diff --git a/beleidsregel/inkomstenbelasting-collectieve-compensatieregeling-voor-beleggingsverzekeringen/BWBR0026146/README.md b/beleidsregel/inkomstenbelasting-collectieve-compensatieregeling-voor-beleggingsverzekeringen/BWBR0026146/README.md index 10c5a344e31..a0622778ad3 100644 --- a/beleidsregel/inkomstenbelasting-collectieve-compensatieregeling-voor-beleggingsverzekeringen/BWBR0026146/README.md +++ b/beleidsregel/inkomstenbelasting-collectieve-compensatieregeling-voor-beleggingsverzekeringen/BWBR0026146/README.md @@ -56,7 +56,17 @@ In een aantal gevallen zou deze kwalificatie echter leiden tot onwenselijke fisc ## 5. Verlaging voor de toekomst van kosten of risicopremies van bij de verzekeraar lopende verzekeringen -Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden +De compensatieregelingen hebben ook gevolgen voor de toekomst. Voor zover de oorspronkelijk overeengekomen kosten een bepaald vastgesteld normniveau te boven gaan, vindt namelijk daarvan voor de toekomst verlaging plaats. In sommige situaties vindt bovendien voor de toekomst verlaging plaats van de premie voor bepaalde risicodekkingen, bijvoorbeeld voor dekking van het risico van vroegtijdig overlijden. Deze verlaging van kosten en/of risicopremies kan enerzijds tot gevolg hebben dat toekomstige premiebetalingen lager worden dan oorspronkelijk overeengekomen. Anderzijds kan het voordeel van de verlaging worden doorgegeven door onder handhaving van het overeengekomen premieniveau, hogere verzekerde rechten overeen te komen. + +Voor lijfrenten heeft de verlaging van een in de toekomst te betalen premie geen andere fiscale gevolgen dan dat het mogelijk als inkomensvoorziening in aftrek te brengen bedrag in dezelfde mate lager wordt. Als onder handhaving van het premieniveau hogere verzekerde rechten worden overeengekomen, heeft die verhoging als zodanig geen fiscale gevolgen. Die verhoging leidt uiteindelijk wel tot een hogere verzekeringsuitkering ineens of in termijnen waarover regulier wordt geheven volgens de bepalingen van de Wet IB 2001. + +Voor kapitaalverzekeringen kunnen de premieverlagingen en de verhoging van de verzekerde rechten in beginsel gevolgen hebben voor zowel het recht op vrijstelling van de kapitaalsuitkering als voor de werking van bepalingen met eerbiedigende werking van vóór 2001 gesloten contracten. Wat betreft het recht op vrijstelling van een of meer kapitaalsuitkeringen geldt, ongeacht het van toepassing zijnde fiscale regime, dat de premies per verzekeringsjaar binnen een bepaalde bandbreedte moeten zijn betaald. Voor bij voorbeeld een kapitaalverzekering eigen woning (KEW) geldt een bandbreedte van 10 : 1 voor de hoogste respectievelijk laagste premie op basis van het verzekeringsjaar. In dit verband worden globaal gesproken de premie voor de uitkering bij leven en de premie voor de uitkering ten gevolge van overlijden samengeteld. Indien bij een KEW de bandbreedte van 10 : 1 ten volle is benut door het betalen van een hoge storting gevolgd door reguliere betalingen die op jaarbasis een tiende daarvan vormen, zou een verlaging van de reguliere premie op grond van de compensatieregelingen niet alleen leiden tot het verlies van het recht op vrijstelling van de kapitaalsuitkering maar ook tot onmiddellijke afrekening over de waarde van de KEW en overgang naar box 3. + +Deze gevolgen van de overschrijding van de bandbreedte louter als gevolg van de getroffen compensatieregeling acht ik ongewenst. Daarom keur ik met toepassing van artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hardheidsclausule) het volgende goed. In voorkomende situaties komt het overschrijden van de bandbreedte louter door het verlagen van de premie als gevolg van de compensatieregeling, niet in strijd met de voorwaarden voor vrijstelling van de kapitaalsuitkering. Voor de toekomst mag voor de bandbreedte-eis als laagste premie worden uitgegaan van de premie zoals die op grond van de compensatieregeling is overeengekomen. + +Ook voor de werking van de bepalingen met eerbiedigende werking voor kapitaalverzekeringen – bij voorbeeld artikel 76 Wet IB 1964 en de relevante bepalingen van de Invoeringswet Wet IB 2001 – kan verlaging van kosten en van de premie voor de dekking van het risico van vroegtijdig overlijden gevolgen hebben. Voor de toepassing van die bepalingen moeten de (premie voor de) verzekerde uitkering bij leven en ten gevolge van overlijden namelijk separaat worden beoordeeld. Als op grond van een compensatieregeling de premie voor het overlijdensgedeelte wordt verlaagd, waarbij de in totaal verschuldigde premie gelijk blijft, wordt per saldo in de toekomst een hogere premie voldaan voor de uitkering bij leven. Als gevolg hiervan kan in een aantal gevallen het recht op eerbiedigende werking verloren gaan. + +Ik vind die uitkomst onwenselijk. Daarom keur ik met toepassing van artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hardheidsclausule) goed dat in dergelijke gevallen een verhoging van de premie voor de uitkering bij leven als gevolg van een compensatieregeling als in dit besluit bedoeld, niet leidt tot verlies van het bestaande recht op eerbiedigende werking. Deze goedkeuring geldt overeenkomstig indien louter als gevolg van de compensatieregeling een verhoging plaatsvindt van een verzekerde waarde. ## 6. Tot slot