From bcb211a5e3687d1912614f3c31c145253c2dea96 Mon Sep 17 00:00:00 2001 From: Coornhert Date: Tue, 1 Jan 2008 12:00:00 +0000 Subject: [PATCH] 2008-01-01 | BWBR0002226 | Successiewet 1956 --- wet/successiewet-1956/BWBR0002226/README.md | 53 ++++++++++----------- 1 file changed, 26 insertions(+), 27 deletions(-) diff --git a/wet/successiewet-1956/BWBR0002226/README.md b/wet/successiewet-1956/BWBR0002226/README.md index 8a81c14cf6b..2967ad121b7 100644 --- a/wet/successiewet-1956/BWBR0002226/README.md +++ b/wet/successiewet-1956/BWBR0002226/README.md @@ -326,15 +326,15 @@ onder letter *b:* het heffingspercentage over het gedeelte der belaste verkrijgi | Gedeelte van de belaste verkrijging | Indien geërfd of verkregen wordt door: | | | | | | | | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | -| | | I. echtgenoot, kinderen, afstammelingen in tweede of verdere graad of een verkrijger als bedoeld in het tweede lid^1 | II. broers, zusters, bloedverwanten in de rechte opgaande lijn | III. andere verkrijgers, uitgezonderd de rechtspersonen bedoeld in het vierde lid | | | | +| | | I. echtgenoot, kinderen, afstammelingen in tweede of verdere graad of een verkrijger als bedoeld in het tweede lid^1 | II. broers, zusters, bloedverwanten in de rechte opgaande lijn | III. andere verkrijgers | | | | | | | a | b | a | b | a | b | -| 0– | 22 051 | 0 | 5 | 0 | 26 | 0 | 41 | -| 22 051– | 44 096 | 1 102 | 8 | 5 733 | 30 | 9 040 | 45 | -| 44 096– | 88 181 | 2 865 | 12 | 12 346 | 35 | 18 960 | 50 | -| 88 181– | 176 353 | 8 155 | 15 | 27 775 | 39 | 41 002 | 54 | -| 176 353– | 352 696 | 21 380 | 19 | 62 162 | 44 | 88 614 | 59 | -| 352 696– | 881 722 | 54 885 | 23 | 139 752 | 48 | 192 656 | 63 | -| 881 722 | en het hogere bedrag van de belaste verkrijging | 176 560 | 27 | 393 684 | 53 | 525 942 | 68 | +| 0– | 22382 | 0 | 5 | 0 | 26 | 0 | 41 | +| 22382– | 44758 | 1119 | 8 | 5819 | 30 | 9176 | 45 | +| 44758– | 89504 | 2909 | 12 | 12531 | 35 | 19245 | 50 | +| 89504– | 178999 | 8278 | 15 | 28192 | 39 | 41618 | 54 | +| 178999– | 357987 | 21702 | 19 | 63095 | 44 | 89945 | 59 | +| 357987– | 894948 | 55709 | 23 | 141849 | 48 | 195547 | 63 | +| 894948 | en het hogere bedrag van de belaste verkrijging | 179210 | 27 | 399590 | 53 | 533832 | 68 | ^1 voor afstammelingen in de tweede of verdere graad bedraagt de belasting het ingevolge deze kolom verschuldigde, vermeerderd met 60% daarvan @@ -412,33 +412,33 @@ Van het recht van successie is vrijgesteld, hetgeen wordt verkregen: 1°. door de Staat; 2°. door een provincie of een gemeente binnen het Rijk, zonder bijzondere opdracht of met een opdracht, indien en voor zover deze opdracht aan de making niet het karakter ontneemt van te zijn geschied in het algemeen belang; -3°. door een binnen het Rijk gevestigde instelling als bedoeld in artikel 6.33, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001, voorzover aan de verkrijging niet een opdracht is verbonden, welke aan de verkrijging het karakter ontneemt van te zijn geschied in het algemeen belang; +3°. door een instelling als bedoeld in artikel 6.33, eerste lid, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001, voorzover aan de verkrijging niet een opdracht is verbonden, welke aan de verkrijging het karakter ontneemt van te zijn geschied in het algemeen belang; 4°. door de hierna genoemde personen tot de daarachter vermelde bedragen: -a. echtgenoot of verkrijger als bedoeld in artikel 24, tweede lid, letter a:  € 515 928; -b. kinderen tot 23 jaar: € 4412 voor ieder jaar dat de verkrijger jonger is dan 23 jaar (een gedeelte van een jaar voor een vol jaar gerekend), met dien