2003-01-01 | BWBR0007746 | Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen

This commit is contained in:
Coornhert 2003-01-01 12:00:00 +00:00
parent 9867c135dc
commit c10f4c2e29

View file

@ -29,7 +29,7 @@ c. loon: loon in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964, verminderd met daar
5°. loon dat in geblokkeerde vorm wordt gespaard ingevolge een spaarloonregeling en loon ingevolge een winstdelingsregeling;
6°. loon ter zake waarvan de belasting ingevolge artikel 31 van die wet wordt geheven van de inhoudingsplichtige;
d. toetsloon: het in het desbetreffende hoofdstuk van deze wet opgenomen bedrag aan loon waarboven of waaronder de inhoudingsplichtige niet in aanmerking komt voor de in dat hoofdstuk voorziene afdrachtvermindering;
e. langdurig werkloze: degene die langer dan 12 maanden zonder onderbreking als werkloos werkzoekende staat ingeschreven bij de Centrale organisatie werk en inkomen, genoemd in hoofdstuk 4 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
e. Vervallen.
f. scholing: cursussen alsmede opleidingen of studies voor een beroep als bedoeld in artikel 3.48 van de Wet inkomstenbelasting 2001;.
g. ouderschapsverlof: het ouderschapsverlof als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Wet arbeid en zorg;
h. zeeschip: een schip ten aanzien waarvan de Zeevaartbemanningswet van toepassing is, dat is voorzien van een zeebrief als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Zeebrievenwet, en dat in het kader van een onderneming voornamelijk op zee wordt geëxploiteerd, dan wel is bestemd voor sleep- en hulpverleningswerkzaamheden op zee en wordt gebezigd voor het verrichten van deze werkzaamheden aan zeeschepen, met uitzondering van:
@ -51,9 +51,9 @@ n. speur- en ontwikkelingswerk: door een S&O-inhoudingsplichtige, dan wel een S&
3°. fysieke productieprocessen;
4°. onderdelen van fysieke productieprocessen;
5°. programmatuur of
6°. onderdelen van programmatuur, alsmede daaraan voorafgaand in Nederland verricht haalbaarheidsonderzoek;
6°. onderdelen van programmatuur;
o. programmatuur: het niet-fysieke, logische deelsysteem van een informatiesysteem dat de structuur van de gegevens en van de verwerkingsprocessen bepaalt;
p. haalbaarheidsonderzoek: een activiteit gericht op het tot stand brengen van een schriftelijk rapport, inhoudende een systematisch opgezette en afgeronde analyse van de technische mogelijkheden van speur- en ontwikkelingswerk;
p. Vervallen.
q. S&O-verklaring: de door Onze Minister van Economische Zaken op de voet van artikel 24 aan een S&O-inhoudingsplichtige of een S&O-belastingplichtige afgegeven verklaring betreffende speur- en ontwikkelingswerk.
**2.**
@ -75,7 +75,7 @@ c. door Onze Minister van Economische Zaken bij ministeriële regeling aangeweze
De in deze wet bedoelde ministeriële regelingen worden, voor zover niet anders is bepaald, uitgevaardigd door Onze Minister, wat betreft de regelingen bedoeld in:
a. de artikelen 6, 12 en 16b in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en, wat betreft artikel 12, onderdeel *a*, na overleg met Onze Minister van Economische Zaken;
a. de artikelen 6 en 16b in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
b. artikel 14 in overeenstemming met Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen;
c. de artikelen 17, 18 en 20 in overeenstemming met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat en Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
d. artikel 23 in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken.
@ -97,7 +97,7 @@ d. artikel 23 in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken.
De inhoudingsplichtige kan de over een tijdvak af te dragen loonbelasting, dan wel af te dragen loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen verminderen, doch niet verder dan tot nihil, met:
a. de afdrachtvermindering lage lonen;
b. de afdrachtvermindering langdurig werklozen;
b. Vervallen.
c. de afdrachtvermindering onderwijs;
d. de afdrachtvermindering scholing;
e. de afdrachtvermindering kinderopvang;
@ -108,7 +108,7 @@ i. de arbo-afdrachtvermindering.
**2.** De afdrachtvermindering lage lonen, de afdrachtvermindering scholing, de afdrachtvermindering kinderopvang, de afdrachtvermindering betaald ouderschapsverlof en de S&O-afdrachtvermindering komen in mindering op de af te dragen loonbelasting. Uitsluitend voor de toepassing van de vorige volzin door de inhoudingsplichtige wordt af te dragen premie voor de volksverzekeringen gelijkgesteld met af te dragen loonbelasting.
**3.** De afdrachtvermindering langdurig werklozen, de afdrachtvermindering onderwijs, de afdrachtvermindering zeevaart en de arbo-afdrachtvermindering komen in mindering op de af te dragen loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen.
**3.** De afdrachtvermindering onderwijs, de afdrachtvermindering zeevaart en de arbo-afdrachtvermindering komen in mindering op de af te dragen loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen.
### Artikel 4
@ -120,9 +120,9 @@ Voor zover loon in aanmerking is genomen voor de toepassing van de S&O-afdrachtv
Met betrekking tot een werknemer met een volledige arbeidsduur bedraagt:
a. de vermindering lage lonen per kalenderjaar
b. de afdrachtvermindering langdurig werklozen: € 2400 per kalenderjaar;
c. de afdrachtvermindering onderwijs beloopt met betrekking tot de in artikel 14, eerste lid onderdelen a tot en met d, bedoelde werknemers:  € 2400 per kalenderjaar. De afdrachtvermindering onderwijs beloopt met betrekking tot de in artikel 14, eerste lid, onderdeel e, bedoelde werknemer:  € 1529 per kalenderjaar;
a. de afdrachtvermindering lage lonen per kalenderjaar:  € 1687;
b. Vervallen.
c. de afdrachtvermindering onderwijs beloopt met betrekking tot de in artikel 14, eerste lid onderdelen a tot en met d en f, bedoelde werknemers:  € 2485 per kalenderjaar. De afdrachtvermindering onderwijs beloopt met betrekking tot de in artikel 14, eerste lid, onderdeel e, bedoelde werknemer:  € 1583 per kalenderjaar;
**2.** De afdrachtvermindering scholing beloopt een bedrag te bepalen op de voet van hoofdstuk VA.
@ -136,7 +136,7 @@ c. de afdrachtvermindering onderwijs beloopt met betrekking tot de in artikel 14
**7.** De arbo-afdrachtvermindering beloopt een bedrag te bepalen op de voet van hoofdstuk VIIIA.
**8.** Ingeval de som van de afdrachtvermindering lage lonen en de afdrachtvermindering onderwijs op de voet van de vorige leden meer dan € 3248 bedraagt, wordt de afdrachtvermindering lage lonen zodanig verlaagd dat de bedoelde som € 3248 bedraagt.
**8.** Ingeval de som van de afdrachtvermindering lage lonen en de afdrachtvermindering onderwijs op de voet van de vorige leden meer dan € 3363 bedraagt, wordt de afdrachtvermindering lage lonen zodanig verlaagd dat de bedoelde som € 3363 bedraagt.
**9.** De in het eerste lid opgenomen bedragen, alsmede het toetsloon, worden naar tijdsgelang verdeeld over de loontijdvakken van het kalenderjaar. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de werknemer wiens dienstbetrekking niet gedurende het gehele kalenderjaar heeft bestaan.
@ -159,7 +159,7 @@ b. de werknemer zonder overeengekomen vaste arbeidsduur.
### Artikel 7
De vermindering lage lonen is van toepassing met betrekking tot de werknemer wiens loon in het desbetreffende loontijdvak niet meer bedraagt dan diens toetsloon voor dat tijdvak. Het toetsloon voor de vermindering lage lonen bedraagt per kalenderjaar
De afdrachtvermindering lage lonen is van toepassing met betrekking tot de werknemer die de leeftijd heeft bereikt van 23 jaren en wiens loon in het desbetreffende loontijdvak niet meer bedraagt dan diens toetsloon voor dat tijdvak. Het toetsloon voor de afdrachtvermindering lage lonen bedraagt per kalenderjaar:   € 17 576.
### Artikel 7a
@ -169,62 +169,27 @@ Vervallen
### Artikel 8
**1.**
De afdrachtvermindering langdurig werklozen is van toepassing met betrekking tot de werknemer voor wie de inhoudingsplichtige over een verklaring langdurig werkloze beschikt en wiens loon in het desbetreffende loontijdvak niet meer bedraagt dan diens toetsloon voor dat tijdvak. Het toetsloon voor de afdrachtvermindering langdurig werklozen bedraagt:
a. ten aanzien van de werknemer die bij aanvaarding van de dienstbetrekking de leeftijd van 50 jaar niet heeft bereikt € 19.776 per kalenderjaar;
b. ten aanzien van de werknemer die bij aanvaarding van de dienstbetrekking de leeftijd van 50 jaar heeft bereikt € 22.709 per kalenderjaar.
**2.** De afdrachtvermindering langdurig werklozen is met betrekking tot een werknemer gedurende ten hoogste 48 maanden van toepassing.
Vervallen
### Artikel 9
**1.** De verklaring langdurig werkloze is een schriftelijk stuk waarin de Centrale organisatie werk en inkomen jegens de inhoudingsplichtige verklaart dat de aanstaande werknemer of de werknemer een langdurig werkloze is onderscheidenlijk was op het tijdstip voorafgaand aan de aanvang van de dienstbetrekking. De verklaring bevat het sociaal-fiscaalnummer van de werknemer.
**2.** De verklaring langdurig werkloze wordt kosteloos aan de inhoudingsplichtige afgegeven op diens daartoe strekkende verzoek.
**3.** De inhoudingsplichtige bewaart een afschrift van de verklaring langdurig werkloze bij de loonadministratie.
Vervallen
### Artikel 10
**1.**
De Centrale organisatie werk en inkomen geeft geen verklaring langdurig werkloze af indien:
a. een dienstbetrekking voor bepaalde tijd van minder dan 12 weken of met een gemiddelde arbeidsduur per kalenderweek die korter is dan 15 uren is aangegaan;
b. de inhoudingsplichtige in de periode van zes maanden voorafgaand aan het aangaan van de arbeidsovereenkomst waarvoor een verklaring wordt gevraagd, na verkregen toestemming van de Centrale organisatie werk en inkomen een of meer arbeidsovereenkomsten heeft beëindigd op grond van bedrijfseconomische redenen, dan wel indien een aanvraag voor een ontslagvergunning om bedrijfseconomische redenen in behandeling is;
c. de afgifte in strijd zou zijn met doel en strekking van deze wet.
**2.** De Centrale organisatie werk en inkomen kan, in afwijking van het eerste lid, onderdeel *b*, toch een verklaring langdurig werkloze afgeven indien naar haar oordeel door het afgeven van de verklaring geen verdringing zal optreden van arbeidsovereenkomsten waarop de afdrachtvermindering langdurig werklozen niet van toepassing is.
**3.** Bij ministeriële regeling van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het eerste lid, onderdeel *c*.
Vervallen
### Artikel 11
**1.**
De Centrale organisatie werk en inkomen trekt bij beschikking de verklaring langdurig werkloze in met ingang van het tijdstip waarop:
a. een of meer andere arbeidsovereenkomsten dan die met de in artikel 8 bedoelde werknemer, na verkregen toestemming van de Centrale organisatie werk en inkomen worden beëindigd op grond van bedrijfseconomische redenen, ingeval deze beëindiging plaatsvindt binnen zes maanden na het tijdstip waarop de afdrachtvermindering langdurig werklozen voor het eerst met betrekking tot die werknemer is toegepast;
b. blijkt dat te harer verkrijging verstrekte gegevens zodanig onjuist zijn dat op het verzoek een andere beslissing zou zijn genomen indien bij de beoordeling daarvan de juiste omstandigheden bekend zouden zijn geweest;
c. blijkt dat de Centrale organisatie werk en inkomen de verklaring ten onrechte heeft afgegeven.
**2.** De Centrale organisatie werk en inkomen kan, in afwijking van het eerste lid, onderdeel *a*, bij beschikking beslissen dat de verklaring langdurig werkloze niet wordt ingetrokken.
**3.** De inhoudingsplichtige bewaart een afschrift van de beschikking, bedoeld in het eerste en het tweede lid, bij de loonadministratie.
Vervallen
### Artikel 12
Bij ministeriële regeling kan met betrekking tot artikel 1, eerste lid, onderdeel *e*, zo nodig onder voorwaarden, worden bepaald:
a. dat de periode van 12 maanden wordt verkort, doch niet verder dan tot 6 maanden, voor aan te wijzen gebieden met een hoge werkloosheid;
b. dat aan te wijzen groepen personen die met betrekking tot de kansen op de arbeidsmarkt in nagenoeg dezelfde positie verkeren als langdurig werklozen, daarmee worden gelijkgesteld;
c. welke perioden van niet als werkloos werkzoekende staan ingeschreven, niet gelden als onderbreking.
Vervallen
### Artikel 13
Bij ministeriële regeling kan Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, na overleg met Onze Minister van Financiën, regels stellen ter bevordering van een goede uitvoering van dit hoofdstuk, alsmede met betrekking tot het verschaffen van inlichtingen aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid die hij nodig heeft voor het verkrijgen van inzicht in de werking van dit hoofdstuk en hoofdstuk III.
Vervallen
## Hoofdstuk V. Afdrachtvermindering onderwijs
@ -238,29 +203,32 @@ In aanvulling op artikel 1, eerste lid, onderdeel c, wordt voor de toepassing va
De afdrachtvermindering onderwijs is van toepassing met betrekking tot:
a. de werknemer die de beroepspraktijkvorming volgt van de beroepsbegeleidende leerweg van een in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen *a* tot en met *e*, van de Wet educatie en beroepsonderwijs bedoelde beroepsopleiding, op de grondslag van een in artikel 7.2.8 van die wet bedoelde overeenkomst, gesloten door de in artikel 7.2.9 van die wet genoemde partijen en mede ondertekend door het bestuur van het desbetreffende landelijk orgaan;
a. de werknemer die de beroepspraktijkvorming volgt van de beroepsbegeleidende leerweg van een in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen a tot en met e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs bedoelde beroepsopleiding, op de grondslag van een in artikel 7.2.8 van die wet bedoelde overeenkomst, gesloten door de in artikel 7.2.9 van die wet genoemde partijen en mede ondertekend door het bestuur van het desbetreffende landelijk orgaan;
b. de werknemer aangesteld als assistent in opleiding als bedoeld in artikel 9.60, vierde lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, bij een universiteit, dan wel aangesteld als onderzoeker in opleiding als bedoeld in de artikelen 15.5 en 16.17 van het Rechtspositiereglement Wetenschappelijk Onderwijs en Onderzoek, bij de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek onderscheidenlijk de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen of als onderzoeker in opleiding in dienst van een onder deze organisaties ressorterende onderzoekinstelling, een en ander op de grondslag van een overeenkomst tussen de universiteit of een van de genoemde onderzoekorganisaties dan wel een onder deze organisaties ressorterende onderzoekinstelling enerzijds en een privaatrechtelijke rechtspersoon of de Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek TNO anderzijds ter zake van de financiering van de loonkosten van de werknemer door de desbetreffende privaatrechtelijke rechtspersoon of de Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek TNO;
c. de werknemer van een privaatrechtelijke rechtspersoon of de Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek TNO met een loon overeenkomstig dat van een assistent in opleiding als bedoeld in artikel 9.60, vierde lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, die een promotie-onderzoek verricht op de grondslag van een overeenkomst tussen die privaatrechtelijke rechtspersoon of de Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek TNO enerzijds en een universiteit anderzijds ter zake van de begeleiding van het promotie-onderzoek van de werknemer;
d. de werknemer die in het kader van zijn initiële opleiding aan een hogeschool in de zin van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek op de grondslag van een onderwijsarbeidsovereenkomst, gesloten tussen de hogeschool, de werkgever en hemzelf, op zijn opleiding aansluitende arbeid verricht in een bij ministeriële regeling aangewezen bedrijfssector en tevens niet is ingeschreven als student voor het volgen van in voltijdse vorm verzorgd onderwijs;
e. de werknemer die een bij ministeriële regeling vast te stellen vorm van scholing volgt die gericht is op het op een startkwalificatieniveau brengen van personen die dat niveau missen.
e. de werknemer die een bij ministeriële regeling vast te stellen vorm van scholing volgt die gericht is op het op een startkwalificatieniveau brengen van personen die dat niveau missen;
f. degene die bij de inhoudingsplichtige op basis van een overeenkomst het buitenschoolse praktijkgedeelte volgt van een leer-werktraject in de basisberoepsgerichte leerweg, als bedoeld in de beleidsregel van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen van 28 februari 2001, kenmerk VO/BOB/2001/5598.
**2.** Het eerste lid, aanhef en onderdelen *a* en *d*, is niet van toepassing ingeval het loon van die werknemer die jonger is dan 25 jaar in het desbetreffende loontijdvak meer bedraagt dan diens toetsloon voor dat tijdvak. Het toetsloon voor de afdrachtvermindering onderwijs bedraagt € 19.776 per kalenderjaar.
**2.** De in het eerste lid, onderdeel f, bedoelde persoon wordt voor de toepassing van deze wet en de krachtens deze wet uitgevaardigde regelingen, aangemerkt als werknemer met een volledige arbeidsduur.
**3.** De afdrachtvermindering onderwijs op de voet van het eerste lid, onderdelen *b* en *c*, is met betrekking tot een werknemer gedurende ten hoogste 48 maanden van toepassing. De afdrachtvermindering onderwijs op de voet van het eerste lid, onderdeel *d*, is met betrekking tot een werknemer ten hoogste 24 maanden van toepassing. Indien artikel 6, eerste lid, aanhef en onderdeel *a*, met betrekking tot een werknemer toepassing vindt, wordt de termijn van 48 maanden onderscheidenlijk 24 maanden met betrekking tot deze werknemer naar evenredigheid verlengd.
**3.** Het eerste lid, aanhef en onderdelen a en d, is niet van toepassing ingeval het loon van die werknemer die jonger is dan 25 jaar in het desbetreffende loontijdvak meer bedraagt dan diens toetsloon voor dat tijdvak. Het toetsloon voor de afdrachtvermindering onderwijs bedraagt € 20 533 per kalenderjaar.
**4.**
**4.** De afdrachtvermindering onderwijs op de voet van het eerste lid, onderdelen b en c, is met betrekking tot een werknemer gedurende ten hoogste 48 maanden van toepassing. De afdrachtvermindering onderwijs op de voet van het eerste lid, onderdeel d, is met betrekking tot een werknemer ten hoogste 24 maanden van toepassing. Indien artikel 6, eerste lid, aanhef en onderdeel a, met betrekking tot een werknemer toepassing vindt, wordt de termijn van 48 maanden onderscheidenlijk 24 maanden met betrekking tot deze werknemer naar evenredigheid verlengd.
**5.**
Het eerste lid, aanhef en onderdeel e, is niet van toepassing indien:
a. de werknemer op het tijdstip waarop deze de opleiding begint te volgen jonger is dan 23 jaar;
b. het loon van de werknemer in het desbetreffende loontijdvak meer bedraagt dan het in het tweede lid, tweede volzin, genoemde toetsloon, of
c. de werkgever niet over een verklaring beschikt waarin het Centrum voor werk en inkomen verklaart dat de werknemer vóór indiensttreding een werkloze zonder startkwalificatie is.
c. de werkgever niet over een verklaring beschikt waarin de Centrale organisatie werk en inkomen verklaart dat de werknemer vóór indiensttreding een werkloze is.
**5.** De inhoudingsplichtige bewaart een afschrift van de in het eerste lid, onderdelen *a*, *b*, *c* en *d*, bedoelde overeenkomst bij de loonadministratie.
**6.** De inhoudingsplichtige bewaart een afschrift van de in het eerste lid, onderdelen a, b, c, d en f, bedoelde overeenkomst bij de loonadministratie.
**6.** Bij ministeriële regeling kan worden bepaald welke gegevens de in het eerste lid, onderdelen *a*, *b*, *c* en *d*, bedoelde overeenkomsten ten minste dienen te bevatten voor de toepassing van deze wet alsmede welke partij of partijen de administratie voert onderscheidenlijk voeren die voortvloeit uit de overeenkomsten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel *d*.
**7.** Bij ministeriële regeling kan worden bepaald welke gegevens de in het eerste lid, onderdelen a, b, c,d en f, bedoelde overeenkomsten ten minste dienen te bevatten voor de toepassing van deze wet alsmede welke partij of partijen de administratie voert onderscheidenlijk voeren die voortvloeit uit de overeenkomsten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d.
**7.** De inhoudingsplichtige bewaart een afschrift van de in het vierde lid, onderdeel c, bedoelde verklaring bij de loonadministratie.
**8.** De inhoudingsplichtige bewaart een afschrift van de in het vijfde lid, onderdeel c, bedoelde verklaring bij de loonadministratie.
### Artikel 15
@ -270,25 +238,23 @@ Bij ministeriële regeling kan Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenscha
### Artikel 15a
**1.** De afdrachtvermindering scholing is van toepassing met betrekking tot kosten van scholing van bij de inhoudingsplichtige werkzame personen indien of voorzover de inhoudingsplichtige niet is onderworpen aan de inkomstenbelasting of de vennootschapsbelasting en de kosten niet in die hoedanigheid zijn gemaakt. De afdrachtvermindering beloopt 12 percent van het bedrag dat de inhoudingsplichtige in het loontijdvak direct, dan wel indirect door middel van vergoedingen aan die personen, heeft betaald voor scholing, met dien verstande dat per kalenderjaar tot en met een bedrag van € 30 000 aan kosten de afdrachtvermindering 19 percent beloopt indien het totaal van de kosten in het kalenderjaar niet uitgaat boven € 124 000. De afdrachtvermindering wordt verhoogd met 14 percent van het bedrag dat de inhoudingsplichtige heeft betaald voor scholing van zodanige personen van 40 jaar en ouder. De afdrachtvermindering wordt tevens verhoogd met 7 percent van het bedrag dat de inhoudingsplichtige heeft betaald voor scholing die is gericht op het op een startkwalificatieniveau brengen van personen die dat niveau missen; bij ministeriële regeling wordt bepaald welke vormen van scholing zijn gericht op het op een startkwalificatieniveau brengen van personen die dat niveau missen. De afdrachtvermindering bedraagt ten hoogste € 794 115 per kalenderjaar.
**1.** De afdrachtvermindering scholing is van toepassing met betrekking tot kosten van scholing van bij de inhoudingsplichtige werkzame personen indien of voorzover de inhoudingsplichtige niet is onderworpen aan de inkomstenbelasting of de vennootschapsbelasting en de kosten niet in die hoedanigheid zijn gemaakt. De afdrachtvermindering beloopt 12 percent van het bedrag dat de inhoudingsplichtige in het loontijdvak direct, dan wel indirect door middel van vergoedingen aan die personen, heeft betaald voor scholing, met dien verstande dat per kalenderjaar tot en met een bedrag van € 31 000 aan kosten de afdrachtvermindering 19 percent beloopt indien het totaal van de kosten in het kalenderjaar niet uitgaat boven € 129 000. De afdrachtvermindering wordt verhoogd met 7 percent van het bedrag dat de inhoudingsplichtige heeft betaald voor scholing die is gericht op het op een startkwalificatieniveau brengen van personen die dat niveau missen; bij ministeriële regeling wordt bepaald welke vormen van scholing zijn gericht op het op een startkwalificatieniveau brengen van personen die dat niveau missen. De afdrachtvermindering bedraagt ten hoogste € 794 115 per kalenderjaar.
**2.** De in het eerste lid, tweede en derde volzin, bedoelde bedragen aan kosten worden verminderd met de door de inhoudingsplichtige van derden ontvangen of nog te ontvangen bedragen ter zake van scholing, met het bedrag dat door de in het eerste lid bedoelde personen ter zake van scholing aan de inhoudingsplichtige is vergoed en met het bedrag dat op voorschotten is terugbetaald. In afwijking van de eerste volzin worden door de inhoudingsplichtige direct of indirect van rijkswege of in samenhang daarmee van derden ontvangen bijdragen in de kosten van scholing niet in mindering gebracht op de in het eerste lid, tweede en derde volzin, bedoelde bedragen. Voor de situatie waarin indirect van rijkswege of in samenhang daarmee van derden een bijdrage wordt ontvangen kunnen bij ministeriële regeling regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop wordt bepaald welk deel daarvan van rijkswege is verstrekt.
**3.** Met betrekking tot door de inhoudingsplichtige zelf verzorgde scholing kunnen bij ministeriële regeling regels worden gesteld ter bepaling van de daaraan toe te rekenen kosten en het gedeelte daarvan dat kan worden toegerekend aan de in het eerste lid bedoelde personen van 40 jaar en ouder.
**3.** Onder kosten van scholing worden begrepen bijdragen aan een fonds dat zich geheel of nagenoeg geheel bezig houdt met de financiering van scholing en aanverwante activiteiten voorzover die bijdragen zijn verschuldigd ingevolge een collectieve arbeidsovereenkomst en door het fonds worden benut voor scholing. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld ter bevordering van een goede uitvoering van de eerste volzin.
**4.** Onder kosten van scholing worden begrepen bijdragen aan een fonds dat zich geheel of nagenoeg geheel bezig houdt met de financiering van scholing en aanverwante activiteiten voorzover die bijdragen zijn verschuldigd ingevolge een collectieve arbeidsovereenkomst en door het fonds worden benut voor scholing. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld ter bevordering van een goede uitvoering van de eerste volzin, daaronder begrepen regels ter bepaling van het gedeelte van de bijdragen dat kan worden toegerekend aan de in het eerste lid bedoelde personen van 40 jaar en ouder.
**4.** Voor de toepassing van dit artikel wordt met betaald zijn van kosten gelijkgesteld het verrekend zijn of het rentedragend zijn geworden van die kosten dan wel het ter beschikking gesteld zijn van de betaling.
**5.** Voor de toepassing van dit artikel wordt met betaald zijn van kosten gelijkgesteld het verrekend zijn of het rentedragend zijn geworden van die kosten dan wel het ter beschikking gesteld zijn van de betaling.
**5.** De in het eerste lid vermelde percentages kunnen bij ministeriële regeling worden vervangen door andere. Uiterlijk binnen drie maanden na het tijdstip waarop deze ministeriële regeling in werking treedt, wordt een voorstel van wet tot goedkeuring van die regeling aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal gezonden. Indien het voorstel wordt ingetrokken of indien een van de kamers der Staten-Generaal tot het niet aannemen van het voorstel besluit, worden onverwijld bij ministeriële regeling de vervangen percentages met ingang van het tijdstip waarop laatstgenoemde regeling in werking treedt, vervangen door de percentages zoals die golden onmiddellijk vóór het in de eerste volzin bedoelde tijdstip.
**6.** De in het eerste lid vermelde percentages kunnen bij ministeriële regeling worden vervangen door andere. Uiterlijk binnen drie maanden na het tijdstip waarop deze ministeriële regeling in werking treedt, wordt een voorstel van wet tot goedkeuring van die regeling aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal gezonden. Indien het voorstel wordt ingetrokken of indien een van de kamers der Staten-Generaal tot het niet aannemen van het voorstel besluit, worden onverwijld bij ministeriële regeling de vervangen percentages met ingang van het tijdstip waarop laatstgenoemde regeling in werking treedt, vervangen door de percentages zoals die golden onmiddellijk vóór het in de eerste volzin bedoelde tijdstip.
