2004-03-01 | BWBR0011354 | Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001
This commit is contained in:
parent
6e01ebf96e
commit
c3ac81d16d
1 changed files with 10 additions and 12 deletions
|
|
@ -120,7 +120,7 @@ Wijzigt de Wet financiering volksverzekeringen.
|
|||
|
||||
a. indien de ondernemer de leeftijd van 55 jaar heeft bereikt: voor 2001 op € 20 420, voor 2002 op € 17 062, voor 2003 op € 13 704, voor 2004 op € 10 346 en voor 2005 op € 6988;
|
||||
b. in de overige gevallen: voor 2001 op € 9076, voor 2002 op € 7987, voor 2003 op € 6897, voor 2004 op € 5808 en voor 2005 op € 4719.
|
||||
2. De bedragen genoemd in het eerste lid, tweede volzin, onderdelen a en b, worden verminderd – maar niet verder dan tot €3630 – met de bedragen van de door de belastingplichtige eerder genoten stakingsvrijstelling volgens artikel 8, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964.
|
||||
2. De bedragen genoemd in het eerste lid, tweede volzin, onderdelen a en b, worden verminderd – maar niet verder dan tot € 3630 – met de bedragen van de door de belastingplichtige eerder genoten stakingsvrijstelling volgens artikel 8, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964.
|
||||
|
||||
**B. Tijdelijke stakingsaftrek bij staking van een gedeelte van een onderneming.** 1. Voor de kalenderjaren 2001 tot en met 2005 geldt voor de ondernemer die winst behaalt met of bij het staken van een of meer gedeelten van een onderneming met betrekking waartoe hij vanaf 1 januari 2001 ondernemer is geweest en niet een gehele onderneming heeft gestaakt, de in het tweede lid bedoelde tijdelijke stakingsaftrek als stakingsaftrek in de zin van artikel 3.79 van de Wet inkomstenbelasting 2001.
|
||||
2. De tijdelijke stakingsaftrek is gelijk aan het bedrag van de in het eerste lid bedoelde winst, maar bedraagt niet meer dan: voor 2001 € 9076, voor 2002 € 7260, voor 2003 € 5445, voor 2004 € 3630 en voor 2005 € 1815.
|
||||
|
|
@ -255,13 +255,12 @@ Voorzover de periodieke uitkeringen en verstrekkingen volgens de regels die op 3
|
|||
|
||||
**U. Aangewezen periodieke uitkeringen en verstrekkingen.** Uitkeringen ingevolge artikel 81, tweede lid, onderdeel b, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering die voortvloeien uit aanspraken op uitkeringen ingevolge artikel 59a van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet zoals die wet luidde op 31 december 1997, behoren tot de inkomsten in de vorm van aangewezen periodieke uitkeringen en verstrekkingen die worden ontvangen op grond van een publiekrechtelijke regeling.
|
||||
|
||||
**Ua. Negatieve persoonsgebonden aftrek.**
|
||||
|
||||
Voor de toepassing van artikel 3.139 van de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt:
|
||||
**Ua. Negatieve persoonsgebonden aftrek.** 1. Voor de toepassing van artikel 3.139 van de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt:
|
||||
|
||||
a. onder onderhoudsverplichtingen die op grond van afdeling 6.2 in aanmerking zijn genomen mede begrepen periodieke uitkeringen en verstrekkingen die op grond van artikel 45, eerste lid, onderdelen c, d of e, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 en afkoopsommen die op grond van onderdeel h van dat artikel in aanmerking zijn genomen;
|
||||
b. onder verliezen die op grond van afdeling 6.3 in aanmerking zijn genomen mede begrepen verliezen die op grond van artikel 45, eerste lid, onderdeel i, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 in aanmerking zijn genomen;
|
||||
c. onder uitgaven voor monumentenpanden die op grond van afdeling 6.8 in aanmerking zijn genomen mede begrepen kosten, lasten en afschrijvingen die op grond van artikel 42a, zevende lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 in aanmerking zijn genomen.
|
||||
c. onder uitgaven voor monumentenpanden die op grond van afdeling 6.8 in aanmerking zijn genomen mede begrepen kosten, lasten en afschrijvingen die op grond van artikel 35 of artikel 42a, zevende lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 in aanmerking zijn genomen.
|
||||
2. Voor de toepassing van artikel 3.139 wordt mede als negatieve persoonsgebonden aftrek van een belastingplichtige in aanmerking genomen hetgeen door hem is ontvangen aan door een gemeente toegekende subsidie ter zake van onderhoud aan een pand, niet zijnde een monumentenpand, voorzover de subsidie betrekking heeft op onderhoud waarvan de kosten en lasten als aftrekbare kosten in de zin van artikel 35 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 in aanmerking zijn genomen.
|
||||
|
||||
**V. Tijdstip genieten.** Voor de toepassing van artikel 3.146, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 is artikel 39 van de Wet op de loonbelasting 1964 van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
|
|
@ -307,7 +306,7 @@ b. indien deze aandelen en winstbewijzen voor de toepassing van de Wet op de ink
|
|||
**AC. Genotsrechten en aanmerkelijk belang.** 1. Indien een op 1 januari 2001 bestaande gerechtigdheid in de zin van artikel 4.3, onderdeel a of b, van de Wet inkomstenbelasting 2001, die werd aangemerkt als een tijdelijke gerechtigdheid als bedoeld in artikel 25, vijftiende lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, zoals dat luidde op 31 december 2000, op grond van de Wet inkomstenbelasting 2001 tot een aanmerkelijk belang behoort, wordt de verkrijgingsprijs van deze gerechtigdheid gesteld op het gedeelte van het bedrag dat ter zake van de verkrijging van de gerechtigdheid op grond van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 als aftrekbare kosten is aangemerkt en op 31 december 2000 op grond van artikel 38, derde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, zoals dat artikel luidde op 31 december 2000, nog niet als aftrekbare kosten in aanmerking is genomen.
|
||||
2. Indien een op 1 januari 2001 bestaande gerechtigdheid in de zin van artikel 4.3, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001, die niet werd aangemerkt als een tijdelijke gerechtigdheid als bedoeld in artikel 25, vijftiende lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, zoals dat luidde op 31 december 2000, op grond van de Wet inkomstenbelasting 2001 tot een aanmerkelijk belang behoort, wordt de verkrijgingsprijs gesteld op de waarde in het economische verkeer van die gerechtigdheid per 1 januari 2001.
|
||||
|
||||
**AD. Aflopend aanmerkelijk belang.** De bepalingen van hoofdstuk II, afdeling 4 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, zoals die luidden op 31 december 1996, blijven van toepassing ten aanzien van de belastingplichtige met betrekking tot aandelen of winstbewijzen die voor hem een aanmerkelijk belang vormen in de zin van artikel 39 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 zoals dat luidde op die datum en welke aandelen of winstbewijzen nadien niet meer tot een aanmerkelijk belang behoorden op grond van artikel 20a van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 respectievelijk de bepalingen van hoofdstuk 4 van de Wet inkomstenbelasting 2001. De in de vorige volzin bedoelde aandelen of winstbewijzen behoren voor de toepassing van artikel 4.23 van de Wet inkomstenbelasting 2001 tot een aanmerkelijk belang op het moment van verkrijging. De desbetreffende winst uit aanmerkelijk belang wordt belast als inkomen uit aanmerkelijk belang. De inkomstenbelasting bedraagt 20%.
|
||||
**AD.** Vervallen.
|
||||
|
||||
**AE. Fictieve aanmerkelijk belangen ontstaan na 1 januari 1997.** 1. Aandelen of winstbewijzen als bedoeld in artikel 20a van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 die op 31 december 2000 krachtens artikel 20d, derde lid, 20e, tweede lid, 20f, tweede lid, 68a, zesde lid, 68aa, zesde lid, 70d, of krachtens een voorwaarde gesteld ingevolge artikel 20g van die wet werden geacht tot een aanmerkelijk belang te behoren (fictief aanmerkelijk belang), worden voor de toepassing van de Wet inkomstenbelasting 2001 ten aanzien van de belastingplichtige geacht tot een aanmerkelijk belang te behoren, zo zij daartoe niet reeds behoren ingevolge de bepalingen van afdeling 4.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001.
|
||||
2. Indien een belastingplichtige onmiddellijk voorafgaand aan het ontstaan van een in het eerste lid bedoeld fictief aanmerkelijk belang een aanmerkelijk belang had in de zin van artikel 70d, eerste volzin, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, zoals dat luidde op 31 december 2000, voorzover uitsluitend op grond van die volzin sprake was van een aanmerkelijk belang, is artikel 4.16, eerste lid, onderdeel e, van de Wet inkomstenbelasting 2001 niet van toepassing bij overlijden van de belastingplichtige.
|
||||
|
|
@ -355,17 +354,16 @@ d. zowel de schuldeiser als de schuldenaar binnenlands belastingplichtige is.
|
|||
|
||||
**AKab. Overgangsrecht eigenwoningregeling bij echtscheiding.** Voor zover per 31 december 2000 een woning de belastingplichtige niet meer anders dan tijdelijk ter beschikking staat als hoofdverblijf, maar zijn gewezen partner wel, wordt de termijn als genoemd in artikel 3.111, vierde lid, van de Wet IB 2001 geacht te zijn aangevangen op 1 januari 2001.
|
||||
|
||||
**AKac. Overgangsrecht meegefinancierde bouwrente.**
|
||||
|
||||
Artikel 3.120, vierde lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 is niet van toepassing op schulden die zijn aangegaan ter betaling van renten van schulden als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, van dat artikel voor zover:
|
||||
**AKac. Overgangsrecht meegefinancierde bouwrente en meegefinancierde oversluitkosten.** 1. Artikel 3.120, vierde lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 is niet van toepassing op schulden die zijn aangegaan ter betaling van renten van schulden als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, van dat artikel voor zover:
|
||||
|
||||
a. deze renten van schulden betrekking hebben op de periode waarin de eigen woning in aanbouw is en
|
||||
b. de woning op 1 januari 2001 ten aanzien van de belastingplichtige of personen die behoren tot zijn huishouden reeds een eigen woning is als bedoeld in artikel 3.111 van de Wet inkomstenbelasting 2001.
|
||||
2. Artikel 3.120, vierde lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 is niet van toepassing op renten van op 31 december 2000 bestaande schulden die zijn aangegaan ter betaling van kosten die verband houden met het oversluiten van schulden die zijn aangegaan ter verwerving dan wel voor verbetering of onderhoud van een woning die op 1 januari 2001 ten aanzien van de belastingplichtige of personen die behoren tot zijn huishouden een eigen woning is als bedoeld in artikel 3.111 van de Wet inkomstenbelasting 2001.
|
||||
|
||||
**AKad. Overgangsrecht koophuurwoningen.** 1. Voor de toepassing van afdeling 3.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt tot 1 januari 2031 met de eigendom van een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat bestemd is tot woning gelijkgesteld de eigendom van de binnenkant van een woning, terwijl het casco en de ondergrond worden gehuurd, mits deze eigendom door de belastingplichtige voor 1 januari 2001 is verworven van de verhuurder en vanaf de verwerving het geheel hem anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat.
|
||||
2. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld inzake de toepassing van artikel 3112, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 in deze gevallen.
|
||||
|
||||
**AKb. Aanvang termijn bestaande schulden eigen woning.** De termijn van op 31 december 2000 bestaande schulden die zijn aangegaan ter verwerving van een eigen woning wordt voor de toepassing van artikel 3.120, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 geacht te zijn aangevangen op 1 januari 2001.
|
||||
**AKb. Aanvang termijn bestaande schulden eigen woning.** De termijn van op 31 december 2000 bestaande schulden die zijn aangegaan ter verwerving dan wel voor verbetering of onderhoud van een eigen woning wordt voor de toepassing van artikel 3.120, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 geacht te zijn aangevangen op 1 januari 2001.
|
||||
|
||||
**AKc. Inkoop eigen aandelen gehouden door een beleggingsinstelling.** 1. Met betrekking tot de winst die ingevolge artikel 28, tweede lid, onderdeel b, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 in het jaar 2001 ter beschikking wordt gesteld van de aandeelhouders en houders van bewijzen van deelgerechtigdheid, blijven de bepalingen van hoofdstuk II, afdeling 3, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, zoals die luidden op 31 december 2000, van toepassing, voorzover deze winst is toe te rekenen aan de vervreemding van aandelen in een vennootschap – direct of indirect – aan die vennootschap of aan liquidatie van een vennootschap.
|
||||
2. De op basis van het eerste lid bepaalde inkomsten uit vermogen worden voor de toepassing van de Wet inkomstenbelasting 2001 aangemerkt als inkomen uit werk en woning.
|
||||
|
|
@ -374,7 +372,7 @@ b. de woning op 1 januari 2001 ten aanzien van de belastingplichtige of personen
|
|||
|
||||
a. voor de levensverzekering vanaf de eerste premiebetaling jaarlijks premies zijn voldaan waarbij de hoogste premie niet meer heeft bedragen dan het tienvoud van de laagste, of
|
||||
b. voor de levensverzekering ten minste vijftien jaar jaarlijks premies zijn voldaan waarbij de hoogste premie niet meer heeft bedragen dan het tienvoud van de laagste, of
|
||||
c. de levensverzekering voldoet aan het bepaalde in artikel 76 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, waardoor de rente begrepen in een kapitaalsuitkering niet tot de inkomsten uit vermogen in de zin van die wet hoort, of
|
||||
c. de levensverzekering voldoet aan het bepaalde in artikel 76 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, waardoor de rente begrepen in een kapitaalsuitkering niet tot de inkomsten uit vermogen in die zin van de wet hoort, of
|
||||
d. sprake is van een overeenkomst van levensverzekering als bedoeld in artikel 3.91, tweede lid, onderdeel a, onder 2°, dan wel artikel 3.92, tweede lid, onderdeel a, onder 2°, van de Wet inkomstenbelasting 2001.
|
||||
2. De rente begrepen in een kapitaalsuitkering uit levensverzekering die volgens de in het eerste lid, eerste volzin, bedoelde bepalingen tot de inkomsten behoort, wordt voor de toepassing van de Wet inkomstenbelasting 2001 aangemerkt als inkomen uit werk en woning.
|
||||
3. Indien de verzekeringnemer of, in geval van een onherroepelijke begunstiging, de begunstigde anders dan door overlijden ophoudt binnenlands belastingplichtig te zijn, wordt een in onderdeel AL, eerste lid, eerste volzin, bedoelde levensverzekering geacht op het onmiddellijk daaraan voorafgaande tijdstip tot uitkering te zijn gekomen bij de verzekeringnemer of, in geval van een onherroepelijke begunstiging, bij de begunstigde en de hoogte van de uitkering gesteld op de waarde in het economische verkeer op dat tijdstip van de verzekering. Onder ophouden binnenlands belastingplichtig te zijn wordt mede verstaan de situatie waarin de verzekeringnemer respectievelijk de begunstigde voor de toepassing van de Belastingregeling voor het Koninkrijk of een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting wordt geacht geen inwoner van Nederland meer te zijn.
|
||||
|
|
@ -463,7 +461,7 @@ LB voorstelt: de loonbelasting die ingehouden zou zijn indien geen rekening zou
|
|||
|
||||
Bb voorstelt: de verschuldigde belasting op het belastbare inkomen uit werk en woning na vermindering met het bedrag van de heffingskorting voor de inkomstenbelasting en vóór toepassing van de tijdelijke verhoging van de algemene heffingskorting;
|
||||
|
||||
H voorstelt: de heffingskorting voor de inkomstenbelasting zonder toepassing van de arbeidskorting, de kinderkorting, de aanvullende kinderkorting, de combinatiekorting, de aanvullende combinatiekorting, de tijdelijke verhoging van de algemene heffingskorting, de korting voor maatschappelijke beleggingen, de korting voor beleggingen in durfkapitaal, de toetrederskorting en de maximering van de gecombineerde heffingskorting op grond van artikel 8.8 van de Wet inkomstenbelasting 2001; en
|
||||
H voorstelt: de heffingskorting voor de inkomstenbelasting zonder toepassing van de arbeidskorting, de kinderkorting, de aanvullende kinderkorting, de combinatiekorting, de aanvullende combinatiekorting, de tijdelijke verhoging van de algemene heffingskorting, de korting voor maatschappelijke beleggingen, de korting voor directe beleggingen in durfkapitaal en culturele beleggingen, de toetrederskorting en de maximering van de gecombineerde heffingskorting op grond van artikel 8.8 van de Wet inkomstenbelasting 2001; en
|
||||
|
||||
M voorstelt: de verschuldigde belasting op het belastbare inkomen uit werk en woning na vermindering met het bedrag van de heffingskorting voor de inkomstenbelasting vóór toepassing van de tijdelijke verhoging van de algemene heffingskorting, en verminderd met het bedrag van de met de aanslag te verrekenen voorheffingen voorzover die betrekking hebben op het belastbare inkomen uit werk en woning.
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue