diff --git a/amvb/besluit-natuurbescherming/BWBR0038662/README.md b/amvb/besluit-natuurbescherming/BWBR0038662/README.md index 4a277faf736..6c163750660 100644 --- a/amvb/besluit-natuurbescherming/BWBR0038662/README.md +++ b/amvb/besluit-natuurbescherming/BWBR0038662/README.md @@ -18,20 +18,15 @@ citeertitel: Besluit natuurbescherming In dit besluit wordt verstaan onder: -– *bouwactiviteit:* activiteit inhoudende het bouwen van een bouwwerk; -– *bouwen:* plaatsen, geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen, veranderen of vergroten; -– *bouwwerk:* constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren, met inbegrip van de daarvan deel uitmakende bouwwerkgebonden installaties anders dan een schip dat wordt gebruikt voor verblijf van personen en dat is bestemd en wordt gebruikt voor de vaart; – *depositieruimte:* ruimte, uitgedrukt in mol stikstof per hectare per jaar, die in het kader van het programma, bedoeld in artikel 2.1, beschikbaar is voor stikstofdepositie op een in het programma opgenomen Natura 2000-gebied die het gevolg is van wijziging of uitbreiding van bestaande activiteiten of het gevolg is van de realisatie van nieuwe projecten of verrichting van nieuwe andere handelingen; – *jachtexamen:* jachtexamen als bedoeld in artikel 3.28, tweede lid, onderdeel a, van de wet; – *korpschef:* korpschef als bedoeld in artikel 27 van de Politiewet 2012; – *ontwikkelingsruimte:* deel van de depositieruimte dat, met inachtneming van de in voorkomend geval op grond van artikel 2.7, derde lid, gestelde regels, beschikbaar is voor toedeling in of reservering voor besluiten als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid; – *CITES-basisverordening:* - verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van de Europese Unie van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer (PbEG L 61); + verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van de Europese Unie van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer (PbEG L 61); – *CITES-uitvoeringsverordening:* - verordening (EG) nr. 865/2006 van de Commissie van 6 mei 2006, houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer (PbEU 2006, L 166); -– *sloopactiviteit:* activiteit inhoudende het slopen van een bouwwerk; -– *slopen:* geheel of gedeeltelijk afbreken of uit elkaar nemen; -– *Verordening invasieve uitheemse soorten:* verordening (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 oktober 2014 betreffende de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten (PbEU L 317); + verordening (EG) nr. 865/2006 van de Commissie van 6 mei 2006, houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer (PbEU 2006, L 166); +– *Verordening invasieve uitheemse soorten:* verordening (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 oktober 2014 betreffende de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten (PbEU L 317); – *voor stikstof gevoelige habitats:* voor stikstof gevoelige leefgebieden voor vogelsoorten, natuurlijke habitats en habitats van soorten waarvoor een instandhoudingsdoelstelling geldt; – *wet:* Wet natuurbescherming. @@ -55,7 +50,7 @@ a. aanleg, uitbreiding en, voor zover van toepassing, inrichting, alsmede wijzig 3°. militaire terreinen en oefengebieden, alsmede de inrichtingen, bedoeld in categorie 29 van bijlage I, onder C, bij het Besluit omgevingsrecht; 4°. militaire luchthavens, de luchthaven Schiphol en overige burgerluchthavens van nationale betekenis als bedoeld in artikel 8.1, tweede lid, van de Wet luchtvaart; 5°. het landelijke gastransportnet, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel n, van de Gaswet; -6°. hoogspanningsverbindingen met een spanning van ten minste 220 kV en de daarmee verbonden schakel- en transformatorstations en andere hulpmiddelen; +6°. hoogspanningsverbindingen met een spanning van ten minste 220 kV en de daarmee verbonden schakel- en transformatorstations en andere hulpmiddelen; b. activiteiten ten aanzien van: 1°. het voorkomen of tegengaan van landwaartse verplaatsing van de kustlijn als bedoeld in artikel 2.7 van de Waterwet; @@ -70,11 +65,11 @@ f. uitoefening van de volgende vormen van visserij: 2°. sleepnetvisserij in zoute wateren; g. lozing van afvalwater in de Waddenzee; h. activiteiten van buitenlandse mogendheden; -i. activiteiten die direct het op 19 april 1839 te Londen gesloten Tractaat tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België betreffende de scheiding der wederzijdse grondgebieden (Trb. 1966, nr. 161) raken; +i. activiteiten die direct het op 19 april 1839 te Londen gesloten Tractaat tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België betreffende de scheiding der wederzijdse grondgebieden (Trb. 1966, nr. 161) raken; j. activiteiten van of namens een lid van het Koninklijk Huis, en k. activiteiten die geheel of grotendeels plaatsvinden in: -1°. het grensgebied, bedoeld in artikel 1 van de op 14 mei 1962 te Bennekom tot stand gekomen aanvullende Overeenkomst bij het Eems-Dollardverdrag (Trb. 1962, nr. 54); +1°. het grensgebied, bedoeld in artikel 1 van de op 14 mei 1962 te Bennekom tot stand gekomen aanvullende Overeenkomst bij het Eems-Dollardverdrag (Trb. 1962, nr. 54); 2°. de exclusieve economische zone van Nederland, bedoeld in de Rijkswet instelling exclusieve economische zone, of 3°. andere niet-provinciaal ingedeelde gebieden. @@ -93,10 +88,9 @@ c. 4.2, eerste, tweede en derde lid, 4.3, derde lid, en 4.5, eerste, derde en vi Als categorieën van handelingen als bedoeld in artikel 1.3, vijfde lid, onderdeel a, van de wet worden aangewezen: a. het vervoeren van zieke of gewonde dieren in een dierenambulance; -b. het zich toe-eigenen en onder zich hebben van een dood uit het wild afkomstig dier, dat buiten schuld of medeweten is gestorven van degene die zich het dier toe-eigent, met het oog op het prepareren ervan; -c. het onder zich hebben van een geprepareerd uit het wild afkomstig dier. +b. het zich toe-eigenen en onder zich hebben van een dood uit het wild afkomstig dier, dat buiten schuld of medeweten is gestorven van degene die zich het dier toe-eigent, met het oog op het prepareren ervan. -**2.** Het eerste lid is uitsluitend van toepassing ten aanzien van de bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 3.3, eerste en tweede lid, 3.8, eerste en tweede lid, en 3.10, tweede lid, in samenhang met artikel 3.8, eerste en tweede lid, van de wet. +**2.** Het eerste lid is uitsluitend van toepassing ten aanzien van de bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 3.3, eerste en tweede lid, en 3.8, eerste en tweede lid, van de wet. **3.** Onder «dierenambulance» wordt in het eerste lid, onderdeel a, verstaan: motorvoertuig, ingericht en bestemd om te worden gebruikt voor het vervoer van zieke of gewonde dieren. @@ -159,87 +153,215 @@ b. 3.12, zevende, achtste en negende lid, 3.14, tweede lid, 3.18, eerste, tweede ## Hoofdstuk 2. Natura 2000-gebieden -### Titel 2.1. Stikstofreductie en natuurverbetering +### Titel 2.1. Programmatische aanpak stikstof + +#### Paragraaf 2.1.1. Doelstelling, tijdvak en betrokken bestuursorganen ### Artikel 2.1 -Het in artikel 1.12b van de wet bedoelde programma stikstofreductie en natuurverbetering bevat voor de periode waarvoor het geldt voor de in het programma opgenomen Natura 2000-gebieden een beschrijving van: +**1.** Er wordt een programma aanpak stikstof vastgesteld dat tot doel heeft, mede met het oog op een evenwichtige, duurzame economische ontwikkeling, de belasting door stikstofdepositie van de voor stikstof gevoelige habitats in de Natura 2000-gebieden die in het programma zijn opgenomen te verminderen en de instandhoudingsdoelstellingen voor deze habitats binnen afzienbare termijn te realiseren. -a. de omvang van de stikstofdepositie aan het begin van die periode, onderscheiden naar de bijdrage aan de depositie door de belangrijkste sectoren en onderscheiden naar depositie afkomstig uit buitenlandse en binnenlandse bronnen; -b. de mate waarin aan het begin van die periode de instandhoudingsdoelstellingen zijn bereikt voor in ieder geval de voor stikstof gevoelige habitats; -c. de verwachte autonome ontwikkeling van de stikstofemissie door bronnen binnen en buiten de betrokken Natura 2000-gebieden en de gevolgen daarvan voor de omvang van de stikstofdepositie op de voor stikstof gevoelige habitats; -d. de getroffen of te treffen maatregelen die bijdragen aan: +**2.** Het programma beoogt een ambitieuze en realistische vermindering van de stikstofdepositie, afkomstig van in Nederland aanwezige bronnen. -1°. vermindering van de stikstofdepositie op de voor stikstof gevoelige habitats; -2°. het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen voor in ieder geval de voor stikstof gevoelige habitats; -e. de verwachte sociaal-economische effecten en de weging van de haalbaarheid en betaalbaarheid van de maatregelen, bedoeld in onderdeel d; -f. de verwachte gevolgen van de maatregelen, bedoeld in onderdeel d, voor de omvang van de stikstofdepositie, respectievelijk het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen voor in ieder geval de voor stikstof gevoelige habitats; -g. de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de in artikel 2.3 gestelde eisen aan het verzamelen en verstrekken van gegevens. +**3.** Het programma wordt vastgesteld door Onze Minister en Onze Minister van Infrastructuur en Milieu. + +**4.** De vaststelling van het programma geschiedt in overeenstemming met de bestuursorganen die voor de daarin opgenomen Natura 2000-gebieden het beheerplan, bedoeld in artikel 2.3 van de wet, vaststellen en de ingevolge artikel 2.10, eerste en vierde lid, van de wet mede betrokken bestuursorganen. + +**5.** Na de vaststelling van het programma kunnen Onze Minister en Onze Minister van Infrastructuur en Milieu daarin een Natura 2000-gebied opnemen in overeenstemming met de bestuursorganen die voor dat gebied het beheerplan, bedoeld in artikel 2.3 van de wet, vaststellen en de ingevolge artikel 2.10, eerste en vierde lid, van de wet mede betrokken bestuursorganen. Op andere wijzigingen zijn het derde en vierde lid van overeenkomstige toepassing. + +**6.** Het programma wordt ten minste eenmaal in de zes jaar vastgesteld en geldt voor een tijdvak van zes jaar. + +**7.** Een wijziging van het programma doet geen afbreuk aan de doelstellingen, genoemd in het eerste en tweede lid. + +**8.** Onverminderd artikel 3:42, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, maakt Onze Minister de tekst van het programma of van een wijziging van het programma op elektronische wijze toegankelijk. + +#### Paragraaf 2.1.2. Inhoud programma ### Artikel 2.2 -**1.** Monitoring voor de omgevingswaarden, bedoeld in artikel 1.12a van de wet, en van de tussentijdse doelstellingen, bedoeld in artikel 1.12b, tweede lid, van de wet vindt plaats door metingen, berekeningen of het op andere wijze verzamelen van gegevens. +**1.** -**2.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de uitvoering van de monitoring. +In het programma, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, worden ten aanzien van de in het programma opgenomen Natura 2000-gebieden in elk geval beschreven of genoemd: + +a. de omvang van de stikstofdepositie aan het begin van het tijdvak van het programma, onderscheiden naar: + +1°. depositie, veroorzaakt door factoren in de gebieden, en +2°. depositie, veroorzaakt door factoren buiten de gebieden; +b. de staat van instandhouding van de voor stikstof gevoelige habitats in de gebieden; +c. de doelstellingen ten aanzien van de omvang van de stikstofdepositie, al dan niet met tussendoelstellingen, en de indicatoren waaruit kan worden afgeleid of een doelstelling al dan niet is behaald welke noodzakelijk zijn met het oog op het verwezenlijken van de instandhoudingsdoelstellingen voor de voor stikstof gevoelige typen natuurlijke habitats en habitats van soorten in de gebieden; +d. de verwachte autonome ontwikkelingen ten aanzien van de stikstofemissie door de factoren, bedoeld in onderdeel a, en de effecten daarvan op de omvang van stikstofdepositie in de gebieden; +e. de getroffen of te treffen maatregelen: + +1°. die bijdragen aan een vermindering van de stikstofdepositie in de gebieden, veroorzaakt door de factoren, bedoeld in onderdeel a, en +2°. ter verwezenlijking van de instandhoudingsdoelstellingen voor de voor stikstof gevoelige habitats in de gebieden; +f. de sociaal-economische evaluatie en weging van haalbaarheid en betaalbaarheid van de maatregelen, bedoeld in onderdeel e; +g. de verwachte effecten van de maatregelen, bedoeld in onderdeel e, op de omvang van de stikstofdepositie, onderscheidenlijk het verwezenlijken van de instandhoudingsdoelstellingen in de gebieden; +h. de uitgangspunten voor de bepaling van de ontwikkelingsruimte, voor de toedeling aan projecten en andere handelingen en voor de reservering daarvoor, en de ontwikkelingsruimte die beschikbaar is op het moment van vaststellen van het programma; +i. de resultaten van de ecologische beoordeling van het programma, en +j. de wijze en de momenten waarop de werking van het programma tussentijds wordt beoordeeld. + +**2.** In het programma kan onderscheid worden gemaakt tussen de depositie van ammoniak en de depositie van andere stikstofverbindingen. + +**3.** Bij een wijziging van het programma worden het eerste en tweede lid in acht genomen. ### Artikel 2.3 -**1.** De bestuursorganen die zijn belast met de uitvoering van de maatregelen, opgenomen in het programma stikstofreductie en natuurverbetering, verzamelen gegevens over de voortgang en de gevolgen van die maatregelen en verstrekken die gegevens elke twee jaar aan Onze Minister. +Tot de maatregelen, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onderdeel e, behoren in elk geval: -**2.** De bestuursorganen die ingevolge de artikelen 2.3 en 2.10, eerste lid, onderdeel a, van de wet verantwoordelijk zijn voor de vaststelling van het in artikel 2.3 van de wet bedoelde beheerplan, verzamelen gegevens over de ontwikkeling van de staat van instandhouding van de voor stikstof gevoelige habitats in Natura 2000-gebieden in relatie tot de instandhoudingsdoelstellingen voor die gebieden en verstrekken die gegevens elke zes jaar aan Onze Minister. +a. maatregelen voorzien in bindende besluiten van de Raad van de Europese Unie, van het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk of van de Commissie van de Europese Gemeenschappen; +b. maatregelen van bestuursorganen van het Rijk ter vermindering van de stikstofdepositie, en +c. gebiedsgerichte of effectgerichte maatregelen van bestuursorganen van het Rijk, provincies, gemeenten, of waterschappen. ### Artikel 2.4 -Onze Minister informeert de beide Kamers der Staten-Generaal: +**1.