2013-01-01 | BWBR0006589 | Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en de buitengewoon opsporingsambtenaar
This commit is contained in:
parent
6b77db3813
commit
c0a31bb859
1 changed files with 57 additions and 43 deletions
|
|
@ -19,43 +19,41 @@ citeertitel: Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en and
|
|||
|
||||
In dit besluit wordt verstaan onder ambtenaar:
|
||||
|
||||
a. de ambtenaar van politie, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder a en c, en tweede lid, van de Politiewet 1993;
|
||||
b. de ambtenaar van politie, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder b, van de Politiewet 1993 voor zover het betreft de artikelen 1 en 2, hoofdstuk 5; In hoofdstuk 6 van dit besluit wordt onder ambtenaar mede verstaan de ambtenaar van politie, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder b, van de Politiewet 1993, dan wel een andere persoon, voor zover die ambtenaar van politie of die persoon tevens buitengewoon opsporingsambtenaar is en door de korpsbeheerder is belast met de verzorging van ingeslotenen.
|
||||
a. de ambtenaar van politie, bedoeld in artikel 2, onder a, c en d, van de Politiewet 2012;
|
||||
b. de ambtenaar van politie, bedoeld in artikel 2, onder b, van de Politiewet 2012 voor zover het betreft de artikelen 1 en 2, hoofdstuk 5; In hoofdstuk 6 van dit besluit wordt onder ambtenaar mede verstaan de ambtenaar van politie, bedoeld in artikel 2, onder b, van de Politiewet 2012, dan wel een andere persoon, voor zover die ambtenaar van politie of die persoon tevens buitengewoon opsporingsambtenaar is en door de korpschef is belast met de verzorging van ingeslotenen.
|
||||
c. degene die is benoemd tot adspirant voor de duur dat hij de praktijkstage volgt;
|
||||
d. de militair van de Koninklijke marechaussee in de uitvoering van de politietaken, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Politiewet 1993;
|
||||
e. de militair van de krijgsmacht, bedoeld in artikel 59, eerste lid, en artikel 60 van de Politiewet 1993.
|
||||
d. de militair van de Koninklijke marechaussee in de uitvoering van de politietaken, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Politiewet 2012;
|
||||
e. de militair van de krijgsmacht, bedoeld in artikel 58, eerste lid, en artikel 59 van de Politiewet 2012.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
In dit besluit wordt verstaan onder meerdere:
|
||||
|
||||
a. de ambtenaar die uit hoofde van zijn functie of krachtens beschikking of aanwijzing met de leiding is belast of het bevel heeft over de taakuitvoering;
|
||||
b. indien op grond van het bepaalde onder *a*, geen meerdere kan worden aangewezen de ambtenaar van politie die een hogere rang heeft of, bij gelijkheid in rang, degene met de meeste dienstjaren, dan wel bij optreden door militairen van de Koninklijke marechaussee of van enig ander krijgsmachtonderdeel degene die ingevolge het bepaalde bij of krachtens artikel 67 van het Wetboek van Militair Strafrecht de meerdere is.
|
||||
b. indien op grond van het bepaalde onder a, geen meerdere kan worden aangewezen de ambtenaar van politie die een hogere rang heeft of, bij gelijkheid in rang, degene met de meeste dienstjaren, dan wel bij optreden door militairen van de Koninklijke marechaussee of van enig ander krijgsmachtonderdeel degene die ingevolge het bepaalde bij of krachtens artikel 67 van het Wetboek van Militair Strafrecht de meerdere is.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
In dit besluit wordt verstaan onder:
|
||||
|
||||
a. bevoegd gezag: het gezag, bedoeld in de artikelen 12, 13 en 15 van de Politiewet 1993;
|
||||
a. bevoegd gezag: het gezag, bedoeld in de artikelen 11, 12 en 14 van de Politiewet 2012;
|
||||
b. geweld: elke dwangmatige kracht van meer dan geringe betekenis uitgeoefend op personen of zaken;
|
||||
c. aanwenden van geweld: het gebruiken van geweld en het dreigen met geweld, waaronder wordt begrepen het ter hand nemen van een vuurwapen;
|
||||
d. geweldmiddel:
|
||||
|
||||
1o. de krachtens artikel 49, eerste lid, van de Politiewet 1993 toegelaten uitrusting en bewapening waarmee geweld kan worden uitgeoefend, en
|
||||
2o. de door Onze Minister van Defensie ter beschikking gestelde uitrusting en bewapening waarmee geweld kan worden uitgeoefend in de uitvoering van de politietaken, bedoeld in de artikelen 6, 58, 59 en 60 van de Politiewet 1993;
|
||||
1°. de krachtens artikel 22 van de Politiewet 2012 toegelaten uitrusting en bewapening waarmee geweld kan worden uitgeoefend, en.
|
||||
2°. de door Onze Minister van Defensie ter beschikking gestelde uitrusting en bewapening waarmee geweld kan worden uitgeoefend in de uitvoering van de politietaken, bedoeld in de artikelen 4, 57, 58 en 59 van de Politiewet 2012;
|
||||
e. hulpmiddelen ten behoeve van uitzetting:
|
||||
|
||||
1º. de krachtens artikel 49, eerste lid, van de Politiewet 1993, aan de ambtenaar van politie, bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000 belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen, ter beschikking gestelde uitrusting ten behoeve van de uitzetting van vreemdelingen, en
|
||||
2º. de door Onze Minister van Defensie, in overeenstemming met Onze Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, aan de ambtenaar van de Koninklijke marechaussee, bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000 belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen, ter beschikking gestelde uitrusting ten behoeve van de uitzetting van vreemdelingen;
|
||||
1º. de krachtens artikel 22 van de Politiewet 2012, aan de ambtenaar van politie, bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000 belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen, ter beschikking gestelde uitrusting ten behoeve van de uitzetting van vreemdelingen, en
|
||||
2º. de door Onze Minister van Defensie, in overeenstemming met Onze Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, aan de ambtenaar van de Koninklijke marechaussee, bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000 belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen, ter beschikking gestelde uitrusting ten behoeve van de uitzetting van vreemdelingen;
|
||||
f. vuurwapen waarmee automatisch vuur kan worden afgegeven: vuurwapen waarmee met één druk op het afvuurmechanisme meer schoten kunnen worden gelost dan wel een vuurwapen waarmee naar keus hetzij één schot, hetzij meer schoten kunnen worden gelost;
|
||||
g. mobiele eenheid: een eenheid van ambtenaren van politie als bedoeld in artikel 6 van het Besluit beheer regionale politiekorpsen en de eenheden van de Koninklijke marechaussee die met dezelfde taken als bedoeld in genoemd besluit zijn belast;
|
||||
h. de arts: de dienstdoend adviserend arts;
|
||||
i. buitengewoon opsporingsambtenaar: de buitengewoon opsporingsambtenaar, bedoeld in artikel 142, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering;
|
||||
j. het gebruik van een vuurwapen: het richten, het gericht houden en het daadwerkelijk gebruik van een vuurwapen;
|
||||
k. niet-penetrerende munitie: munitie die is ontworpen om bij het treffen van een persoon niet het lichaam binnen te dringen;
|
||||
l. AOE: eenheid van ambtenaren van politie als bedoeld in artikel 8 van het Besluit beheer regionale politiekorpsen en de eenheid van de Koninklijke marechaussee die met dezelfde taken als bedoeld in genoemd besluit is belast;
|
||||
m. AOE-hond: hond in eigendom van de Staat of een regio met als doel in politiedienst te worden ingezet bij het optreden van een AOE of een bijstandseenheid als bedoeld in artikel 60 van de Politiewet 1993;
|
||||
n. ambtenaar van een bijzondere opsporingsdienst: ambtenaar van een bijzondere opsporingsdienst die is aangesteld voor de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten.
|
||||
g. de arts: de dienstdoend adviserend arts;
|
||||
h. buitengewoon opsporingsambtenaar: de buitengewoon opsporingsambtenaar, bedoeld in artikel 142, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering;
|
||||
i. het gebruik van een vuurwapen: het richten, het gericht houden en het daadwerkelijk gebruik van een vuurwapen;
|
||||
j. niet-penetrerende munitie: munitie die is ontworpen om bij het treffen van een persoon niet het lichaam binnen te dringen;
|
||||
k. AOE-hond: hond in eigendom van de politie met als doel in politiedienst te worden ingezet bij het optreden van een aanhoudings- en ondersteuningseenheid of een bijstandseenheid als bedoeld in artikel 59 van de Politiewet 2012;
|
||||
l. ambtenaar van een bijzondere opsporingsdienst: ambtenaar van een bijzondere opsporingsdienst die is aangesteld voor de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten.
|
||||
|
||||
**4.** In dit besluit wordt onder ingeslotene verstaan degene die rechtens van zijn vrijheid is beroofd. Onder ingeslotene wordt mede verstaan degene die ten behoeve van de hulpverlening aan hem op het politie- of brigadebureau is ondergebracht.
|
||||
|
||||
|
|
@ -68,7 +66,7 @@ b. bij optreden in uniform, op verzoek daartoe.
|
|||
|
||||
### Artikel 3
|
||||
|
||||
De ambtenaar die bijstand verleent ingevolge de bepalingen van Hoofdstuk IX van de Politiewet 1993 staat onder bevel van het bevoegd gezag ter plaatse of een door deze aangewezen ambtenaar.
|
||||
De ambtenaar die bijstand verleent ingevolge de bepalingen van hoofdstuk 5 van de Politiewet 2012 staat onder bevel van het bevoegd gezag ter plaatse of een door deze aangewezen ambtenaar.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 2. Geweld
|
||||
|
||||
|
|
@ -91,9 +89,9 @@ b. die in het gebruik van dat geweldmiddel is geoefend.
|
|||
|
||||
### Artikel 6
|
||||
|
||||
**1.** De korpschef of de daartoe door hem aangewezen ambtenaar van politie zet de eenheid, bedoeld in artikel 6 of 8 van het Besluit beheer regionale politiekorpsen, slechts in na toestemming van het bevoegd gezag.
|
||||
**1.** De korpschef of de daartoe door hem aangewezen ambtenaar van politie zet de mobiele eenheid of de aanhoudings- en ondersteuningseenheid slechts in na toestemming van het bevoegd gezag.
|
||||
|
||||
**2.** De door het bevoegd gezag aangewezen ambtenaar zet de eenheden, bedoeld in de artikelen 58 en 59 van de Politiewet 1993 slechts in na toestemming van het bevoegd gezag.
|
||||
**2.** De door het bevoegd gezag aangewezen ambtenaar zet de eenheden, bedoeld in de artikelen 57 en 58 van de Politiewet 2012 slechts in na toestemming van het bevoegd gezag.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 2. Vuurwapens
|
||||
|
||||
|
|
@ -137,7 +135,7 @@ b. de bewaking en beveiliging van personen en objecten.
|
|||
|
||||
**1.** Het gebruik van een vuurwapen waarmee lange afstandsprecisievuur kan worden afgegeven, is slechts geoorloofd bij zeer ernstige misdrijven ter afwending van direct gevaar voor het leven van personen.
|
||||
|
||||
**2.** Het gebruik, bedoeld in het eerste lid, vindt plaats onder bevel van de commandant van een bijstandseenheid als bedoeld in artikel 60 van de Politiewet 1993.
|
||||
**2.** Het gebruik, bedoeld in het eerste lid, vindt plaats onder bevel van de commandant van een bijstandseenheid als bedoeld in artikel 59 van de Politiewet 2012.
|
||||
|
||||
**3.** Een vuurwapen waarmee lange afstandsprecisievuur kan worden afgegeven mag slechts worden meegevoerd ten behoeve van de opleiding dan wel ten behoeve van de daadwerkelijke bestrijding van zeer ernstige misdrijven waarbij sprake is van direct levensbedreigende omstandigheden.
|
||||
|
||||
|
|
@ -238,9 +236,9 @@ Het inzetten van een politie-surveillancehond is slechts geoorloofd onder het di
|
|||
a. de surveillancedienst, en
|
||||
b. het optreden van de mobiele eenheid na toestemming van het bevoegd gezag.
|
||||
|
||||
**2.** Het inzetten van een AOE-hond is slechts geoorloofd onder het direct en voortdurend toezicht van een geleider bij het, na toestemming van het bevoegd gezag, optreden van een AOE of een bijstandseenheid als bedoeld in artikel 60 van de Politiewet 1993.
|
||||
**2.** Het inzetten van een AOE-hond is slechts geoorloofd onder het direct en voortdurend toezicht van een geleider bij het, na toestemming van het bevoegd gezag, optreden van een AOE of een bijstandseenheid als bedoeld in artikel 59 van de Politiewet 2012.
|
||||
|
||||
**3.** De geleider dient in het bezit te zijn van een krachtens artikel 49, eerste lid, van de Politiewet 1993 vastgesteld certificaat.
|
||||
**3.** De geleider dient in het bezit te zijn van een krachtens artikel 22 van de Politiewet 2012 vastgesteld certificaat.
|
||||
|
||||
### Artikel 16
|
||||
|
||||
|
|
@ -252,13 +250,13 @@ Het gebruik van een elektrische wapenstok is slechts geoorloofd als afweermiddel
|
|||
|
||||
**1.** De ambtenaar die geweld heeft aangewend, meldt de feiten en omstandigheden dienaangaande, alsmede de gevolgen hiervan, onverwijld aan zijn meerdere.
|
||||
|
||||
**2.** De melding, bedoeld in het eerste lid, wordt door de meerdere terstond vastgelegd op een daartoe door Onze Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties bij ministeriële regeling vastgestelde wijze.
|
||||
**2.** De melding, bedoeld in het eerste lid, wordt door de meerdere terstond vastgelegd op een daartoe door Onze Minister vastgestelde wijze.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
De melding, bedoeld in het tweede lid, wordt door de korpschef binnen 48 uur ter kennis gebracht van de officier van justitie van het arrondissement waarbinnen het geweld is aangewend, dan wel door de commandant van de Koninklijke marechaussee van de officier van justitie te Arnhem belast met militaire zaken ingeval het een militair betreft, indien:
|
||||
De melding, bedoeld in het tweede lid, wordt door de politiechef binnen 48 uur ter kennis gebracht van de officier van justitie in het arrondissement waarin de rechtbank is gelegen waarbinnen het geweld is aangewend, dan wel door de commandant van de Koninklijke marechaussee van de officier van justitie te Arnhem belast met militaire zaken ingeval het een militair betreft, indien:
|
||||
|
||||
a. de gevolgen van het aanwenden van geweld daartoe naar het oordeel van de korpschef of de commandant aanleiding geven,
|
||||
a. de gevolgen van het aanwenden van geweld daartoe naar het oordeel van de politiechef of de commandant aanleiding geven,
|
||||
b. het aanwenden van geweld lichamelijk letsel van meer dan geringe betekenis dan wel de dood heeft veroorzaakt, of
|
||||
c. gebruik is gemaakt van een vuurwapen en daarmee één of meer schoten zijn gelost.
|
||||
|
||||
|
|
@ -274,13 +272,13 @@ De meerdere licht de ambtenaar zo spoedig mogelijk in over de afhandeling van de
|
|||
|
||||
### Artikel 20
|
||||
|
||||
**1.** Het onderzoek, bedoeld in artikel 8, derde lid, van de Politiewet 1993, geschiedt door het oppervlakkig aftasten van de kleding en wordt zoveel mogelijk uitgevoerd door een ambtenaar van hetzelfde geslacht als degene die aan het onderzoek wordt onderworpen.