**7.** De in het eerste lid, tweede volzin, vermelde bedragen worden bij het begin van het kalenderjaar van rechtswege vervangen door de bedragen die krachtens artikel 10.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001 worden vastgesteld ter vervanging van de in artikel 3.48, derde lid, eerste volzin, van die wet vermelde bedragen.
**6.** De in het eerste lid, tweede volzin, vermelde bedragen worden bij het begin van het kalenderjaar van rechtswege vervangen door de bedragen die krachtens artikel 10.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001 worden vastgesteld ter vervanging van de in artikel 3.48, derde lid, eerste volzin, van die wet vermelde bedragen.
## Hoofdstuk VI. Afdrachtvermindering kinderopvang
### Artikel 16
**1.** De afdrachtvermindering kinderopvang is van toepassing met betrekking tot kosten van opvang van kinderen en pleegkinderen die jonger dan 13 jaar zijn, van werknemers. De afdrachtvermindering beloopt 30 percent van het bedrag dat de inhoudingsplichtige ter zake van dergelijke opvang in het loontijdvak direct, dan wel indirect door middel van vergoedingen aan werknemers, heeft betaald voor kinderopvang waarvoor krachtens artikel 20, eerste lid, van de Welzijnswet 1994 bij gemeentelijke verordening regels zijn gesteld met betrekking tot de kwaliteit of die voldoet aan bij ministeriële regeling aan te wijzen buitenlandse regelingen die naar aard en strekking overeenkomen met de krachtens artikel 20 van de Welzijnswet 1994 bij gemeentelijke verordening gestelde regels. Voor zover de kinderopvang bij de werknemer thuis plaatsvindt, wordt het in de tweede volzin bedoelde bedrag tot ten hoogste € 9073 per kind per kalenderjaar in aanmerking genomen. Het in de tweede volzin bedoelde bedrag wordt verminderd met de door de inhoudingsplichtige ter zake van de kinderopvang van derden ontvangen of nog te ontvangen bedragen, met het bedrag dat door de werknemers ter zake van de kinderopvang aan de inhoudingsplichtige is vergoed en met het bedrag dat op voorschotten is terugbetaald.
**1.** De afdrachtvermindering kinderopvang is van toepassing met betrekking tot kosten van opvang van kinderen en pleegkinderen die jonger dan 13 jaar zijn, van werknemers. De afdrachtvermindering beloopt 30 percent van het bedrag dat de inhoudingsplichtige ter zake van dergelijke opvang in het loontijdvak direct, dan wel indirect door middel van vergoedingen aan werknemers, heeft betaald voor kinderopvang waarvoor krachtens artikel 20, eerste lid, van de Welzijnswet 1994 bij gemeentelijke verordening regels zijn gesteld met betrekking tot de kwaliteit of die voldoet aan bij ministeriële regeling aan te wijzen buitenlandse regelingen die naar aard en strekking overeenkomen met de krachtens artikel 20 van de Welzijnswet 1994 bij gemeentelijke verordening gestelde regels. Voor zover de kinderopvang bij de werknemer thuis plaatsvindt, wordt het in de tweede volzin bedoelde bedrag tot ten hoogste € 9400 per kind per kalenderjaar in aanmerking genomen. Het in de tweede volzin bedoelde bedrag wordt verminderd met de door de inhoudingsplichtige ter zake van de kinderopvang van derden ontvangen of nog te ontvangen bedragen, met het bedrag dat door de werknemers ter zake van de kinderopvang aan de inhoudingsplichtige is vergoed en met het bedrag dat op voorschotten is terugbetaald.
**2.** Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ingeval de betaling door de inhoudingsplichtige geschiedt aan een fonds dat zich geheel of nagenoeg geheel bezig houdt met de financiering van kinderopvang, bedoeld in het eerste lid, voor zover de inhoudingsplichtige een collectieve arbeidsovereenkomst heeft die in zodanige betaling voorziet.
@ -316,15 +282,15 @@ De afdrachtvermindering geldt ten hoogste voor het totale aantal uren verlof waa
| indien de werknemer de leeftijd heeft bereikt van | doch niet de leeftijd van | |
| --- | --- | --- |
| 15 jaren | 16 jaren: | € 3 231 |
| 16 jaren | 17 jaren: | € 3 716 |
| 17 jaren | 18 jaren: | € 4 254 |
| 18 jaren | 19 jaren: | € 4 900 |
| 19 jaren | 20 jaren: | € 5 654 |
| 20 jaren | 21 jaren: | € 6 624 |
| 21 jaren | 22 jaren: | € 7 808 |
| 22 jaren | 23 jaren: | € 9 154 |
| 23 jaren: | | € 10 769 |
| 15 jaren | 16 jaren: | € 3 361 |
| 16 jaren | 17 jaren: | € 3 865 |
| 17 jaren | 18 jaren: | € 4 425 |
| 18 jaren | 19 jaren: | € 5 097 |
| 19 jaren | 20 jaren: | € 5 881 |
| 20 jaren | 21 jaren: | € 6 889 |
| 21 jaren | 22 jaren: | € 8 121 |
| 22 jaren | 23 jaren: | € 9 522 |
| 23 jaren: | | € 11 202 |
Artikel 5, negende lid, is van overeenkomstige toepassing.
@ -334,15 +300,15 @@ Het toetsloon voor de afdrachtvermindering betaald ouderschapsverlof bedraagt pe
| indien de werknemer de leeftijd heeft bereikt van | doch niet de leeftijd van | |
| --- | --- | --- |
| 15 jaren | 16 jaren: | € 3 231 |
| 16 jaren | 17 jaren: | € 3 716 |
| 17 jaren | 18 jaren: | € 4 254 |
| 18 jaren | 19 jaren: | € 4 900 |
| 19 jaren | 20 jaren: | € 5 654 |
| 20 jaren | 21 jaren: | € 6 624 |
| 21 jaren | 22 jaren: | € 7 808 |
| 22 jaren | 23 jaren: | € 9 154 |
| 23 jaren: | | € 10 769 |
| 15 jaren | 16 jaren: | € 3 361 |
| 16 jaren | 17 jaren: | € 3 865 |
| 17 jaren | 18 jaren: | € 4 425 |
| 18 jaren | 19 jaren: | € 5 097 |
| 19 jaren | 20 jaren: | € 5 881 |
| 20 jaren | 21 jaren: | € 6 889 |
| 21 jaren | 22 jaren: | € 8 121 |
| 22 jaren | 23 jaren: | € 9 522 |
| 23 jaren: | | € 11 202 |
**3.** Op het toetsloon is artikel 6 niet van toepassing. Het toetsloon en het maximum van de afdrachtvermindering worden naar evenredigheid verminderd met betrekking tot de werknemer wiens ouderschapsverlof een kortere duur heeft dan de volledige arbeidsduur in de zin van artikel 6, tweede lid.
@ -402,7 +368,7 @@ Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld ter bevordering van een
**1.** De S&O-afdrachtvermindering is van toepassing met betrekking tot werknemers die direct betrokken zijn bij werk dat bij S&O-verklaring is aangemerkt als speur- en ontwikkelingswerk. De afdrachtvermindering beloopt 40 percent van het loon dat door die werknemers in het kalenderjaar is genoten ter zake van bedoeld speur- en ontwikkelingswerk voor zover dat loon in totaal niet meer bedraagt dan € 90 756, en 13 percent van dat loon voor zover dat in totaal meer bedraagt dan € 90 756. Als loon bedoeld in de vorige volzin wordt in totaal niet meer in aanmerking genomen dan het bedrag dat in de S&O-verklaring is aangemerkt als ten hoogste in aanmerking te nemen loon. De S&O-afdrachtvermindering bedraagt over een kalenderjaar maximaal € 7 941 154 per inhoudingsplichtige dan wel, ingeval de inhoudingsplichtige, beoordeeld naar de op het tijdstip waarop hij om de S&O-verklaring verzoekt bekende feiten en omstandigheden, bij de aanvang van het tijdvak waarop het verzoek betrekking heeft deel uitmaakt van een fiscale eenheid, per fiscale eenheid. In het laatste geval bedraagt de afdrachtvermindering per inhoudingsplichtige ten hoogste het in de S&O-verklaring aangegeven deel van het maximum van € 7 941 154.
**2.** Indien de inhoudingsplichtige in een of meer van de vijf voorafgaande kalenderjaren geen inhoudingsplichtige was en voor die periode met betrekking tot ten hoogste twee kalenderjaren een S&O-verklaring is afgegeven, wordt het in het eerste lid vermelde percentage van 40 vervangen door 70. Een S&O-verklaring die is afgegeven voor een deel van een kalenderjaar wordt aangemerkt als een S&O-verklaring afgegeven met betrekking tot een heel kalenderjaar
**2.** Indien de inhoudingsplichtige in een of meer van de vijf voorafgaande kalenderjaren geen inhoudingsplichtige was en voor die periode met betrekking tot ten hoogste twee kalenderjaren een S&O-verklaring is afgegeven, wordt het in het eerste lid vermelde percentage van 40 vervangen door 60. Een S&O-verklaring die is afgegeven voor een deel van een kalenderjaar wordt aangemerkt als een S&O-verklaring afgegeven met betrekking tot een heel kalenderjaar
**3.** Op het in het eerste lid bedoelde loon is artikel 1, eerste lid, onderdeel *c*, onder 1°, 2°, 4° en 5°, niet van toepassing.
@ -442,7 +408,7 @@ Teneinde zoveel mogelijk evenwicht te bereiken tussen de S&O-afdrachtverminderin
### Artikel 24
**1.** Aan een S&O-inhoudingsplichtige die voornemens is in een kalenderjaar speur- en ontwikkelingswerk te verrichten geeft Onze Minister van Economische Zaken op verzoek een S&O-verklaring af. In de verklaring wordt vermeld dat het aangemelde werk is aangemerkt als speur- en ontwikkelingswerk. Voorts wordt in de verklaring vermeld het bedrag van het vermoedelijke beloop van het in dat kalenderjaar te genieten loon voor zover dat betrekking zal hebben op speur- en ontwikkelingswerk en welk gedeelte daarvan, gelet op het in artikel 22, eerste lid, bedoelde maximum ten hoogste in aanmerking kan worden genomen bij de toepassing van dat artikel. Indien de S&O-inhoudingsplichtige deel uitmaakt van een fiscale eenheid, wordt in de verklaring tevens vermeld welk deel van het op de fiscale eenheid betrekking hebbende bedrag van € 6 806 703, genoemd in artikel 21, eerste lid, wordt toegerekend aan de S&O-inhoudingsplichtige.
**1.** Aan een S&O-inhoudingsplichtige die voornemens is in een kalenderjaar speur- en ontwikkelingswerk te verrichten geeft Onze Minister van Economische Zaken op verzoek een S&O-verklaring af. In de verklaring wordt vermeld dat het aangemelde werk is aangemerkt als speur- en ontwikkelingswerk. Voorts wordt in de verklaring vermeld het bedrag van het vermoedelijke beloop van het in dat kalenderjaar te genieten loon voor zover dat betrekking zal hebben op speur- en ontwikkelingswerk en welk gedeelte daarvan, gelet op het in artikel 22, eerste lid, bedoelde maximum ten hoogste in aanmerking kan worden genomen bij de toepassing van dat artikel. Indien de S&O-inhoudingsplichtige deel uitmaakt van een fiscale eenheid, wordt in de verklaring tevens vermeld welk deel van het op de fiscale eenheid betrekking hebbende bedrag van € 7 941 154, genoemd in artikel 21, eerste lid, wordt toegerekend aan de S&O-inhoudingsplichtige.
**2.** Aan een S&O-belastingplichtige die voornemens is in een kalenderjaar ten minste 625 uren van zijn voor werkzaamheden beschikbare tijd te besteden aan speur- en ontwikkelingswerk geeft Onze Minister van Economische Zaken op verzoek een S&O-verklaring af. In de verklaring wordt vermeld dat het aangemelde werk is aangemerkt als speur- en ontwikkelingswerk.
@ -458,6 +424,8 @@ Teneinde zoveel mogelijk evenwicht te bereiken tussen de S&O-afdrachtverminderin
**8.** In afwijking van het derde lid onderscheidenlijk zesde lid kan bij ministeriële regeling van Onze Minister van Economische Zaken een latere datum worden vastgesteld waarop het verzoek uiterlijk moet zijn ingediend onderscheidenlijk de beslissing op het verzoek uiterlijk moet zijn gegeven. In samenhang daarmee kan de in artikel 23 bedoelde wijziging van percentages plaatsvinden na 1 januari, met terugwerkende kracht tot en met die datum.
**9.** Artikel 3.6, vijfde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 is van overeenkomstige toepassing.
### Artikel 25
De S&O-inhoudingsplichtige aan wie een S&O-verklaring is afgegeven houdt een overeenkomstig bij ministeriële regeling van Onze Minister van Economische Zaken vast te stellen regels ingerichte administratie bij met betrekking tot de aard en de inhoud van het verrichte speur- en ontwikkelingswerk en de uren welke de daarbij betrokken werknemers hebben besteed aan het speur- en ontwikkelingswerk. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de S&O-belastingplichtige aan wie een S&O-verklaring is afgegeven.
@ -480,12 +448,7 @@ De S&O-inhoudingsplichtige aan wie een S&O-verklaring is afgegeven houdt een ove
**4.** Ingeval een arbo-bedrijfsmiddel wordt vervreemd binnen 36 maanden na de aanvang van het kalenderjaar waarin de afdrachtvermindering ter zake van de aanschaffing of voortbrenging van het arbo-bedrijfsmiddel is genoten, wordt de af te dragen loonbelasting vermeerderd met een gelijk percentage als waarvoor afdrachtvermindering in aanmerking is genomen, van de overdrachtsprijs. De overdrachtsprijs wordt gesteld op de waarde die ten tijde van de vervreemding in het economische verkeer aan het arbo-bedrijfsmiddel kan worden toegekend. Ingeval een investering ongedaan wordt gemaakt, dan wel met betrekking tot een investering een vermindering, teruggaaf of vergoeding wordt genoten waarmee op de voet van het tweede lid nog geen rekening is gehouden, geldt zulks als vervreemding van een bedrijfsmiddel.
**5.**
Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat het in aanmerking nemen van de afdrachtvermindering alleen mogelijk is indien:
a. bij de administratie van de inhoudingsplichtige een afschrift van de verklaring omtrent de juistheid en de volledigheid van de vermelde gegevens omtrent het bedrijfsmiddel is gevoegd, afgegeven door een registeraccountant of accountant-administratieconsulent, en
b. de aangegane verplichtingen of de in het kalenderjaar gemaakte voortbrengingskosten zijn aangemeld bij en de accountantsverklaring is ingediend bij Onze Minister van Financiën.
**5.** Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat het in aanmerking nemen van de afdrachtvermindering alleen mogelijk is indien de aangegane verplichtingen of de in het kalenderjaar gemaakte voortbrengingskosten zijn aangemeld bij Onze Minister van Financiën.
**6.** Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat de arbo-afdrachtvermindering alleen van toepassing is indien op een door de inhoudingsplichtige gedaan verzoek door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is verklaard dat sprake is van een aangewezen bedrijfsmiddel. Bij die regeling kunnen tevens nadere regels worden gesteld met betrekking tot de verklaring.
@ -513,18 +476,16 @@ Indien het in artikel 27 en artikel 28 bedoelde verschil in belasting wordt nage
### Artikel 30
**1.** De Algemene wet inzake rijksbelastingen, met uitzondering van artikel 67, is niet van toepassing met betrekking tot handelingen die worden verricht door andere dan de in artikel 2, derde lid, onderdelen *a* en *b*, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen genoemde bestuursorganen.
**1.** De Algemene wet inzake rijksbelastingen, met uitzondering van artikel 67, is niet van toepassing met betrekking tot handelingen die worden verricht door andere dan de in artikel 2, derde lid, onderdelen a en b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen genoemde bestuursorganen.
**2.** Onze Minister van Economische Zaken kan ontheffing verlenen van het in artikel 67, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen vervatte verbod ter zake van de werkzaamheden bij de uitvoering van de artikelen 24 tot en met 26 van deze wet door hem of de door hem aangewezen ambtenaren.
**3.** Tegen een besluit genomen door een van de in het eerste lid dan wel de in artikel 26a, zesde lid, genoemde bestuursorganen, met uitzondering van de Centrale organisatie werk en inkomen, kan de belanghebbende, in afwijking van artikel 8:4, onderdeel *g*, van de Algemene wet bestuursrecht, beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.
**3.** Tegen een besluit genomen door een van de in het eerste lid dan wel de in artikel 26a, zesde lid, genoemde bestuursorganen, met uitzondering van de Centrale organisatie werk en inkomen, kan de belanghebbende, in afwijking van artikel 8:4, onderdeel g, van de Algemene wet bestuursrecht, beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.
**4.** Tegen een uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven kunnen de belanghebbende en het bestuursorgaan beroep in cassatie instellen ter zake van schending van de artikelen 1 en 2 met betrekking tot het bepaalde omtrent de begrippen 'inhoudingsplichtige', 'loontijdvak', 'loon', 'onderneming', 'fiscale eenheid' en 'werknemer', dan wel artikel 26a, zesde lid, met betrekking tot het begrip bedrijfsmiddelen.
**5.** Op dit beroep zijn de voorschriften betreffende het beroep in cassatie tegen uitspraken van de gerechtshoven inzake beroepen in belastingzaken van overeenkomstige toepassing, waarbij het College van Beroep voor het bedrijfsleven de plaats inneemt van een gerechtshof.
**6.** Artikel 8:4, onderdeel g, van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing ten aanzien van besluiten van de Centrale organisatie werk en inkomen op grond van artikel 9 van deze wet.
## Hoofdstuk XI. Aanvullende regelingen
### Artikel 30a
@ -535,19 +496,15 @@ Indien het in artikel 27 en artikel 28 bedoelde verschil in belasting wordt nage
### Artikel 31
**1.** Bij het begin van het kalenderjaar worden de in de artikelen 7, 8, 14 en 16b vermelde toetslonen en de in artikel 16b vermelde maximum bedragen van de afdrachtvermindering betaald ouderschapsverlof vervangen door andere.
**1.** Bij het begin van het kalenderjaar worden de in de artikelen 14 en 16b vermelde toetslonen en de in artikel 16b vermelde maximumbedragen van de afdrachtvermindering betaald ouderschapsverlof vervangen door andere.
**2.** Het in artikel 7 laatstvermelde toetsloon wordt gesteld op 115 percent van het twaalfvoud van het in artikel 8, eerste lid, onderdeel *a*, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag bedoelde bedrag, verminderd met het werknemersaandeel in de premie ingevolge de Werkloosheidswet en vermeerderd met het werkgeversaandeel in de premie ingevolge de Ziekenfondswet. De overige in artikel 7 vermelde toetslonen worden dienovereenkomstig vastgesteld op basis van de desbetreffende krachtens artikel 8, derde lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag bepaalde minimumjeugdlonen.
**2.** Het in artikel 14, tweede lid, vermelde toetsloon wordt gesteld op 130 percent van het twaalfvoud van het in artikel 8, eerste lid, onderdeel *a*, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag bedoelde bedrag, verminderd met het werknemersaandeel in de premie ingevolge de Werkloosheidswet en vermeerderd met het werkgeversaandeel in de premie ingevolge de Ziekenfondswet.
**3.** De in de artikelen 8, eerste lid, tweede volzin, onderdeel a, en 14 vermelde toetslonen worden gesteld op 130 percent van het twaalfvoud van het in artikel 8, eerste lid, onderdeel *a*, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag bedoelde bedrag, verminderd met het werknemersaandeel in de premie ingevolge de Werkloosheidswet en vermeerderd met het werkgeversaandeel in de premie ingevolge de Ziekenfondswet.
**3.** Het in artikel 16b, eerste lid, laatstvermelde bedrag wordt gesteld op 70 percent van het twaalfvoud van het in Artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag bedoelde bedrag, verminderd met het werknemersaandeel in de premies ingevolge de Werkloosheidswet en vermeerderd met het werkgeversaandeel in de premie ingevolge de Ziekenfondswet. De overige in artikel 16b, eerste lid, vermelde bedragen worden dienovereenkomstig vastgesteld op basis van de desbetreffende krachtens artikel 8, derde lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag bepaalde minimumjeugdlonen.
**4.** Het in artikel 8, eerste lid, tweede volzin, onderdeel b, vermelde toetsloon wordt gesteld op 150 percent van het twaalfvoud van het in Artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag bedoelde bedrag, verminderd met het werknemersaandeel in de premies ingevolge de Werkloosheidswet en vermeerderd met het werkgeversaandeel in de premie ingevolge de Ziekenfondswet.
**4.** Het in artikel 16b, tweede lid, laatstvermelde bedrag wordt gesteld op 70 percent van het twaalfvoud van het in Artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag bedoelde bedrag, verminderd met het werknemersaandeel in de premies ingevolge de Werkloosheidswet en vermeerderd met het werkgeversaandeel in de premie ingevolge de Ziekenfondswet. De overige in artikel 16b, tweede lid, vermelde toetslonen worden dienovereenkomstig vastgesteld op basis van de desbetreffende krachtens artikel 8, derde lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag bepaalde minimumjeugdlonen.
**5.** Het in artikel 16b, eerste lid, laatstvermelde bedrag wordt gesteld op 70 percent van het twaalfvoud van het in Artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag bedoelde bedrag, verminderd met het werknemersaandeel in de premies ingevolge de Werkloosheidswet en vermeerderd met het werkgeversaandeel in de premie ingevolge de Ziekenfondswet. De overige in artikel 16b, eerste lid, vermelde bedragen worden dienovereenkomstig vastgesteld op basis van de desbetreffende krachtens artikel 8, derde lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag bepaalde minimumjeugdlonen.
**6.** Het in artikel 16b, tweede lid, laatstvermelde bedrag wordt gesteld op 70 percent van het twaalfvoud van het in Artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag bedoelde bedrag, verminderd met het werknemersaandeel in de premies ingevolge de Werkloosheidswet en vermeerderd met het werkgeversaandeel in de premie ingevolge de Ziekenfondswet. De overige in artikel 16b, tweede lid, vermelde toetslonen worden dienovereenkomstig vastgesteld op basis van de desbetreffende krachtens artikel 8, derde lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag bepaalde minimumjeugdlonen.
**7.** Indien ingevolge een van de sociale-verzekeringswetten een premie wordt ingehouden waarvan het percentage per bedrijfstak verschilt, wordt voor de toepassing van het tweede tot en met zesde lid het percentage in aanmerking genomen dat wordt vastgesteld krachtens artikel 9, vierde lid, van de Algemene Ouderdomswet.
**5.** Indien ingevolge een van de sociale-verzekeringswetten een premie wordt ingehouden waarvan het percentage per bedrijfstak verschilt, wordt voor de toepassing van het tweede tot en met vierde lid het percentage in aanmerking genomen dat wordt vastgesteld krachtens artikel 9, vierde lid, van de Algemene Ouderdomswet.
### Artikel 32
@ -557,7 +514,7 @@ Ter bevordering van een goede uitvoering van deze wet kunnen bij ministeriële r
### Artikel 33
De afdrachtvermindering langdurig werklozen is niet van toepassing met betrekking tot werknemers die op 31 december 1995 tot de inhoudingsplichtige in dienstbetrekking stonden. De eerste volzin is niet van toepassing ingeval de werknemer nadien opnieuw een dienstbetrekking met de inhoudingsplichtige aangaat.
Indien naar de regels van de wet zoals die luidden op 31 december 2002 een inhoudingsplichtige met betrekking tot een op die datum bij hem in dienstbetrekking zijnde werknemer de afdrachtvermindering langdurig werklozen geniet, blijft ten aanzien van die inhoudingsplichtige met betrekking tot die werknemer de met ingang van 1 januari 2003 vervallen regeling inzake de afdrachtvermindering langdurig werklozen doorlopen tot uiterlijk 1 januari 2007.
### Artikel 34
@ -565,9 +522,7 @@ De Wet bevordering arbeidsinpassing wordt ingetrokken.
### Artikel 35
**1.** De afdrachtvermindering langdurig werklozen is niet van toepassing met betrekking tot de werknemer voor wie de inhoudingsplichtige op 31 december 1995 in aanmerking kwam voor een vrijstelling van de verplichting tot het betalen van werkgeverspremies op grond van de Wet bevordering arbeidsinpassing. Zodanige vrijstelling blijft beheerst door de Wet bevordering arbeidsinpassing naar de tekst zoals die luidde op 31 december 1995. Voor het jaar 1998 wordt, in afwijking van de tekst bedoeld in de tweede zin, onder werkgeverspremies verstaan de premies die een werkgever verschuldigd is op grond van de Ziekenfondswet, de Werkloosheidswet voor wat betreft het deel van de premie dat ten gunste komt van het Algemeen Werkloosheidsfonds en de basispremie bedoeld in artikel 76a, onderdeel a, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.
**2.** De afdrachtvermindering langdurig werklozen is voor de werknemer, die op de datum van inwerkingtreding van de Wet inschakeling werkzoekenden een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 4 van die wet heeft, gedurende ten hoogste 48 maanden gerekend vanaf de datum van inwerkingtreding van die wet van toepassing.
Vervallen
### Artikel 36
@ -605,6 +560,10 @@ c. de werknemer die een opleiding volgt als bedoeld in de Regeling positie zitte
Met betrekking tot werknemers voor wie de arbeidsovereenkomst voorziet in een hoger loon dan het toetsloon, zijn artikel 14, tweede lid, en artikel 40, tweede lid, tot en met 31 december 1997 niet van toepassing.
### Artikel 41a
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
### Artikel 42
De Wet belasting- en premiefaciliteit voor de zeevaart 1995 wordt ingetrokken.
@ -649,13 +608,9 @@ De Afbakeningsregeling speur- en ontwikkelingswerk en de Uitvoeringsregeling adm
### Artikel 52
**1.** Onze Minister zendt, in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, binnen twee jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van hoofdstuk IV van deze wet in de praktijk.
**1.** Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen zendt, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën en na overleg met Onze Minister van Economische Zaken, voor 1 januari 2000 aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van artikel 14, eerste lid, onderdeel *d*, in de praktijk.
**2.** Op basis van het verslag kan de in artikel 8, tweede lid, genoemde termijn bij algemene maatregel van bestuur worden verlengd.
**3.** Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen zendt, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën en na overleg met Onze Minister van Economische Zaken, voor 1 januari 2000 aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van artikel 14, eerste lid, onderdeel *d*, in de praktijk.
**4.** Onze Minister zendt, in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, in het jaar 2004 aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten in de praktijk van de arbo-afdrachtvermindering alsmede van de willekeurige afschrijving arbo-bedrijfsmiddelen in de Wet inkomstenbelasting 2001 vergezeld van een oordeel over de afschaffing dan wel voortzetting van de regelingen.
**2.** Onze Minister zendt, in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, in het jaar 2004 aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten in de praktijk van de arbo-afdrachtvermindering alsmede van de willekeurige afschrijving arbo-bedrijfsmiddelen in de Wet inkomstenbelasting 2001 vergezeld van een oordeel over de afschaffing dan wel voortzetting van de regelingen.
### Artikel 53