** Ter uitvoering van het bepaalde in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onderdeel h, wordt in het programma mede aangegeven welk deel van de ontwikkelingsruimte in de eerste helft en welk deel in de tweede helft van het tijdvak van het programma wordt toegedeeld en gereserveerd. Deze verdeling is zodanig dat een evenwichtige toedeling en reservering van de ontwikkelingsruimte gedurende het tijdvak van het programma is verzekerd. -a. elk jaar over de resultaten van de beoordeling, bedoeld in artikel 1.12f, derde lid, van de wet, of wordt voldaan aan de omgevingswaarden, bedoeld in artikel 1.12a van de wet, en aan de tussentijdse doelstellingen om tijdig aan die omgevingswaarden te voldoen; -b. elke twee jaar over de voortgang en de gevolgen van de maatregelen, opgenomen in het programma stikstofreductie en natuurverbetering; -c. elke zes jaar over de ontwikkeling van de staat van instandhouding van de voor stikstof gevoelige habitats in Natura 2000-gebieden in relatie tot de instandhoudingsdoelstellingen voor die gebieden. +**2.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden vastgesteld over de toepassing van het eerste lid. ### Artikel 2.5 -Als activiteiten van de bouwsector als bedoeld in artikel 2.9a van de wet worden aangewezen: +De resultaten van de ecologische beoordeling van het programma, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onderdeel i, omvatten in elk geval de resultaten van een beoordeling voor elk Natura 2000-gebied dat in het programma is opgenomen in hoeverre de maatregelen, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onderdeel e, rekening houdend met de verwachte algemene ontwikkeling van de stikstofdepositie, met de toedeling overeenkomstig het programma van ontwikkelingsruimte aan projecten en andere handelingen en met de stikstofdepositie ten aanzien waarvan artikel 2.12, eerste lid, of artikel 2.13 van toepassing is: -a. het verrichten van een bouwactiviteit of een sloopactiviteit die het feitelijk verrichten van bouw- of sloopwerkzaamheden aan een bouwwerk betreft, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen; -b. het aanleggen, veranderen of verwijderen van een werk, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen. +a. bijdragen aan de verwezenlijking van de instandhoudingsdoelstellingen voor de voor stikstof gevoelige habitats in het gebied; +b. voorkomen dat verslechtering optreedt van de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in het gebied; +c. voorkomen dat storende factoren optreden voor de soorten waarvoor het gebied is aangewezen voor zover die factoren, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied, een significant effect kunnen hebben, en +d. zekerheid bieden dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet worden aangetast. ### Artikel 2.6 -Vervallen +**1.** De beoordeling, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onderdeel j, geschiedt in elk geval in het derde en het zesde jaar van het tijdvak van het programma. + +**2.** + +De beoordeling betreft in elk geval: + +a. de voortgang en uitvoering van de getroffen of te treffen, in het programma beschreven of genoemde maatregelen en de effecten daarvan op de stikstofdepositie; +b. de mate waarin gebruik is gemaakt van de depositieruimte, en, +c. in het zesde jaar van het tijdvak, de omvang en kwaliteit van de voor stikstof gevoelige habitats in de Natura 2000-gebieden die in het programma zijn opgenomen in relatie tot de daarvoor vastgestelde instandhoudingsdoelstellingen. + +**3.** Voor de beoordeling van de effecten op de stikstofdepositie wordt gebruik gemaakt van de beste beschikbare gegevens over de ontwikkeling van de stikstofemissies en stikstofdepositie en de factoren die aan deze ontwikkeling hebben bijgedragen. + +**4.** + +In vervolg op de beoordeling in het derde jaar van het tijdvak van het programma maken Onze Minister en Onze Minister van Infrastructuur en Milieu, na overleg met de bestuursorganen, bedoeld in artikel 2.1, vierde lid, de ontwikkelingsruimte inzichtelijk die: + +a. de tweede helft van het tijdvak van het programma beschikbaar zal zijn; +b. naar verwachting in het daarop volgende programma beschikbaar zal zijn, in het bijzonder in de eerste helft van het tijdvak van dat programma. + +#### Paragraaf 2.1.3. Toedeling en reservering ontwikkelingsruimte ### Artikel 2.7 -Vervallen +**1.** + +De ontwikkelingsruimte voor een in het programma opgenomen Natura 2000-gebied, kan, met uitzondering van de ruimte die in het programma is toegedeeld aan in het programma beschreven projecten en andere handelingen als bedoeld in artikel 2.9, eerste lid, van de wet, overeenkomstig de uitgangspunten, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onderdeel h, door het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van het desbetreffende besluit, worden toegedeeld in: + +a. een beheerplan als bedoeld in artikel 2.3 van de wet voor zover in dat beheerplan een project of andere handeling als bedoeld in artikel 2.9, eerste lid, van de wet is beschreven; +b. een vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de wet; +c. een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een ontwikkelingsgebied als bedoeld in artikel 2.3 van de Crisis- en herstelwet en dat voldoet aan artikel 5.6 van de wet; +d. een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel i, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in samenhang met artikel 2.2aa, onderdeel a, van het Besluit omgevingsrecht; +e. een tracébesluit waarop artikel 13, zevende lid, van de Tracéwet van toepassing is; +f. een wegaanpassingsbesluit waarop artikel 9, vierde lid, van de Spoedwet wegverbreding van toepassing is, of +g. een ander besluit dat bij ministeriële regeling is aangewezen. + +**2.** Bij het nemen van een besluit als bedoeld in het eerste lid neemt het bevoegd gezag de reserveringen in acht, die krachtens artikel 2.8, eerste lid, zijn gedaan. Daarbij draagt het bevoegd gezag er zorg voor dat in de eerste helft van het tijdvak van het programma voldoende ontwikkelingsruimte beschikbaar blijft om, met inachtneming van de verdeling, bedoeld in artikel 2.4, eerste lid, en met inachtneming van artikel 2.8, derde lid, te worden toegedeeld in besluiten waarvoor krachtens artikel 2.8, eerste lid, ontwikkelingsruimte is gereserveerd. + +**3.** Bij ministeriële regeling worden, met inachtneming van de uitgangspunten, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onderdeel h, nadere regels gesteld over de wijze van bepaling van de omvang van de op enig moment voor toedeling beschikbare ontwikkelingsruimte en de omvang van de bij een besluit als bedoeld in het eerste lid toe te delen ontwikkelingsruimte. + +**4.** Het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit als bedoeld in het eerste lid waarin ontwikkelingsruime is toegedeeld kan dit besluit intrekken of wijzigen, indien het project of de andere handeling waarop dit besluit betrekking heeft, nadat het besluit onherroepelijk is geworden, niet is gerealiseerd, onderscheidenlijk is verricht. ### Artikel 2.8 -Vervallen +**1.** Bij ministeriële regeling kunnen projecten en andere handelingen, of categorieën van projecten of andere handelingen worden aangewezen waarvoor gedurende het tijdvak van het programma ontwikkelingsruimte wordt gereserveerd voor de toedeling daarvan in besluiten als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, waarbij een voorkeursvolgorde voor de toedeling kan worden aangegeven. + +**2.