2003-01-01 | BWBR0002740 | Wet op belastingen van rechtsverkeer

This commit is contained in:
Coornhert 2003-01-01 12:00:00 +00:00
parent 291e75b8f2
commit bd9c6cf032

View file

@ -32,6 +32,8 @@ c. een kapitaalsbelasting.
### Artikel 3
**1.**
Als verkrijging wordt niet aangemerkt die krachtens:
a. boedelmenging, erfrecht of verjaring;
@ -40,6 +42,8 @@ c. natrekking van een zaak op het tijdstip waarop die zaak wordt aangebracht op,
Voor de toepassing van deze bepaling wordt de waarde ten minste gesteld op de kostprijs van de zaak, met inbegrip van de omzetbelasting, zoals die zou ontstaan bij de voortbrenging door een onafhankelijke derde op het tijdstip van de natrekking.
**2.** Als verkrijging als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of b, wordt niet aangemerkt hetgeen wordt verkregen krachtens de uitoefening van een wilsrecht als bedoeld in de artikelen 19, 20, 21 en 22 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek.
### Artikel 4
**1.**
@ -167,7 +171,7 @@ Onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden is van de belast
a. krachtens een levering als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van de Wet op de omzetbelasting 1968 of een dienst als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel b, slotalinea, van die wet ter zake waarvan omzetbelasting is verschuldigd, tenzij het goed als bedrijfsmiddel is gebruikt en de verkrijger de omzetbelasting op grond van artikel 15 van de Wet op de omzetbelasting 1968 geheel of gedeeltelijk in aftrek kan brengen;
b. door een of meer kinderen, pleegkinderen of kleinkinderen, of hun echtgenoten, van goederen die behoren tot en dienstbaar zijn aan een onderneming van de ouder of de grootouder, welke wat de bedrijfsvoering betreft, in haar geheel (al dan niet in fasen) door dat kind of die kinderen wordt voortgezet;
c. door de Staat, een provincie, een gemeente, een waterschap, een politieregio in de zin van artikel 21 van de Politiewet 1993, een openbaar lichaam in de zin van artikel 134 van de Grondwet, een rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam in de zin van de Wet gemeenschappelijke regelingen of een rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam, gevormd krachtens een door de Staat met een of meer andere publiekrechtelijke lichamen aangegane gemeenschappelijke regeling;
d. krachtens schenking in de zin van artikel 1703 van Boek 7A van het Burgerlijk Wetboek, met dien verstande dat de vrijstelling niet geldt ten aanzien van aandelen als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a, en dat, ingeval aan de schenking lasten zijn verbonden, de vrijstelling niet geldt tot het bedrag dat ter zake van die lasten in aftrek komt voor de heffing van het recht van schenking of het recht van overgang;
d. krachtens schenking in de zin van artikel 175, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, met dien verstande dat de vrijstelling niet geldt ten aanzien van aandelen als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a, en dat, ingeval aan de schenking lasten zijn verbonden, de vrijstelling niet geldt tot het bedrag dat ter zake van die lasten in aftrek komt voor de heffing van het recht van schenking of het recht van overgang;
e. krachtens inbreng van een onderneming in een vennootschap, in de volgende gevallen:
1°. bij inbreng in een vennootschap die geen in aandelen verdeeld kapitaal heeft, mits:
@ -189,7 +193,7 @@ k. bedoeld in de artikelen 56, 85, tweede lid, en 103, tweede lid, van de Wet op
l. krachtens de Ruilverkavelingswet 1954, de Reconstructiewet Midden-Delfland, de Herinrichtingswet Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën, de Landinrichtingswet en de Reconstructiewet concentratiegebieden;
m. door het bureau beheer landbouwgronden;
n. vervallen;
o. van terreinen en van bestaande woningen en bijbehorende gebouwen en werken door toegelaten instellingen als bedoeld in artikel 70, eerste lid, van de Woningwet;
o. door in Nederland gevestigde lichamen die de bevordering van stedelijke herstructurering ten doel hebben. Deze bepaling is van toepassing in bij regeling van Onze Minister in overeenstemming met Onze Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan te wijzen gevallen onder daarbij te stellen voorwaarden;
p. van monumenten in de zin van de Monumentenwet 1988 door in Nederland gevestigde rechtspersonen welke naar het oordeel van Onze Minister hoofdzakelijk de instandhouding van dergelijke monumenten ten doel hebben;
q. van landerijen en van de als kweek- of teeltmiddel gebruikte ondergrond van glasopstanden - of van een recht van erfpacht of beklemming daarop - tot een oppervlakte niet groter dan de oppervlakte van de naburige landerijen en van de als kweek- of teeltmiddel gebruikte ondergrond van glasopstanden welke de verkrijger reeds gedurende ten minste vijf jaar in eigendom, economische eigendom, erfpacht of beklemming heeft, mits de verkrijging in het belang is van een verbetering van de landbouwstructuur; verkrijgingen binnen een tijdsverloop van vijf jaar door dezelfde verkrijger worden als één verkrijging beschouwd;
r. krachtens herstel als is bedoeld in artikel 19;
@ -198,6 +202,7 @@ t. van landerijen en van de als kweek- of teeltmiddel gebruikte ondergrond van g
u. door Staatsbosbeheer van objecten, als bedoeld in artikel 1, onderdeel e, van de Wet verzelfstandiging Staatsbosbeheer, niet zijnde bedrijfsondersteunende onroerende zaken;
v. van landerijen en van de als kweek- of teeltmiddel gebruikte ondergrond van glasopstanden waarop de Landinrichtingswet niet van toepassing is - daaronder begrepen de rechten van erfpacht of beklemming daarop - bij hervestiging van het landbouwbedrijf van de verkrijger, indien landerijen en als kweek- of teeltmiddel gebruikte ondergrond van glasopstanden waarop de Landinrichtingswet van toepassing is, worden afgestaan. Deze bepaling is van toepassing voor zover de belasting is verschuldigd over een bedrag gelijk aan de - met overeenkomstige toepassing van artikel 11 bepaalde - waarde van de afgestane landerijen en van de als kweek- of teeltmiddel gebruikte ondergrond van glasopstanden;
w. van landerijen en van ondergrond van glasopstanden - daaronder begrepen de rechten van erfpacht of beklemming daarop - bij hervestiging van een glastuinbouwbedrijf door de verkrijger indien de door hem afgestane landerijen en ondergrond van glasopstanden worden aangewend ter verbetering van de bedrijfsstructuur van het glastuinbouwbedrijf van de verkrijger van die afgestane gronden. Deze bepaling is van toepassing voor zover de belasting is verschuldigd over een bedrag gelijk aan de - met overeenkomstige toepassing van artikel 11 bepaalde - waarde van de afgestane landerijen en ondergrond van de glasopstanden, in bij regeling van Onze Minister in overeenstemming met de Minister van Landbouw, Visserij en Natuurbeheer aan te wijzen gevallen en onder daarbij te stellen voorwaarden.
x. krachtens uitoefening van een wilsrecht als bedoeld in de artikelen 19 , 20, 21en 22 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek, voorzover de totale waarde van de verkrijging uit de nalatenschap niet meer bedraagt dan het bedrag van de geldvordering, bedoeld in artikel 13, derde lid, van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek, vermeerderd met de rentevergoeding waarmee ingevolge artikel 1, tweede of vierde lid, van de Successiewet 1956 voor de heffing van het recht van successie rekening is gehouden. Voor de toepassing van de vorige volzin blijft bij het bepalen van de waarde van een verkrijging een door de ouder of stiefouder op grond van artikel 19, onderscheidenlijk artikel 21, van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek voorbehouden vruchtgebruik buiten beschouwing.
**2.** Ingeval bodembestanddelen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel *j*, of de waarde daarvan alsnog aan de verkrijger ten goede komen, wordt zulks beschouwd als een verkrijging in de zin van artikel 2.
@ -412,7 +417,7 @@ e. het zich vestigen in Nederland van een lichaam, tenzij dat lichaam in een van
**4.** In het geval van toekenning van een aandelenoptierecht aan een werknemer wordt als gestort aangemerkt het bedrag, bedoeld in artikel 9, derde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 vermeerderd met het bedrag dat de werknemer ter zake in rekening wordt gebracht, en wordt als tijdstip van storting aangemerkt het tijdstip, bedoeld in genoemd artikel 9, derde lid.
**5.** Voor de waardering van effecten die zijn genoteerd aan de Euronext effectenbeurs te Amsterdam wordt de waarde in het economische verkeer gesteld op de slotnotering die is vermeld in de Officiële prijscourant, uitgegeven door AEX-Data services, geldende voor de dag waarnaar de waarde moet worden bepaald.
**5.** Voor de effecten die zijn opgenomen in een prijscourant, aangewezen krachtens artikel 5.21 van Wet inkomstenbelasting 2001, wordt de waarde in het economische verkeer gesteld op de slotnotering die is vermeld in de prijscourant die betrekking heeft op de dag waarnaar de waarde moet worden bepaald, dan wel, indien geen prijscourant betrekking heeft op die dag, de slotnotering die is vermeld in de prijscourant die betrekking heeft op de laatste beursdag voorafgaande aan de dag waarnaar de waarde moet worden bepaald.
### Afdeling 3. Tarief en vrijstellingen