en zwakke punten zijn en wat de bijzondere kenmerken van de vreemdeling dan wel van diens producten of diensten zijn. Tevens dient te worden ingegaan op de wijze waarop de vreemdeling de markt gaat bewerken (presentatie naar buiten, promotiemiddelen, wijze van adverteren, enzovoort). Eén en ander wordt zo mogelijk onderbouwd met contracten of referenties van afnemers, afzetprognoses en dergelijke);
Hierbij wordt een omschrijving gegeven van de omvang van het benodigde personeel, de wijze van werven en de beoogde organisatie;
Dit bevat onder andere een investeringsbegroting, een financieringsplan en een aflossingsplan (zo mogelijk onderbouwd met bankcontracten), een exploitatiebegroting en een liquiditeitsprognose.
#### 7.4. Voldoende middelen van bestaan
Voor de uitoefening van een bedrijf is in de regel een vergunning vereist op grond van de Vestigingswet Bedrijven 1954 of de Drank- en Horecawet.
@ -5864,125 +5891,30 @@ Bevoegd tot het verlenen van ontheffing wat betreft de Drank- en Horecawet is de
##### 7.4.1. Middelenvereiste
#### 7.5. Voldoende middelen van bestaan
De vreemdeling dient aan te tonen dat hij door de uitoefening van zijn beroep of bedrijf kan beschikken over voldoende middelen van bestaan, gelet op artikel 3.30, eerste lid, aanhef en onder b, Vb en B1/4.3.4.
##### 7.5.1. Inleiding middelenvereiste
#### 7.5. Vereisten voor het uitoefenen van een bepaald beroep
De vreemdeling dient aan te tonen dat hij door de uitoefening van zijn beroep of bedrijf kan beschikken over voldoende middelen van bestaan, gelet op artikel 3.30, eerste lid, aanhef en onder b, Vb, en B1/4.3.4.
Om voor de uitoefening van bepaalde beroepen te worden toegelaten, gelden vaak speciale bevoegdheidsvereisten.
Zie voor de berekening van het netto-inkomen van een gevestigde ondernemer B1/4.3.4.
#### 7.6. Vereisten voor het uitoefenen van een bedrijf
In geval van een aanvraag om een mvv, een aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde duur en een aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde duur, ingediend terwijl de vreemdeling nog niet tenminste anderhalf jaar in het bezit is van die verblijfsvergunning, geldt het volgende.
Voor de uitoefening van een bedrijf is in de regel een vergunning vereist op grond van de Vestigingswet Bedrijven 1954 of de Drank- en Horecawet.
In deze gevallen kunnen de te verwachten bedrijfsresultaten inzichtelijk en aannemelijk worden gemaakt door middel van het indienen van een ondernemingsplan, omschreven in B5/7.5.2, dat ook kan worden gebruikt bij de beoordeling of met de te vestigen onderneming in Nederland en met het verblijf van de betrokken vreemdeling een wezenlijk Nederlands economisch belang is gediend, als bedoeld in B5/7.1. Het ondernemingsplan dient zodanig te zijn ingericht dat daaruit de bestaansmiddelen van de ondernemer kunnen worden afgeleid, dat wil zeggen uit de daarin mede opgenomen, te verwachten bruto en netto winst.
##### 7.5.2. Het ondernemingsplan
Uit het ondernemingsplan moet in ieder geval het volgende blijken:
Hieronder vallen de personalia van de vreemdeling, maar ook zijn gezins- en inkomenssituatie, financiële verplichtingen, opleidingen (onderbouwd met behaalde diplomas) en beroepservaring;
Een samenvatting van het plan, de branche waarin de vreemdeling gaat opereren en het bedrijf dat hij gaat oprichten. Tevens dient informatie te worden verschaft over de startdatum, de vestigingsplaats, enzovoort;
Hierbij dient aandacht te worden besteed aan zaken als de rechtsvorm van de onderneming, de handelsnaam, aanwezigheid van eventuele vestigings- en overige vergunningen, de aansprakelijkheden, de verzekeringen en de leveringsvoorwaarden;
Hierbij dient een omschrijving te worden gegeven van het type product of dienst, van de markt waarop de vreemdeling actief wil worden, wat de doelgroep is van de beoogde ondernemingsactiviteit (de afnemers), welke concurrenten er zijn, wat hun sterke en zwakke punten zijn en wat de bijzondere kenmerken van de vreemdeling dan wel van diens producten of diensten zijn. Tevens dient te worden ingegaan op de wijze waarop de vreemdeling de markt gaat bewerken (presentatie naar buiten, promotiemiddelen, wijze van adverteren, enzovoort). Eén en ander wordt zo mogelijk onderbouwd met contracten met of referenties van afnemers, afzetprognoses en dergelijke);
Hierbij wordt een omschrijving gegeven van de omvang van het benodigde personeel, de wijze van werven en de beoogde organisatie;
Dit bevat onder andere een investeringsbegroting, een financieringsplan en een aflossingsplan (zo mogelijk onderbouwd met bankcontracten), een exploitatiebegroting en een liquiditeitsprognose.
#### 7.6. Geen gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid
#### 7.7. Geen gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid
Verblijf wordt geweigerd indien er sprake is van een algemene weigeringsgrond, zoals gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid, dan wel indien niet aan een algemene of bijzondere voorwaarde is voldaan (zie artikel 16 Vw en artikel 3.77 of 3.78 Vb).
Onder gevaar voor de openbare orde is mede begrepen gevaar voor openbare rust, voor de goede zeden en de internationale betrekkingen.
Er is sprake van gevaar voor dan wel een inbreuk op de openbare orde op grond waarvan de voortzetting van verblijf niet wordt toegestaan indien door de rechter een vrijheidsontnemende straf, taakstraf of maatregel is opgelegd (zie artikel 18 Vw en artikel 3.86 en 3.87 Vb en B1/.4.4).
#### 7.7. Vreemdelingen als zelfstandige in economische zin willen vestigen
Indien wordt voldaan aan de algemene voorwaarden genoemd onder B5/7.1 tot en met B5/7.6, kan voor verlening van een verblijfsvergunning voor het uitoefenen van een zelfstandig beroep of bedrijf in economische zin in aanmerking komen de vreemdeling die:
a. in Nederland zelfstandige ondernemersactiviteiten gaat verrichten; Het moet gaan om activiteiten van een nieuwe onderneming. Een onderneming is in elk geval nieuw als:
deze voor het eerst tot de markt toetreedt en wordt ingeschreven in het handelsregister;
er sprake is van een wijziging in de rechtsvorm en tegelijkertijd in de bedrijfsleiding (uitbreiding, inkrimping, vervanging);
de bedrijfsactiviteit ingrijpend wordt gewijzigd.
- Er blijft in elk geval sprake van een bestaande onderneming indien:
de rechtsvorm wijzigt maar niet de bedrijfsleiding, of
een andere verandering (bijvoorbeeld adres, wijziging in handelsnaam) plaatsvindt.
- Verder wordt uitgesloten de vreemdeling die:
op de loonlijst van een bedrijf in Nederland staat, maar zelf nog in het buitenland woont;
geld investeert in een bedrijf in Nederland, maar zelf verder geen ondernemersactiviteiten verricht; en
b. de leeftijd van 60 jaar nog niet heeft bereikt (voor Turkse onderdanen geldt dit vereiste niet op grond van de standstillbepaling van artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol bij de Associatieovereenkomst EG-Turkije); en
c. met zijn bedrijfsactiviteit een wezenlijk Nederlands economisch belang dient;
Dit is het geval indien:
de bedrijfsactiviteit duidelijk innovatieve waarde heeft, dat wil zeggen iets positiefs toevoegt aan de Nederlandse economie;
de bedrijfsactiviteit niet concurrentieverstorend werkt in die zin dat afbreuk wordt gedaan aan een gezonde marktconcurrentie; en
d. voor het uitoefenen van de bedrijfsactiviteit uit het buitenland dient te worden aangetrokken. Dit wil zeggen dat in de beoogde functie niet kan worden voorzien door het aantrekken van een Nederlandse ingezetene dan wel een vreemdeling met een geldige verblijfstitel. Op de regel dat alleen iemand uit het buitenland kan worden aangetrokken als in Nederland niemand voorhanden is, kan slechts een uitzondering gemaakt worden indien het gaat om langer gevestigde, goed renderende bedrijven. Het gaat hier slechts om een opvolger van de exploitant, wanneer deze onvoorzien door langdurige ziekte of overlijden uitvalt.
Om te beoordelen of wordt voldaan aan de voorwaarden onder c en d genoemd, dient door de IND advies te worden gevraagd aan de Minister van EZ, met uitzondering van de bedrijfsactiviteiten onder B5/7.8 en verder genoemd (zie circulaire van de Minister van EZ van 4 november 1992 DMO/DCM/ AM92081647).
Bij een adviesaanvraag dienen in elk geval de volgende gegevens te worden overgelegd:
uittreksel uit handelsregister;
recente gewaarmerkte jaarcijfers;
referentie met betrekking tot het bedrijf: informatie over (het product van) het bedrijf; het innovatieve karakter van (het product van) het bedrijf; contracten met Nederlandse bedrijven; en
in geval van een nieuwe onderneming in vorenbedoelde zin (ook bij eerste aanvraag om een verblijfsvergunning of mvv) een ondernemingsplan, als bedoeld in B5/7.5.2.
##### 7.7.1. EG-langdurig ingezetenen
2008102-01-200812-12-20072007/392008102-01-200812-12-20072007/3904-01-2008
#### 7.8. EG-langdurig ingezetenen
Ingevolge artikel 3.30, vijfde lid, Vb kan de verblijfsvergunning voor het uitoefenen van een zelfstandig beroep of bedrijf in economische zin worden verleend aan een langdurig ingezetene, zonder dat met de arbeid als zelfstandige een wezenlijk Nederlands belang is gediend.
Daarnaast gelden de bepalingen zoals neergelegd in B17.
Voor het overige zijn de bepalingen van B5/7.1 tot en met B5/7.5 en B5/7.7 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de langdurig ingezetene het innovatieve karakter van zijn onderneming niet hoeft aan te tonen.
#### 7.8. Aanvragen waarvoor geen advies van EZ nodig
##### 7.8.1. Chinees-Indonesische horecabedrijven, norm gemeente bereikt
De norm is gesteld op één Chinees-Indonesisch restaurant per 12.500 inwoners per gemeente. Als in een gemeente reeds aan de gestelde norm wordt voldaan, hoeft de aanvraag niet voor advies aan de Minister van EZ te worden voorgelegd en wordt de aanvraag voor verblijf als zelfstandige afgewezen.
In gemeenten met een specifiek toeristisch karakter kan de norm iets ruimer worden gehanteerd.
Vooral bij deze horecabedrijven komt het voor dat vreemdelingen na een periode van arbeid in loondienst in een gevestigde horecaonderneming een nieuw bedrijf beginnen. Indien met dit nieuwe bedrijf de norm in een gemeente wordt overschreden, zal met een vanuit het buitenland aangetrokken nieuwe vreemdeling (als partner voor de nieuwe dan wel de bestaande onderneming) geen wezenlijk Nederlands economisch belang gediend zijn.
Deze aanvragen hoeven niet voor advies aan de Minister van EZ te worden voorgelegd.
Zolang niet aan de norm wordt voldaan, dient de aanvraag steeds voor advies aan de Minister van EZ te worden voorgelegd.
De IND zal zich ingevolge artikel 107 Vw wenden tot de gemeente met het verzoek om informatie over het aantal inwoners, aantal en soort restaurants in een gemeente en eventuele bijzonderheden die de strikte hantering van de norm kunnen beïnvloeden.
##### 7.8.2. Zuid- en Oost-Aziatische horecabedrijven, norm gemeente bereikt
De norm is gesteld op één Zuid- en Oost-Aziatisch (niet Chinees-Indonesische) restaurant per 20.000 inwoners per gemeente, met een minimum van één per gemeente. Voor het overige geldt hetzelfde als onder B5/8.1.2.
##### 7.8.3. Overige horecabedrijven
Onder overige horecabedrijven vallen onder meer:
grillrooms;
pizzerias;
shoarmazaken; en
koffie- en eethuizen.
Met deze horecabedrijven wordt geen wezenlijk Nederlands economisch belang gediend en wordt dus niet voldaan aan tenminste één van de voorwaarden van artikel 3.30 Vb. Deze aanvragen hoeven derhalve niet voor advies aan de Minister van EZ te worden voorgelegd.
##### 7.8.4. Overige bedrijfsactiviteiten
Onder overige bedrijfsactiviteiten vallen onder meer:
Islamitische slagerijen;
Turkse en Marokkaanse bakkerijen en winkels in deegspecialiteiten;
confectieateliers en handel in textiel; en
handel in ongeregelde goederen (= verkoop van nu eens dit, dan weer dat, bijvoorbeeld restanten van winkels en fabrieken; ook: uitdragerij).
Met deze bedrijfsactiviteiten wordt geen wezenlijk Nederlands economisch belang gediend en wordt dus niet voldaan aan tenminste één van de voorwaarden van artikel 3.30 Vb. Deze aanvragen hoeven derhalve niet voor advies aan de Minister van EZ te worden voorgelegd.
#### 7.9. Aanvragen waarbij eis wezenlijk Nederlands belang niet geldt
##### 7.9.1. Surinaamse onderdanen met verkregen rechten
@ -9923,97 +9855,3 @@ Indien de autoriteiten van de tweede lidstaat bereid zijn de betrokken vreemdeli
#### 6.1. Contactpunt IND
In de in deze paragraaf genoemde gevallen zal het koppelingsbureau van de IND fungeren als contactpunt voor het verstrekken en ontvangen van informatie.
## 19. Verblijf op religieuze of levensbeschouwelijke gronden
### 1. Inleiding
Aan vreemdelingen kan verblijf bij religieuze of levensbeschouwelijke organisaties worden toegestaan indien bij die organisaties de afgelopen vijf jaar aan vreemdelingen verblijf is toegestaan voor religieuze of levensbeschouwelijke doeleinden, niet zijnde arbeid als godsdienstleraar of geestelijk voorganger, of studie. Het betreft hier een overgangsregeling in afwachting van een definitief beleidskader.
Omdat in het geval van verblijf bij organisaties waarbij niet eerder verblijf is toegestaan op religieuze of levensbeschouwelijke gronden, in het verleden geen uitspraak is gedaan over een wezenlijk Nederlands belang, en pas in het kader van een definitieve regeling voor verblijf op religieuze doeleinden een oordeel kan worden uitgesproken over het wezenlijk Nederlands belang dat wordt gediend met (de aard van) het verblijf van een vreemdeling bij deze organisaties, staat de onderhavige regeling niet open voor religieuze of levensbeschouwelijke organisaties bij wie niet in de afgelopen vijf jaar verblijf is verleend. Zoals hierboven gesteld geldt zulks niet voor bovengenoemde categorie kloosters. Onderhavige regeling is evenmin van toepassing op religieuze of levensbeschouwelijke organisaties waarbij tot dusverre uitsluitend verblijf is toegestaan voor het verrichten van arbeid als godsdienstleraar of geestelijk voorganger, of voor studie.
### 2. Voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning
#### 2.1. Bekende religieuze of levensbeschouwelijke organisaties
Verblijf bij een religieuze of levensbeschouwelijke organisatie op religieuze of levensbeschouwelijke gronden kan worden toegestaan bij de navolgende religieuze of levensbeschouwelijke organisaties:
de Stichting Jeugd met een Opdracht te Heerde;
de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen te Dordrecht;
centraal Missie Commissariaat te Den Haag;
de Syrisch Orthodoxe Kerk te Losser;
stichting Congregatie FIC te Maastricht;
Maharishi European Research University/Maharishi Vedic University te Vlodrop;
stichting International Buddhist Progress Society Holland te Amsterdam; en
individuele kloosters, mits aan een ander klooster, behorend tot dezelfde orde, congregatie of organisatie, in de afgelopen vijf jaar verblijf is verleend.
Sommige van de hierboven genoemde organisaties waarbij verblijf kan worden toegestaan, hebben meerdere vestigingen in Nederland. Indien een dergelijke vestiging aantoont onderdeel te vormen van één van de in bovenstaand overzicht genoemde organisaties, kan ook bij die vestiging verblijf worden toegestaan. Indien een religieuze of levensbeschouwelijke organisatie die niet in bovenstaand overzicht wordt genoemd, kan aantonen dat in de laatste vijf jaren, te rekenen vanaf de datum van inwerkingtreding van deze regeling, aan een vreemdeling verblijf op religieuze of levensbeschouwelijke gronden is verleend bij de desbetreffende organisatie, zal worden beoordeeld of deze organisatie onder de werking van de onderhavige regeling valt. Zulks is niet van toepassing als verblijf is verleend voor het verrichten van arbeid als godsdienstleraar of geestelijk voorganger, of voor studie.
Géén verblijf zal worden toegestaan bij organisaties waarbij op enig moment is of wordt vastgesteld dat het verblijf op oneigenlijke gronden is verleend dan wel dat verblijfsvergunningen van vreemdelingen die verblijf bij de desbetreffende organisatie hadden, zijn ingetrokken. In het geval sprake is van beoogd verblijf bij een religieuze of levensbeschouwelijke organisatie ten behoeve van het verrichten van arbeid in de zin van de Wav, dan wel ten behoeve van studie, zijn de voorwaarden ten aanzien van arbeid in loondienst (zie B5), respectievelijk studie (zie B6) onverkort van toepassing. Indien sprake is van een aanvraag voor verblijf bij een religieuze of levensbeschouwelijke organisatie, zal aan de hand van de door betrokken vreemdeling, respectievelijk de betrokken religieuze of levensbeschouwelijke organisatie te verschaffen informatie, allereerst worden getoetst of er sprake is van verblijf op grond van arbeid of studie. Bij twijfel of betrokkene verblijf beoogt voor het verrichten van arbeid zal advies worden gevraagd aan de CWI. Van arbeid in loondienst is in elk geval sprake als er een arbeidsovereenkomst is tussen de vreemdeling en de organisatie. In het geval uit de door betrokken vreemdeling dan wel door de desbetreffende organisatie bij het doen van de aanvraag te verschaffen informatie valt op te maken dat primair verblijf wordt beoogd in het kader van studie, zal worden getoetst aan de voorwaarden voor verblijf voor studie (zie B6).
Bij de inwerkingtreding van deze regeling op 8 januari 2004 zijn bijzondere regelingen met een religieuze of levensbeschouwelijke organisatie vervallen. De afspraken over het maximaal per jaar toe te laten vreemdelingen bij een organisatie blijven echter onverkort gehandhaafd.
#### 2.2. Bijzondere voorwaarden
De verblijfsvergunning kan worden verleend aan:
a. de vreemdeling die 18 jaar of ouder is;
b. die verblijf beoogt bij een religieuze of levensbeschouwelijke organisatie waarbij de afgelopen vijf jaar, te rekenen vanaf 8 januari 2004 (de datum van inwerkingtreding van de regeling), verblijf is toegestaan op religieuze of levensbeschouwelijke gronden. Van verblijf gedurende de laatste vijf jaar is nadrukkelijk uitgezonderd verblijf voor het verrichten van arbeid als godsdienstleraar of geestelijk voorganger, en voor studie. Het criterium van vijf jaar geldt niet voor individuele kloosters, mits bij een ander klooster, behorend tot dezelfde orde, congregatie of organisatie in de afgelopen vijf jaar verblijf is verleend;
c. die verblijf beoogt als kloosterling dan wel voor het verrichten van (vrijwilligers)activiteiten bij een religieuze of levensbeschouwelijke organisatie zoals bedoeld onder b.
De ondergrens van 18 jaar wordt gesteld omdat het niet wenselijk wordt geacht om jongeren in de (gedeeltelijk) leerplichtige leeftijd verblijf in Nederland toe te staan met het oog op verblijf bij een religieuze of levensbeschouwelijke organisatie, anders dan voor studiedoeleinden waarop het reguliere beleid van toepassing is.
Zie B19/2.1.
Vreemdelingen die verblijf beogen bij een religieuze of levensbeschouwelijke organisatie waarbij niet gedurende de laatste vijf jaar aan vreemdelingen verblijf is verleend op religieuze of levensbeschouwelijke gronden, dienen te voldoen aan één van bestaande beperkingen zoals genoemd in artikel 3.4 Vb of een beperking als genoemd in de Vc.
Ten aanzien van verblijf op religieuze of levensbeschouwelijke gronden bij een klooster of een religieuze of levensbeschouwelijke organisatie gelden de navolgende voorwaarden:
er dient sprake te zijn van een aantoonbare behoefte aan toetreding tot het klooster of verblijf bij de religieuze of levensbeschouwelijke organisatie;
in deze behoefte kan niet worden voorzien door toetreding tot het klooster of verblijf bij de religieuze of levensbeschouwelijke organisatie van een Nederlandse ingezetene dan wel een tot Nederland toegelaten vreemdeling, behorend tot de kloosterorde of religieuze of levensbeschouwelijke organisatie;
de vreemdeling dient reeds in het buitenland deel uit te maken van de desbetreffende kloosterorde of religieuze of levensbeschouwelijke organisatie;
in de kosten van levensonderhoud van betrokken vreemdeling wordt voorzien, dat wil zeggen het klooster of de organisatie stelt zich ter zake daarvan garant door middel van een ondertekend model M48-B;
er mag geen beroep gedaan worden op de openbare kas.
Het klooster of de religieuze of levensbeschouwelijke organisatie verschaft ter beoordeling of aan bovengenoemde voorwaarden wordt voldaan, de volgende gegevens en bescheiden:
een schriftelijke uitleg over de behoefte aan het verblijf van de vreemdeling bij de religieuze of levensbeschouwelijke organisatie;
schriftelijke bewijsstukken waaruit blijkt dat de vreemdeling ten tijde van de aanvraag deel uit maakt van de religieuze of levensbeschouwelijke organisatie;
een gedetailleerde beschrijving van de activiteiten die de vreemdeling bij of door tussenkomst van de religieuze of levensbeschouwelijke organisatie gaat uitvoeren;
een schriftelijke opgave van de middelen waarmee het verblijf van de vreemdeling bekostigd wordt;
een volledig ingevulde en ondertekende bewust- en garantverklaring conform model M48-B;
schriftelijke bewijsstukken met betrekking tot de solvabiliteit van de organisatie.
Indien verblijf wordt gevraagd bij een klooster, waarbij niet eerder verblijf is toegestaan, dient dat klooster in aanvulling op bovenvermelde bescheiden met schriftelijke bewijsstukken aan te tonen dat eerder verblijf is toegestaan bij (een) ander(e) klooster(s) behorende tot dezelfde orde, congregatie of organisatie.
Gezinsleden, die verblijf beogen bij een vreemdeling aan wie op grond van onderhavige regeling verblijf is toegestaan voor religieuze of levensbeschouwelijke doeleinden, dienen te voldoen aan de voorwaarden genoemd in B2.
#### 2.3. Algemene voorwaarden:
Naast voornoemde bijzondere voorwaarden voor toelating, moet worden voldaan aan de algemene toelatingsvoorwaarden van artikel 16 Vw. Daarbij geldt ten aanzien van middelen van bestaan het navolgende.
Vreemdelingen aan wie verblijf wordt toegestaan op religieuze of levensbeschouwelijke gronden, dienen tijdens hun verblijf in Nederland in hun onderhoud te kunnen voorzien. Derhalve dient te kunnen worden beoordeeld of de vreemdeling gedurende zijn verblijf in Nederland bij de levensbeschouwelijke of religieuze organisatie over voldoende middelen van bestaan beschikt. Uit de aard van het verblijf vloeit voort dat in de kosten van levensonderhoud wordt voorzien door derden, in de regel de religieuze of levensbeschouwelijke organisatie. De religieuze of levensbeschouwelijke organisatie waarbij de vreemdeling gaat verblijven dient door middel van een opgave van de aan de vreemdeling te verstrekken voorzieningen gedurende zijn verblijf en een bewijs dat de organisatie over voldoende financiële middelen voor dat doel beschikt, aan te tonen dat deze voorzieningen ook daadwerkelijk (kunnen) worden verstrekt. De religieuze of levensbeschouwelijke organisatie dient zich schriftelijk garant te stellen voor de kosten die voor de Staat en andere openbare lichamen uit het verblijf van de vreemdeling kunnen voortvloeien alsmede voor de kosten van diens reis naar een plaats buiten Nederland waar diens toegang gewaarborgd is door middel van een model M48-B. De organisatie verklaart in model M48-B tevens zich bewust te zijn van de in dat model genoemde verplichtingen die uit hoofde van de toelating van een vreemdeling voor verblijf bij de desbetreffende organisatie op de organisatie rusten.
### 3. Procedure
Voor zover op de vreemdeling de plicht berust om te beschikken over een mvv, dient de procedure ter verkrijgen van de mvv bij voorkeur in Nederland te worden gestart door de religieuze of levensbeschouwelijke organisatie waarbij de vreemdeling verblijf beoogt. Daartoe dient de religieuze of levensbeschouwelijke organisatie een verzoek om advies ter verlening van een mvv aan betrokken vreemdeling te richten aan de IND. Bij het verzoek om advies dienen de in B19/2.2 genoemde bescheiden te worden meegezonden. Tevens dient bij het verzoek om advies een aanvullende brief te worden meegezonden waarin uiteengezet wordt dat de vreemdeling verblijf beoogt voor religieuze of levensbeschouwelijke doeleinden, niet zijnde verblijf voor arbeid of studie. Indien door de religieuze of levensbeschouwelijke organisatie op het verzoek om advies een verblijfsdoel is aangekruist terwijl uit de overgelegde bescheiden nadrukkelijk blijkt dat verblijf op religieuze of levensbeschouwelijke gronden wordt beoogd, dient de aanvraag getoetst te worden aan de voorwaarden, verbonden aan de onderhavige regeling.
### 4. Beperking
De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking verblijf op religieuze of levensbeschouwelijke gronden bij (naam religieuze of levensbeschouwelijke groepering).
Op het verblijfsdocument dat aan de vreemdeling wordt verstrekt, wordt de beperking vermeld verblijf conform beschikking Staatssecretaris.
De verblijfsvergunning voor verblijf voor religieuze of levensbeschouwelijke doeleinden wordt conform artikel 3.57 Vb voor ten hoogste één jaar verleend en kan telkens voor ten hoogste één jaar worden verlengd.
Omdat het een overgangsregeling betreft in afwachting van een definitief beleidskader, wordt gebruik gemaakt van de mogelijkheid die artikel 3.5, derde lid, Vb biedt om een beperking, anders dan de in artikel 3.5, tweede lid, Vb genoemde beperkingen, aan te merken als een tijdelijk verblijfsrecht. In de beschikking op een aanvraag voor verblijf voor religieuze of levensbeschouwelijke doeleinden wordt bepaald dat het verblijfsrecht tijdelijk is. Daartoe dient de vreemdeling een verklaring M45-A te tekenen.
### 5. Arbeidsmarktaantekening
Vreemdelingen die in dit kader verblijf beogen hebben geen TWV nodig voor zover en aangezien het werkzaamheden betreft met een overwegend religieus of levensbeschouwelijk karakter zoals die van kloosterling of uitvoerder van activiteiten ten bate van de organisatie zelf. Dientengevolge geldt de arbeidsmarktaantekening: Arbeid niet toegestaan Op het verblijfsdocument wordt de aantekening geplaatst een beroep op publieke middelen kan gevolgen hebben voor verblijfsrecht.
In het geval betrokken vreemdeling onderdaan is van een lidstaat van de EU, de EER of Zwitserland is de arbeidsmarktaantekening: Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist.
### 6. Voorschriften
Aan de verblijfsvergunning wordt als voorschrift verbonden het aantonen van voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten van opname en verpleging in een sanatorium of psychiatrische inrichting.