verstande dat de vrijstelling ten minste € 10 000 bedraagt; indien het kind verkeert in een geval als is bedoeld onder *c*, bedraagt de vrijstelling ten minste € 13 230; -c. kinderen ouder dan 23 jaar, die grotendeels op kosten van de overledene werden onderhouden en, hetzij ouder zijn dan 60 jaar, hetzij ten gevolge van ziekte of gebreken vermoedelijk in de eerstkomende drie jaren buiten staat zullen zijn om met arbeid die voor hun kracht berekend is, de helft te verdienen van hetgeen lichamelijk en geestelijk gezonde personen van gelijke leeftijd in staat zijn aan inkomen uit arbeid te verwerven: € 10 000; -d. kinderen voor wie de vrijstelling onder *b* en *c* genoemd niet van toepassing is: € 10 000 indien het saldo van de verkrijging niet meer bedraagt dan € 26 455; -e. verkrijger als bedoeld in artikel 24, tweede lid, letter b:  € 515 928 en verkrijgers als bedoeld in artikel 24, tweede lid, letter c: € 257 966; indien de in genoemde bepalingen bedoelde gemeenschappelijke huishouding vier, drie of twee jaren heeft geduurd bedraagt de vrijstelling onderscheidenlijk  € 206 369,  € 154 776 en  € 103 181; -f. ouders voor wie de vrijstelling onder *e* genoemd niet van toepassing is: € 44 090. +a. echtgenoot of verkrijger als bedoeld in artikel 24, tweede lid, letter a:  € 523 667; +b. kinderen tot 23 jaar: € 4479 voor ieder jaar dat de verkrijger jonger is dan 23 jaar (een gedeelte van een jaar voor een vol jaar gerekend), met dien verstande dat de vrijstelling ten minste € 10 150 bedraagt; indien het kind verkeert in een geval als is bedoeld onder *c*, bedraagt de vrijstelling ten minste € 13 429; +c. kinderen ouder dan 23 jaar, die grotendeels op kosten van de overledene werden onderhouden en, hetzij ouder zijn dan 60 jaar, hetzij ten gevolge van ziekte of gebreken vermoedelijk in de eerstkomende drie jaren buiten staat zullen zijn om met arbeid die voor hun kracht berekend is, de helft te verdienen van hetgeen lichamelijk en geestelijk gezonde personen van gelijke leeftijd in staat zijn aan inkomen uit arbeid te verwerven: € 10 150; +d. kinderen voor wie de vrijstelling onder *b* en *c* genoemd niet van toepassing is: € 10 150 indien het saldo van de verkrijging niet meer bedraagt dan € 26 852; +e. verkrijger als bedoeld in artikel 24, tweede lid, letter b:  € 523 667 en verkrijgers als bedoeld in artikel 24, tweede lid, letter c: € 261 836; indien de in genoemde bepalingen bedoelde gemeenschappelijke huishouding vier, drie of twee jaren heeft geduurd bedraagt de vrijstelling onderscheidenlijk  € 209 465,  € 157 098 en  € 104 729; +f. ouders voor wie de vrijstelling onder *e* genoemd niet van toepassing is: € 44 752. Indien in de gevallen, bedoeld onder de letters *a*, *b*, *c*, *e* en *f* meer dan het vrijgestelde wordt verkregen, is het recht slechts over het meerdere verschuldigd; 5°. aan waarde van aanspraken ingevolge een pensioenregeling, aan waarde van lijfrenten alsmede aan waarde van aanspraken op periodieke uitkeringen bij overlijden; -6°. door bloedverwanten in de rechte lijn in gevallen waarin 4°, letters *b*, *c*, *d*, *e* en *f* niet van toepassing is, indien de verkrijging € 10 000 niet te boven gaat; -7°. in andere gevallen, tot een bedrag van  € 1913. Indien meer dan het vrijgestelde wordt verkregen, is het recht slechts over het meerdere verschuldigd; +6°. door bloedverwanten in de rechte lijn in gevallen waarin 4°, letters *b*, *c*, *d*, *e* en *f* niet van toepassing is, indien de verkrijging € 10 150 niet te boven gaat; +7°. in andere gevallen, tot een bedrag van  € 1942. Indien meer dan het vrijgestelde wordt verkregen, is het recht slechts over het meerdere verschuldigd; 8°. vervallen; 9°. door een werknemer van de erflater of zijn echtgenoot of door een nabestaande van zodanige werknemer, voor zover het verkregene kan worden beschouwd als de voldoening aan een ter zake van de verrichte arbeid bestaande natuurlijke verbintenis als is bedoeld in artikel 3 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek. Voor zover een verkrijging van een nabestaande van de werknemer aan periodieke uitkeringen ingevolge deze bepaling is vrijgesteld van successierecht, wordt zij, voor de toepassing van deze wet, beschouwd als een aan de werknemer toe te rekenen bevoordeling krachtens een ten behoeve van de verkrijger gemaakt beding; 10°. aan nog niet vorderbare termijnen van renten, van uitkeringen, van bezoldigingen en van andere inkomsten. -**2.** De waarde van aanspraken ingevolge een pensioenregeling - andere dan die ingevolge de Algemene nabestaandenwet -, van lijfrenten alsmede van aanspraken op periodieke uitkeringen bij overlijden welke door een kind of een ouder ten gevolge van het overlijden worden verkregen en hetzij van het recht van successie zijn vrijgesteld ingevolge het eerste lid, 5°, hetzij naar hun aard niet krachtens deze wet belastbaar zijn, strekt in mindering van de in het eerste lid, 4°, letters *b* en *f*, genoemde bedragen, met dien verstande dat na deze korting de vrijstelling niet minder bedraagt dan € 13 230 voor een kind als bedoeld in het eerste lid, onder 4°, onderdeel b, slot, € 10 000 voor de andere onder die letter bedoelde kinderen en € 8819 voor een ouder. +**2.** De waarde van aanspraken ingevolge een pensioenregeling - andere dan die ingevolge de Algemene nabestaandenwet -, van lijfrenten alsmede van aanspraken op periodieke uitkeringen bij overlijden welke door een kind of een ouder ten gevolge van het overlijden worden verkregen en hetzij van het recht van successie zijn vrijgesteld ingevolge het eerste lid, 5°, hetzij naar hun aard niet krachtens deze wet belastbaar zijn, strekt in mindering van de in het eerste lid, 4°, letters *b* en *f*, genoemde bedragen, met dien verstande dat na deze korting de vrijstelling niet minder bedraagt dan € 13 429 voor een kind als bedoeld in het eerste lid, onder 4°, onderdeel b, slot, € 10 150 voor de andere onder die letter bedoelde kinderen en € 8952 voor een ouder. -**3.** De waarde van aanspraken ingevolge een pensioenregeling - andere dan die ingevolge de Algemene Ouderdomswet en de Algemene nabestaandenwet -, van lijfrenten alsmede van aanspraken op periodieke uitkeringen bij overlijden welke door de echtgenoot of een verkrijger als bedoeld in artikel 24, tweede lid, letters a, b en c ten gevolge van het overlijden worden verkregen en hetzij van het recht van successie zijn vrijgesteld ingevolge het eerste lid, 5°, hetzij naar hun aard niet krachtens deze wet belastbaar zijn, strekt voor de helft in mindering van het in het eerste lid, 4°, letter *a*, onderscheidenlijk het in letter *e* als eerste dan wel als tweede genoemde bedrag, met dien verstande dat na deze korting de vrijstelling niet minder bedraagt dan € 147 410 voor een echtgenoot alsmede voor een verkrijger als bedoeld in artikel 24, tweede lid, letters a en b en € 73 711 voor een verkrijger als bedoeld in artikel 24, tweede lid, letter c. Voor de toepassing van dit lid blijft artikel 23 buiten toepassing. +**3.** De waarde van aanspraken ingevolge een pensioenregeling - andere dan die ingevolge de Algemene Ouderdomswet en de Algemene nabestaandenwet -, van lijfrenten alsmede van aanspraken op periodieke uitkeringen bij overlijden welke door de echtgenoot of een verkrijger als bedoeld in artikel 24, tweede lid, letters a, b en c ten gevolge van het overlijden worden verkregen en hetzij van het recht van successie zijn vrijgesteld ingevolge het eerste lid, 5°, hetzij naar hun aard niet krachtens deze wet belastbaar zijn, strekt voor de helft in mindering van het in het eerste lid, 4°, letter *a*, onderscheidenlijk het in letter *e* als eerste dan wel als tweede genoemde bedrag, met dien verstande dat na deze korting de vrijstelling niet minder bedraagt dan € 149 622 voor een echtgenoot alsmede voor een verkrijger als bedoeld in artikel 24, tweede lid, letters a en b en € 74 817 voor een verkrijger als bedoeld in artikel 24, tweede lid, letter c. Voor de toepassing van dit lid blijft artikel 23 buiten toepassing. **4.** Onder pensioenregeling wordt voor de toepassing van deze wet verstaan een pensioenregeling als bedoeld in artikel 1.7, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001. -**5.** Onder lijfrenten worden verstaan lijfrenten als bedoeld in artikel 3.125 van de Wet inkomstenbelasting 2001, welke zijn verzekerd bij een verzekeraar als bedoeld in artikel 3.126 van die wet, voorzover de terzake voldane premies voor de heffing van de inkomstenbelasting als uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aftrek konden worden gebracht. +**5.** Onder lijfrenten worden verstaan lijfrenten als bedoeld in artikel 3.125 van de Wet inkomstenbelasting 2001, welke zijn verzekerd bij een verzekeraar als bedoeld in artikel 3.126 van die wet, alsmede aanspraken op tegoeden van lijfrentespaarrekeningen of waarden van lijfrentebeleggingsrechten als bedoeld in artikel 3.126a van die wet, voorzover de terzake voldane premies respectievelijk de overgemaakte bedragen voor de heffing van de inkomstenbelasting als uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aftrek konden worden gebracht. **6.** Onder aanspraken op periodieke uitkeringen bij overlijden worden verstaan aanspraken op periodieke uitkeringen als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel g, van de Wet op de loonbelasting 1964, die ingaan bij het overlijden van de werknemer of de gewezen werknemer en toekomen aan zijn echtgenoot of gewezen echtgenoot dan wel degene met wie hij duurzaam een gezamenlijke huishouding voert of heeft gevoerd en met wie geen bloed- of aanverwantschap in rechte lijn bestaat, of aan zijn eigen kinderen of pleegkinderen die de leeftijd van 30 jaar nog niet hebben bereikt. @@ -455,13 +455,13 @@ Van het recht van schenking is vrijgesteld, hetgeen wordt verkregen: 1°. van de Koningin of de leden van het Koninklijk Huis; 2°. door de Staat, of van de Staat, een provincie of gemeente; 3°. door een provincie of gemeente binnen het Rijk, zonder bijzondere opdracht of met een opdracht, indien en voor zover deze opdracht aan de schenking niet het karakter ontneemt van te zijn geschied in het algemeen belang; -4°. door een binnen het Rijk gevestigde instelling als bedoeld in artikel 6.33, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001, voorzover aan de verkrijging niet een opdracht is verbonden, welke aan de verkrijging het karakter ontneemt van te zijn geschied in het algemeen belang; -5°. door een kind van de ouders, tot een bedrag van € 4412. Voor een kind tussen 18 en 35 jaar wordt het bedrag van € 4412 voor één kalenderjaar tot € 22 048 verhoogd, mits op deze verhoogde vrijstelling in de aangifte een beroep wordt gedaan. Indien meer dan het vrijgestelde wordt verkregen, is het recht slechts over het meerdere verschuldigd; +4°. door een instelling als bedoeld in artikel 6.33, eerste lid, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001, voorzover aan de verkrijging niet een opdracht is verbonden, welke aan de verkrijging het karakter ontneemt van te zijn geschied in het algemeen belang; +5°. door een kind van de ouders, tot een bedrag van € 4479. Voor een kind tussen 18 en 35 jaar wordt het bedrag van € 4479 voor één kalenderjaar tot € 22 379 verhoogd, mits op deze verhoogde vrijstelling in de aangifte een beroep wordt gedaan. Indien meer dan het vrijgestelde wordt verkregen, is het recht slechts over het meerdere verschuldigd; 6°. vervallen; -7°. in alle andere gevallen, indien het verkregene een bedrag van € 2648 niet te boven gaat; +7°. in alle andere gevallen, indien het verkregene een bedrag van € 2688 niet te boven gaat; 8°. door iemand, die niet in staat is zijn schulden te betalen, indien en voor zover het verkregene strekt om de begiftigde daartoe in staat te stellen; 9°. door iemand te wiens laste over die verkrijging inkomstenbelasting of een voorheffing van die belasting wordt geheven; -10°. van een binnen het Rijk gevestigde instelling als bedoeld in artikel 6.33, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001, voorzover de uitkeringen geheel of nagenoeg geheel het karakter hebben van te zijn geschied in het algemeen belang; +10°. van een instelling als bedoeld in artikel 6.33, eerste lid, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001, voorzover de uitkeringen geheel of nagenoeg geheel het karakter hebben van te zijn geschied in het algemeen belang; 11°. door een rechtspersoon, welke uitsluitend of nagenoeg uitsluitend ten doel heeft de bevordering van de materiële en geestelijke belangen van de werknemers in het bedrijf van de schenker, dan wel in de bedrijven van de schenker en anderen, of van de nabestaanden van die werknemers; 12° indien en voor zover de schenking heeft gestrekt tot voldoening aan een natuurlijke verbintenis als is bedoeld in artikel 3 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek. Voor zover een ingevolge deze bepaling van het recht van schenking vrijgestelde verkrijging haar grond vindt in de voldoening aan een natuurlijke verbintenis als is bedoeld in de vorige volzin tot verzorging na het overlijden van de schuldenaar - de omzetting van zodanige verbintenis in een rechtens afdwingbare daaronder begrepen - wordt zij geacht krachtens erfrecht door het overlijden te zijn verkregen. Voor zover een schenking van een periodieke uitkering door een werkgever of zijn echtgenoot of door een pensioenfonds aan een nabestaande van een werknemer ingevolge deze bepaling is vrijgesteld van schenkingsrecht, wordt zij, voor de toepassing van deze wet, beschouwd als een aan de werknemer toe te rekenen bevoordeling krachtens een ten behoeve van de verkrijger gemaakt beding. @@ -496,7 +496,7 @@ De vermogensbestanddelen, bedoeld in het eerste lid, zijn: a. de bestanddelen van het vermogen van een onderneming van een ondernemer als bedoeld in artikel 3.4 of 3.5 van de Wet inkomstenbelasting 2001 of van een medegerechtigdheid als bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, onderdeel a, van die wet, de bestanddelen van een gedeelte van een onderneming daaronder begrepen, mits het een onderneming betreft van de erflater of schenker die door de verkrijger rechtstreeks wordt voortgezet; b. de aandelen in en winstbewijzen van een vennootschap welker kapitaal geheel of ten dele in aandelen is verdeeld, niet zijnde een lichaam waarvan de feitelijke werkzaamheid bestaat in het, onmiddellijk of middellijk, beleggen van vermogen of daarmee overeenkomende werkzaamheid, die behoorden tot een aanmerkelijk belang in de zin van afdeling 4.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001 bij de erflater of schenker. -**3.** Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel b, wordt, volgens bij ministeriële regeling te stellen regels, slechts dat deel van de waarde van de aandelen of winstbewijzen in aanmerking genomen dat is toe te rekenen aan het deel van het vermogen van de vennootschap dat voor de toepassing van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 zou worden gerekend tot het ondernemingsvermogen, indien de vennootschap een rechtspersoon zou zijn als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel d, van die wet. +**3.** Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel b, wordt, volgens bij ministeriële regeling te stellen regels, slechts dat deel van de waarde van de aandelen of winstbewijzen in aanmerking genomen dat is toe te rekenen aan het deel van het vermogen van de vennootschap dat voor de toepassing van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 zou worden gerekend tot het ondernemingsvermogen, indien de vennootschap een rechtspersoon zou zijn als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel e, van die wet. **4.** Voor de toepassing van dit hoofdstuk zijn de artikelen 4.3 tot en met 4.5a van de Wet inkomstenbelasting 2001 van overeenkomstige toepassing. @@ -736,9 +736,8 @@ Onze Minister kan kwijtschelding verlenen van het recht verschuldigd wegens verk a. een andere Staat, voor zover het recht meer bedraagt dan het recht dat de Nederlandse Staat verschuldigd zou zijn; b. een staatkundig onderdeel of een plaatselijk publiekrechtelijk lichaam van een andere Staat, voor zover het recht meer bedraagt dan het recht dat een Nederlandse provincie of gemeente verschuldigd zou zijn; -c. een in een andere Staat gevestigde instelling als bedoeld in 6.33, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001; -een en ander met dien verstande dat zodanige kwijtschelding van recht alleen wordt verleend, indien de Staat die de making of schenking verkrijgt of waar de verkrijger is gevestigd, verklaart dat in geval van makingen of schenkingen door een inwoner van die Staat aan de Nederlandse Staat, een Nederlandse provincie of gemeente dan wel een instelling als bedoeld in artikel 6.33, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001, over die makingen of schenkingen niet meer belasting zal worden geheven dan ingeval de buitenlandse Staat zelf zou verkrijgen of de verkrijger op het grondgebied van de buitenlandse Staat zou zijn gevestigd. +een en ander met dien verstande dat zodanige kwijtschelding van recht alleen wordt verleend, indien de Staat die de making of schenking verkrijgt of waar de verkrijger is gevestigd, verklaart dat in geval van makingen of schenkingen door een inwoner van die Staat aan de Nederlandse Staat, een Nederlandse provincie of gemeente, over die makingen of schenkingen niet meer belasting zal worden geheven dan ingeval de buitenlandse Staat zelf zou verkrijgen of de verkrijger op het grondgebied van de buitenlandse Staat zou zijn gevestigd. **3.** Onze Minister kan, in bij algemene maatregel van bestuur te bepalen gevallen en volgens daarbij te stellen regels, geheel of gedeeltelijk kwijtschelding verlenen van het verschuldigde recht van successie indien voorwerpen uit de nalatenschap met een nationaal cultuurhistorisch of kunsthistorisch belang, door de verkrijger in eigendom worden overgedragen aan de Staat. Het bedrag van de kwijtschelding beloopt 120 percent van de waarde van de overgedragen voorwerpen maar niet meer dan het verschuldigde recht.