** + +Als projecten of andere handelingen als bedoeld in het eerste lid kunnen worden genoemd of beschreven projecten of andere handelingen die voldoen aan elk van de volgende voorwaarden: + +a. het project of de andere handeling is aantoonbaar van nationaal of provinciaal maatschappelijk belang; +b. het is aannemelijk dat voor het project of de andere handeling in het tijdvak, bedoeld in artikel 2.1, zesde lid, ontwikkelingsruimte wordt toegedeeld in een besluit als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid. + +**3.** De omvang van de ontwikkelingsruimte die voor projecten en andere handelingen als bedoeld in het eerste lid wordt gereserveerd, is zodanig dat er niet onnodig inbreuk wordt gemaakt op de omvang van de ontwikkelingsruimte die resteert voor toedeling aan andere projecten of handelingen dan die bedoeld in het eerste lid. + +**4.** Een reservering vervalt geheel of voor een bepaald gedeelte, nadat het bevoegd gezag voor een besluit als bedoeld in het eerste lid aan Onze Minister heeft verklaard dat het de gereserveerde ontwikkelingsruimte, onderscheidenlijk dat gedeelte van de ontwikkelingsruimte gedurende het tijdvak van het programma niet zal toedelen. Nadat de eerste helft van het tijdvak van het programma is verstreken, gaan de bevoegde gezagen na of er reserveringen zijn ten aanzien waarvan de eerste volzin wordt toegepast. ### Artikel 2.9 -Vervallen +**1.** Een bestuursorgaan dat ontwikkelingsruimte toedeelt in een besluit als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, onderdeel a, b, c, d, e, f of g, draagt tijdig zorg voor een nauwkeurige en volledige registratie van de afschrijving van de toegedeelde ontwikkelingsruimte van de totale ontwikkelingsruimte. + +**2.** In zoverre in afwijking van het eerste lid, draagt, ingeval ontwikkelingsruimte wordt toegedeeld in een besluit als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, onderdeel d, en dit besluit wordt genomen door burgemeester en wethouders, het bestuursorgaan dat op grond van artikel 6.10a, eerste en tweede lid, van het Besluit omgevingsrecht bevoegd is te verklaren geen bedenkingen tegen de verlening van dat besluit te hebben zorg voor de in het eerste lid bedoelde registratie. + +**3.** Het bestuursorgaan, bedoeld in het eerste of tweede lid, draagt tevens tijdig zorg voor een nauwkeurige en volledige registratie van de bijschrijving van ontwikkelingsruimte die na het wijzigen of intrekken van een besluit als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, beschikbaar komt voor projecten en andere handelingen die stikstofdepositie veroorzaken in de Natura 2000-gebieden waarop het besluit betrekking had. + +**4.** Het eerste en het tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op een reservering van ontwikkelingsruimte op grond van artikel 2.8, eerste lid, met dien verstande dat Onze Minister zorg draagt voor de registratie van een reservering. + +**5.** Indien in een besluit als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, ontwikkelingsruimte wordt toegedeeld die is gereserveerd krachtens artikel 2.8, eerste lid, vervalt de reservering en draagt het met de registratie van afschrijvingen belaste bestuursorgaan, bedoeld in het eerste of tweede lid, tevens zorg voor de registratie van het vervallen van de reservering. Indien een reservering geheel of gedeeltelijk vervalt op grond van een verklaring als bedoeld in artikel 2.8, vierde lid, draagt Onze Minister zorg voor registratie van het vervallen van de reservering of van het desbetreffende gedeelte daarvan. + +**6.** Bij ministeriële regeling worden regels gesteld ten aanzien van de registratie van afschrijvingen, bijschrijvingen of reserveringen van ontwikkelingsruimte en ten aanzien van het vervallen van reserveringen van ontwikkelingsruimte. + +#### Paragraaf 2.1.4. Vereenvoudigde procedure wijziging maatregelen; betrokkenheid andere bestuursorganen bij ministeriële regeling ### Artikel 2.10 -Vervallen +**1.** Onze Minister en Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kunnen in het programma maatregelen als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onderdeel e, wijzigen of door andere maatregelen vervangen, dan wel maatregelen toevoegen. Zij stellen voor de Natura 2000-gebieden waarop de maatregelen betrekking hebben in het programma vast wat daarvan de gevolgen zijn voor de ontwikkelingsruimte en voor de beoordeling, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onderdeel i, in samenhang met artikel 2.5. Ingeval het wijzigen, vervangen of toevoegen van maatregelen leidt tot minder ontwikkelingsruimte met betrekking tot een Natura 2000-gebied, geschiedt dit in overeenstemming met de bestuursorganen die het beheerplan, bedoeld in artikel 2.3 van de wet, voor dat gebied vaststellen. + +**2.** + +Het programma biedt Onze Minister van Infrastructuur en Milieu, Onze Minister van Defensie of bestuursorganen van provincies, gemeenten of waterschappen de mogelijkheid om in het programma opgenomen maatregelen als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, voor de uitvoering waarvan zij zorg dragen, gewijzigd uit te voeren of te vervangen door andere maatregelen, indien: + +a. de bestuursorganen die voor het desbetreffende gebied het beheerplan, bedoeld in artikel 2.3 van de wet, vaststellen, daarmee instemmen, en +b. de gewijzigde uitvoering of vervangende maatregelen in het licht van de instandhoudingsdoelstellingen van de betrokken Natura 2000-gebieden ten minste even doeltreffend zijn als de oorspronkelijk voorziene wijze van uitvoering of de oorspronkelijk voorziene maatregelen en niet leiden tot minder ontwikkelingsruimte met betrekking tot enig Natura 2000-gebied. ### Artikel 2.11 -Vervallen +**1.** Een ministeriële regeling als bedoeld in artikel 2.4, tweede lid, 2.7, derde lid, 2.8, eerste lid, en 2.9, zesde lid, wordt vastgesteld door Onze Minister van Economische Zaken en Onze Minister van Infrastructuur en Milieu. -### Titel 2.2. Externe saldering +**2.** Een ministeriële regeling als bedoeld in artikel 2.4, tweede lid, 2.7, derde lid, en 2.9, zesde lid, wordt vastgesteld na overleg met de bestuursorganen, bedoeld in artikel 2.1, vierde lid. + +**3.** Een ministeriële regeling als bedoeld in artikel 2.8, eerste lid, wordt vastgesteld in overeenstemming met de bestuursorganen, bedoeld in artikel 2.1, vierde lid. + +### Titel 2.2. Grenswaarden stikstof en externe saldering ### Artikel 2.12 -Vervallen +**1.** + +Het verbod, bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de wet, is niet van toepassing op projecten en andere handelingen ten aanzien waarvan is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: + +a. het project of de andere handeling: + +1°. veroorzaakt in geen enkel Natura 2000-gebied een stikstofdepositie op voor stikstof gevoelige habitats die afzonderlijk en, ingeval het project of de handeling betrekking heeft op een inrichting als bedoeld in artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer, in cumulatie met andere projecten of andere handelingen met betrekking tot dezelfde inrichting die feitelijk worden gerealiseerd, onderscheidenlijk plaatsvinden in de periode waarvoor het programma geldt dan wel waarvoor eerder gedurende die periode een vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de wet of een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, onderdeel d, is verleend, de waarde van 1 mol per hectare per jaar overschrijdt, of +2°. betreft een project of andere handeling als bedoeld in artikel 2.8, eerste lid, dat betrekking heeft op een hoofdweg als bedoeld in artikel 1 van de Tracéwet of dat betrekking heeft op een hoofdvaarweg als bedoeld in artikel 1 van de Tracéwet en geheel of gedeeltelijk de scheepvaartfunctie betreft, en dat wordt gerealiseerd, onderscheidenlijk die wordt verricht op een grotere afstand gerekend tot het desbetreffende Natura 2000-gebied dan, ingeval van een hoofdweg, 3 kilometer, gemeten vanaf het midden van de rijbaan, of, ingeval van een hoofdvaarweg, 5 kilometer, gemeten vanaf het midden van de vaarweg, en +b. het project of de andere handeling heeft voor het desbetreffende Natura 2000-gebied geen andere mogelijke gevolgen dan stikstofdepositie, die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in het desbetreffende Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. + +**2.** Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a, onder 1°, geldt, in plaats van de in dat onderdeel genoemde waarde van 1 mol per hectare per jaar, voor het desbetreffende Natura 2000-gebied als waarde 0,05 mol per hectare per jaar, als uit het krachtens artikel 2.9, zevende lid, van de wet voorgeschreven rekenmodel op enig moment is gebleken dat ten aanzien van een hectare van een voor stikstof gevoelige habitat in dat gebied 5% of minder beschikbaar is van het deel van de depositieruimte dat in het kader van het programma op voorhand beschikbaar was gesteld ten behoeve van projecten of andere handelingen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a. + +**3.** Ingeval het tweede lid van toepassing is, doet Onze Minister hiervan elektronisch mededeling op een bij ministeriële regeling aangewezen internetadres. + +**4.** Onze Minister en Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kunnen, nadat het tweede lid van toepassing is geworden, besluiten dat met ingang van een door hen vastgesteld tijdstip voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a, onder 1°, weer een waarde van 1 mol per hectare per jaar geldt, als naar hun oordeel voldoende depositieruimte in het kader van het programma op voorhand beschikbaar is gesteld ten behoeve van projecten of andere handelingen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a. Dit besluit wordt genomen in overeenstemming met de bevoegde gezagen, bedoeld in artikel 2.1, vierde lid. + +**5.** Het besluit, bedoeld in het vierde lid, wordt bekend gemaakt door plaatsing in de Staatscourant. + +**6.** Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op de op grond van het vierde lid geldende waarde van 1 mol per hectare per jaar. + +**7.** + +Het tweede lid is niet van toepassing ten aanzien van: + +a. projecten en andere handelingen als bedoeld in artikel 2.8, eerste lid; +b. projecten en andere handelingen die op het moment waarop zij overeenkomstig krachtens artikel 2.9, achtste lid, van de wet gestelde regels zijn gemeld, dan wel, als geen melding is voorgeschreven, op het moment dat de realisatie aanving, onderscheidenlijk op het moment dat zij voor het eerst werden verricht een stikstofdepositie veroorzaakten die, rekening houdend met de in het eerste lid, onderdeel a, onder 1°, bedoelde cumulatie, de in dat onderdeel genoemde waarde van 1 mol per hectare per jaar niet overschreed, en die sindsdien niet significant zijn gewijzigd; +c. projecten en andere handelingen voor zover deze stikstofdepositie veroorzaken op Natura 2000-gebieden die niet in het programma zijn opgenomen. ### Artikel 2.13 -Vervallen +Gedurende het tijdvak waarvoor een op grond van artikel 2.1 vastgesteld programma geldt, betrekt het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit over verlening van een vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de wet, of op grond van artikel 6.10a, eerste en tweede lid, van het Besluit omgevingsrecht bevoegd is te verklaren geen bedenkingen tegen de verlening van een omgevingsvergunning te hebben, bij het nemen van dat besluit, onderscheidenlijk het geven van de verklaring van geen bedenkingen niet de stikstofdepositie die het project of de andere handeling veroorzaakt op voor stikstof gevoelige habitats in een Natura 2000-gebied, indien: + +a. de stikstofdepositie de in artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, onderscheidenlijk tweede of vierde lid, genoemde waarde niet overschrijdt, of, +b. ingeval het project of de andere handeling betrekking heeft op een hoofdweg of hoofdvaarweg als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, dat project of die handeling wordt gerealiseerd, onderscheidenlijk wordt verricht op een grotere afstand dan de in dat onderdeel genoemde, op de hoofdweg of hoofdvaarweg betrekking hebbende afstand. ### Artikel 2.14 -**1.** Het bestuursorgaan dat bevoegd is tot verlening van een vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de wet, of op grond van artikel 6.10a, eerste en tweede lid, van het Besluit omgevingsrecht bevoegd is te verklaren geen bedenkingen tegen de verlening van een omgevingsvergunning te hebben, kan in uitzonderlijke gevallen en uitsluitend ingeval verzekerd is dat een goede werking van het programma, bedoeld in artikel 2.1, niet in gevaar komt, besluiten dat artikel 5.5, derde lid, van de wet met betrekking tot een project dat stikstofdepositie veroorzaakt op voor stikstof gevoelige habitats in een Natura 2000-gebied buiten toepassing blijft. Het bestuursorgaan neemt dit besluit in overeenstemming met de bestuursorganen die het beheerplan, bedoeld in artikel 2.3 van de wet, vaststellen voor de in het programma, bedoeld in artikel 2.1, opgenomen Natura 2000-gebieden waarin de stikstofdepositie die het project veroorzaakt hoofdzakelijk plaatsvindt. +**1.** Het bestuursorgaan dat bevoegd is tot verlening van een vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de wet, of op grond van artikel 6.10a, eerste en tweede lid, van het Besluit omgevingsrecht bevoegd is te verklaren geen bedenkingen tegen de verlening van een omgevingsvergunning te hebben, kan in uitzonderlijke gevallen en uitsluitend ingeval verzekerd is dat een goede werking van het programma, bedoeld in artikel 2.1, niet in gevaar komt, besluiten dat artikel 5.5, derde lid, van de wet met betrekking tot een project dat of andere handeling die stikstofdepositie veroorzaakt op voor stikstof gevoelige habitats in een Natura 2000-gebied buiten toepassing blijft. Het bestuursorgaan neemt dit besluit in overeenstemming met de bestuursorganen die het beheerplan, bedoeld in artikel 2.3 van de wet, vaststellen voor de in het programma, bedoeld in artikel 2.1, opgenomen Natura 2000-gebieden waarin de stikstofdepositie die het project of de andere handeling veroorzaakt hoofdzakelijk plaatsvindt. **2.** @@ -255,28 +377,11 @@ Voor de toepassing van artikel 2.7, derde lid, aanhef en onderdeel a, in samenha a. blijkens de passende beoordeling is verzekerd dat, in samenhang met voor dat project getroffen maatregelen, per saldo nergens in het Natura 2000-gebied de stikstofdepositie op de voor stikstof gevoelige habitats als gevolg van dat project toeneemt, en, b. ingeval het Natura 2000-gebied is opgenomen in het programma, bedoeld in artikel 2.1, de gevolgen van de in onderdeel a bedoelde maatregelen niet al zijn betrokken bij de ecologische beoordeling, bedoeld in artikel 2.5. -**4.** Het bestuursorgaan kan ter vermindering van de belasting door stikstofdepositie van het desbetreffende Natura 2000-gebied aan het verlenen van de vergunning voor een project als voorwaarde verbinden dat de stikstofdepositie op de voor stikstof gevoelige habitats in het Natura 2000-gebied die wordt veroorzaakt door het project of de andere handeling, niet groter is dan de door het bestuursorgaan geregistreerde en voor dat project beschikbaar gestelde afname van stikstofdepositie op deze habitats als gevolg van de beëindiging van een of meer bepaalde andere projecten. +**4.** Het bestuursorgaan kan ter vermindering van de belasting door stikstofdepositie van het desbetreffende Natura 2000-gebied aan het verlenen van de vergunning voor een project of andere handeling als voorwaarde verbinden dat de stikstofdepositie op de voor stikstof gevoelige habitats in het Natura 2000-gebied die wordt veroorzaakt door het project of de andere handeling, niet groter is dan de door het bestuursorgaan geregistreerde en voor dat project of die andere handeling beschikbaar gestelde afname van stikstofdepositie op deze habitats als gevolg van de beëindiging van een of meer bepaalde andere projecten of andere handelingen. **5.** Gedeputeerde staten, onderscheidenlijk provinciale staten, kunnen bij het toepassen van artikel 2.4 van de wet, in elk geval de verplichting opleggen dat de stikstofdepositie op de voor stikstof gevoelige habitats in het Natura 2000-gebied geheel dan wel voor een bepaald deel, niet groter is dan de door gedeputeerde staten geregistreerde en voor het project of de andere handeling beschikbaar gestelde afname van stikstofdepositie op deze habitats als gevolg van de beëindiging van een of meer bepaalde andere projecten of andere handelingen. -**6.** De bestuursorganen, bedoeld in het eerste lid, tweede volzin, dragen zorg voor een actueel overzicht van de gevolgen van de projecten ten aanzien waarvan een besluit als bedoeld in het eerste lid is genomen voor de stikstofdepositie. Deze gegevens worden betrokken bij de toepassing van artikel 2.2, eerste lid, onderdeel j. - -### Titel 2.3. Programma legalisering projecten natuur - -### Artikel 2.15 - -Het in artikel 1.13a, tweede lid, van de wet bedoelde programma voor het legaliseren van activiteiten met een geringe stikstofdepositie die voldeden aan de voorwaarden van artikel 19kh, zevende lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 zoals dat luidde tot 1 januari 2017 of artikel 2.12 zoals dat luidde op 28 mei 2019, bevat een beschrijving van: - -a. de totale stikstofdepositie door die activiteiten op elke hectare van de voor stikstof gevoelige habitats in Natura 2000-gebieden; -b. de getroffen of te treffen maatregelen om de gevolgen van de onder a bedoelde stikstofdepositie te mitigeren of te compenseren; -c. de gevolgen van de onder b bedoelde maatregelen voor de omvang van de stikstofdepositie op elke hectare van de voor stikstof gevoelige habitats in Natura 2000-gebieden; -d. de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de eisen die in artikel 2.16 worden gesteld aan het verzamelen en verstrekken van gegevens. - -### Artikel 2.16 - -**1.** De bestuursorganen die zijn belast met de uitvoering van het programma verzamelen gegevens over de voortgang en de gevolgen van dat programma en verstrekken die gegevens elk jaar aan Onze Minister. - -**2.** Onze Minister informeert op basis van die gegevens de beide Kamers der Staten-Generaal elk jaar over de voortgang en de gevolgen van het programma. +**6.** De bestuursorganen, bedoeld in het eerste lid, tweede volzin, dragen zorg voor een actueel overzicht van de gevolgen van de projecten en andere handelingen ten aanzien waarvan een besluit als bedoeld in het eerste lid is genomen voor de stikstofdepositie. Deze gegevens worden betrokken bij de toepassing van artikel 2.2, eerste lid, onderdeel j. ## Hoofdstuk 3. Soorten @@ -293,14 +398,6 @@ d. konijn (Oryctolagus cuniculus); e. vos (Vulpes vulpes), en f. zwarte kraai (Corvus corone corone). -### Artikel 3.1a - -Als soort als bedoeld in artikel 3.39 van de wet worden de volgende soorten aangewezen: - -a. Japanse duizendknoop (*Fallopia japonica*); -b. Sachalinse duizendknoop (*Fallopia sachalinensis*); en -c. bastaardduizendknoop (*Fallopia x bohemica*). - ### Titel 3.2. Jacht #### Paragraaf 3.2.1. Uitoefening van de jacht buiten gezelschap jachthouder @@ -324,8 +421,8 @@ c. hij een bij ministeriële regeling aangewezen rechtspersoonlijkheid bezittend De toestemming, bedoeld in artikel 3.20, vierde lid, van de wet: a. is voorzien van een aantekening van de korpschef, waaruit blijkt dat het jachtveld waarop de jacht wordt uitgeoefend, voldoet aan artikel 3.12, voor zover bij de uitoefening van de jacht gebruik wordt gemaakt van een geweer; -b. is voorzien van de namen, voornamen en geboortedata van degenen aan wie de toestemming wordt verleend, en -c. heeft een geldigheidsduur die uiterlijk verstrijkt op 31 maart volgende op de datum van ondertekening van de toestemming. +b. is voorzien van de namen van degenen aan wie de toestemming wordt verleend, en ingeval de toestemming wordt gegeven aan natuurlijke personen, hun voornamen en geboortedata, en +c. heeft een geldigheidsduur die uiterlijk verstrijkt op 31 maart volgende op de datum van ondertekening van de toestemming. **2.** Het eerste lid, aanhef en onderdeel a, is niet van toepassing indien de toestemming wordt verleend aan de jachtopzichter. @@ -387,7 +484,7 @@ d. in open verbinding met het water is ten minste één vangpijp aanwezig die on **1.** Het verbod, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, geldt niet voor de jacht op de wilde eend gedurende een half uur voor zonsopkomst en een half uur na zonsondergang. -**2.** Het verbod, bedoeld in artikel 3.6, vijfde lid, geldt niet voor de jacht vanuit vaartuigen die varen met een snelheid van ten hoogste 5 kilometer per uur. +**2.** Het verbod, bedoeld in artikel 3.6, vijfde lid, geldt niet voor de jacht vanuit vaartuigen die varen met een snelheid van ten hoogste 5 kilometer per uur. **3.** @@ -430,9 +527,9 @@ Als methoden als bedoeld in artikel 3.3, vijfde lid, onderdeel a, van de wet wor a. het doden met gebruikmaking van middelen die krachtens de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden zijn toegelaten of vrijgesteld, met inbegrip van de gebruikmaking van alle middelen of installaties die noodzakelijk zijn om die middelen toe te passen; b. het vangen door middel van bijeendrijven, waaronder in elk geval wordt begrepen het gebruik van de vangkraal in combinatie met een middel als bedoeld in onderdeel a; -c. het vangen of doden met gebruikmaking van lokvogels; -d. het vangen of doden met gebruikmaking van een middel waarmee lokgeluiden kunnen worden gemaakt; -e. het doden met gebruikmaking van een geweer, waarbij wordt gehandeld in afwijking van de regels, gesteld in de artikelen 3.12, 3.13, 3.14, 3.15 of 3.16, inzake: +c. het vangen met gebruikmaking van lokvogels; +d. het vangen met gebruikmaking van een middel waarmee lokgeluiden kunnen worden gemaakt; +e. het vangen of doden met gebruikmaking van een geweer, waarbij wordt gehandeld in afwijking van de regels, gesteld in de artikelen 3.12, 3.13, 3.14, 3.15 of 3.16, inzake: 1°. de omvang van het jachtveld, 2°. het gebruik van middelen op, aan of bij het geweer, zoals een geluiddemper, een kunstmatige lichtbron, een voorziening om de prooi te verlichten, een vizier met beeldomzetter, een elektronische beeldversterker of enig ander instrument om in de nacht te schieten, @@ -445,7 +542,7 @@ e. het doden met gebruikmaking van een geweer, waarbij wordt gehandeld in afwijk – vanaf of vanuit een rijdend motorrijtuig dan wel een ander voertuig, of – vanuit een luchtvaartuig; f. het doden door middel van cervicale dislocatie, en -g. het vangen of doden met gebruikmaking van lokvoer. +g. het vangen met gebruikmaking van lokvoer. **3.** @@ -454,7 +551,7 @@ Als middelen, onderscheidenlijk methoden als bedoeld in artikel 3.4, vierde lid, a. eendenkooien die worden gebruikt anders dan ten behoeve van de uitoefening van de jacht; b. bal-chatri; c. doden met gebruikmaking van middelen die krachtens de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden zijn toegelaten of vrijgesteld; -d. het vangen of doden met gebruikmaking van een middel waarmee elektronisch versterkte lokgeluiden kunnen worden gemaakt, en +d. het vangen of doden met gebruikmaking van een middel waarmee lokgeluiden kunnen worden gemaakt, en e. het vangen of doden met gebruikmaking van een geweer, voorzien van een geluiddemper. **4.** @@ -535,7 +632,7 @@ Als afzonderlijke jachtvelden worden beschouwd, ook ingeval zij grenzen aan gron a. gronden als bedoeld in het derde lid, onderdelen a of b; b. delen van gronden waarbij de verbinding tussen deze delen op enig punt smaller is dan 50 meter, en -c. delen van gronden die van elkaar worden gescheiden door een autosnelweg als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 of door een water, breder dan 10 meter, indien de jachthouder niet gerechtigd is om daarop de jacht uit te oefenen. +c. delen van gronden die van elkaar worden gescheiden door een autosnelweg als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 of door een water, breder dan 10 meter, indien de jachthouder niet gerechtigd is om daarop de jacht uit te oefenen. ### Artikel 3.13 @@ -551,7 +648,7 @@ c. delen van gronden die van elkaar worden gescheiden door een autosnelweg als b **1.** De munitie die wordt gebruikt in een geweer als bedoeld in artikel 3.26, eerste lid, van de wet voldoet aan het tweede of het derde lid. -**2.** Hagelpatronen bestaan uit hagelkorrels met een doorsnede van 3,5 millimeter of minder en bevatten geen metallisch lood. +**2.** Hagelpatronen bestaan uit hagelkorrels met een doorsnede van 3,5 millimeter of minder en bevatten geen metallisch lood. **3.** Kogelpatronen zijn geen militaire kogelpatronen, met inbegrip van fosfor- of lichtspoorpatronen, kogelpatronen met volmantel of kogels die niet vervormen bij het treffen. @@ -562,7 +659,7 @@ c. delen van gronden die van elkaar worden gescheiden door een autosnelweg als b Met betrekking tot dieren van de hierna genoemde soorten worden, onverminderd de artikelen 3.13, tweede, derde en vierde lid, en 3.14, derde lid, uitsluitend de volgende geweren en munitie gebruikt: a. reeën: geweren met ten minste één getrokken loop en kogelpatronen voor getrokken loop waarvan de trefenergie ten minste 980 Joule op 100 meter afstand van de loopmond bedraagt; -b. edelherten, damherten en wilde zwijnen: geweren met ten minste één getrokken loop en kogelpatronen van een kaliber van ten minste 6,5 millimeter voor getrokken loop waarvan de trefenergie ten minste 2.200 Joule op 100 meter afstand van de loopmond bedraagt. +b. edelherten, damherten en wilde zwijnen: geweren met ten minste één getrokken loop en kogelpatronen voor getrokken loop waarvan de trefenergie ten minste 2.200 Joule op 100 meter afstand van de loopmond bedraagt. **2.** @@ -591,9 +688,9 @@ e. vanuit een luchtvaartuig. **1.** De verzekering, bedoeld in artikel 3.26, eerste lid, onderdeel c, van de wet, is gesloten met een financiële onderneming die ingevolge artikel 2.48 van de Wet op het financieel toezicht in Nederland het bedrijf van schadeverzekeraar met beperkte risico-omvang mag uitoefenen. -**2.** De verzekering geeft dekking van 1 april tot 1 april van het jaar daaropvolgend en is van kracht voor geheel Nederland. +**2.** De verzekering geeft dekking van 1 april tot 1 april van het jaar daaropvolgend en is van kracht voor geheel Nederland. -**3.** De verzekering dekt de aansprakelijkheid voor een bedrag van ten minste € 1.000.000,– per gebeurtenis. +**3.** De verzekering dekt de aansprakelijkheid voor een bedrag van ten minste € 1.000.000,– per gebeurtenis. **4.** @@ -687,9 +784,9 @@ e. zij beschikt over: ### Artikel 3.21 -**1.** De jachtakte geldt van 1 april tot 1 april van het daaropvolgende kalenderjaar en is van kracht voor heel Nederland. +**1.** De jachtakte geldt van 1 april tot 1 april van het daaropvolgende kalenderjaar en is van kracht voor heel Nederland. -**2.** De valkeniersakte geldt van 1 april tot 1 april van het vijfde daaropvolgende kalenderjaar en is van kracht voor heel Nederland. +**2.** De valkeniersakte geldt van 1 april tot 1 april van het vijfde daaropvolgende kalenderjaar en is van kracht voor heel Nederland. **3.** De jachtakte en de valkeniersakte verliezen hun geldigheid van rechtswege op het tijdstip waarop een rechterlijke uitspraak waarbij aan de houder de bevoegdheid tot het gebruik van een geweer, onderscheidenlijk van jachtvogels ter uitoefening van het bepaalde bij of krachtens de wet is ontzegd, voor tenuitvoerlegging vatbaar wordt. @@ -714,7 +811,7 @@ b. het besluit op aanvragen van jachtakten en valkeniersakten. ### Artikel 3.23 -De eigenaar van een eendenkooi gebruikt voor de afpaling van de eendenkooi, bedoeld in artikel 3.30, negende lid, van de wet palen die zijn voorzien van het opschrift «Eendenkooi van x, met recht van afpaling op y meter, gerekend uit het midden der kooi», waarbij wordt ingevuld voor: +De eigenaar van een eendenkooi gebruikt voor de afpaling van de eendenkooi, bedoeld in artikel 3.30, negende lid, van de wet palen die zijn voorzien van het opschrift «Eendenkooi van x, met recht van afpaling op y meter, gerekend uit het midden der kooi», waarbij wordt ingevuld voor: – x: de naam van de eigenaar van de desbetreffende eendenkooi; – y: het aantal meters waarop het afpalingsrecht betrekking heeft. @@ -731,13 +828,7 @@ De eigenaar van een eendenkooi gebruikt voor de afpaling van de eendenkooi, bedo **3.** Het is verboden dieren of planten van de soorten, genoemd in bijlage C of D bij de CITES-basisverordening, producten of eieren van deze dieren, of producten van deze planten te verhandelen. -**4.** - -Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing op: - -a. uit het wild afkomstige dieren en planten die na 10 juni 1994 aantoonbaar overeenkomstig de op dat moment geldende regelgeving aan de natuur zijn onttrokken van de soorten, genoemd in bijlage IV bij de Habitatrichtlijn; -b. uit het wild afkomstige dieren en planten die na 10 juni 1994 aantoonbaar overeenkomstig de op dat moment geldende regelgeving aan de natuur zijn onttrokken van de soorten, genoemd in bijlage I of II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, niet zijnde soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, en -c. uit het wild afkomstige vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. +**4.** Het tweede lid en derde lid zijn niet van toepassing op dieren en planten van soorten, genoemd in bijlage IV bij de Habitatrichtlijn, bijlage I of II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, niet zijnde soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. ### Artikel 3.25 @@ -772,8 +863,8 @@ c. de wijze waarop een merkteken wordt aangevraagd. Degene die een levend gefokt dier of een levende gekweekte plant onder zich heeft, houdt een administratie bij met betrekking tot dat dier of die plant, indien het dier of de plant behoort tot: -a. de soorten genoemd in bijlage IV bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, met uitzondering van vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn; -b. de soorten, genoemd in bijlage A bij de CITES-basisverordening, met uitzondering van de in bijlage X bij de CITES-uitvoeringsverordening genoemde diersoorten en de hybriden daarvan; +a. de soorten genoemd in bijlage IV bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn; +b. de soorten, genoemd in bijlage A bij de CITES-basisverordening, met uitzondering van de in bijlage VIII bij de CITES-uitvoeringsverordening genoemde diersoorten en de hybriden daarvan; c. de diersoorten, genoemd in bijlage B bij de CITES-basisverordening, met uitzondering van: 1°. gefokte vogels, die van een gesloten pootring zijn voorzien, en @@ -790,8 +881,6 @@ c. de bewaartermijn van de administratie. **3.** Degene die een administratie als bedoeld in het eerste lid bijhoudt, verschaft desgevraagd inzage in die administratie aan in en op grond van artikel 7.1 van de wet aangewezen ambtenaren. -**4.** Het eerste, tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op degene die een uit het wild afkomstig levend dier van een soort, genoemd in bijlage B bij de CITES-basisverordening, onder zich heeft. - ### Artikel 3.28 **1.** Een ieder die een vogel van een soort als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn of genoemd in bijlage A bij de CITES-basisverordening fokt, voorziet de vogel van een gesloten pootring. @@ -818,15 +907,15 @@ b. de aangewezen organisaties informatie verstrekken aan Onze Minister op een bi ### Artikel 3.29 -Het is verboden dieren, planten, producten, nesten of eieren van dieren of producten van planten van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, of genoemd in bijlage IV bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern, bijlage I bij het Verdrag van Bonn of bijlage A, B, C, of D van de CITES-basisverordening op andere plaatsen dan bij ministeriële regeling aangewezen douanekantoren Nederland binnen of buiten te brengen. +Het is verboden dieren, planten, producten, nesten of eieren van dieren of producten van planten van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, of genoemd in bijlage A, B, C, of D van de CITES-basisverordening op andere plaatsen dan bij ministeriële regeling aangewezen douanekantoren Nederland binnen of buiten te brengen. #### Paragraaf 3.4.4. Aanwijzing EU-wetgeving ### Artikel 3.30 -**1.** Als verordening als bedoeld in artikel 3.36, onderdeel e, van de wet wordt aangewezen verordening (EEG) nr. 3254/91 van de Raad van 4 november 1991 houdende een verbod op het gebruik van de wildklem in de Gemeenschap en op het binnenbrengen in de Gemeenschap van pelzen en produkten die vervaardigd zijn van bepaalde in het wild levende diersoorten uit landen waar gebruik wordt gemaakt van de wildklem of andere vangmethoden die niet stroken met de internationale normen voor humane vangst met behulp van vallen (PbEG 1991, L 308). +**1.** Als verordening als bedoeld in artikel 3.36, onderdeel e, van de wet wordt aangewezen verordening (EEG) nr. 3254/91 van de Raad van 4 november 1991 houdende een verbod op het gebruik van de wildklem in de Gemeenschap en op het binnenbrengen in de Gemeenschap van pelzen en produkten die vervaardigd zijn van bepaalde in het wild levende diersoorten uit landen waar gebruik wordt gemaakt van de wildklem of andere vangmethoden die niet stroken met de internationale normen voor humane vangst met behulp van vallen (PbEG 1991, L 308). -**2.** Als richtlijn als bedoeld in artikel 3.36, onderdeel e, van de wet wordt aangewezen richtlijn 83/129/EEG van de Raad van 28 maart 1983 betreffende de invoer in de Lid-Staten van huiden van bepaalde zeehondenjongen en daarvan vervaardigde produkten (PbEG 1983, L 91). +**2.** Als richtlijn als bedoeld in artikel 3.36, onderdeel e, van de wet wordt aangewezen richtlijn 83/129/EEG van de Raad van 28 maart 1983 betreffende de invoer in de Lid-Staten van huiden van bepaalde zeehondenjongen en daarvan vervaardigde produkten (PbEG 1983, L 91). ### Titel 3.5. Regels ter uitvoering van eu-verordeningen inzake invasieve uitheemse soorten @@ -860,7 +949,7 @@ Als gedragingen als bedoeld in artikel 7.6, eerste lid, van de wet worden aangew a. het binnenbrengen in de Gemeenschap van een specimen in strijd met het bepaalde in artikel 4, derde en vierde lid, van de CITES-basisverordening; b. handelen in strijd met een voorwaarde of vereiste, verbonden aan een vergunning of certificaat op grond van artikel 11, derde lid, van de CITES-basisverordening, voor zover de voorwaarde of het vereiste ziet op de administratie, de verstrekking van gegevens of het merken van dieren, planten of eieren; -c. handelen in strijd met de artikelen 33, eerste lid, onderdeel c, en 40, eerste lid, onderdeel d, van de CITES-uitvoeringsverordening van de Commissie van 4 mei 2006 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer (PB L 166), en +c. handelen in strijd met de artikelen 33, eerste lid, onderdeel c, en 40, eerste lid, onderdeel d, van de CITES-uitvoeringsverordening van de Commissie van 4 mei 2006 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer (PB L 166), en d. handelen in strijd met het bepaalde bij of krachtens de artikelen 3.27 en 3.28 van dit besluit. **2.** De op grond van 7.6, tweede lid, vast te stellen bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste 50% van het bedrag dat is vastgesteld voor de eerste categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht. @@ -923,13 +1012,13 @@ Wijzigt het Uitvoeringsbesluit rijkscoördinatieregeling energie-infrastructuurp ### Artikel 5.13 -**1.** Artikel 5.5, derde lid, van de wet is niet van toepassing op een besluit op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, of 47a, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998, die is ingediend vóór 1 juli 2015. +**1.** Artikel 5.5, derde lid, van de wet is niet van toepassing op een besluit op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, of 47a, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998, die is ingediend vóór 1 juli 2015. **2.** De artikelen 2.7, 2.8 en 2.9 zijn niet van toepassing op projecten, plannen en andere handelingen die stikstofdepositie op voor stikstof gevoelige habitats in een Natura 2000-gebied veroorzaken indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: -a. voor het project, het plan of de andere handeling was vóór 1 juli 2015 een besluit als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, in voorbereiding bij het desbetreffende bestuursorgaan; +a. voor het project, het plan of de andere handeling was vóór 1 juli 2015 een besluit als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, in voorbereiding bij het desbetreffende bestuursorgaan; b. de voor het nemen van het desbetreffende besluit beschikbare gegevens en bescheiden zijn naar het oordeel van het desbetreffende bestuursorgaan voldoende voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van het desbetreffende besluit en bovendien, ingeval het besluit betrekking heeft op een project als bedoeld in artikel 2.7, derde lid, onderdeel a, van de wet, is een volledige passende beoordeling als bedoeld in artikel 2.8, eerste lid, van de wet gemaakt, en c. degene die het desbetreffende project zal realiseren, onderscheidenlijk de andere handeling zal verrichten, heeft een tijdige uitvoering verzekerd van de maatregelen die in het kader van de realisering van het project, onderscheidenlijk het verrichten van de andere handeling worden getroffen om te verzekeren dat de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebied niet zullen worden aangetast als gevolg van het project, onderscheidenlijk om verslechteringen of significant verstorende effecten als gevolg van de andere handeling te voorkomen.