diff --git a/wet/algemene-nabestaandenwet/BWBR0007795/README.md b/wet/algemene-nabestaandenwet/BWBR0007795/README.md index c0396080ebb..c8cebebd8ba 100644 --- a/wet/algemene-nabestaandenwet/BWBR0007795/README.md +++ b/wet/algemene-nabestaandenwet/BWBR0007795/README.md @@ -34,7 +34,8 @@ k. gezamenlijke huishouding ten behoeve van de verzorging van een hulpbehoevende 1°. de gezamenlijke huishouding van een nabestaande met een hulpbehoevende, indien de nabestaande of de overleden verzekerde een huishouding is gaan voeren met het doel de hulpbehoevende te gaan verzorgen; of 2°. de gezamenlijke huishouding van een nabestaande die hulpbehoevende is met een ander, indien de nabestaande een huishouding is gaan voeren met het doel door die ander te worden verzorgd; l. rechtens zijn vrijheid is ontnomen: rechtens zijn vrijheid is ontnomen, behoudens de gevallen, bedoeld in de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen en in artikel 37, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht; -m. justitiële inrichting: een penitentiaire inrichting, een inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden, of een inrichting als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen. +m. justitiële inrichting: een penitentiaire inrichting, een inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden, of een inrichting als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen; +n. vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel: een bij onherroepelijk geworden vonnis opgelegde vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel als bedoeld in het Wetboek van Strafrecht, behoudens de gevallen, bedoeld in artikel 37, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. ### Artikel 2 @@ -135,9 +136,9 @@ In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt mede als ouderloos aangemer ### Artikel 10 -**1.** In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder inkomen verstaan het inkomen van de nabestaande uit of in verband met arbeid in het bedrijfs- en beroepsleven. +**1.** In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder inkomen verstaan het inkomen van de nabestaande uit arbeid of overig inkomen. -**2.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld voor de vaststelling van het inkomen, bedoeld in het eerste lid, alsmede de periode waarop die vaststelling betrekking heeft. +**2.** Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald wat onder inkomen uit arbeid of overig inkomen als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan. Daarbij kan tevens worden bepaald dat nader te bepalen inkomen dat gedeeltelijk, niet, of niet langer wordt genoten als gevolg van gewijzigde omstandigheden of enig handelen of nalaten van betrokkene in aanmerking wordt genomen alsof het wel volledig wordt genoten. ### Artikel 11 @@ -253,7 +254,7 @@ c. de nabestaande de 65-jarige leeftijd bereikt. ### Artikel 18 -**1.** Op de nabestaandenuitkering wordt het inkomen in mindering gebracht. +**1.** Op de nabestaandenuitkering wordt inkomen in mindering gebracht. **2.** @@ -331,7 +332,7 @@ b. **waarin de halfwees de leeftijd van 18 jaar bereikt. Voor de toepassing van het eerste lid wordt met een kind dat de leeftijd van 16 jaar nog niet heeft bereikt gelijkgesteld: a. een kind van 16 of 17 jaar ten aanzien van wie is voldaan aan de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 2, eerste lid, en 4a, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969, dan wel een van de vrijstellingen van die verplichtingen op grond van die wet van toepassing is; -b. een kind van 16 of 17 jaar dat na het behalen van een startkwalificatie als bedoeld in artikel 1, onderdeel f, van de Leerplichtwet 1969 op lichamelijke of psychische gronden niet geschikt is om tot een school onderscheidenlijk een instelling te worden toegelaten dan wel een vervolgstudie volgt anders dan hoger onderwijs als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel b, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek; +b. een kind van 16 of 17 jaar dat na het behalen van een startkwalificatie als bedoeld in artikel 1, onderdeel f, van de Leerplichtwet 1969 op lichamelijke of psychische gronden niet geschikt is om tot een school onderscheidenlijk een instelling te worden toegelaten dan wel een vervolgstudie volgt; c. een kind van 18 jaar of ouder, doch jonger dan 21 jaar, dat als leerling of deelnemer staat ingeschreven bij een school of instelling als bedoeld in artikel 4a van de Leerplichtwet 1969 en deze geregeld bezoekt of een vervolgstudie volgt; d. een ongehuwd kind van 16 jaar of ouder, doch jonger dan 21 jaar, dat een startkwalificatie als bedoeld in artikel 1, onderdeel f, van de Leerplichtwet 1969 heeft behaald dan wel op wie een van de vrijstellingen als bedoeld in onderdeel a van toepassing zijn geweest of zouden zijn geweest en wiens voor werkzaamheden beschikbare tijd grotendeels in beslag wordt genomen door het verzorgen van zijn huishouden, waartoe overigens ten minste een kind dat recht heeft op wezenuitkering, behoort. @@ -339,6 +340,8 @@ d. een ongehuwd kind van 16 jaar of ouder, doch jonger dan 21 jaar, dat een star **4.** Het recht op wezenuitkering gaat in op de eerste dag van de maand waarin het kind ouderloos is geworden en aan de voorwaarden, bedoeld in het tweede lid, wordt voldaan. +**5.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ter uitvoering van het tweede lid. + ### Artikel 26a Artikel 26, zoals dat artikel luidde op de dag voorafgaande aan de inwerkingtreding van artikel III, onderdeel B, de Wet van 4 februari 2010 tot wijziging van de Algemene Kinderbijslagwet en de Algemene nabestaandenwet in verband met aanpassing aan de invoering van een kwalificatieplicht in de Leerplichtwet 1969 en het aanbrengen van een aantal vereenvoudigingen in de Algemene Kinderbijslagwet alsmede enkele andere aanpassingen van die wet (Stb. 74) blijft van toepassing op het kind, dat voor 1 oktober 2009 de leeftijd van 16 jaar heeft bereikt. @@ -478,11 +481,11 @@ c. het kind in Nederland woont en het voldoet aan een voorwaarde als bedoeld in **4.** Artikel 32a, tweede, vijfde en zesde lid, is van overeenkomstige toepassing. -#### Paragraaf 10. Geen recht op nabestaandenuitkering, halfwezenuitkering en wezenuitkering tijdens vrijheidsontneming +#### Paragraaf 10. Geen recht op nabestaandenuitkering, halfwezenuitkering en wezenuitkering tijdens vrijheidsontneming en onttrekking aan vrijheidsontneming ### Artikel 32c -**1.** Geen recht op nabestaandenuitkering ontstaat voor de nabestaande indien hem op de dag van het overlijden van de verzekerde rechtens zijn vrijheid is ontnomen. Geen recht op halfwezenuitkering ontstaat voor de nabestaande indien hem of de halfwees op de dag van het overlijden van de verzekerde rechtens zijn vrijheid is ontnomen. Geen recht op wezenuitkering ontstaat voor het kind indien het op de dag van het overlijden van de verzekerde rechtens zijn vrijheid is ontnomen. +**1.** Geen recht op nabestaandenuitkering ontstaat voor de nabestaande indien hem op de dag van het overlijden van de verzekerde, dan wel op de dag na afloop van de toepassing van artikel 32e met betrekking tot dat recht op uitkering, rechtens zijn vrijheid is ontnomen. Geen recht op halfwezenuitkering ontstaat voor de nabestaande indien hem of de halfwees op de dag van het overlijden van de verzekerde, dan wel op de dag na afloop van de toepassing van artikel 32e met betrekking tot dat recht op uitkering, rechtens zijn vrijheid is ontnomen. Geen recht op wezenuitkering ontstaat voor het kind indien het op de dag van het overlijden van de verzekerde, dan wel op de dag na afloop van de toepassing van artikel 32e met betrekking tot dat recht op uitkering, rechtens zijn vrijheid is ontnomen. **2.** @@ -510,6 +513,24 @@ c. het kind in vrijheid wordt gesteld en het voldoet aan een voorwaarde als bedo **4.** Artikel 32c, derde lid, is van overeenkomstige toepassing. +**5.** Het recht op nabestaandenuitkering, respectievelijk het recht op halfwezenuitkering of het recht op wezenuitkering eindigt, in afwijking van het eerste lid, vanaf de dag dat de vrijheidsontneming ingaat, indien op de dag voorafgaande aan de vrijheidsontneming geen recht bestaat op die uitkering op grond van artikel 32f, eerste lid. + +### Artikel 32e + +Geen recht op nabestaandenuitkering ontstaat voor de nabestaande indien en voor zolang hij zich op de dag van het overlijden van de verzekerde en daarna onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel. Geen recht op halfwezenuitkering ontstaat voor de nabestaande indien en voor zolang hij of de halfwees zich op de dag van het overlijden van de verzekerde en daarna onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel. Geen recht op wezenuitkering ontstaat voor het kind indien en voor zolang het zich op de dag van het overlijden van de verzekerde en daarna onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel. + +### Artikel 32f + +**1.** Het recht op nabestaandenuitkering eindigt, indien de nabestaande zich onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel. Het recht op halfwezenuitkering eindigt indien de nabestaande of de halfwees zich onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel. Het recht op wezenuitkering eindigt indien het kind zich onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel. + +**2.** + +Voor de persoon, bedoeld in het eerste lid, herleeft, onverminderd artikel 15, 23, 27 of 32d, het recht op nabestaandenuitkering, halfwezenuitkering of wezenuitkering op de dag dat: + +a. de nabestaande zich niet langer onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel en hij voldoet aan een voorwaarde als bedoeld in artikel 14, eerste lid, of de voorwaarden, bedoeld in artikel 66a, tweede lid, en onverminderd artikel 14, derde lid; +b. de nabestaande en de halfwees zich niet langer onttrekken aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel en de nabestaande voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 22, eerste en tweede lid; +c. het kind zich niet langer onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel en het voldoet aan een voorwaarde als bedoeld in artikel 26, eerste en tweede lid. + ### Afdeling II. Het geldend maken van het recht op uitkering ### Artikel 33 @@ -658,10 +679,7 @@ Voor zover bij of krachtens deze wet niet anders is bepaald, wordt een voorschot ### Artikel 48 -Indien de uitkering in het buitenland wordt uitbetaald: - -a. worden de daaraan verbonden kosten van overmaking op de uitkering in mindering gebracht; en -b. geschiedt de betaling in afwijking van artikel 4:89, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het tijdstip waarop de rekening van de daartoe door de schuldeiser aangewezen bank wordt gecrediteerd. +Indien de uitkering in het buitenland wordt uitbetaald, geschiedt de betaling in afwijking van artikel 4:89, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het tijdstip waarop de rekening van de daartoe door de schuldeiser aangewezen bank wordt gecrediteerd. ### Artikel 49 @@ -671,7 +689,7 @@ b. geschiedt de betaling in afwijking van artikel 4:89, derde lid, van de Algeme ### Artikel 50 -**1.** De Sociale verzekeringsbank betaalt, voor zover niet reeds betaald, de vakantie-uitkering in afwijking van artikel 46 jaarlijks in de maand mei over de aan die maand voorafgaande 12 maanden, of indien het recht op uitkering eerder dan in de maand mei eindigt, in de desbetreffende maand, tenzij aansluitend aan het recht op uitkering op grond van deze wet recht op uitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet ontstaat. +**1.** De Sociale verzekeringsbank betaalt, voor zover niet reeds betaald, de vakantie-uitkering in afwijking van artikel 46 jaarlijks in de maand mei over de aan die maand voorafgaande maanden, of indien het recht op uitkering eerder dan in de maand mei eindigt, in de desbetreffende maand, tenzij aansluitend aan het recht op uitkering op grond van deze wet recht op uitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet ontstaat. **2.** Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld voor de betaling van de vakantie-uitkering. @@ -682,7 +700,7 @@ b. geschiedt de betaling in afwijking van artikel 4:89, derde lid, van de Algeme Na het overlijden van degene aan wie nabestaandenuitkering of halfwezenuitkering is toegekend, wordt met ingang van de dag na overlijden nabestaandenuitkering of halfwezenuitkering in de vorm van een overlijdensuitkering uitbetaald: a. aan de minderjarige kinderen tot wie de overledene in familierechtelijke betrekking stond; -b. bij ontstentenis van de in onderdeel *a* bedoelde kinderen aan degenen ten aanzien van wie de overledene grotendeels in de kosten van het bestaan voorzag en met wie hij in gezinsverband leefde. +b. bij ontstentenis van de in onderdeel *a* bedoelde kinderen aan degenen met wie de overledene in gezinsverband leefde. **2.** De overlijdensuitkering is gelijk aan het bedrag van de nabestaandenuitkering of de halfwezenuitkering dan wel van de nabestaanden- en halfwezenuitkering over één maand, berekend naar de hoogte van die uitkeringen in de maand van overlijden van degene aan wie nabestaandenuitkering of halfwezenuitkering is toegekend. @@ -900,7 +918,7 @@ Vervallen **1.** Een beschikking op grond van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt gegeven binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag. -**2.** De redelijke termijn is in ieder geval verstreken wanneer binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag geen beschikking is gegeven, noch een kennisgeving als bedoeld in het derde of vierde lid is gedaan. +**2.** De redelijke termijn is in ieder geval verstreken wanneer binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag geen beschikking is gegeven, noch een kennisgeving als bedoeld in het derde lid is gedaan. **3.** Indien een beschikking niet binnen de termijn van acht weken kan worden gegeven, wordt die termijn met een redelijke termijn verlengd en wordt de aanvrager daarvan schriftelijk in kennis gesteld. @@ -1006,7 +1024,15 @@ Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt een tij ### Artikel 74 -Vervallen +**1.** Indien het recht op nabestaandenpensioen, respectievelijk halfwezenuitkering of wezenuitkering voorafgaand aan de dag van inwerkingtreding van artikel 32f al is ingegaan en de nabestaande, halfwees of wees zich op die dag onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel, wordt voor de toepassing van dat artikel als eerste dag waarop hij zich aan de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel onttrekt, aangemerkt de dag van inwerkingtreding van artikel 32f en eindigt het recht op nabestaandenpensioen, respectievelijk halfwezenuitkering of wezenuitkering, in afwijking van artikel 32f, vanaf de dag dat het onttrekken aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel zes maanden heeft geduurd. + +**2.** Dit artikel vervalt zes maanden na de dag van zijn inwerkingtreding. + +### Artikel 74* + +**1.** De artikelen 10, 18, eerste lid, en 20 en de daarop berustende bepalingen, zoals deze luidden op de dag voor inwerkingtreding van de Wet harmonisatie en vereenvoudiging socialezekerheidswetgeving, blijven van toepassing op de persoon op wie deze artikelen en de daarop berustende bepalingen werden toegepast op de dag voor inwerkingtreding van die wet, voor zolang de toepassing duurt, doch ten hoogste gedurende twee jaar na de dag waarop die wet in werking is getreden. + +**2.** Dit artikel vervalt twee jaar na het tijdstip van inwerkingtreding. ## Hoofdstuk 9. Strafbepalingen