|
||||
**1.** Het onderzoek, bedoeld in artikel 7, derde lid, van de Politiewet 2012, geschiedt door het oppervlakkig aftasten van de kleding en wordt zoveel mogelijk uitgevoerd door een ambtenaar van hetzelfde geslacht als degene die aan het onderzoek wordt onderworpen.
|
||||
|
||||
**2.** Het onderzoek, bedoeld in artikel 8, vierde lid, van de Politiewet 1993, wordt uitgevoerd door een ambtenaar van hetzelfde geslacht als degene die aan het onderzoek wordt onderworpen.
|
||||
**2.** Het onderzoek, bedoeld in artikel 7, vierde lid, van de Politiewet 2012 wordt uitgevoerd door een ambtenaar van hetzelfde geslacht als degene die aan het onderzoek wordt onderworpen.
|
||||
|
||||
### Artikel 21
|
||||
|
||||
De ambtenaar die een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde of vierde lid, van de Politiewet 1993 heeft uitgevoerd, meldt dit onverwijld schriftelijk aan de meerdere, onder vermelding van de redenen die tot dit onderzoek hebben geleid.
|
||||
De ambtenaar die een onderzoek als bedoeld in artikel 7, derde of vierde lid, van de Politiewet 2012 heeft uitgevoerd, meldt dit onverwijld schriftelijk aan de meerdere, onder vermelding van de redenen die tot dit onderzoek hebben geleid.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 4. Handboeien
|
||||
|
||||
|
|
@ -346,9 +344,29 @@ b. de toepassing van het hulpmiddel redelijkerwijs geen gevaar kan opleveren voo
|
|||
|
||||
### Artikel 26
|
||||
|
||||
**1.** De ambtenaar handelt jegens de ingeslotene overeenkomstig het gestelde bij of krachtens artikel 15 van het Besluit beheer regionale politiekorpsen.
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
**2.** De ambtenaar registreert de gegevens die krachtens artikel 15, zesde lid, van het Besluit beheer regionale politiekorpsen zijn aangewezen.
|
||||
De korpschef treft voorzieningen opdat de ingeslotene in ieder geval beschikt over:
|
||||
|
||||
a. slaapgelegenheid,
|
||||
b. eten en drinken in overeenstemming met medische en levensbeschouwelijke of godsdienstige eisen,
|
||||
c. sanitair,
|
||||
d. de noodzakelijke medische zorg en
|
||||
e. informatie over de gang van zaken in het politiecellencomplex.
|
||||
|
||||
**2.** Tenzij het politiecellencomplex geen luchtplaats heeft, draagt de korpschef er zorg voor dat de ingeslotene tweemaal daags wordt gelucht.
|
||||
|
||||
**3.** In verband met het eerste lid, onder d, treft de korpschef een regeling met artsen ten einde van hulp verzekerd te zijn voor de medische zorg van ingeslotenen.
|
||||
|
||||
**4.** Met inachtneming van het bij of krachtens de wet bepaalde treft de korpschef een regeling met betrekking tot het roken, de ontspanning, het telefoneren en het ontvangen van bezoek van de ingeslotene.
|
||||
|
||||
**5.** Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de inrichting van een politiecellencomplex.
|
||||
|
||||
**6.** Bij ministeriële regeling worden de gegevens over ingeslotenen aangewezen die door de ambtenaar worden geregistreerd.
|
||||
|
||||
**7.** In geval van overlijden of poging tot zelfdoding van een ingeslotene draagt de korpschef er zorg voor dat het openbaar ministerie hiervan onverwijld in kennis wordt gesteld.
|
||||
|
||||
**8.** De ambtenaar handelt jegens de ingeslotene overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens dit artikel.
|
||||
|
||||
### Artikel 27
|
||||
|
||||
|
|
@ -360,7 +378,7 @@ b. de toepassing van het hulpmiddel redelijkerwijs geen gevaar kan opleveren voo
|
|||
|
||||
### Artikel 28
|
||||
|
||||
**1.** De ambtenaar onderzoekt de ingeslotene direct voorafgaand aan de insluiting op het politie- of brigadebureau, door het aftasten en doorzoeken van diens kleding op de aanwezigheid van voorwerpen die tijdens de insluiting een gevaar voor de veiligheid van de betrokkene of voor anderen kunnen vormen.
|
||||
**1.** De ambtenaar onderzoekt de ingeslotene direct voorafgaand aan de insluiting, door het aftasten en doorzoeken van diens kleding op de aanwezigheid van voorwerpen die tijdens de insluiting een gevaar voor de veiligheid van de betrokkene of voor anderen kunnen vormen.
|
||||
|
||||
**2.** Bij het aantreffen van voorwerpen als bedoeld in het eerste lid, neemt de ambtenaar deze in bewaring.
|
||||
|
||||
|
|
@ -437,7 +455,7 @@ De ambtenaar zorgt ervoor dat bij de invrijheidstelling van een persoon die zich
|
|||
|
||||
### Artikel 36a
|
||||
|
||||
**1.** De ambtenaarvan een bijzondere opsporingsdienst handelt overeenkomstig de artikelen 2, 4, 5, 7, eerste lid, aanhef en onder a en b, tweede, derde en vierde lid, 10, 10a, 12a, 12b, 12c, 15, eerste lid, aanhef en onder a, en tweede lid, 16,17, 19, 20, eerste lid, 21, 22 en 23 van dit besluit. In artikel 17, derde lid, wordt voor «de korpschef» gelezen: het hoofd van de bijzondere opsporingsdienst. In artikel 20, eerste lid, wordt voor «artikel 8, derde lid, van de Politiewet 1993» gelezen: artikel 6, derde lid, van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten. In artikel 21 wordt voor «artikel 8, derde of vierde lid, van de Politiewet 1993» gelezen: artikel 6, derde lid, van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten.
|
||||
**1.** De ambtenaarvan een bijzondere opsporingsdienst handelt overeenkomstig de artikelen 2, 4, 5, 7, eerste lid, aanhef en onder a en b, tweede, derde en vierde lid, 10, 10a, 12a, 12b, 12c, 15, eerste lid, aanhef en onder a, en tweede lid, 16,17, 19, 20, eerste lid, 21, 22 en 23 van dit besluit. In artikel 17, derde lid, wordt voor «de politiechef» gelezen: het hoofd van de bijzondere opsporingsdienst. In artikel 20, eerste lid, wordt voor «artikel 7, derde lid, van de Politiewet 2012» gelezen: artikel 6, derde lid, van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten. In artikel 21 wordt voor «artikel 7, derde of vierde lid, van de Politiewet 2012» gelezen: artikel 6, derde lid, van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -455,7 +473,7 @@ De ambtenaar van een bijzondere opsporingsdienst maakt bij de uitoefening van zi
|
|||
|
||||
### Artikel 37
|
||||
|
||||
**1.** Indien Onze Minister van Justitie ingevolge artikel 8, zevende lid, van de Politiewet 1993, heeft bepaald dat een buitengewoon opsporingsambtenaar bevoegd is tot de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in het eerste en derde lid van dat artikel, handelt de desbetreffende buitengewoon opsporingsambtenaar overeenkomstig de artikelen 5, 17, 19, 20, eerste lid, en 21 van dit besluit. In artikel 17, derde lid, wordt voor «de korpschef» gelezen: de meerdere.
|
||||
**1.** Indien Onze Minister ingevolge artikel 7, zevende lid, van de Politiewet 2012, heeft bepaald dat een buitengewoon opsporingsambtenaar bevoegd is tot de uitoefening van bevoegdheden, bedoeld in het eerste en derde lid van dat artikel, handelt de desbetreffende buitengewoon opsporingsambtenaar overeenkomstig de artikelen 5, 17, 19, 20, eerste lid, en 21 van dit besluit. In artikel 17, derde lid, wordt voor «de politiechef» gelezen: de meerdere.
|
||||
|
||||
**2.** Indien de aanwijzing mede omvat het gebruik van een wapen, een surveillancehond dan wel handboeien handelt de desbetreffende buitengewoon opsporingsambtenaar mede overeenkomstig de artikelen 4, 7, eerste lid, aanhef en onder a en b, tweede, derde en vierde lid, 8, 9, 10, 10a, 12a, 12b, 12c, 15, eerste lid, aanhef en onder a, en tweede lid, 16 respectievelijk 22 en 23 van dit besluit.
|
||||
|
||||
|
|
@ -463,27 +481,23 @@ De ambtenaar van een bijzondere opsporingsdienst maakt bij de uitoefening van zi
|
|||
|
||||
Voor de toepassing van het eerste en tweede lid wordt verstaan onder:
|
||||
|
||||
a. bevoegd gezag: het gezag, bedoeld in artikel 13 van de Politiewet 1993;
|
||||
a. bevoegd gezag: het gezag, bedoeld in artikel 12 van de Politiewet 2012;
|
||||
b. de meerdere: de direct toezichthouder, bedoeld in artikel 1 van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar.
|
||||
c. geweldmiddel: de wapens en de uitrusting, waarmee geweld kan worden uitgeoefend, die krachtens artikel 3a, eerste tot en met derde lid van de Wet wapens en munitie zijn toegestaan.
|
||||
|
||||
### Artikel 38
|
||||
|
||||
De buitengewoon opsporingsambtenaar die bevoegd is tot het gebruik van een wapen of handboeien, maakt bij de uitoefening van zijn dienst uitsluitend gebruik van het door Onze Minister van Justitie voorgeschreven geweldmiddel of handboeien.
|
||||
De buitengewoon opsporingsambtenaar die bevoegd is tot het gebruik van een wapen of handboeien, maakt bij de uitoefening van zijn dienst uitsluitend gebruik van het door Onze Minister voorgeschreven geweldmiddel of handboeien.
|
||||
|
||||
### Artikel 39
|
||||
|
||||
De buitengewoon opsporingsambtenaar is niet eerder bevoegd tot de uitoefening van de in artikel 8, eerste en derde lid, van de Politiewet 1993 bedoelde bevoegdheden dan nadat die bevoegdheid is aangetekend op de akte van beëdiging en is gebleken van zijn bekwaamheid in de uitoefening daarvan.
|
||||
De buitengewoon opsporingsambtenaar is niet eerder bevoegd tot de uitoefening van de in artikel 7, eerste en derde lid, van de Politiewet 2012 bedoelde bevoegdheden dan nadat die bevoegdheid is aangetekend op de akte van beëdiging en is gebleken van zijn bekwaamheid in de uitoefening daarvan.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 8. Slotbepalingen
|
||||
|
||||
### Artikel 39a
|
||||
|
||||
Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zendt in overeenstemming met Onze Minister van Justitie binnen drie jaar na de inwerkingtreding van het besluit van 25 augustus 2006 tot wijziging van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en de buitengewoon opsporingsambtenaar in verband met de invoering van niet-penetrerende munitie (Stb. 2006, 407) aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de artikelen 11 tot en met 11c in de praktijk.
|
||||
|
||||
### Artikel 39b
|
||||
|
||||
Dit besluit berust op artikel 8, zevende lid, en artikel 9 van de Politiewet 1993 en artikel 6, vijfde lid, van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten.
|
||||
Dit besluit berust op artikel 7, zevende lid, en artikel 9 van de Politiewet 2012 en artikel 6, vijfde lid, van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten.
|
||||
|
||||
### Artikel 40
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue