2001-07-18 | BWBR0012022 | Besluit bovenwettelijke werkloosheidsuitkering politie
This commit is contained in:
parent
ed8b1fb70c
commit
bf2409e9d3
1 changed files with 38 additions and 146 deletions
|
|
@ -18,12 +18,12 @@ citeertitel: Besluit bovenwettelijke werkloosheidsuitkering politie
|
|||
|
||||
In dit besluit wordt verstaan onder:
|
||||
|
||||
a. bevoegd gezag: het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie;
|
||||
b. betrokkene: de ambtenaar, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel i, van het Besluit algemene rechtspositie politie, met uitzondering van de vrijwillige ambtenaar, die als gevolg van ontslag verleend op grond van de artikelen 89, eerste tot en met derde lid, 90, eerste, tweede en achtste lid, 91, eerste lid, 92, of 94, eerste lid, onderdelen e, f of g, van het Besluit algemene rechtspositie politie werkloos is geworden in de zin van de Werkloosheidswet;
|
||||
a. bevoegd gezag: het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel k, van het Besluit algemene rechtspositie politie;
|
||||
b. betrokkene: de ambtenaar, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel h, van het Besluit algemene rechtspositie politie, die als gevolg van ontslag verleend op grond van de artikelen 89, eerste tot en met vierde lid, 90, eerste en derde tot en met elfde lid, 91, eerste lid, 92, of 94, eerste lid, onderdeel e of f, van het Besluit algemene rechtspositie politie werkloos is geworden in de zin van de Werkloosheidswet;
|
||||
c. aanvullende uitkering: de aanvullende uitkering bedoeld in hoofdstuk 2;
|
||||
d. aansluitende uitkering: de aansluitende uitkering bedoeld in hoofdstuk 3;
|
||||
e. bovenwettelijke uitkering: de aanvullende en aansluitende uitkering gezamenlijk;
|
||||
f. dagloon: het dagloon als bedoeld in artikel 1b van de Werkloosheidswet, voor zover het betreft het loon dat betrokkene verdiende in de betrekking bij de politie waaruit hij werkloos is geworden, met uitzondering van het bedrag, bedoeld in artikel 17 van de Wet financiering sociale verzekeringen met betrekking tot een loontijdvak van een dag, waarbij, in het geval sprake is van partieel uittreden of ouderschapsverlof als bedoeld in artikel 13a respectievelijk 41 van het Besluit algemene rechtspositie politie, wordt uitgegaan van het feitelijke inkomen onmiddellijk voorafgaand aan het uittreden respectievelijk het verlof;
|
||||
f. dagloon: het dagloon in de zin van de Werkloosheidswet, met uitzondering van de maximumdagloongrens, bedoeld in artikel 9 van de Coördinatiewet Sociale Verzekering, waarbij, in het geval sprake is van partieel uittreden of ouderschapsverlof als bedoeld in artikel 13a respectievelijk 41 van het Besluit algemene rechtspositie politie, wordt uitgegaan van het feitelijke inkomen onmiddellijk voorafgaand aan het uittreden respectievelijk het verlof;
|
||||
g. diensttijd:
|
||||
|
||||
voor zover gelegen voor 1 januari 1996:
|
||||
|
|
@ -46,15 +46,10 @@ k. privatiseringsoperatie: het uitbesteden of overdragen van werkzaamheden van d
|
|||
l. privaatrechtelijke organisatie: de privaatrechtelijke organisatie die de werkzaamheden uitvoert die in het kader van een privatiseringsoperatie door de overheid zijn uitbesteed of overgedragen;
|
||||
m. privatiseringsontslag: het ontslag uit een overheidsbetrekking in het kader van een privatiseringsoperatie;
|
||||
n. WW-uitkering: een uitkering krachtens de Werkloosheidswet;
|
||||
o. ZW-uitkering: een uitkering krachtens de Ziektewet;
|
||||
p. AOW-gerechtigde leeftijd: de leeftijd, bedoeld in artikel 7a van de Algemene Ouderdomswet, waarop recht op ouderdomspensioen ontstaat;
|
||||
q. maandloon: het dagloon, vermenigvuldigd met 21,75;
|
||||
r. gerechtvaardigde aanspraak: het bedrag van de gecombineerde netto ouderdomspensioenen als bedoeld in artikel 9 van de Algemene ouderdomswet en het pensioenreglement, waarop een betrokkene aanspraak zou hebben gehad, indien de AOW-gerechtigde leeftijd en de pensioenrekenleeftijd als bedoeld in bijlage 2 bij het pensioenreglement 65 jaar zouden zijn gebleven.
|
||||
o. ZW-uitkering: een uitkering krachtens de Ziektewet.
|
||||
|
||||
**2.** Bij de bepaling van diensttijd in een aangehouden betrekking wordt in voorkomend geval de diensttijd, bedoeld in artikel D1, tweede lid, van de Algemene burgerlijke pensioenwet zoals dat luidde op 31 december 1995, mede in aanmerking genomen. Het verzoek, bedoeld in artikel D2 van genoemde wet, wordt daarbij geacht te zijn gedaan. Indien voor diensttijd die bij de berekening van de bovenwettelijke uitkering in aanmerking is genomen recht op een overheidspensioen anders dan ten laste van de Stichting Pensioenfonds ABP bestaat, worden de duur en het bedrag van de bovenwettelijke uitkering met ingang van de dag waarop dit pensioen is ingegaan herberekend, waarbij die diensttijd buiten beschouwing wordt gelaten.
|
||||
|
||||
**3.** In dit besluit wordt onder betrokkene mede verstaan: de directeur van de Politieacademie of zijn plaatsvervanger, die als gevolg van een ontslag wegens ongeschiktheid of onbekwaamheid voor de vervulde functie werkloos is geworden in de zin van de Werkloosheidswet.
|
||||
|
||||
### Artikel 2
|
||||
|
||||
**1.** Met ingang van de dag waarop het ontslag ingaat heeft de betrokkene recht op een bovenwettelijke uitkering, zoals neergelegd in hoofdstuk 2 en hoofdstuk 3 van dit besluit.
|
||||
|
|
@ -67,22 +62,7 @@ a. de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt: met een duur gelijk aan 18% v
|
|||
b. 21 jaar of ouder is: met een duur van 19,5% van de diensttijd en vervolgens per leeftijdsjaar vermeerderd met 1,5%;
|
||||
c. 60 jaar of ouder is: met een duur gelijk aan 78% van de diensttijd.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Indien uitgaande van het moment van ontslag de maximale uitkeringsduur, berekend op grond van het tweede lid, langer is dan de duur van de WW-uitkering, wordt het verschil in duur tot een maximum van twee jaar in mindering gebracht op de maximale uitkeringsduur. Vervolgens wordt:
|
||||
|
||||
a. voor elk jaar dat de diensttijd langer is dan tien jaar de duur verminderd met een halve maand, tot een maximum van 14 maanden, en
|
||||
b. voor elk jaar dat de diensttijd langer is dan achttien jaar de duur verminderd met een maand tot een maximum van 22 maanden.
|
||||
|
||||
Bij het berekenen van de vermindering van de maximale uitkeringsduur worden de maanden en de halve maanden bij elkaar opgeteld en wanneer die berekening niet leidt tot een aantal gehele maanden, telt een halve maand voor 15 kalenderdagen.
|
||||
|
||||
**4.** De vermindering van de maximale duur van de uitkering, berekend op grond van het derde lid, kan er niet toe leiden dat de duur van de uitkering korter wordt dan de duur van de WW-uitkering.
|
||||
|
||||
**5.** De duur van de uitkering van de betrokkene die ten tijde van het ontslag maximaal 7,5 jaar jonger is dan de op dat moment voor betrokkene van toepassing zijnde AOW-gerechtigde leeftijd en een diensttijd, voor zover geldig voor pensioen, van ten minste tien jaar heeft volbracht, wordt na afloop van de termijn die op basis van het tweede en derde lid is toegekend, verlengd tot de eerste dag van de kalendermaand volgend op die waarin hij de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt.
|
||||
|
||||
### Artikel 2a
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
**3.** De duur van de uitkering van de betrokkene die ten tijde van het ontslag 55 jaar of ouder is en een diensttijd, voor zover geldig voor pensioen, van ten minste tien jaar heeft volbracht, wordt na afloop van de termijn die op basis van het tweede lid is toegekend, verlengd tot de eerste dag van de kalendermaand volgend op die waarin hij de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 2. De aanvullende uitkering bij werkloosheid
|
||||
|
||||
|
|
@ -90,15 +70,15 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
**1.** De betrokkene heeft gedurende de periode dat recht bestaat op een WW-uitkering, recht op een aanvullende uitkering, met dien verstande dat het recht op een aanvullende uitkering niet eerder ingaat dan de dag waarop het ontslag in werking treedt.
|
||||
|
||||
**2.** Op de aanvullende uitkering zijn de artikelen 22 tot en met 33, 36 tot en met 40, 47, tweede en derde lid, 75, 76, 76a, 77a en 78 van de Werkloosheidswet van overeenkomstige toepassing.
|
||||
**2.** Op de aanvullende uitkering zijn de artikelen 22 tot en met 33, 36 tot en met 40, 47, tweede en derde lid, 75, 76 en 78 van de Werkloosheidswet van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**3.** De artikelen 34, 35a en 35aa van de Werkloosheidswet zijn slechts van overeenkomstige toepassing op de aanvullende uitkering indien de hoogte van de in mindering te brengen inkomsten de uitkering krachtens de Werkloosheidswet overstijgen.
|
||||
**3.** De artikelen 34 en 35 van de Werkloosheidswet zijn slechts van overeenkomstige toepassing op de aanvullende uitkering indien de hoogte van de in mindering te brengen inkomsten de uitkering krachtens de Werkloosheidswet overstijgen.
|
||||
|
||||
### Artikel 4
|
||||
|
||||
**1.** Indien de duur van de bovenwettelijke uitkering, berekend op basis van artikel 2, ten minste gelijk is aan de duur van de WW-uitkering, berekend op basis van de artikelen 42 of 52g van de Werkloosheidswet, wordt de WW-uitkering gedurende de eerste twee maanden tot 85%, gedurende de daaropvolgende tien maanden tot 80%, gedurende de daaropvolgende zes maanden tot 75% en vervolgens tot 70% van het voor de betrokkene geldende dagloon aangevuld.
|
||||
**1.** Indien de duur van de bovenwettelijke uitkering, berekend op basis van artikel 2, ten minste gelijk is aan de duur van de WW-uitkering, berekend op basis van de artikelen 42 en 49, of 52g van de Werkloosheidswet, wordt de WW-uitkering gedurende de eerste twaalf maanden tot 80%, gedurende de daaropvolgende zes maanden tot 75% en vervolgens tot 70% van het voor de betrokkene geldende dagloon aangevuld.
|
||||
|
||||
**2.** Indien de duur van de bovenwettelijke uitkering, berekend op basis van artikel 2, korter is dan de duur van de WW-uitkering, berekend op basis van de artikelen 42 of 52g van de Werkloosheidswet, wordt de uitkering, bedoeld in de artikelen 42 of 52g van de Werkloosheidswet, gedurende de eerste twee maanden tot 85%, gedurende de daaropvolgende tien maanden tot 80%, gedurende de daarop volgende zes maanden tot 75% en vervolgens tot 70% aangevuld.
|
||||
**2.** Indien de duur van de bovenwettelijke uitkering, berekend op basis van artikel 2, korter is dan de duur van de WW-uitkering, berekend op basis van de artikelen 42 en 49, of 52g van de Werkloosheidswet, wordt de uitkering, bedoeld in de artikelen 42 of 52g van de Werkloosheidswet, gedurende de eerste twaalf maanden tot 80%, gedurende de daarop volgende zes maanden tot 75% en vervolgens tot 70% aangevuld. De vervolguitkering, bedoeld in artikel 49 van de Werkloosheidswet, wordt tot 100% van het minimumloon aangevuld, met dien verstande dat deze nooit meer bedraagt dan 70% van het dagloon.
|
||||
|
||||
**3.** Voor de toepassing van dit artikel wordt de WW-uitkering steeds geacht door de betrokkene onverminderd te zijn genoten.
|
||||
|
||||
|
|
@ -112,9 +92,9 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
### Artikel 6
|
||||
|
||||
**1.** Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de betrokkene wordt de uitkering, bedoeld in artikel 35 of 36 van de Ziektewet, aangevuld tot 100% van het voor de betrokkene geldende dagloon over drie maanden.
|
||||
**1.** Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de betrokkene wordt de uitkering, bedoeld in artikel 35 van de Ziektewet, aangevuld tot 100% van het voor de betrokkene geldende dagloon over drie maanden.
|
||||
|
||||
**2.** Voor de toepassing van het eerste lid wordt de betrokkene geacht steeds onverminderd ziekengeld te hebben genoten.
|
||||
**2.** Voor de toepassing van het eerste lid wordt de uitkering krachtens de Ziektewet steeds geacht onverminderd door de betrokkene te zijn genoten.
|
||||
|
||||
### Artikel 7
|
||||
|
||||
|
|
@ -128,33 +108,19 @@ Indien ten aanzien van de WW-uitkering of de ZW-uitkering een verplichting of ee
|
|||
|
||||
**2.** Het eerste lid vindt uitzondering, indien de betrokkene gedurende de periode van werkloosheid recht heeft gehad op een aanvullende uitkering bij ziekte op grond van artikel 5.
|
||||
|
||||
**3.** Op de aansluitende uitkering zijn de artikelen 19 tot en met 40, 47, tweede en derde lid, 75, 76, 76a, 77a en 78 van de Werkloosheidswet van overeenkomstige toepassing.
|
||||
**3.** Op de aansluitende uitkering zijn de artikelen 19 tot en met 40, 47, tweede en derde lid, 75, 76 en 78 van de Werkloosheidswet van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**4.** Het recht op aansluitende uitkering eindigt na ommekomst van de duur van de aansluitende uitkering, maar uiterlijk op de eerste dag van de kalendermaand volgend op die waarin de betrokkene de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt.
|
||||
**4.** Het recht op aansluitende uitkering eindigt na ommekomst van de duur van de aansluitende uitkering, maar uiterlijk op de eerste dag van de kalendermaand volgend op die waarin de betrokkene de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt.
|
||||
|
||||
**5.** De duur van de aansluitende uitkering is de op het moment van ontslag berekende uitkeringsduur op basis van artikel 2 verminderd met de terzake van dat ontslag berekende uitkeringsduur krachtens de Werkloosheidswet.
|
||||
**5.** De duur van de aansluitende uitkering is de op het moment van ontslag berekende uitkeringsduur op basis van artikel 2, eerste en tweede lid, verminderd met de terzake van dat ontslag berekende uitkeringsduur krachtens de Werkloosheidswet.
|
||||
|
||||
### Artikel 9
|
||||
|
||||
**1.** De aansluitende uitkering bedraagt tot uiterlijk twee maanden na de dag waarop het ontslag ingaat 85%, gedurende de daaropvolgende tien maanden 80%, gedurende de daaropvolgende zes maanden 75% en vervolgens 70% van het voor betrokkene geldende dagloon.
|
||||
**1.** De aansluitende uitkering bedraagt tot uiterlijk twaalf maanden na de dag waarop het ontslag ingaat 80%, gedurende de daaropvolgende zes maanden 75% en vervolgens 70% van het voor hem geldende dagloon. Gedurende de verlenging, bedoeld in artikel 2, derde lid, is de uitkering gelijk aan 70% van het dagloon.
|
||||
|
||||
**2.** Gedurende de verlenging, bedoeld in artikel 2, vijfde lid, is de uitkering gelijk aan 70% van het voor betrokkene geldende dagloon.
|
||||
**2.** Bij de toepassing van het eerste lid wordt rekening gehouden met de termijn waarin de betrokkene reeds recht heeft gehad op aanvullende uitkering.
|
||||
|
||||
**3.** In afwijking van het tweede lid is de uitkering van de betrokkene, bedoeld in artikel 2, vijfde lid, gelijk aan 50% van het voor betrokkene geldende dagloon vanaf het moment dat hij de leeftijd van 63 jaar en twee maanden heeft bereikt. De uitkering is in ieder geval gelijk aan het minimumloon in evenredigheid met de betrekkingsomvang van betrokkene op het moment van het ontslag.
|
||||
|
||||
**4.** Bij de toepassing van het eerste lid wordt rekening gehouden met de termijn waarin de betrokkene reeds recht heeft gehad op aanvullende uitkering.
|
||||
|
||||
**5.** Ten aanzien van de hoogte van de aansluitende uitkering is artikel 47, tweede en derde lid, van de Werkloosheidswet van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 9a
|
||||
|
||||
**1.** In afwijking van artikel 8, derde lid, zijn de artikelen 20, eerste lid, onder b, 35a en 35aa van de Werkloosheidswet niet van overeenkomstige toepassing op de betrokkene, op wie artikel 9, derde lid van toepassing is.
|
||||
|
||||
**2.** De inkomsten die de betrokkene, op wie artikel 9, derde lid, van toepassing is, geniet of gaat genieten uit of in verband met arbeid of bedrijf, worden in mindering gebracht op de uitkering.
|
||||
|
||||
**3.** De in het tweede lid bedoelde vermindering is gelijk aan het bedrag waarmee de onverminderde uitkering van 50% van het voor hem geldende dagloon, vermeerderd met het totaalbedrag van de inkomsten, het voor hem geldende dagloon te boven gaat.
|
||||
|
||||
**4.** Inkomsten als bedoeld in het tweede lid, die geacht worden op één maand betrekking te hebben of geacht kunnen worden te hebben, worden in mindering gebracht op de uitkering over die maand.
|
||||
**3.** Ten aanzien van de hoogte van de aansluitende uitkering zijn de artikelen 45 en 47, tweede en derde lid, van de Werkloosheidswet en artikel 34 van de Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid en de daarop gebaseerde dagloonregels van toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 10
|
||||
|
||||
|
|
@ -166,17 +132,23 @@ Indien ten aanzien van de WW-uitkering of de ZW-uitkering een verplichting of ee
|
|||
|
||||
### Artikel 11
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
**1.** De betrokkene die ter zake van ontslag recht heeft op een suppletie als bedoeld in het Besluit suppletieregeling gedeeltelijk arbeidsongeschikten sector politie, heeft gedurende de termijn dat hij recht heeft op die suppletie, geen recht op een bovenwettelijke uitkering krachtens dit besluit.
|
||||
|
||||
**2.** De betrokkene, bedoeld in het eerste lid, heeft met ingang van de eerste dag volgende op die waarop de duur van de suppletie is geëindigd, recht op een bovenwettelijke uitkering krachtens dit besluit, indien de duur van de bovenwettelijke uitkering waarop betrokkene krachtens dit besluit recht zou hebben gehad indien hij geen recht op suppletie zou hebben gehad, langer is dan de duur van de suppletie.
|
||||
|
||||
**3.** Ter bepaling van de hoogte en de duur van de bovenwettelijke uitkering, wordt de uitkering geacht te zijn ingegaan vanaf de datum van het ontslag, bedoeld in het eerste lid.
|
||||
|
||||
**4.** Het recht op bovenwettelijke uitkering eindigt na ommekomst van de duur van de bovenwettelijke uitkering.
|
||||
|
||||
### Artikel 12
|
||||
|
||||
**1.** De betrokkene die ter zake van ontslag wegens ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte recht heeft op een uitkering krachtens de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, heeft recht op een bovenwettelijke uitkering krachtens dit besluit op het moment dat de mate van arbeidsongeschiktheid op een lager percentage wordt vastgesteld dan 80% en hij daardoor recht heeft op een WW-uitkering. Indien de uitkering krachtens de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, bedoeld in de eerste volzin, is ontstaan uit twee of meer dienstbetrekkingen wordt het recht op bovenwettelijke uitkering krachtens dit besluit toegerekend aan de dienstbetrekking ter zake waarvan hij betrokkene is in de zin van dit besluit, naar rato van de feitelijk genoten inkomsten op grond van de desbetreffende dienstbetrekkingen.
|
||||
**1.** De betrokkene die ter zake van ontslag wegens ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte recht heeft op een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, heeft recht op een bovenwettelijke uitkering krachtens dit besluit op het moment dat de mate van arbeidsongeschiktheid op een lager percentage wordt vastgesteld dan 80% en hij daardoor recht heeft op een WW-uitkering. Indien de uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, bedoeld in de eerste volzin, is ontstaan uit twee of meer dienstbetrekkingen wordt het recht op bovenwettelijke uitkering krachtens dit besluit toegerekend aan de dienstbetrekking ter zake waarvan hij betrokkene is in de zin van dit besluit, naar rato van de feitelijk genoten inkomsten op grond van de desbetreffende dienstbetrekkingen.
|
||||
|
||||
**2.** Ter bepaling van de hoogte en de duur van de bovenwettelijke uitkering, wordt uitgegaan van de datum van het ontslag, bedoeld in het eerste lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 13
|
||||
|
||||
**1.** Indien het recht op een bovenwettelijke uitkering geheel is geëindigd wegens het aanvaarden van een nieuwe dienstbetrekking en de betrokkene wederom werkloos is geworden in de zin van de Werkloosheidswet, herleeft op zijn aanvraag het recht op een bovenwettelijke uitkering voor zover een nieuw recht op een WW-uitkering is ontstaan.
|
||||
**1.** Indien het recht op een bovenwettelijke uitkering geheel of gedeeltelijk is geëindigd wegens het aanvaarden van een nieuwe dienstbetrekking en de betrokkene wederom werkloos is geworden in de zin van de Werkloosheidswet, herleeft op zijn aanvraag het recht op een bovenwettelijke uitkering voor zover een nieuw recht op een WW-uitkering is ontstaan.
|
||||
|
||||
**2.** De betrokkene die onmiddellijk aansluitend aan zijn ontslag een nieuwe dienstbetrekking heeft aanvaard en die werkloos is geworden in de zin van de Werkloosheidswet, heeft op zijn aanvraag recht op een bovenwettelijke uitkering krachtens dit besluit voor zover een recht op een WW-uitkering zou zijn ontstaan op het moment van ontslagverlening en voor zover een recht op WW-uitkering bestaat op het moment van werkloos worden, met ingang van de eerste dag waarop recht op WW-uitkering is ontstaan.
|
||||
|
||||
|
|
@ -188,51 +160,27 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
### Artikel 14
|
||||
|
||||
**1.** De betrokkene die een nieuwe dienstbetrekking aanvaardt, kan op zijn aanvraag gedurende de op basis van artikel 2 voor hem vastgestelde uitkeringsduur een loonaanvulling krijgen, indien de door hem ontvangen WW-uitkering, bovenwettelijke uitkering en het inkomen uit de nieuwe dienstbetrekking per maand tezamen minder bedragen dan het maandloon.
|
||||
**1.** De betrokkene van wie het recht op uitkering geheel of gedeeltelijk is beëindigd wegens het aanvaarden van een nieuwe dienstbetrekking, ontvangt op zijn aanvraag gedurende de op basis van artikel 2 voor hem vastgestelde uitkeringsduur voor zover deze nog niet is verstreken, een loonaanvulling, indien het dagloon in de nieuwe betrekking minder bedraagt dan het dagloon uit de betrekking waaruit hij werkloos is geworden.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Het maximum bedrag tot waaraan loonaanvulling plaatsvindt, wordt als volgt berekend:
|
||||
|
||||
a. (B/C) x (D x E) = F
|
||||
b. (G/C) x E – H = I
|
||||
c. F + H + I = J
|
||||
|
||||
Hierbij staat voor:
|
||||
|
||||
B het aantal uren werkloosheid dat zou resteren, indien het recht zou zijn beëindigd op basis van het aantal uren van de nieuwe dienstbetrekking;
|
||||
|
||||
C het aantal arbeidsuren dat betrokkene gemiddeld per week in de politiedienstbetrekking werkzaam was in de 26 weken onmiddellijk voorafgaand aan de kalenderweek waarin de eerste werkloosheidsdag is gelegen;
|
||||
|
||||
D het voor betrokkene geldende uitkeringspercentage van de bovenwettelijke uitkering;
|
||||
|
||||
E het maandloon;
|
||||
|
||||
F het bedrag van de uitkering waarop bij urenverrekening aanspraak had bestaan;
|
||||
|
||||
G het aantal uren van de nieuwe dienstbetrekking, waarbij geldt dat indien G groter is dan C, G wordt gemaximeerd op C;
|
||||
|
||||
H het inkomen per maand uit de nieuwe dienstbetrekking;
|
||||
|
||||
I de loonsuppletie waarop bij urenverrekening aanspraak had bestaan;
|
||||
|
||||
J het maximum bedrag tot waaraan per maand loonaanvulling plaatsvindt.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
De loonaanvulling eindigt:
|
||||
|
||||
a. zodra de nieuwe dienstbetrekking eindigt;
|
||||
b. zodra het totaal aan WW-uitkering, bovenwettelijke uitkering en inkomen uit de nieuwe dienstbetrekking per maand gelijk aan of hoger is dan het maandloon; of
|
||||
c. zodra de voor betrokkene op basis van artikel 2 vastgestelde uitkeringsduur is verstreken.
|
||||
a. zodra de betrokkene opnieuw volledig werkloos wordt;
|
||||
b. zodra het dagloon in de nieuwe betrekking gelijk is aan dan wel hoger is dan het dagloon uit de betrekking op grond waarvan het recht op uitkering bestond; of
|
||||
c. zodra de voor betrokkene geldende uitkeringsduur is verstreken.
|
||||
|
||||
**4.** Betrokkene dient een aanvraag om loonaanvulling in binnen drie maanden na het aanvaarden van de nieuwe dienstbetrekking door middel van een daarvoor bestemd formulier. Bij overschrijding van deze termijn wordt de loonaanvulling toegekend vanaf het moment dat de aanvraag is ingediend.
|
||||
**3.** De hoogte van de loonaanvulling is gelijk aan het verschil tussen het dagloon in zijn nieuwe betrekking en het dagloon van de betrekking waaruit de betrokkene werkloos is geworden.
|
||||
|
||||
**5.** De loonaanvulling telt niet mee voor de berekening van het pensioen.
|
||||
**4.** De loonaanvulling wordt proportioneel toegekend, indien de omvang van de nieuwe betrekking minder bedraagt dan de betrekking waaruit de betrokkene is ontslagen. Indien de omvang van de nieuwe betrekking groter is dan de omvang van de betrekking waaruit de betrokkene is ontslagen, bedraagt de hoogte van de loonaanvulling het feitelijke verschil in dagloon tussen de oude en de nieuwe betrekking.
|
||||
|
||||
**5.** Betrokkene dient een aanvraag om loonaanvulling in binnen drie maanden na het aanvaarden van de nieuwe betrekking door middel van een daarvoor bestemd formulier. Bij overschrijding van deze termijn wordt de loonaanvulling toegekend vanaf het moment dat de aanvraag is ingediend.
|
||||
|
||||
**6.** De loonaanvulling telt niet mee voor de berekening van het pensioen.
|
||||
|
||||
### Artikel 15
|
||||
|
||||
Aan de betrokkene die buiten de sector politie arbeid gaat verrichten, kan inzake de kosten die voor hem aan een daartoe noodzakelijke verhuizing zijn verbonden, op zijn aanvraag een tegemoetkoming worden toegekend tot ten hoogste het bedrag van een vergoeding volgens de normen van hoofdstuk IV van het Besluit reis-, verblijf-, en verhuiskosten politie onder verrekening van een tegemoetkoming in verhuiskosten door derden.
|
||||
Aan de betrokkene die buiten de sector politie arbeid gaat verrichten, kan inzake de kosten die voor hem aan een daartoe noodzakelijke verhuizing zijn verbonden, op zijn aanvraag een tegemoetkoming worden toegekend tot ten hoogste het bedrag van een vergoeding volgens de normen van het Besluit vergoeding verplaatsingskosten politie onder verrekening van een tegemoetkoming in verhuiskosten door derden.
|
||||
|
||||
### Artikel 16
|
||||
|
||||
|
|
@ -244,7 +192,7 @@ Het bevoegd gezag kan de betrokkene op zijn aanvraag tegemoetkomen in de pensioe
|
|||
|
||||
### Artikel 18
|
||||
|
||||
Indien het niveau van de WW-uitkering een algemene verlaging ondergaat, wordt deze verlaging, behoudens indien Onze Minister van Veiligheid en Justitie met de Commissie voor georganiseerd overleg in politie-ambtenarenzaken, bedoeld in artikel 2 van het Besluit overleg en medezeggenschap politie 1994, overeenstemming bereikt binnen de looptijd van het vigerende arbeidsvoorwaardenakkoord, op overeenkomstige wijze doorgevoerd ten aanzien van het totaal aan wettelijke en bovenwettelijke aanspraken van de betrokkene, vanaf de in het Staatsblad vermelde datum van inwerkingtreding van bedoelde verlaging, doch niet eerder dan de eerste dag na de einddatum van het vigerende arbeidsvoorwaardenakkoord.
|
||||
Indien het niveau van de WW-uitkering een algemene verlaging ondergaat, wordt deze verlaging, behoudens indien Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties met de Commissie voor georganiseerd overleg in politie-ambtenarenzaken, bedoeld in artikel 2 van het Besluit overleg en medezeggenschap politie 1994, overeenstemming bereikt binnen de looptijd van het vigerende arbeidsvoorwaardenakkoord, op overeenkomstige wijze doorgevoerd ten aanzien van het totaal aan wettelijke en bovenwettelijke aanspraken van de betrokkene, vanaf de in het Staatsblad vermelde datum van inwerkingtreding van bedoelde verlaging, doch niet eerder dan de eerste dag na de einddatum van het vigerende arbeidsvoorwaardenakkoord.
|
||||
|
||||
### Artikel 19
|
||||
|
||||
|
|
@ -284,62 +232,6 @@ Wijzigt het Besluit vergoeding verplaatsingskosten politie.
|
|||
|
||||
Ontslaguitkeringen die zijn toegekend op de voet van de bepalingen van het Rijkswachtgeldbesluit 1959 en de Uitkeringsregeling 1966, zoals die luidden op 1 januari 1998, blijven uitsluitend voor wat betreft hoogte, duur en voor wat betreft de anticumulatie, indien de betrokkene in de zes maanden voorafgaand aan 1 januari 2001 gedurende ten minste drie maanden neveninkomsten uit arbeid of bedrijf heeft genoten, gedurende tien jaren dan wel, indien betrokkene op 31 december 2000 50 jaar of ouder is, gedurende maximaal 15 jaar, behouden gedurende de duur van de uitkering.
|
||||
|
||||
### Artikel 26a
|
||||
|
||||
Indien de betrokkene van wie de eerste werkloosheidsdag is gelegen voor 1 januari 2005 uitsluitend als gevolg van de Wet van 19 december 2003 tot wijziging van de Werkloosheidswet in verband met afschaffing van de vervolguitkering (Stb. 546) geen aanspraak meer heeft op een vervolguitkering ingevolge de Werkloosheidswet, en de voor hem met toepassing van artikel 8, vijfde lid, vastgestelde duur van de aansluitende uitkering korter is dan de duur van de afgeschafte vervolguitkering krachtens de Werkloosheidwet, wordt in afwijking van artikel 8, vijfde lid, de duur van de aansluitende uitkering gesteld op de duur van die afgeschafte vervolguitkering.
|
||||
|
||||
### Artikel 26b
|
||||
|
||||
De artikelen 2 en 8 van dit besluit zoals deze luidden op 31 december 2004 blijven van toepassing op de betrokkene van wie de eerste werkloosheidsdag is gelegen voor 1 januari 2005.
|
||||
|
||||
### Artikel 26c
|
||||
|
||||
De artikelen 2, 4 en 9 van dit besluit zoals deze luidden op 31 december 2010, blijven van toepassing op de betrokkene van wie de eerste werkloosheidsdag is gelegen voor 1 januari 2011.
|
||||
|
||||
### Artikel 26ca
|
||||
|
||||
Het artikel 2 van dit besluit, zoals dat luidde op de dag direct voorafgaande aan de datum van inwerkingtreding van onderhavig artikel, blijft van toepassing op de betrokkene van wie de eerste werkloosheidsdag is gelegen voor die datum. In dat geval is artikel 2a niet op betrokkene van toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 26cb
|
||||
|
||||
De artikelen 2, vierde lid, en 8, vierde lid, zoals die luidden op 30 juni 2016, blijven van toepassing ingeval de betrokkene:
|
||||
|
||||
a. op 1 juli 2016 gebruik maakt van de regelingen vervat in die artikelonderdelen, of
|
||||
b. in de periode op of na 1 januari 2013 tot uiterlijk 1 juli 2016 gebruik heeft gemaakt van die regelingen.
|
||||
|
||||
### Artikel 26cc
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De betrokkene, bedoeld in artikel 26cb, heeft bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar:
|
||||
|
||||
a. vóór 1 april 2017, recht op de financiële compensatie als bedoeld in het tweede lid;
|
||||
b. op of na 1 april 2017, recht op de tegemoetkoming als bedoeld in het derde lid.
|
||||
|
||||
**2.** De financiële compensatie wordt berekend door het aantal maanden dat de AOW-gerechtigde leeftijd van de betrokkene later ligt dan de datum waarop deze de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt te vermenigvuldigen met 70% van het bedrag van het minimumloon, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
De tegemoetkoming bestaat uit:
|
||||
|
||||
a. een uitkering die netto een bedrag oplevert dat gelijk is aan het ouderdomspensioen, verhoogd met de vakantiebijslag, dat de betrokkene op grond van de Algemene ouderdomswet had ontvangen, indien die wet al op hem van toepassing was geweest;
|
||||
b. een financiële compensatie voor de verlaging van het ouderdomspensioen, als bedoeld in hoofdstuk 5 van het pensioenreglement, wegens het eerder ingaan van dit pensioen dan de op dat moment geldende pensioenrekenleeftijd, als bedoeld in de bijlage 2 bij het pensioenreglement, waarbij voor de vaststelling van de omvang van de verlaging wordt uitgegaan van een ingang van het ouderdomspensioen bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar door de betrokkene;
|
||||
c. een aanvullend bedrag voor zover de op grond van de onderdelen a en b vastgestelde aanspraken tezamen minder bedragen dan 90 procent van de gerechtvaardigde aanspraak.
|
||||
|
||||
**4.** De tegemoetkoming wordt met ingang van het bereiken van de leeftijd van 65 jaar maandelijks uitgekeerd en eindigt met ingang van de dag waarop de betrokkene de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt, waarbij geldt dat het op grond van het derde lid, onderdeel b, berekende totaal in die periode wordt uitgekeerd. Indien de betrokkene overlijdt voordat hij de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt, eindigt de tegemoetkoming met ingang van de dag volgend op de dag van overlijden.
|
||||
|
||||
**5.** De aan de in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde betrokkene op grond van artikel V, van het Besluit van 21 juni 2016 tot wijziging van het Besluit algemene rechtspositie politie en enkele andere rechtspositionele regelingen ter formalisering van de Uitvoeringsafspraak sector Politie van 5 juni 2015 eerder uitbetaalde financiële compensatie, wordt geacht op grond van het tweede lid te zijn toegekend.
|
||||
|
||||
**6.** De in het derde lid bedoelde tegemoetkoming wordt verminderd met de financiële compensatie die de betrokkene, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, heeft ontvangen op grond van artikel V, van het Besluit van 21 juni 2016 tot wijziging van het Besluit algemene rechtspositie politie en enkele andere rechtspositionele regelingen ter formalisering van de Uitvoeringsafspraak sector Politie van 5 juni 2015.
|
||||
|
||||
### Artikel 26d
|
||||
|
||||
Dit besluit berust op de de artikelen 47, eerste lid, en 81, eerste lid, van de Politiewet 2012.
|
||||
|
||||
### Artikel 26da
|
||||
|
||||
Voor de ambtenaar die voor 1 januari 2006 recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, blijft het Besluit bovenwettelijke werkloosheidsuitkering politie gelden, zoals dat luidde op 28 december 2005.
|
||||
|
||||
### Artikel 27
|
||||
|
||||
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit bovenwettelijke werkloosheidsuitkering politie.
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue