2004-01-01 | BWBR0004163 | Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
This commit is contained in:
parent
24237790d1
commit
c2d169de12
1 changed files with 156 additions and 66 deletions
|
|
@ -23,7 +23,7 @@ c. Centrale organisatie werk en inkomen: de Centrale organisatie werk en inkomen
|
|||
d. Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
|
||||
e. Sociale verzekeringsbank: de Sociale verzekeringsbank, genoemd in hoofdstuk 6 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
|
||||
f. het Inlichtingenbureau: het Inlichtingenbureau, bedoeld in artikel 63 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
|
||||
g. netto minimumloon: de som van het netto minimumloon en de netto aanspraak op de minimumvakantiebijslag als bedoeld in artikel 55, eerste lid, van de Algemene bijstandswet.
|
||||
g. netto minimumloon: de som van het netto minimumloon en de netto aanspraak op de minimumvakantiebijslag als bedoeld in artikel 37, eerste lid, van de Wet werk en bijstand.
|
||||
|
||||
### Artikel 2
|
||||
|
||||
|
|
@ -70,7 +70,7 @@ d. gehuwde: als partner geregistreerde.
|
|||
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt:
|
||||
|
||||
a. als echtgenoot aangemerkt degene die niet duurzaam gescheiden leeft van de gewezen zelfstandige met wie hij gehuwd is;
|
||||
b. als echtgenoot mede aangemerkt de niet met de gewezen zelfstandige gehuwde persoon met wie de gewezen zelfstandige een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad.
|
||||
b. als echtgenoot mede aangemerkt de niet met de gewezen zelfstandige gehuwde persoon met wie de gewezen zelfstandige een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad of een bloedverwant in de tweede graad indien er bij één van de bloedverwanten in de tweede graad sprake is van zorgbehoefte.
|
||||
|
||||
**3.** Van een gezamenlijke huishouding is sprake indien twee meerderjarigen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.
|
||||
|
||||
|
|
@ -95,9 +95,16 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
|
||||
|
||||
a. alleenstaande gewezen zelfstandige: de niet gehuwde dan wel duurzaam gescheiden levende gewezen zelfstandige, die niet een gezamenlijke huishouding voert als bedoeld in artikel 3, derde lid, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad;
|
||||
a. alleenstaande gewezen zelfstandige: de niet gehuwde dan wel duurzaam gescheiden levende gewezen zelfstandige, die niet een gezamenlijke huishouding voert als bedoeld in artikel 3, derde lid, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad of een bloedverwant in de tweede graad indien er bij één van de bloedverwanten in de tweede graad sprake is van zorgbehoefte;
|
||||
b. kind: het kind jonger dan 18 jaar, dat niet als eigen kind, aangehuwd kind of pleegkind tot het huishouden van een ander dan de gewezen zelfstandige behoort en voor wie de gewezen zelfstandige op grond van de Algemene kinderbijslagwet kinderbijslag ontvangt dan wel zal ontvangen.
|
||||
|
||||
### Artikel 4a
|
||||
|
||||
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
|
||||
|
||||
a. arbeidsinschakeling: het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening als bedoeld in artikel 34, eerste lid, onderdeel a;
|
||||
b. sociale activering: het verrichten van onbeloonde maatschappelijk zinvolle activiteiten gericht op arbeidsinschakeling of, als arbeidsinschakeling nog niet mogelijk is, op zelfstandige maatschappelijke participatie.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk II. De uitkering
|
||||
|
||||
### Paragraaf 1. De voorwaarden voor het recht op uitkering
|
||||
|
|
@ -117,8 +124,8 @@ c. de alleenstaande gewezen zelfstandige zonder kinderen.
|
|||
De in het eerste lid bedoelde voorwaarden zijn voor de gewezen zelfstandige, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel *a*:
|
||||
|
||||
1°. de gewezen zelfstandige heeft gedurende drie jaar, onmiddellijk voorafgaand aan de aanvraag, onafgebroken rechtmatig een bedrijf of beroep in Nederland uitgeoefend en gedurende de zeven jaar daarvoor eveneens rechtmatig een bedrijf of beroep in Nederland uitgeoefend dan wel arbeid in dienstbetrekking verricht;
|
||||
2°. het inkomen uit of in verband met arbeid in het bedrijfs- of beroepsleven van de gewezen zelfstandige bedroeg de laatste drie boekjaren gemiddeld minder dan ƒ 36 800 per 1 juli 2003: € 22.001,00 per jaar;
|
||||
3°. het inkomen uit of in verband met arbeid in het bedrijfs- of beroepsleven van de gewezen zelfstandige zou bij voortzetting van het bedrijf of beroep naar verwachting duurzaam minder dan ƒ 36 800 per 1 juli 2003: € 22.001,00 per jaar bedragen; en
|
||||
2°. het inkomen uit of in verband met arbeid in het bedrijfs- of beroepsleven van de gewezen zelfstandige bedroeg de laatste drie boekjaren gemiddeld minder dan ƒ 36 800 per 1 januari 2004: € 22.695,00 per jaar;
|
||||
3°. het inkomen uit of in verband met arbeid in het bedrijfs- of beroepsleven van de gewezen zelfstandige zou bij voortzetting van het bedrijf of beroep naar verwachting duurzaam minder dan ƒ 36 800 per 1 januari 2004: € 22.695,00 per jaar bedragen; en
|
||||
4°. de aanvraag is ingediend voor het beëindigen van het bedrijf of beroep en de beëindiging heeft plaatsgevonden binnen een periode van anderhalf jaar, volgend op het tijdstip van aanvraag.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
|
@ -126,7 +133,7 @@ De in het eerste lid bedoelde voorwaarden zijn voor de gewezen zelfstandige, bed
|
|||
De in het eerste lid bedoelde voorwaarden zijn voor de gewezen zelfstandige, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel *b*:
|
||||
|
||||
1°. de gewezen zelfstandige heeft gedurende drie jaar, onmiddellijk voorafgaand aan de aanvraag, onafgebroken rechtmatig een bedrijf of beroep in Nederland uitgeoefend;
|
||||
2°. het inkomen uit of in verband met arbeid in het bedrijfs- of beroepsleven van de gewezen zelfstandige zou bij voortzetting van het bedrijf of beroep naar verwachting duurzaam minder dan ƒ 36 800 per 1 juli 2003: € 22.001,00 per jaar bedragen; en
|
||||
2°. het inkomen uit of in verband met arbeid in het bedrijfs- of beroepsleven van de gewezen zelfstandige zou bij voortzetting van het bedrijf of beroep naar verwachting duurzaam minder dan ƒ 36 800 per 1 januari 2004: € 22.695,00 per jaar bedragen; en
|
||||
3°. de aanvraag is ingediend voor het beëindigen van het bedrijf of beroep en de beëindiging heeft plaatsgevonden binnen een periode van anderhalf jaar, volgend op het tijdstip van aanvraag.
|
||||
|
||||
**4.** Het recht op uitkering komt de gewezen zelfstandige en de echtgenoot gezamenlijk toe. De uitkering wordt aan de gewezen zelfstandige en de echtgenoot ieder voor de helft uitbetaald, dan wel op hun gezamenlijk verzoek aan een van hen voor het geheel.
|
||||
|
|
@ -135,9 +142,9 @@ De in het eerste lid bedoelde voorwaarden zijn voor de gewezen zelfstandige, bed
|
|||
|
||||
De grondslag bedoeld in het eerste lid, wordt door Onze Minister zodanig vastgesteld dat voor:
|
||||
|
||||
a. de gewezen zelfstandige en de echtgenoot de helft van de grondslag netto gelijk is aan € 569,82;
|
||||
b. de alleenstaande gewezen zelfstandige met een of meer kinderen de grondslag netto gelijk is aan € 1.025,68;
|
||||
c. voor de alleenstaande gewezen zelfstandige zonder kinderen netto gelijk is aan € 797,74.
|
||||
a. de gewezen zelfstandige en de echtgenoot de helft van de grondslag netto gelijk is aan € 578,272;
|
||||
b. de alleenstaande gewezen zelfstandige met een of meer kinderen de grondslag netto gelijk is aan € 1.040,89;
|
||||
c. voor de alleenstaande gewezen zelfstandige zonder kinderen netto gelijk is aan € 809,58.
|
||||
|
||||
**6.** Onze Minister herziet de bedragen, genoemd in het tweede lid, 2° en 3°, en in het derde lid, 2°, met ingang van een door hem te bepalen dag zodanig, dat deze netto gelijk zijn aan het netto minimumloon.
|
||||
|
||||
|
|
@ -161,7 +168,7 @@ a. zelf dan wel van wie de echtgenoot de arbeid in bedrijf of beroep hervat of a
|
|||
b. buiten Nederland woont of aldaar anders dan tijdelijk verblijf houdt;
|
||||
c. niet rechtmatig verblijf houdt in de zin van artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000;
|
||||
d. rechtens zijn vrijheid is ontnomen;
|
||||
e. onbetaald verlof geniet als bedoeld in artikel 1, onderdeel i, van de Werkloosheidswet of die met die persoon gehuwd is, ter hoogte van het bedrag van het verlies van inkomen uit arbeid als gevolg van het genieten van dat verlof, tenzij belanghebbende alleenstaande ouder is voor wie de verplichtingen op grond van artikel 36, tweede lid, niet gelden en hij verlof geniet als bedoeld in artikel 644 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.
|
||||
e. onbetaald verlof geniet als bedoeld in artikel 1, onderdeel g, van de Werkloosheidswet of die met die persoon gehuwd is, ter hoogte van het bedrag van het verlies van inkomen uit arbeid als gevolg van het genieten van dat verlof, tenzij belanghebbende alleenstaande ouder is voor wie de verplichtingen op grond van artikel 36, tweede lid, niet gelden en hij verlof geniet als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Wet arbeid en zorg.
|
||||
|
||||
**4.** Geen recht op uitkering heeft de echtgenoot, indien ten aanzien van deze, dan wel ten aanzien van de gewezen zelfstandige zich een omstandigheid voordoet als omschreven in het derde lid. Indien zich ten aanzien van de echtgenoot een omstandigheid voordoet als omschreven in het derde lid, onderdelen *b*, *c* en *d*, wordt de gewezen zelfstandige aangemerkt als alleenstaande.
|
||||
|
||||
|
|
@ -187,7 +194,7 @@ Als inkomen wordt aangemerkt:
|
|||
a. voor de gewezen zelfstandige en de echtgenoot: de som van het inkomen uit of in verband met arbeid in het bedrijfs- en beroepsleven van hemzelf en zijn echtgenoot;
|
||||
b. voor de alleenstaande gewezen zelfstandige: zijn inkomen uit of in verband met arbeid in het bedrijfs- en beroepsleven.
|
||||
|
||||
**2.** Als inkomen wordt voorts aangemerkt het inkomen uit het vermogen waarover de gewezen zelfstandige en zijn echtgenoot na de beëindiging van het bedrijf of beroep beschikken, met dien verstande dat daarbij een vermogen van ƒ 202 000 per 1 januari 2003: € 109.368,00 buiten beschouwing blijft. Het inkomen uit vermogen wordt bepaald op 5%Bij Stcrt. 1996/247 is dit percentage m.i.v. 1 januari 1997 vastgesteld op 4%. per jaar van het vermogen.
|
||||
**2.** Als inkomen wordt voorts aangemerkt het inkomen uit het vermogen waarover de gewezen zelfstandige en zijn echtgenoot na de beëindiging van het bedrijf of beroep beschikken, met dien verstande dat daarbij een vermogen van ƒ 202 000 per 1 januari 2004: € 111.303,00. buiten beschouwing blijft. Het inkomen uit vermogen wordt bepaald op 5% Bij Stcrt. 1996/247 is dit percentage m.i.v. 1 januari 1997 vastgesteld op 4%. per jaar van het vermogen.
|
||||
|
||||
**3.** Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere en zonodig afwijkende regels gesteld met betrekking tot het inkomen, bedoeld in het eerste lid en in artikel 5, tweede en derde lid. Daarbij kunnen tevens nadere regels worden gesteld met betrekking tot de vaststelling van het inkomen, bedoeld in het eerste lid en in artikel 5, tweede en derde lid, alsmede de periode waarop de vaststelling betrekking heeft.
|
||||
|
||||
|
|
@ -257,7 +264,7 @@ Het recht op uitkering bestaat jegens burgemeester en wethouders van de gemeente
|
|||
|
||||
**3.** Burgemeester en wethouders verrichten regelmatig een heronderzoek naar de voor het recht op uitkering van belang zijnde gegevens. Het heronderzoek strekt zich mede uit tot de naleving van de aan de uitkering verbonden verplichtingen. Burgemeester en wethouders beoordelen tevens of er aanleiding bestaat de verplichtingen aan te vullen dan wel te wijzigen.
|
||||
|
||||
**4.** Het in het derde en vierde lid bedoelde onderzoek omvat, tenzij op grond van artikel 36 ontheffing is verleend van de verplichtingen gericht op inschakeling in de arbeid in dienstbetrekking, mede een onderzoek naar de mogelijkheden van de belanghebbende om door arbeid zelfstandig in het bestaan te voorzien, alsmede de wijze waarop deze mogelijkheden kunnen worden vergroot.
|
||||
**4.** Het in het tweede en derde lid bedoelde onderzoek omvat, tenzij op grond van artikel 37a ontheffing is verleend van de verplichtingen gericht op inschakeling in de arbeid in dienstbetrekking, mede een onderzoek naar de mogelijkheden van de belanghebbende om door arbeid zelfstandig in het bestaan te voorzien, alsmede de wijze waarop deze mogelijkheden kunnen worden vergroot.
|
||||
|
||||
**5.** Bij beëindiging van de uitkering nemen burgemeester en wethouders, na onderzoek, tijdig een besluit met betrekking tot de wederzijds tussen de gemeente en de belanghebbende resterende verplichtingen en de afwikkeling daarvan.
|
||||
|
||||
|
|
@ -653,15 +660,24 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk III. Verplichtingen gericht op inschakeling in de arbeid en voorzieningen
|
||||
## Hoofdstuk III. Rechten en plichten
|
||||
|
||||
### Artikel 34
|
||||
|
||||
**1.** De uitkering is erop gericht de belanghebbende in staat te stellen zelfstandig in het bestaan te voorzien. Burgemeester en wethouders bevorderen dat de belanghebbende gebruik maakt van voorzieningen die bijdragen aan diens zelfstandige bestaansvoorziening. Zij dragen zorg voor voorlichting en bemiddeling die daartoe noodzakelijk zijn.
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
**2.** Burgemeester en wethouders werken samen met de Centrale organisatie werk en inkomen en het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen om de inschakeling van ontvangers van een uitkering op grond van deze wet in het arbeidsproces te bevorderen.
|
||||
Burgemeester en wethouders zijn verantwoordelijk voor:
|
||||
|
||||
**3.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de samenwerking bedoeld in het tweede lid.
|
||||
a. het ondersteunen van personen die een uitkering op grond van deze wet ontvangen bij arbeidsinschakeling en, indien burgemeester en wethouders daarbij het aanbieden van een voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling noodzakelijk achten, voor het bepalen en aanbieden van deze voorziening, en;
|
||||
b. het verlenen van een uitkering aan de werkloze werknemer, bedoeld in artikel 2.
|
||||
|
||||
**2.** Burgemeester en wethouders werken bij de uitvoering van het eerste lid, onderdeel a, samen met de Centrale organisatie werk en inkomen en het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
|
||||
|
||||
**3.** Burgemeester en wethouders laten werkzaamheden die in het kader van de voorzieningen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, worden uitgevoerd, zo veel mogelijk verrichten door derden die in het kader van de uitoefening van beroep of bedrijf de inschakeling van personen in de arbeid bevorderen.
|
||||
|
||||
**4.** Burgemeester en wethouders kunnen de uitvoering van deze wet, behoudens de vaststelling van de rechten en plichten van de belanghebbende en de daarvoor noodzakelijke beoordeling van zijn omstandigheden, door derden laten verrichten. Burgemeester en wethouders kunnen de in de eerste volzin bedoelde vaststelling en beoordeling mandateren aan bestuursorganen.
|
||||
|
||||
**5.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het tweede tot en met het vierde lid, waarbij kan worden bepaald dat een deel van de werkzaamheden, bedoeld in het derde lid, niet door derden hoeft te worden verricht.
|
||||
|
||||
### Artikel 35
|
||||
|
||||
|
|
@ -774,7 +790,7 @@ Gereserveerd.
|
|||
|
||||
### Artikel 40
|
||||
|
||||
De uitvoering van deze wet berust bij burgemeester en wethouders.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 41
|
||||
|
||||
|
|
@ -786,39 +802,15 @@ a. de besluiten over aanvragen, onderzoeken, uitkeringen, vorderingen en verplic
|
|||
b. de hierop betrekking hebbende bescheiden;
|
||||
c. het onderzoek dat is verricht naar de juistheid en de volledigheid van de verstrekte gegevens en de overgelegde bescheiden.
|
||||
|
||||
**2.** Onze Minister stelt, na overleg met Onze Minister van Binnenlandse Zaken, regels aangaande de in het eerste lid bedoelde administratie.
|
||||
**2.** Onze Minister stelt, na overleg met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, regels aangaande de in het eerste lid bedoelde administratie.
|
||||
|
||||
### Artikel 42
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Het gemeentebestuur draagt zorg voor de totstandkoming van een plan en een beleidsverslag, als bedoeld in artikel 110 van de Gemeentewet, gericht op:
|
||||
|
||||
a. de bevordering van een rechtmatige en doelmatige uitvoering van de wet, waaronder de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een uitkering alsmede van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet; en
|
||||
b. de bevordering van de zelfstandige bestaansvoorziening door middel van inschakeling in de arbeid in dienstbetrekking;
|
||||
c. de uitbesteding van taken met betrekking tot de inschakeling in het arbeidsproces van uitkeringsgerechtigden; en
|
||||
d. de realisatie en de vormgeving van cliëntenparticipatie bij de uitvoering van de wet met inachtneming van artikel 150 van de Gemeentewet.
|
||||
|
||||
**2.** Het in het eerste lid bedoelde plan en beleidsverslag worden, in afwijking van artikel 110, derde lid, van de Gemeentewet, elk kalenderjaar vastgesteld.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Het deel van het plan, bedoeld in het eerste lid, onderdeel *a*, bevat ten minste een beschrijving van de wijze waarop burgemeester en wethouders:
|
||||
|
||||
a. toepassing geven aan artikel 14, eerste tot en met vierde lid, en artikel 45;
|
||||
b. zorg dragen voor een toereikende controle op het nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 13, eerste lid, en voor de strafrechtelijke of bestuursrechtelijke afdoening in geval van niet nakoming van deze verplichting.
|
||||
|
||||
**4.** Het deel van het plan, bedoeld in het eerste lid, onderdeel *b*, bevat ten minste een beschrijving van de wijze waarop toepassing wordt gegeven aan de samenwerking als bedoeld in artikel 34, tweede lid, en de daarover gemaakte afspraken.
|
||||
|
||||
**5.** Onze Minister kan nadere regels stellen omtrent de voorwaarden waaraan het plan en het beleidsverslag dienen te voldoen, indien daarmee tevens een gebruik ten behoeve van het toezicht wordt beoogd.
|
||||
Burgemeester en wethouders dragen zorg voor de realisatie en vormgeving van cliëntenparticipatie bij de uitvoering van de wet, met inachtneming van artikel 150 van de Gemeentewet.
|
||||
|
||||
### Artikel 43
|
||||
|
||||
**1.** Burgemeester en wethouders kunnen slechts met toestemming van de gemeenteraad aan gemeenteambtenaren mandaat verlenen tot het nemen van besluiten inzake de verlening van uitkering. Burgemeester en wethouders geven daarbij algemene instructies.
|
||||
|
||||
**2.** Het mandaat kan zich niet uitstrekken tot het beslissen op bezwaarschriften en het instellen van beroep.
|
||||
|
||||
**3.** Het eerste en het tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van organen, ingesteld bij of krachtens de wet, ter behartiging van belangen waarbij meer dan een gemeente is betrokken en ten aanzien van de Centrale organisatie werk en inkomen.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Paragraaf 2. Inlichtingenverplichting en gegevensuitwisseling
|
||||
|
||||
|
|
@ -846,7 +838,8 @@ i. de Informatie Beheer Groep betreffende de toepassing van de Wet studiefinanci
|
|||
j. Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij betreffende de omvang van de productiebeperkende maatregelen voor het bedrijf van de ondernemer in de agrarische sector;
|
||||
k. Onze Minister van Justitie voorzover het betreft de persoon die rechtens zijn vrijheid is ontnomen;
|
||||
l. de instanties en personen die woonruimte verhuren;
|
||||
m. de instanties die in het kader van de openbare nutsvoorziening energie en water leveren.
|
||||
m. de instanties die in het kader van de openbare nutsvoorziening energie en water leveren;
|
||||
n. derden die in het kader van de uitoefening van beroep of bedrijf de arbeidsinschakeling van personen bevorderen.
|
||||
|
||||
**2.** Het vragen door burgemeester en wethouders en het verstrekken door de in het eerste lid bedoelde instanties van de in het eerste lid bedoelde opgaven en inlichtingen geschiedt in bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gevallen door tussenkomst van het Inlichtingenbureau. Het Inlichtingenbureau voert ten behoeve van de verwerking van deze opgaven en inlichtingen een administratie.
|
||||
|
||||
|
|
@ -902,9 +895,11 @@ Burgemeester en wethouders zijn bevoegd uit eigen beweging en verplicht desgevra
|
|||
|
||||
a. de Centrale organisatie voor werk en inkomen, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de Sociale verzekeringsbank voor de uitvoering van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen of de wettelijke regelingen, bedoeld in de artikelen 30, eerste lid, onderdeel a, en 34, eerste lid, onderdeel a, van die wet;
|
||||
b. de belastingdienst voor de heffing of invordering van enige rijksbelasting of premies volksverzekeringen;
|
||||
c. burgemeester en wethouders van andere gemeenten voor de uitvoering van deze wet, de Algemene bijstandswet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de Wet inkomensvoorziening kunstenaars;
|
||||
c. burgemeester en wethouders van andere gemeenten voor de uitvoering van deze wet, de Wet werk en bijstand, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de Wet inkomensvoorziening kunstenaars;
|
||||
d. het College voor zorgverzekeringen, genoemd in artikel 1a van de Ziekenfondswet, het College van toezicht op de zorgverzekeringen, genoemd in artikel 1u van de Ziekenfondswet, en de ziekenfondsen, de ziektekostenverzekeraars en de uitvoeringsorganen, bedoeld in artikel 4 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, voor de uitvoering van de Ziekenfondswet en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten;
|
||||
e. derden die in het kader van de uitoefening van beroep of bedrijf de inschakeling van personen in de arbeid bevorderen.
|
||||
e. derden die in het kader van de uitoefening van beroep of bedrijf de inschakeling van personen in de arbeid bevorderen;
|
||||
f. buitenlandse organen voor de vervulling van een taak van zwaarwegend algemeen belang;
|
||||
g. bestuursorganen van de Nederlandse Antillen en Aruba voor de vervulling van een taak van zwaarwegend algemeen belang.
|
||||
|
||||
**2.** De in het eerste lid bedoelde gegevensverstrekking vindt niet plaats indien de persoonlijke levenssfeer van de belanghebbenden daardoor onevenredig wordt geschaad.
|
||||
|
||||
|
|
@ -928,55 +923,150 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
### Artikel 52
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister is verantwoordelijk voor het toezicht op de uitvoering van deze wet.
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
**2.** Dit toezicht wordt onder gezag van Onze Minister uitgeoefend door de Inspectie Werk en Inkomen, genoemd in hoofdstuk 7 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, onder leiding van het hoofd van die inspectie. De artikelen 37, 38, 42 en 44 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen zijn van overeenkomstige toepassing.
|
||||
Onze Minister houdt toezicht op:
|
||||
|
||||
**3.** Ten behoeve van het toezicht, bedoeld in het eerste lid, dienen burgemeester en wethouders jaarlijks bij Onze Minister een verslag in over de uitvoering van deze wet, verstrekken zij hem desgevraagd nadere of andere informatie en verlenen zij hem inzage in de administratie, bedoeld in artikel 41. Het verslag en de overige informatie worden kosteloos verstrekt.
|
||||
a. de rechtmatigheid van de uitvoering van deze wet door burgemeester en wethouders;
|
||||
b. de doeltreffendheid van deze wet.
|
||||
|
||||
**4.** Het verslag omvat mede een opgave van de ten laste van de gemeente gebleven kosten, bedoeld in de artikelen 3, eerste lid, onder e, en 12, eerste lid, onder d, van de Wet financiering Abw, IOAW en IOAZ.
|
||||
|
||||
**5.** Het verslag is voorzien van een verklaring van de accountant, belast met de in artikel 213 van de Gemeentewet voorgeschreven controle omtrent de juistheid en volledigheid van verstrekte gegevens.
|
||||
|
||||
**6.** Onze Minister stelt regels inzake het verslag en over de verklaring en het onderzoek dat resulteert in deze verklaring.
|
||||
**2.** Het toezicht, bedoeld in het eerste lid, wordt onder gezag van Onze Minister uitgeoefend door de Inspectie Werk en Inkomen, genoemd in hoofdstuk 7 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, onder leiding van het hoofd van die inspectie. De artikelen 37, 38, 42 en 44 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen zijn van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 53
|
||||
|
||||
Onze Minister kan aan burgemeester en wethouders, nadat zij gedurende acht weken in de gelegenheid zijn gesteld hun zienswijze naar voren te brengen, aanwijzingen geven met betrekking tot een goede uitvoering van deze wet. Hij treedt daarbij niet in de besluitvorming inzake individuele gevallen.
|
||||
Onze Minister kan, indien hij met betrekking tot de rechtmatige uitvoering van deze wet ernstige tekortkomingen constateert, aan burgemeester en wethouders, nadat zij gedurende acht weken in de gelegenheid zijn gesteld hun zienswijze naar voren te brengen, een aanwijzing geven. Hij treedt daarbij niet in de besluitvorming inzake individuele gevallen. In een aanwijzing wordt een termijn opgenomen waarbinnen burgemeester en wethouders de uitvoering in overeenstemming hebben gebracht met deze aanwijzing.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 4. Beleidsinformatie
|
||||
### Paragraaf 4. Informatie
|
||||
|
||||
### Artikel 54
|
||||
|
||||
**1.** Burgemeester en wethouders verstrekken desgevraagd aan Onze Minister kosteloos alle inlichtingen die hij voor de informatievoorziening en de beleidsvorming met betrekking tot deze wet nodig heeft.
|
||||
**1.** Burgemeester en wethouders dienen jaarlijks bij Onze Minister een verslag in over de uitvoering van deze wet. Het verslag omvat mede een opgave van de ten laste van burgemeester en wethouders gebleven kosten, bedoeld in de artikelen 56, eerste lid en 59f, eerste lid, en is voorzien van een verklaring van de accountant, belast met de in artikel 213 van de Gemeentewet voorgeschreven controle omtrent de getrouwheid van de verstrekte gegevens en de rechtmatigheid van de uitvoering van de wet, alsmede van een oordeel van de gemeenteraad over de uitvoering van de wet.
|
||||
|
||||
**2.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het verstrekken van de in het eerste lid bedoelde inlichtingen.
|
||||
**2.** Voorafgaand aan het verslag, bedoeld in het eerste lid, dienen burgemeester en wethouders bij Onze Minister een voorlopig verslag in over de uitvoering.
|
||||
|
||||
**3.** Bij ministeriële regeling worden regels gesteld inzake het voorlopig verslag, het verslag en over de verklaring en het onderzoek dat resulteert in deze verklaring. Deze regels kunnen voor categorieën van gemeenten verschillen, waarbij kan worden bepaald dat de verplichting het verslag te voorzien van een verklaring niet van toepassing is.
|
||||
|
||||
### Artikel 55
|
||||
|
||||
Burgemeester en wethouders zijn verplicht ten behoeve van de statistiek gegevens inzake de uitvoering van deze wet te verzamelen en kosteloos te verstrekken volgens door Onze Minister te stellen regels.
|
||||
**1.** Burgemeester en wethouders en de gemeenteraad verstrekken desgevraagd aan Onze Minister de inlichtingen die hij voor het toezicht, de statistiek, de informatievoorziening en de beleidsvorming met betrekking tot deze wet nodig heeft.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk V
|
||||
**2.** Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop burgemeester en wethouders en de gemeenteraad de in het eerste lid bedoelde inlichtingen verzamelen en verstrekken, waarbij kan worden bepaald dat categorieën van gemeenten bepaalde inlichtingen niet hoeven te verzamelen en te verstrekken.
|
||||
|
||||
**3.** De inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, en de bescheiden, bedoeld in artikel 54, worden kosteloos verstrekt.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk V. Financiering
|
||||
|
||||
### Paragraaf 1. Vergoeding
|
||||
|
||||
### Artikel 56
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
**1.** Onze Minister vergoedt, ten laste van 's Rijks kas, 75% van de in een kalenderjaar ten laste van burgemeester en wethouders gebleven kosten van uitkeringen, waaronder begrepen de premies volksverzekeringen en de ziekenfondspremie die daarover verschuldigd zijn.
|
||||
|
||||
**2.** Onder ten laste van burgemeester en wethouders gebleven kosten, bedoeld in het eerste lid, wordt verstaan, de in een kalenderjaar door de gemeente verleende uitkering, bedoeld in het eerste lid, verminderd met alle ontvangsten van de gemeente in dat jaar in verband met de verlening van uitkering, waaronder begrepen de bedragen die de gemeente ontvangt door toepassing van artikel 20*a*.
|
||||
|
||||
### Artikel 57
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
**1.** Onze Minister stelt regels met betrekking tot het verlenen van voorschotten op de vergoeding, bedoeld in artikel 56.
|
||||
|
||||
**2.** Indien de uitvoering van deze wet door burgemeester en wethouders, of de administratie, bedoeld in artikel 41 ernstige tekortkomingen vertoont, kan Onze Minister besluiten de voorschotten lager vast te stellen dan uit de op grond van het eerste lid gestelde regels voortvloeit.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 2. Uitkering
|
||||
|
||||
### Artikel 58
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
**1.** Voor de ten laste van de gemeente gebleven kosten, bedoeld in artikel 56, die op grond van het eerste lid van dat artikel niet voor vergoeding in aanmerking komen, verstrekt Onze Minister jaarlijks ten laste van 's Rijks kas aan de gemeente een uitkering. De uitkering wordt ten minste drie maanden voorafgaande aan het kalenderjaar waarop zij betrekking heeft door Onze Minister vastgesteld.
|
||||
|
||||
**2.** Het bedrag van de uitkering wordt volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels berekend aan de hand van het voor ieder jaar bij wet vast te stellen totale bedrag dat beschikbaar is voor de uitkeringen, bedoeld in het eerste lid. Bij of krachtens deze maatregel kunnen regels worden gesteld omtrent het verzamelen van gegevens noodzakelijk voor de berekening van het bedrag van de uitkering.
|
||||
|
||||
### Artikel 59
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
**1.** Het totale bedrag, bedoeld in artikel 58, tweede lid, kan in het jaar waarop het bedrag betrekking heeft en in het daaropvolgende jaar bij wet worden verhoogd indien de ontwikkeling van de uitkeringslasten daartoe aanleiding geeft.
|
||||
|
||||
**2.** Indien het totale bedrag wordt herzien, wordt het bedrag waarmee de uitkering, bedoeld in artikel 58, eerste lid, wordt verhoogd binnen een periode van vier weken na de herziening door Onze Minister vastgesteld.
|
||||
|
||||
**3.** Indien toepassing is gegeven aan het tweede lid, wordt voor de toepassing van de artikelen 59a en 59b, onder het bedrag van de uitkering verstaan: het bedrag van de uitkering inclusief de verhoging, bedoeld in het tweede lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 59a
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
**1.** Indien bij de vaststelling van de ten laste van de gemeente gebleven kosten, bedoeld in artikel 59c, blijkt, dat de ten laste van de gemeente gebleven kosten, bedoeld in artikel 58, eerste lid, in een kalenderjaar meer bedragen dan 115% van het bedrag van de uitkering, bedoeld in artikel 58, of meer dan het totaal van het bedrag van de uitkering en het bedrag dat wordt verkregen door een bedrag van € 6,81 te vermenigvuldigen met het aantal inwoners in die gemeente op 1 januari van het desbetreffende kalenderjaar, wordt door Onze Minister ten laste van 's Rijks kas aan de gemeente een aanvullende uitkering toegekend.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
De hoogte van de aanvullende uitkering is:
|
||||
|
||||
a. gelijk aan het verschil tussen het bedrag van de ten laste van de gemeente gebleven kosten, bedoeld in artikel 58, eerste lid, en 115% van het bedrag van de uitkering, of, indien dit groter is,
|
||||
b. gelijk aan het verschil tussen het bedrag van de ten laste van de gemeente gebleven kosten, bedoeld in artikel 58, eerste lid, en het in het eerste lid bedoelde totaalbedrag.
|
||||
|
||||
**3.** Het percentage en het met het aantal inwoners te vermenigvuldigen bedrag, bedoeld in het eerste en tweede lid, kunnen bij algemene maatregel van bestuur worden verhoogd of verlaagd.
|
||||
|
||||
**4.** Het aantal inwoners, bedoeld in het eerste lid, wordt ontleend aan de statistiek «Bevolking der gemeenten in Nederland op 1 januari» van het Centraal Bureau voor de Statistiek.
|
||||
|
||||
### Artikel 59b
|
||||
|
||||
Onze Minister stelt regels inzake de betaling van:
|
||||
|
||||
a. de uitkering, bedoeld in artikel 58, eerste lid;
|
||||
b. het bedrag waarmee de uitkering op grond van artikel 59 wordt verhoogd;
|
||||
c. de aanvullende uitkering, bedoeld in artikel 59a.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 3. Vaststelling
|
||||
|
||||
### Artikel 59c
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister stelt de ten laste van de gemeente gebleven kosten, bedoeld in de artikelen 56 en 58, de vergoeding, bedoeld in artikel 56 en de aanvullende uitkering, bedoeld in artikel 59a, vast, binnen een jaar na ontvangst van het verslag en de daarop betrekking hebbende verklaring bedoeld in artikel 54, eerste lid.
|
||||
|
||||
**2.** Indien het verslag niet is ontvangen binnen 18 maanden na het kalenderjaar waarop het betrekking heeft of niet is voorzien van een daarop betrekking hebbende verklaring worden de ten laste van de gemeente gebleven kosten ambtshalve vastgesteld.
|
||||
|
||||
### Artikel 59d
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De volgens opgave van burgemeester en wethouders ten laste gebleven kosten worden bij de vaststelling, bedoeld in artikel 59c, eerste lid, buiten aanmerking gelaten indien:
|
||||
|
||||
a. het uitkering betreft die is verleend in strijd met bij of krachtens deze wet gestelde regels, of die niet of niet volledig overeenkomstig hoofdstuk II, paragraaf 5, is of wordt teruggevorderd;
|
||||
b. niet is voldaan aan de bij of krachtens de artikelen 20 of 20*a* gestelde regels, voor een bedrag gelijk aan het bedrag waarmee de kosten zouden zijn verlaagd indien burgemeester en wethouders op een juiste wijze toepassing zouden hebben gegeven aan deze artikelen.
|
||||
|
||||
**2.** Indien als gevolg van het niet hebben voldaan door burgemeester en wethouders aan de bij of krachtens de artikelen 13 tot en met 19 en 41 gestelde regels, niet kan worden vastgesteld of en voor welk bedrag de ten laste van de gemeenten gebleven kosten buiten aanmerking moeten worden gelaten, wordt volgens door Onze Minister te stellen regels hiervoor een bedrag vastgesteld.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing voorzover naar het oordeel van Onze Minister:
|
||||
|
||||
a. de tekortkomingen van bijzondere aard of geringe betekenis zijn;
|
||||
b. burgemeester en wethouders zich voldoende hebben ingespannen om de tekortkomingen op te heffen.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 4. Uitvoeringskosten
|
||||
|
||||
### Artikel 59e
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister vergoedt ten laste van 's Rijks kas 90% van de kosten van bij de toepassing van artikel 14, tweede lid, aan derden opgedragen onderzoek.
|
||||
|
||||
**2.** Onder onderzoek wordt verstaan een bedrijfseconomisch of bedrijfstechnisch onderzoek, waaronder begrepen de taxatie van vermogensbestanddelen, afgerond met een schriftelijke rapportage, voorzover dit onderzoek noodzakelijk is voor de uitvoering van de bij of krachtens artikel 14, tweede lid, gestelde regels.
|
||||
|
||||
### Artikel 59f
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister stelt regels met betrekking tot het verlenen van voorschotten op de vergoeding, bedoeld in artikel 59e.
|
||||
|
||||
**2.** Indien de uitvoering van deze wet door burgemeester en wethouders, of de administratie, bedoeld in artikel 41 ernstige tekortkomingen vertoont, kan Onze Minister besluiten de voorschotten lager vast te stellen dan uit de op grond van het eerste lid gestelde regels voortvloeit.
|
||||
|
||||
### Artikel 59g
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister stelt de vergoeding, bedoeld in artikel 59e vast binnen een jaar na ontvangst van het verslag en daarop betrekking hebbende verklaring, bedoeld in artikel 54, eerste lid.
|
||||
|
||||
**2.** Indien het verslag niet is ontvangen binnen 18 maanden na het kalenderjaar waarop het betrekking heeft of niet is voorzien van een daarop betrekking hebbende verklaring wordt de vergoeding ambtshalve vastgesteld.
|
||||
|
||||
### Artikel 59h
|
||||
|
||||
De kosten, bedoeld in artikel 59e, eerste lid, worden niet vergoed:
|
||||
|
||||
a. indien het onderzoek is opgedragen aan een deskundige derde die onder verantwoordelijkheid van burgemeester en wethouders werkzaam is;
|
||||
b. voorzover zij hoger zijn dan de door Onze Minister vast te stellen maximaal voor vergoeding in aanmerking komende kosten voor onderzoek.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 5. Voorzieningen
|
||||
|
||||
### Artikel 59i
|
||||
|
||||
Burgemeester en wethouders brengen de kosten van voorzieningen als bedoeld in artikel 34, eerste lid, onderdeel a, niet zijnde uitvoeringskosten, ten laste van de uitkering, bedoeld in artikel 69, eerste lid, onderdeel a, van de Wet werk en bijstand.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk VI. Rechtsbescherming
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue