From bd4573e9fc0a19b5dc0c291a3a5f2928531aacc1 Mon Sep 17 00:00:00 2001 From: Coornhert Date: Wed, 10 May 2006 12:00:00 +0000 Subject: [PATCH] 2006-05-10 | BWBR0011545 | Besluit studiefinanciering 2000 --- .../BWBR0011545/README.md | 87 +++++++++---------- 1 file changed, 39 insertions(+), 48 deletions(-) diff --git a/amvb/besluit-studiefinanciering-2000/BWBR0011545/README.md b/amvb/besluit-studiefinanciering-2000/BWBR0011545/README.md index 6245781bf7a..f4660c5b07a 100644 --- a/amvb/besluit-studiefinanciering-2000/BWBR0011545/README.md +++ b/amvb/besluit-studiefinanciering-2000/BWBR0011545/README.md @@ -26,21 +26,9 @@ In dit besluit wordt verstaan onder: ### Artikel 2 -**1.** +Onder «belastbaar minimumloon», bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de wet, wordt verstaan: -Onder «gecorrigeerde belastbare minimumloon», bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de wet, wordt verstaan: - -a. de som van: - -1°. het bedrag, genoemd in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, getotaliseerd over de kalendermaanden van het kalenderjaar, en -2°. een bedrag gelijk aan de som van het volgens artikel 15, eerste lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag van toepassing zijnde percentage van het minimumloon, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag over de 12 maanden aanvangende in de maand juni voorafgaand aan het jaar waarvoor het gecorrigeerde belastbare minimumloon wordt vastgesteld, -b. vermeerderd met het door de werkgever verschuldigde gedeelte van de premie voor de verzekering ingevolge de Ziekenfondswet over de som van de hiervoor in onderdeel a bedoelde bedragen, -c. verminderd met het bedrag van de premies die, bij een loon gelijk aan de overeenkomstig de in onderdeel a bepaalde som, bij wijze van inhouding zouden zijn geheven ingevolge de Werkloosheidswet, en -d. verminderd met 12% van het loon uit tegenwoordige dienstbetrekking, maar niet minder dan € 119,-, en niet meer dan € 1605,–. - -**2.** Indien ingevolge de Werkloosheidswet, een premie wordt ingehouden waarvan het percentage per bedrijfstak verschilt, wordt bij toepassing van het eerste lid een gemiddeld percentage gehanteerd. - -**3.** Indien in de loop van het kalenderjaar de premie ingevolge de Ziekenfondswet of de Werkloosheidswet wijziging ondergaat, wordt de hoogte van de premie over het gehele kalenderjaar naar evenredigheid berekend. +108% van het twaalfvoud van het voor de maand januari van het berekeningsjaar geldende in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag bedoelde bedrag per maand, verminderd met het werknemersaandeel in de premie ingevolge artikel 25, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen en vermeerderd met de vergoeding ingevolge artikel 46, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet over dat loon. ## Hoofdstuk 2. Reikwijdte @@ -78,17 +66,26 @@ Vervallen ### Artikel 6 -Aanspraak op aanvullende beurs als bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, van de wet bestaat in ieder geval, indien: +**1.** + +Aanspraak op aanvullende beurs als bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, van de wet, voor wat betreft de aanvullende lening die voortvloeit uit de veronderstelde ouderlijke bijdrage van de weigerachtige of onvindbare ouder, bestaat in ieder geval, indien: a. sprake is van een ernstig en structureel conflict tussen ouder en studerende, b. de ouder uit het ouderlijk gezag is ontzet of ontheven, c. de studerende geen contact met de ouder heeft, d. sprake is van voor de studerende niet inbare alimentatie als bedoeld in titel 17 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, of -e. gegevens over het inkomen van de ouder niet kunnen worden achterhaald. +e. gegevens over de verblijfplaats van de ouder niet kunnen worden achterhaald. + +**2.** + +Een aanvraag als bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, van de wet wordt niet in behandeling genomen indien deze betrekking heeft op + +a. een periode die meer dan twee jaar voor het moment van aanvragen ligt, of +b. een periode waarover geen aanvullende beurs is aangevraagd. ### Artikel 7 -**1.** Van een ernstig en structureel conflict tussen ouder en studerende als bedoeld in artikel 6, onderdeel a, is sprake, indien de ouder om ernstige redenen structureel weigert de veronderstelde ouderlijke bijdrage te verstrekken. +**1.** Van een ernstig en structureel conflict tussen ouder en studerende als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel a, is sprake, indien de ouder om ernstige redenen structureel weigert de veronderstelde ouderlijke bijdrage te verstrekken. **2.** De IB-Groep stelt bij de ouder vast dat er sprake is van weigering. Indien die ouder geen medewerking voor die vaststelling verleent, kan de verklaring van een onafhankelijke derde voor de betreffende ouderverklaring in de plaats treden. @@ -96,63 +93,61 @@ e. gegevens over het inkomen van de ouder niet kunnen worden achterhaald. ### Artikel 8 -Als bewijs dat de ouder uit het ouderlijk gezag is ontzet of ontheven, bedoeld in artikel 6, onderdeel b, dient een afschrift van de beschikking van de rechtbank. +Als bewijs dat de ouder uit het ouderlijk gezag is ontzet of ontheven, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel b, dient een afschrift van de beschikking van de rechtbank. ### Artikel 9 -Van geen contact met de ouder als bedoeld in artikel 6, onderdeel c, is sprake, indien de studerende vanaf de maand waarin hij de leeftijd van 12 jaren heeft bereikt geen wezenlijk contact met de ouder had. Als bewijs dient een verklaring van een ter zake deskundige. +Van geen contact met de ouder als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel c, is sprake, indien de studerende vanaf de maand waarin hij de leeftijd van 12 jaren heeft bereikt geen wezenlijk contact met de ouder had. Als bewijs dient een verklaring van een ter zake deskundige. ### Artikel 10 -Van voor de studerende niet inbare alimentatie als bedoeld in artikel 6, onderdeel d, is sprake, indien de alimentatie oninbaar is gedurende ten minste 12 maanden voorafgaande aan de maand waarin de studerende voor het eerst studiefinanciering ontvangt. Als bewijs dient een verklaring van een ter zake deskundige. +Van voor de studerende niet inbare alimentatie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel d, is sprake, indien de alimentatie oninbaar is gedurende ten minste 12 maanden voorafgaande aan de maand waarin de studerende voor het eerst studiefinanciering ontvangt. Als bewijs dient een verklaring van een ter zake deskundige. ### Artikel 11 -**1.** Indien de studerende de verblijfplaats van de ouder niet kent, onderzoekt de IB-Groep in een geval als bedoeld in artikel 6, onderdeel e, de verblijfplaats van die ouder gedurende ten hoogste 3 maanden onderscheidenlijk ten hoogste 6 maanden in geval van onderzoek in het buitenland. Indien de verblijfplaats van die ouder niet wordt achterhaald, wordt geen rekening gehouden met de veronderstelde ouderlijke bijdrage. +**1.** Indien de studerende de verblijfplaats van de ouder niet kent, onderzoekt de IB-Groep in een geval als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel e, de verblijfplaats van die ouder gedurende ten hoogste 3 maanden onderscheidenlijk ten hoogste 6 maanden in geval van onderzoek in het buitenland. Indien de verblijfplaats van die ouder niet wordt achterhaald, wordt geen rekening gehouden met de veronderstelde ouderlijke bijdrage. **2.** Indien de verblijfplaats van een ouder wordt achterhaald, vraagt de IB-Groep bij die ouder of bij de belastingdienst de gegevens op over het belastbare inkomen. ### Artikel 12 -**1.** Indien een studerende van zijn ouder alimentatie als bedoeld in artikel 6, onderdeel d, ontvangt, komt de ontvangen alimentatie van de studerende in de plaats van de veronderstelde ouderlijk bijdrage. Als bewijs van de hoogte van de alimentatie dient in ieder geval de beschikking van de rechtbank of een notariële akte. Het bedrag dat in het bewijsstuk wordt genoemd, wordt vermeerderd met de wettelijke indexering. +**1.** Indien een studerende van zijn ouder alimentatie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel d, ontvangt, komt het door de rechter vastgestelde bedrag aan alimentatie van de studerende in de plaats van de veronderstelde ouderlijk bijdrage. Als bewijs van de hoogte van de alimentatie dient in ieder geval de beschikking van de rechtbank of een notariële akte. Het bedrag dat in het bewijsstuk wordt genoemd, wordt vermeerderd met de wettelijke indexering. -**2.** Indien nog geen beschikking is afgegeven, wordt de ontvangen alimentatie van de studerende in de plaats van de veronderstelde ouderlijk bijdrage gesteld vanaf de datum dat het verzoek bij de rechtbank is ingediend. +**2.** Indien nog geen beschikking is afgegeven, wordt de door de rechter vastgestelde alimentatie van de studerende in de plaats van de veronderstelde ouderlijke bijdrage gesteld vanaf de ingangsdatum van de alimentatie zoals die datum door de rechter is vastgesteld. ## Hoofdstuk 3a. Kwijtschelding aanvullende beurs ### Artikel 12a -**1.** In aanvulling op het begrip partner, genoemd in artikel 1.1, eerste lid, van de wet, is in dit hoofdstuk slechts sprake van partner van de debiteur indien in het eerste jaar van de aflosfase het huwelijk, het geregistreerd partnerschap of de gezamenlijke huishouding een tijdvak van meer dan 6 maanden omvat. - -**2.** Voor de toepassing van dit besluit is van een gezamenlijke huishouding slechts sprake in de gevallen genoemd in artikel 1.1, tweede lid, onderdelen a en b, van de wet. +In aanvulling op het begrip partner, genoemd in artikel 1.1, eerste lid, van de wet, is in dit hoofdstuk slechts sprake van partner van de debiteur indien in het derde jaar volgend op het kalenderjaar van het laatste studiefinancieringstijdvak het partnerschap een tijdvak van meer dan 6 maanden omvat. ### Artikel 12b -Gehele kwijtschelding van de aanvullende beurs kan plaatsvinden indien het gecorrigeerd verzamelinkomen van de debiteur zonder partner in het eerste jaar van de aflosfase gelijk is aan of lager is dan 1,5 maal het gecorrigeerde belastbare minimumloon. +Gehele kwijtschelding van de aanvullende beurs kan plaatsvinden indien het toetsingsinkomen van de debiteur zonder partner in het derde jaar volgend op het kalenderjaar van het laatste studiefinancieringstijdvak gelijk is aan of lager is dan 1,5 maal het belastbaar minimumloon. ### Artikel 12c -**1.** Gedeeltelijke kwijtschelding van de aanvullende beurs kan plaatsvinden indien het gecorrigeerd verzamelinkomen van de debiteur zonder partner in het eerste jaar van de aflosfase hoger is dan 1,5 maal het gecorrigeerde belastbare minimumloon en lager is dan 2 maal het gecorrigeerde belastbare minimumloon. +**1.** Gedeeltelijke kwijtschelding van de aanvullende beurs kan plaatsvinden indien het toetsingsinkomen van de debiteur zonder partner in het derde jaar volgend op het kalenderjaar van het laatste studiefinancieringstijdvak hoger is dan 1,5 maal het belastbaar minimumloon en lager is dan 2 maal het belastbaar minimumloon. -**2.** De hoogte van de kwijtschelding tussen 1,5 en 2 maal het gecorrigeerde belastbare minimumloon neemt in evenredigheid af tot nihil naarmate het gecorrigeerde verzamelinkomen hoger is. +**2.** De hoogte van de kwijtschelding tussen 1,5 en 2 maal het belastbaar minimumloon neemt in evenredigheid af tot nihil naarmate het toetsingsinkomen hoger is. ### Artikel 12d -Gehele kwijtschelding van de aanvullende beurs kan plaatsvinden indien het gecorrigeerd verzamelinkomen van de debiteur en diens partner in het eerste jaar van de aflosfase gelijk is aan of lager is dan 2 maal het gecorrigeerde belastbare minimumloon. +Gehele kwijtschelding van de aanvullende beurs kan plaatsvinden indien het toetsingsinkomen van de debiteur en diens partner in het derde jaar volgend op het kalenderjaar van het laatste studiefinancieringstijdvak gelijk is aan of lager is dan 2 maal het belastbaar minimumloon. ### Artikel 12e -**1.** Gedeeltelijke kwijtschelding van de aanvullende beurs kan plaatsvinden indien het gecorrigeerd verzamelinkomen van de debiteur en diens partner in het eerste jaar van de aflosfase hoger is dan 2 maal het gecorrigeerde belastbare minimumloon en lager is dan 2,5 maal het gecorrigeerde belastbare minimumloon. +**1.** Gedeeltelijke kwijtschelding van de aanvullende beurs kan plaatsvinden indien het toetsingsinkomen van de debiteur en diens partner in het derde jaar volgend op het kalenderjaar van het laatste studiefinancieringstijdvak hoger is dan 2 maal het belastbaar minimumloon en lager is dan 2,5 maal het belastbaar minimumloon. -**2.** De hoogte van de kwijtschelding tussen 2 en 2,5 maal het gecorrigeerde belastbare minimumloon neemt in evenredigheid af tot nihil naarmate het gecorrigeerde verzamelinkomen hoger is. +**2.** De hoogte van de kwijtschelding tussen 2 en 2,5 maal het belastbaar minimumloon neemt in evenredigheid af tot nihil naarmate het toetsingsinkomen hoger is. ### Artikel 12f -**1.** De IB-Groep neemt een aanvraag die wordt ingediend voor 1 november van het tweede jaar van de aflosfase, niet eerder dan op die datum in behandeling, waarbij 1 november geldt als datum van indiening. +**1.** De IB-Groep neemt een aanvraag die wordt ingediend voor 1 november van het vierde jaar volgend op het kalenderjaar van het laatste studiefinancieringstijdvak, niet eerder dan op die datum in behandeling, waarbij 1 november geldt als datum van indiening. **2.** De IB-Groep besluit binnen 8 weken na de indiening van een aanvraag van een debiteur om kwijtschelding van de aanvullende beurs. -**3.** De IB-Groep neemt een aanvraag die wordt ingediend na het einde van de diplomatermijn, genoemd in artikel 5.5 van de wet, niet in behandeling. +**3.** De IB-Groep neemt slechts een aanvraag in behandeling die wordt ingediend binnen de diplomatermijn, genoemd in de artikelen 4.9 en 5.5 van de wet, of, indien dit daarna is, binnen 5 jaren volgend op het kalenderjaar van het laatste studiefinancieringstijdvak. **4.** Het kwijt te schelden bedrag wordt aan de aanvrager uitbetaald indien verrekening niet mogelijk is. @@ -188,7 +183,7 @@ Vervallen **1.** Onze Minister past de bedragen, genoemd in de artikelen 3.9, derde lid, en 3.17, eerste lid, van de wet, per 1 januari van ieder kalenderjaar aan met de procentuele wijziging die het indexcijfer van de CAO-lonen in het tweede daaraan voorafgaande kalenderjaar heeft ondergaan. -**2.** Onze Minister past de bedragen, genoemd in de artikelen 3.18, met uitzondering van de maximale aanvullende beurs, 4.7, 4.17, 5.2, 5.4 en 10.3 van de wet per 1 januari van ieder kalenderjaar aan met de procentuele wijziging die de consumentenprijsindex over het tweede daaraan voorafgaande kalenderjaar heeft ondergaan. +**2.** Onze Minister past de bedragen, genoemd in de artikelen 3.18, met uitzondering van de maximale aanvullende beurs, 4.7, 4.18, 5.2, 5.4 en 10.3 van de wet per 1 januari van ieder kalenderjaar aan met de procentuele wijziging die de consumentenprijsindex over het tweede daaraan voorafgaande kalenderjaar heeft ondergaan. **3.** Bij ministeriële regeling wordt bepaald wat onder de consumentenprijsindex en het indexcijfer van de CAO-lonen wordt verstaan. @@ -198,10 +193,10 @@ Vervallen **1.** -Indien over een studiejaar de tempobeurs van een student op grond van artikel 10.7, derde lid, eerste volzin, van de wet is omgezet in lening, en die student over dat studiejaar op de voet van artikel 10.6, tweede lid, van de wet, ten minste 10 studiepunten heeft behaald, zet de IB-Groep op aanvraag van de student het desbetreffende bedrag aan lening alsnog om in gift indien de student aan de volgende voorwaarden voldoet: +Indien over een studiejaar de tempobeurs van een student op grond van artikel 10.7, derde lid, eerste volzin, van de wet is omgezet in lening, en die student over dat studiejaar op de voet van artikel 10.6, tweede lid, van de wet, ten minste 14 studiepunten heeft behaald, zet de IB-Groep op aanvraag van de student het desbetreffende bedrag aan lening alsnog om in gift indien de student aan de volgende voorwaarden voldoet: a. hij heeft aan opleidingen waarop artikel 10.6 van de wet van toepassing is, een aantal studiepunten behaald dat ten minste gelijk is aan de voor de laatst gevolgde opleiding geldende studielast, en -b. dit aantal studiepunten is behaald binnen het aantal maanden, gemeten vanaf het tijdstip waarop de student voor het eerst studiefinanciering ontving voor het volgen van hoger onderwijs, dat de uitkomst is van de formule (studielast x 12 : 42) + 12. +b. dit aantal studiepunten is behaald binnen het aantal maanden, gemeten vanaf het tijdstip waarop de student voor het eerst studiefinanciering ontving voor het volgen van hoger onderwijs, dat de uitkomst is van de formule (studielast x 12 : 60) + 12. **2.** Onder studielast, genoemd in het eerste lid, wordt verstaan de studielast, bedoeld in artikel 7.4 van de WHW. @@ -275,22 +270,18 @@ Vervallen **1.** -Voorzover het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht, bedoeld in artikel 6.11 van de wet, wordt vastgesteld, het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld of het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld een aan het kalenderjaar 2001 voorafgaand kalenderjaar is, wordt voor de toepassing van artikel 2 onder gecorrigeerde belastbare minimumloon verstaan: +Indien het derde jaar na het laatste studiefinancieringstijdvak vóór 2006 is gelegen, wordt voor de toepassing van artikel 2 onder belastbaar minimumloon verstaan: a. de som van: -1°. het bedrag, genoemd in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, getotaliseerd over de kalendermaanden van het kalenderjaar, en -2°. een bedrag gelijk aan de som van het volgens artikel 15, eerste lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag van toepassing zijnde percentage van het minimumloon, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag over de 12 maanden aanvangende in de maand juni voorafgaand aan het jaar waarvoor het belastbare minimumloon wordt vastgesteld, -b. vermeerderd met het door de werkgever verschuldigde gedeelte van de premie voor de verzekering ingevolge de Ziekenfondswet over de som van de hiervoor in onderdeel a bedoelde bedragen, -c. verminderd met het bedrag van de premies die, bij een loon gelijk aan de overeenkomstig de in onderdeel a bepaalde som, bij wijze van inhouding zouden zijn geheven ingevolge de Werkloosheidswet, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de Ziektewet, -d. vermeerderd met het bedrag van de overhevelingstoeslag, berekend, overeenkomstig de bij en krachtens artikel 2 van de Wet brutering overhevelingstoeslag lonen gestelde regels, over het uit onderdelen a, b en c resulterende bedrag, en -e. verminderd met het bedrag van de forfaitaire aftrek voor de op inkomsten uit tegenwoordige arbeid betrekking hebbende aftrekbare kosten, bedoeld in artikel 37 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. +1°. het bedrag, genoemd in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, zoals dat luidde op 31 december 2005, getotaliseerd over de kalendermaanden van het kalenderjaar, en +2°. een bedrag gelijk aan de som van het volgens artikel 15, eerste lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, zoals dat luidde op 31 december 2005, van toepassing zijnde percentage van het minimumloon, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, zoals dat luidde op 31 december 2005, over de 12 maanden aanvangende in de maand juni voorafgaand aan het jaar waarvoor het belastbare minimumloon wordt vastgesteld, +b. vermeerderd met het door de werkgever verschuldigde gedeelte van de premie voor de verzekering ingevolge de Ziekenfondswet, zoals die luidde op 31 december 2005, over de som van de hiervoor in onderdeel a bedoelde bedragen, en +c. verminderd met het bedrag van de premies die, bij een loon gelijk aan de overeenkomstig de in onderdeel a bepaalde som, bij wijze van inhouding zouden zijn geheven ingevolge de Werkloosheidswet, zoals die luidde op 31 december 2005. -**2.** Bij de toepassing van het eerste lid wordt uitgegaan van de wetten, genoemd in het eerste lid, zoals die luidden in het kalenderjaar waarvoor de draagkracht wordt berekend. +**2.** Indien ingevolge de Werkloosheidswet, zoals die luidde op 31 december 2005, een premie is ingehouden waarvan het percentage per bedrijfstak verschilt, wordt bij toepassing van het eerste lid een gemiddeld percentage gehanteerd. -**3.** Indien ingevolge een of meer van de wetten, genoemd in het eerste lid, onderdeel c, een premie wordt ingehouden waarvan het percentage per bedrijfstak verschilt, wordt bij toepassing van het eerste lid een gemiddeld percentage gehanteerd. - -**4.** Indien in de loop van het kalenderjaar de premie van een of meer van de wetten, genoemd in het eerste lid, de onderdelen b en c, wijziging ondergaat, wordt de hoogte van de premie over het gehele kalenderjaar naar evenredigheid berekend. +**3.** Indien in de loop van het kalenderjaar de premie ingevolge de Ziekenfondswet of de Werkloosheidswet, zoals die luidden op 31 december 2005, wijziging heeft ondergaan, wordt de hoogte van de premie of deze bijdrage over het gehele kalenderjaar naar evenredigheid berekend. ### Artikel 31