diff --git a/wet/tijdelijke-wet-groningen/BWBR0043252/README.md b/wet/tijdelijke-wet-groningen/BWBR0043252/README.md index 19ca9383653..4c06ad6da1f 100644 --- a/wet/tijdelijke-wet-groningen/BWBR0043252/README.md +++ b/wet/tijdelijke-wet-groningen/BWBR0043252/README.md @@ -19,7 +19,7 @@ In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: – *exploitant:* exploitant van een mijnbouwwerk ten behoeve van het winnen van gas uit het Groningenveld of van de gasopslag te Norg of de gasopslag bij Grijpskerk; – *gebouw:* bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; – *Instituut:* het Instituut Mijnbouwschade Groningen; -– *Onze Minister:* Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat; +– *Onze Minister:* Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; – *schade:* schade die is ontstaan door beweging van de bodem als gevolg van de aanleg of exploitatie van een mijnbouwwerk ten behoeve van het winnen van gas uit het Groningenveld of als gevolg van de gasopslag Norg of de gasopslag bij Grijpskerk; – *veiligheidsnorm:* veiligheidsnorm van 10^-5, zijnde het individueel aardbevingsrisico van maximaal 1 op de 100.000 per jaar dat een individu mag lopen in of nabij de verschillende bouwwerken waar dat individu verblijft; – *versterkingsbesluit:* besluit als bedoeld in artikel 13j, eerste lid. @@ -48,7 +48,7 @@ c. heeft tot taak een vergoeding voor overlast van ten hoogste een bij of kracht Het Instituut is niet bevoegd om een aanvraag om vergoeding van schade te behandelen indien deze schade betreft waarvoor: -a. voor 31 maart 2017, 12:00 uur een schademelding – of claim is voorgelegd aan het Centrum Veilig Wonen of de exploitant; +a. voor 31 maart 2017, 12:00 uur een schademelding of -claim is voorgelegd aan het Centrum Veilig Wonen of de exploitant; b. door de exploitant met de gedupeerde of diens vertegenwoordiger een vaststellingsovereenkomst is gesloten; c. door de gedupeerde of diens vertegenwoordiger met de exploitant onderhandeld wordt met het doel te komen tot een vergoeding van de schade; d. een vordering is ingesteld bij de burgerlijke rechter, tenzij de vordering bij de burgerlijke rechter met instemming van de gedaagde door de aanvrager wordt ingetrokken; of @@ -89,23 +89,25 @@ b. informeert het Instituut, ten behoeve van de toepassing van de Woningwet in h **1.** Ten behoeve van de goede uitvoering van artikel 2, derde en vierde lid, verwerkt het Instituut de nodige gegevens, waaronder persoonsgegevens. Het Instituut is verwerkingsverantwoordelijke voor deze verwerking. -**2.** Ten behoeve van de goede uitwerking van artikel 2, derde en vierde lid, verwerkt de exploitant de nodige gegevens, waaronder persoonsgegevens. De exploitant is verwerkingsverantwoordelijke voor deze verwerking. +**2.** Ten behoeve van de goede uitwerking van artikel 2, derde en vierde lid, verwerkt Onze Minister de nodige gegevens, waaronder persoonsgegevens. Onze Minister is verwerkingsverantwoordelijke voor deze verwerking. -**3.** Gelet op artikel 9, tweede lid, onderdeel g, van de Algemene verordening gegevensbescherming is het verbod om gegevens over gezondheid te verwerken niet van toepassing indien de verwerking geschiedt door het Instituut of de exploitant voor zover deze verwerking noodzakelijk is in het belang van de goede uitvoering en uitwerking van artikel 2, derde en vierde lid. +**3.** Gelet op artikel 9, tweede lid, onderdeel g, van de Algemene verordening gegevensbescherming is het verbod om gegevens over gezondheid te verwerken niet van toepassing indien de verwerking geschiedt door het Instituut of Onze Minister voor zover deze verwerking noodzakelijk is in het belang van de goede uitvoering en uitwerking van artikel 2, derde, vierde en elfde lid. -**4.** Het Instituut en de exploitant verstrekken elkaar desgevraagd de informatie, waaronder begrepen de persoonsgegevens, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, voor zover die noodzakelijk is in het belang van de goede uitvoering van artikel 2, derde, vierde en zevende lid, of van de taken en bevoegdheden die op grond van artikel 2, achtste lid, aan het Instituut zijn opgedragen. +**4.** Het Instituut en Onze Minister verstrekken elkaar desgevraagd de informatie, waaronder begrepen de persoonsgegevens, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, voor zover die noodzakelijk is in het belang van de goede uitvoering van artikel 2, derde, vierde en zevende lid, of van de taken en bevoegdheden die op grond van artikel 2, achtste lid, aan het Instituut zijn opgedragen. **5.** Het Instituut, Onze Minister en het college van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeenten verstrekken elkaar desgevraagd of eigener beweging de gegevens, waaronder persoonsgegevens, over de afhandeling van aanvragen om schadevergoeding en beslissingen in het kader van de uitvoering van de versterkingsoperatie die noodzakelijk zijn voor een goede uitvoering van deze wettelijke taak. -**6.** Het Instituut informeert Onze Minister en het college van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeenten indien het gegronde vermoedens heeft dat een gebouw niet voldoet aan de veiligheidsnorm. +**6.** Ten behoeve van de goede uitvoering van het oplossen van knelpunten die als gevolg van de schade zijn ontstaan als bedoeld in artikel 2, elfde lid, verwerkt het Instituut de nodige gegevens, waaronder persoonsgegevens. -**7.** Onze Minister informeert het Instituut indien hij gegronde vermoedens heeft dat sprake is van een acuut onveilige situatie als bedoeld in artikel 2, zevende lid. +**7.** Het Instituut informeert Onze Minister en het college van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeenten indien het gegronde vermoedens heeft dat een gebouw niet voldoet aan de veiligheidsnorm. -**8.** Het Instituut, Onze Minister en het college van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeenten verstrekken niet de gegevens over gezondheid. +**8.** Onze Minister informeert het Instituut indien hij gegronde vermoedens heeft dat sprake is van een acuut onveilige situatie als bedoeld in artikel 2, zevende lid. -**9.** Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de wijze waarop Onze Minister en het Instituut de uitvoering van de versterking op grond van hoofdstuk 5 en de vergoeding van schade op grond van hoofdstuk 2 op elkaar afstemmen. De voordracht voor een krachtens dit lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd. +**9.** Het Instituut, Onze Minister en het college van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeenten verstrekken niet de gegevens over gezondheid behoudens voor zover deze gegevens noodzakelijk zijn voor de uitvoering van artikel 2, elfde lid, en de betrokkene daar uitdrukkelijk zijn instemming aan heeft gegeven. -**10.** De exploitant verstrekt Onze Minister desgevraagd de gegevens, waaronder persoonsgegevens, voor zover die noodzakelijk zijn in het belang van een goede uitvoering van de versterking op grond van hoofdstuk 5. +**10.** Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de wijze waarop Onze Minister en het Instituut de uitvoering van de versterking op grond van hoofdstuk 5 en de vergoeding van schade op grond van hoofdstuk 2 op elkaar afstemmen. De voordracht voor een krachtens dit lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd. + +**11.** De exploitant verstrekt Onze Minister desgevraagd de gegevens, waaronder persoonsgegevens, voor zover die noodzakelijk zijn in het belang van een goede uitvoering van de versterking op grond van hoofdstuk 5. ### Artikel 4 @@ -253,7 +255,13 @@ Onze Minister neemt alle maatregelen die redelijkerwijs van hem gevergd kunnen w **2.** Het Adviescollege bestaat uit ten minste drie en ten hoogste vijf leden, onder wie de voorzitter. -**3.** Het Adviescollege heeft tot taak Onze Minister te adviseren over de regels, bedoeld in de artikelen 13e, derde lid, en 13h. In de adviezen wordt aandacht besteed aan de laatste bouwkundige en seismische inzichten, de laatste inzichten over toekomstige gaswinning, de uitvoerbaarheid van de regels en de doeltreffendheid van de regels in de praktijk. +**3.** + +Het Adviescollege heeft tot taak Onze Minister te adviseren over: + +a. de regels, bedoeld in de artikelen 13e, derde lid, en 13h, waarbij in de adviezen aandacht wordt besteed aan de laatste bouwkundige en seismische inzichten, de laatste inzichten over toekomstige gaswinning, de uitvoerbaarheid van de regels en de doeltreffendheid van de regels in de praktijk; +b. de relatie tussen beweging van de bodem als gevolg van de aanleg of exploitatie van een mijnbouwwerk ten behoeve van het winnen van gas uit het Groningenveld of als gevolg van de gasopslag bij Norg of de gasopslag bij Grijpskerk, en de veiligheid; +c. schade die van invloed is op de constructieve veiligheid van gebouwen. **4.** Het Adviescollege raadpleegt bij de voorbereiding van zijn adviezen de colleges en de inspecteur-generaal der mijnen over de uitvoerbaarheid van de adviezen en de doeltreffendheid van de adviezen in de praktijk. @@ -312,7 +320,7 @@ Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de wi ### Artikel 13i -**1.** Onze Minister beoordeelt conform de prioritering in het programma van aanpak of een gebouw aan de veiligheidsnorm voldoet. +**1.** Onze Minister beoordeelt of een gebouw aan de veiligheidsnorm voldoet. De beoordeling vindt plaats overeenkomstig de prioritering in het programma, tenzij uit het onderzoek, bedoeld in artikel 13g, zesde lid, blijkt dat er gegronde vermoedens zijn dat sprake is van een acuut onveilige situatie. **2.** Indien een gebouw aan de veiligheidsnorm voldoet, neemt Onze Minister een besluit inhoudende dat het gebouw aan de veiligheidsnorm voldoet en geen versterkingsmaatregelen noodzakelijk zijn. Dit besluit bevat zo nodig een vergoeding van de door eigenaar geleden schade die een direct gevolg is van de beoordeling of een gebouw aan de veiligheidsnorm voldoet. De minister zendt een afschrift van dit besluit aan het college van de gemeente waarin het gebouw is gelegen en, indien het gebouw of het terrein waarop het staat een rijksmonument is, aan Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. @@ -320,13 +328,13 @@ Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de wi **4.** In het geval, bedoeld in het derde lid, wordt in overleg met de eigenaar van het gebouw een versterkingsbesluit voorbereid. -**5.** De eigenaar van een gebouw kan schriftelijk bij Onze Minister bedenkingen indienen over de beoordeling, bedoeld in het derde lid, tot het tijdstip waarop de minister een versterkingsbesluit heeft bekendgemaakt. +**5.** De eigenaar van een gebouw kan schriftelijk bij Onze Minister bedenkingen indienen over de beoordeling, bedoeld in het derde lid, of een verzoek doen om het gebouw niet te versterken, tot het tijdstip waarop de minister een versterkingsbesluit heeft bekendgemaakt. -**6.** Indien de eigenaar bedenkingen als bedoeld in het vijfde lid indient, neemt Onze Minister binnen acht weken na ontvangst ervan en met inachtneming van de ingediende bedenkingen een versterkingsbesluit of, indien de eigenaar daarom heeft verzocht, een besluit dat het gebouw niet wordt versterkt indien daardoor de belangen van gebruikers of derde belanghebbenden niet worden geschaad. In bijzondere gevallen verband houdende met de complexiteit daarvan of het aantal te nemen besluiten kan de termijn, genoemd in de eerste volzin, eenmaal worden verlengd met ten hoogste zes weken. +**6.** Indien de eigenaar bedenkingen of een verzoek om niet te versterken als bedoeld in het vijfde lid indient, neemt Onze Minister binnen acht weken na ontvangst ervan en met inachtneming van de ingediende bedenkingen een versterkingsbesluit of, indien de eigenaar daarom heeft verzocht, een besluit dat het gebouw niet wordt versterkt indien daardoor de belangen van gebruikers of derde belanghebbenden niet worden geschaad. In bijzondere gevallen verband houdende met de complexiteit daarvan of het aantal te nemen besluiten kan de termijn, genoemd in de eerste volzin, eenmaal worden verlengd met ten hoogste zes weken. -**7.** Indien een besluit, bedoeld in het zesde lid, wordt genomen dat een gebouw niet wordt versterkt, zendt Onze Minister een afschrift hiervan aan het college van de gemeente waarin het gebouw is gelegen en, indien het gebouw of het terrein waarop het staat een rijksmonument is, aan Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, en draagt de minister zorg voor inschrijving van dit besluit in de openbare registers, bedoeld in artikel 16 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, nadat het besluit onherroepelijk is geworden. +**7.** Indien een besluit, bedoeld in het zesde lid, wordt genomen dat een gebouw niet wordt versterkt, zendt Onze Minister een afschrift hiervan aan het college van de gemeente waarin het gebouw is gelegen en, indien het gebouw of het terrein waarop het staat een rijksmonument is, aan Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, en draagt de minister zorg voor inschrijving van dit besluit in de openbare registers, bedoeld in artikel 16 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek. -**8.** De inschrijving in het register, bedoeld in het zevende lid, nadat het besluit onherroepelijk is geworden, laat onverlet de mogelijkheid van een eigenaar om terug te komen op een keuze om een gebouw niet te versterken. Indien de eigenaar de keuze om een gebouw wel te versterken kenbaar maakt aan Onze Minister, neemt Onze Minister een nieuw versterkingsbesluit en draagt tevens zorg voor de doorhaling van het eerdere besluit in het register. +**8.** De inschrijving in het register, bedoeld in het zevende lid, laat onverlet de mogelijkheid van een eigenaar om terug te komen op een keuze om een gebouw niet te versterken. Indien de eigenaar de keuze om een gebouw wel te versterken kenbaar maakt aan Onze Minister, neemt Onze Minister een nieuw versterkingsbesluit en draagt tevens zorg voor de doorhaling van het eerdere besluit in het register. ### Artikel 13ia @@ -375,8 +383,12 @@ c. nog geen overzicht van maatregelen is opgesteld. Onze Minister neemt binnen een in overleg met de eigenaar te bepalen redelijke termijn, maar uiterlijk binnen één jaar na de dagtekening van de beoordeling, bedoeld in artikel 13i, derde lid, een versterkingsbesluit dat in ieder geval bevat: -a. een overzicht van de te treffen versterkingsmaatregelen die nodig zijn om een gebouw aan de veiligheidsnorm te laten voldoen, en -b. de aanspraak van de eigenaar op vergoeding van de kosten voor de voorbereiding of de uitvoering van de versterkingsmaatregelen, bedoeld in onderdeel a. +a. een overzicht van de te treffen versterkingsmaatregelen die nodig zijn om een gebouw aan de veiligheidsnorm te laten voldoen; +b. de aanspraak van de eigenaar op vergoeding van de kosten voor de voorbereiding of de uitvoering van de versterkingsmaatregelen, bedoeld in onderdeel a; +c. de aanspraak van de eigenaar op vergoeding van door de eigenaar geleden schade die een direct gevolg is van: + +1°. de beoordeling of het gebouw aan de veiligheidsnorm voldoet; +2°. de voorbereiding en uitvoering van de versterkingsmaatregelen. **2.** In bijzondere gevallen verband houdende met de complexiteit daarvan of het aantal te nemen besluiten kan de termijn, genoemd in het eerste lid, eenmaal worden verlengd met een redelijke termijn. @@ -390,9 +402,9 @@ b. de aanspraak van de eigenaar op vergoeding van de kosten voor de voorbereidin **7.** -Onze Minister verbindt aan het versterkingsbesluit de voorwaarde dat de aanspraak, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, vervalt indien: +Onze Minister verbindt aan het versterkingsbesluit de voorwaarde dat de aanspraak, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, vervalt, tenzij dit zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard, indien: -a. door de exploitant met de eigenaar of diens vertegenwoordiger een vaststellingsovereenkomst is gesloten, tenzij dit zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard; +a. door de exploitant met de eigenaar of diens vertegenwoordiger een vaststellingsovereenkomst is gesloten; b. door de eigenaar of diens vertegenwoordiger met de exploitant onderhandeld wordt met het doel te komen tot een vergoeding van de kosten van de versterkingsmaatregelen; c. door de eigenaar een vordering is ingesteld bij de burgerlijke rechter, tenzij de vordering bij de burgerlijke rechter met instemming van de gedaagde door de eigenaar wordt ingetrokken; d. de burgerlijke rechter uitspraak heeft gedaan over de aanspraak op en de omvang van de vergoeding van de kosten van de versterkingsmaatregelen. @@ -403,7 +415,7 @@ d. de burgerlijke rechter uitspraak heeft gedaan over de aanspraak op en de omva **10.** Onze Minister kan naast de voorwaarde, bedoeld in het zevende lid, aan het versterkingsbesluit andere voorwaarden verbinden. -**11.** Indien het versterkingsbesluit betrekking heeft op een rijksmonument zendt Onze Minister onmiddellijk na de bekendmaking van het versterkingsbesluit een afschrift van dat besluit aan Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en, indien het rijksmonument is gelegen buiten de bebouwde kom aan gedeputeerde staten. +**11.** Indien het versterkingsbesluit betrekking heeft op een rijksmonument zendt Onze Minister onmiddellijk na de bekendmaking van het versterkingsbesluit een afschrift van dat besluit aan Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en, indien het rijksmonument is gelegen buiten de bebouwde kom aan betrokken gedeputeerde staten. **12.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de aanspraak, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, en kunnen nadere regels worden gesteld over het bepaalde in het zevende en achtste lid. @@ -424,7 +436,7 @@ b. het overzicht niet de maatregelen bevat die naar het oordeel van de minister ### Artikel 13k -**1.** Indien Onze Minister door toedoen van de eigenaar of gebruiker niet kan vaststellen of een gebouw aan de veiligheidsnorm voldoet en belangen van de eigenaar, gebruiker of derde belanghebbenden niet worden geschaad, besluit de minister dat een gebouw niet wordt versterkt. De minister zendt een afschrift van dit besluit aan het college van de gemeente waarin het gebouw is gelegen, en, indien het gebouw of het terrein waarop het staat een rijksmonument is, aan Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, en draagt zorg voor inschrijving van dit besluit in de openbare registers, bedoeld in artikel 16 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, nadat het besluit onherroepelijk is geworden. +**1.** Indien Onze Minister door toedoen van de eigenaar niet kan vaststellen of een gebouw aan de veiligheidsnorm voldoet of indien het Onze Minister ook na herhaalde pogingen en een uiterste inspanning niet mogelijk is met medewerking van de eigenaar het versterkingsbesluit voor te bereiden, en de belangen van de eigenaar, gebruiker of derde belanghebbenden niet worden geschaad, besluit de minister dat een gebouw niet wordt versterkt. De minister zendt een afschrift van dit besluit aan het college van de gemeente waarin het gebouw is gelegen, en, indien het gebouw of het terrein waarop het staat een rijksmonument is, aan Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, en draagt zorg voor inschrijving van dit besluit in de openbare registers, bedoeld in artikel 16 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek. **2.** Onze Minister kan ten behoeve van de beoordeling, bedoeld in artikel 13i, eerste lid, de uitvoering van de versterkingsmaatregelen en voor het gebruik, bedoeld in het derde lid, personen aanwijzen die bevoegd zijn met medeneming van de benodigde apparatuur en andere hulpmiddelen, een gebouw met inbegrip van een woning binnen te treden. @@ -436,7 +448,7 @@ b. het overzicht niet de maatregelen bevat die naar het oordeel van de minister ### Artikel 13l -Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden +Onze Minister, het college van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeenten, betrokken gedeputeerde staten en Onze Minister die het aangaat, maken in een samenwerkingsovereenkomst afspraken over de onderlinge afstemming van de besluiten die nodig zijn bij de voorbereiding van een versterkingsbesluit. ### Artikel 13m @@ -484,17 +496,15 @@ b. maken van bezwaar of het instellen van beroep tegen een besluit van het Insti Onze Minister legt een heffing op aan een exploitant: -a. ter bestrijding van alle kosten gemaakt in verband met de uitvoering van de taken en bevoegdheden, bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdelen a en b, en zevende lid, met uitzondering van de kosten die verband houden met de bezoldiging van de leden van het Instituut, de huisvestingskosten van het Instituut en de BTW voor werkzaamheden die door derden worden uitgevoerd in opdracht van het Instituut; -b. ter bestrijding van de kosten gemaakt in verband met de uitvoering van de taken en bevoegdheden, bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdeel c, en achtste lid, indien deze kosten gemaakt zijn ten behoeve van vergoeding van schade als bedoeld in deze wet, met uitzondering van de BTW voor werkzaamheden die door derden worden uitgevoerd in opdracht van het Instituut; -c. ter bestrijding van alle kosten gemaakt door de overheid voor de voorbereiding en uitvoering van de maatregelen om een gebouw aan de veiligheidsnorm te laten voldoen en de maatregelen, bedoeld in artikel 13j, vierde lid, indien het gebouw een beschermd monument is, alsmede de kosten die daar direct verband mee houden, met uitzondering van de BTW voor werkzaamheden die door derden worden uitgevoerd in opdracht van Onze Minister; +a. ter bestrijding van alle kosten gemaakt in verband met de uitvoering van de taken en bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 2, derde lid, onderdelen a en b, zevende en negende lid en 12, vierde lid, met uitzondering van de kosten die verband houden met de bezoldiging van de leden van het Instituut, de huisvestingskosten van het Instituut en de BTW voor werkzaamheden die door derden worden uitgevoerd in opdracht van het Instituut; +b. ter bestrijding van de kosten gemaakt door de overheid in verband met de uitvoering van overige maatregelen ter bestrijding van de nadelige gevolgen van de aanleg of exploitatie van een mijnbouwwerk ten behoeve van het winnen van gas uit het Groningenveld, of van de gasopslag Norg of de gasopslag Grijpskerk, met uitzondering van de BTW voor werkzaamheden die door derden worden uitgevoerd in opdracht van de overheid; +c. ter bestrijding van alle kosten gemaakt door de overheid om te voldoen aan artikel 13ba alsmede de kosten die daar direct verband mee houden, met uitzondering van de BTW voor werkzaamheden die door derden worden uitgevoerd in opdracht van Onze Minister; d. ter bestrijding van de kosten gemaakt in verband met de vergoedingen, bedoeld in artikel 13m, eerste lid, en subsidies op grond van artikel 13n, eerste en tweede lid, in combinatie met de artikelen 37b en 37c van de Wet op de rechtsbijstand, en vergoedingen op grond van artikel 13n, vierde en vijfde lid; en e. ter compensatie van het rentevoordeel dat de exploitant ondervindt als gevolg van de afhandeling van schade door het Instituut, als gevolg van de voorbereiding en uitvoering van maatregelen als bedoeld in onderdeel c, en de toekenning van de vergoedingen, bedoeld in onderdeel d. **2.** De heffing wordt opgelegd aan de exploitant die ten tijde van het bekend worden van de schade, waarop de kosten van vergoedingen die de basis vormen voor de heffing betrekking hebben, exploitant is, respectievelijk aan de exploitant die ten tijde van het maken van de kosten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, exploitant is, respectievelijk aan de exploitant die ten tijde van het maken van de kosten, bedoeld in onderdeel d, exploitant is. Indien deze schade bekend wordt of deze kosten gemaakt worden na sluiting van het mijnbouwwerk, wordt de heffing opgelegd aan degene die de laatste exploitant was. -**3.** De hoogte van de heffing wordt vastgesteld bij ministeriële regeling. - -**4.** Onze Minister kan een tussentijdse heffing opleggen tot ten hoogste het bedrag, bedoeld in het derde lid, voor de kosten die op dat moment gemaakt zijn. De tussentijdse heffing wordt verrekend met de definitieve heffing. +**3.** Onze Minister kan een tussentijdse heffing opleggen voor de kosten die op dat moment gemaakt zijn. De tussentijdse heffing wordt verrekend met de definitieve heffing. ### Artikel 15a @@ -595,7 +605,7 @@ b. nadat de procureur-generaal bij de Hoge Raad dan wel het daartoe op grond van ### Artikel 19a -**1.** Op een beroep tegen een versterkingsbesluit, een besluit als bedoeld in artikel 13i, tweede en zesde lid, een besluit als bedoeld in artikel 13k, eerste en derde lid, en een besluit als bedoeld in artikel 13l, eerste lid, onderdeel b, beslist de Afdeling bestuursrechtspraak binnen zes maanden na ontvangst van het verweerschrift. +**1.** Op een beroep tegen een versterkingsbesluit, een besluit als bedoeld in artikel 13i, tweede en zesde lid, en een besluit als bedoeld in artikel 13k, eerste en derde lid, beslist de Afdeling bestuursrechtspraak binnen zes maanden na ontvangst van het verweerschrift. **2.** In bijzondere omstandigheden kan de Afdeling bestuursrechtspraak de in het eerste lid genoemde termijn met ten hoogste drie maanden verlengen. @@ -638,17 +648,24 @@ b. de overeenkomst Rijk-NAM inzake regeling vergoeding kosten bodemdaling aardga **1.** Een plan van een gemeenteraad dat hetzelfde doel nastreeft als een programma als bedoeld in artikel 13g, wordt daarmee gelijkgesteld. -**2.** Een risicoprofiel, een beoordeling of een gebouw voldoet aan de veiligheidsnorm of een besluit daarover, een besluit tot versterken en een besluit tot niet versterken die krachtens artikel 52g van de Mijnbouwwet zijn vastgesteld, respectievelijk genomen, worden met ingang van de datum van inwerkingtreding van hoofdstuk 5 gelijkgesteld met een risicoprofiel als bedoeld in artikel 13e, eerste lid, een beoordeling als bedoeld in artikel 13i, eerste lid, een versterkingsbesluit, respectievelijk een besluit als bedoeld in artikel 13i, zesde lid of artikel 13k, eerste lid. +**2.** + +Met ingang van de datum van inwerkingtreding van hoofdstuk 5 wordt een krachtens artikel 52g van de Mijnbouwwet: + +a. vastgesteld risicoprofiel gelijkgesteld met een risicoprofiel als bedoeld in artikel 13e, eerste lid; +b. vastgestelde beoordeling of een gebouw voldoet aan de veiligheidsnorm of een besluit daarover gelijkgesteld met een beoordeling als bedoeld in artikel 13i, eerste lid; +c. genomen besluit tot versterken of gesloten overeenkomst tot vergoeding van kosten voor het treffen van versterkingsmaatregelen gelijkgesteld met een versterkingsbesluit; en +d. genomen besluit tot niet-versterken gelijkgesteld met een besluit als bedoeld in artikel 13i, zesde lid, of 13k, eerste lid. **3.** Voor de toepassing van het tweede lid, wordt als de datum van de dagtekening, bedoeld in artikel 13j, de datum van inwerkingtreding van hoofdstuk 5 aangemerkt. -**4.** Indien een beoordeling heeft plaatsgevonden voor een bij ministeriële regeling te bepalen tijdstip en uit die beoordeling blijkt dat een gebouw niet aan de veiligheidsnorm voldoet en de uitvoering van de versterkingsmaatregelen nog niet is aangevangen, kan Onze Minister op verzoek van de eigenaar het gebouw laten beoordelen op een bij of krachtens artikel 13h voorgeschreven wijze. +**4.** Indien een beoordeling heeft plaatsgevonden op een bij ministeriële regeling te bepalen wijze en uit die beoordeling blijkt dat een gebouw niet aan de veiligheidsnorm voldoet en de uitvoering van de versterkingsmaatregelen nog niet is aangevangen, kan Onze Minister het gebouw laten beoordelen op een bij of krachtens artikel 13h voorgeschreven wijze. **5.** Indien een nieuwe beoordeling als bedoeld in het vierde lid plaatsvindt en krachtens artikel 52g van de Mijnbouwwet voor het gebouw een besluit is vastgesteld, trekt Onze Minister het op grond van het tweede lid daarmee gelijkgestelde besluit in en besluit Onze Minister op basis van de nieuwe beoordeling overeenkomstig artikel 13i, tweede tot en met zevende lid, en de artikelen 13j tot en met 13m. **6.** Onze Minister kan een vergoeding verstrekken aan de eigenaar die op grond van het vierde lid in aanmerking komt voor een nieuwe beoordeling. -**7.** Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de vergoeding, bedoeld in het zesde lid. +**7.** Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over het besluit, bedoeld in het vierde lid, en over de vergoeding, bedoeld in het zesde lid. ### Artikel 23