From c3e7e76e89da38ee840e9ad0ea6f9f5477fa6422 Mon Sep 17 00:00:00 2001 From: Coornhert Date: Fri, 1 Jan 2010 12:00:00 +0000 Subject: [PATCH] 2010-01-01 | BWBR0017837 | Wet werk en inkomen kunstenaars --- .../BWBR0017837/README.md | 142 ++++++------------ 1 file changed, 45 insertions(+), 97 deletions(-) diff --git a/wet/wet-werk-en-inkomen-kunstenaars/BWBR0017837/README.md b/wet/wet-werk-en-inkomen-kunstenaars/BWBR0017837/README.md index 13a1a6a7371..78062b8ad83 100644 --- a/wet/wet-werk-en-inkomen-kunstenaars/BWBR0017837/README.md +++ b/wet/wet-werk-en-inkomen-kunstenaars/BWBR0017837/README.md @@ -59,8 +59,14 @@ d. zij op grond van een registratie worden aangemerkt als een gezamenlijke huish **5.** Bij algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld welke registraties, en gedurende welk tijdvak, in aanmerking worden genomen voor de toepassing van het vierde lid, onderdeel d. +**6.** Onder bloedverwant in de eerste graad als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, wordt mede verstaan een meerderjarig stiefkind of een meerderjarig voormalig pleegkind van de ongehuwde meerderjarige. + +**7.** Onder voormalig pleegkind wordt verstaan een pleegkind waarvoor de ongehuwde meerderjarige een pleegvergoeding ontving of ontvangt op grond van de Wet op de jeugdzorg of kinderbijslag ontving op grond van de Algemene Kinderbijslagwet. + ### Artikel 3 +**1.** + In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. alleenstaande: de ongehuwde kunstenaar die geen tot zijn last komende kinderen heeft en geen gezamenlijke huishouding voert met een ander, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad of een bloedverwant in de tweede graad indien er bij één van de bloedverwanten in de tweede graad sprake is van zorgbehoefte; @@ -73,6 +79,8 @@ c. gezin: d. kind: het in Nederland woonachtige eigen kind of stiefkind; e. ten laste komend kind: het kind jonger dan 18 jaar voor wie de alleenstaande ouder of de gehuwde aanspraak op kinderbijslag kan maken. +**2.** Onder bloedverwant in de eerste graad als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, wordt mede verstaan een meerderjarig stiefkind of een meerderjarig voormalig pleegkind van de ongehuwde. + ### Paragraaf 1.2. Middelen ### Artikel 4 @@ -119,8 +127,8 @@ b. betrekking hebben op het kalenderjaar waarover beroep op uitkering wordt geda Het inkomen uit studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 wordt in aanmerking genomen naar het normbedrag voor levensonderhoud waarnaar deze is berekend, met dien verstande dat het normbedrag voor levensonderhoud, bedoeld in artikel 3.2 van die wet, wordt gesteld op: -a. voor een thuisinwonende studerende: € 271,06 per 1 januari 2009: € 302,69 per kalendermaand; -b. voor een uitwonende studerende: € 486,94 per 1 januari 2009: € 543,73 per kalendermaand. +a. voor een thuisinwonende studerende: € 271,06 per 1 januari 2010: € 310,23 per kalendermaand; +b. voor een uitwonende studerende: € 486,94 per 1 januari 2010: € 557,27 per kalendermaand. **3.** De tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage en de schoolkosten op grond van hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten wordt in aanmerking genomen naar het normbedrag voor de basistoelage, bedoeld in artikel 4.3 van die wet. @@ -141,16 +149,16 @@ a. vermogen noodzakelijk voor de uitoefening van het beroep van kunstenaar; b. bezittingen in natura die naar hun aard en waarde algemeen gebruikelijk zijn dan wel, gelet op de omstandigheden van de kunstenaar of zijn gezin, noodzakelijk zijn; c. het bij de aanvang van de uitkering aanwezige vermogen, voorzover dit minder bedraagt dan de van toepassing zijnde vermogensgrens, bedoeld in het derde lid; d. spaargelden opgebouwd tijdens de periode waarin uitkering wordt ontvangen; -e. het vermogen gebonden in de woning met bijbehorend erf, bedoeld in artikel 9, eerste lid, voorzover dit minder bedraagt dan € 42.000,00 per 1 januari 2009: € 46.100,00; +e. het vermogen gebonden in de woning met bijbehorend erf, bedoeld in artikel 9, eerste lid, voorzover dit minder bedraagt dan € 42.000,00 per 1 januari 2010: € 46.200,00; f. vergoedingen voor immateriële schade als bedoeld in artikel 4, tweede lid, onderdelen i en j. **3.** De in het tweede lid, onderdeel c, bedoelde vermogensgrens is: -a. voor een alleenstaande: € 4.975,00 per 1 januari 2009: € 5.455,00; -b. voor een alleenstaande ouder: € 9.950,00 per 1 januari 2009: € 10.910,00; -c. voor de gehuwden tezamen: € 9.950,00 per 1 januari 2009: € 10.910,00. +a. voor een alleenstaande: € 4.975,00 per 1 januari 2010: € 5.480,00; +b. voor een alleenstaande ouder: € 9.950,00 per 1 januari 2010: € 10.960,00; +c. voor de gehuwden tezamen: € 9.950,00 per 1 januari 2010: € 10.960,00. **4.** @@ -171,9 +179,9 @@ De kunstenaar heeft recht op uitkering indien hij, of voorzover van toepassing z a. niet over in aanmerking te nemen vermogen beschikt en het in aanmerking te nemen inkomen per maand: -1°. van een alleenstaande lager is dan € 1.024,10 per 1 juli 2009: € 1.150,80; -2°. van een alleenstaande ouder lager is dan € 1.207,43 per 1 juli 2009: € 1.444,72; -3°. van gehuwden lager is dan € 1.349,13 per 1 juli 2009: € 1.510,48, en +1°. van een alleenstaande lager is dan € 1.024,10 per 1 januari 2010: € 1.157,66; +2°. van een alleenstaande ouder lager is dan € 1.207,43 per 1 januari 2010: € 1.443,14; +3°. van gehuwden lager is dan € 1.349,13 per 1 januari 2010: € 1.520,20, en b. gedurende een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen periode als kunstenaar werkzaam is geweest en in die periode met die werkzaamheden een bij die algemene maatregel van bestuur te bepalen bruto-inkomen heeft verworven, of c. de aanvraag op grond van deze wet heeft ingediend binnen 12 maanden nadat hij met goed gevolg een opleiding op het gebied van de kunst, een voortgezette opleiding op het gebied van de kunst, of een voortgezette opleiding bouwkunst als bedoeld in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek heeft voltooid, voorzover deze opleiding gericht is op de uitoefening van het kunstenaarschap, dan wel een daarmee vergelijkbare, door Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap bij ministeriële regeling aan te wijzen, opleiding heeft voltooid. @@ -219,9 +227,7 @@ b. niet kan aantonen alleen of samen met zijn echtgenoot met werkzaamheden volge c. niet kan aantonen in enig jaar als kunstenaar werkzaam te zijn geweest; d. of zijn echtgenoot daarom verzoekt. -**2.** Het college onderzoekt regelmatig of de omstandigheden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, b of c, zich voordoen. - -**3.** Onze Minister kan, na overleg met Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, bij ministeriële regeling regels stellen omtrent de regelmaat waarmee onderzoeken als bedoeld in het tweede lid plaatsvinden en het tijdstip van beëindiging van de uitkering indien een omstandigheid als bedoeld in het eerste lid, onderdelen b en c, zich voordoet. +**2.** Onze Minister kan, na overleg met Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, bij ministeriële regeling regels stellen omtrent het tijdstip van beëindiging van de uitkering indien een omstandigheid als bedoeld in het eerste lid, onderdelen b en c, zich voordoet. ### Paragraaf 2.2. Vorm, hoogte en duur van de uitkering @@ -253,9 +259,9 @@ De uitkering wordt per kalendermaand om niet verleend en betaald en per kalender De uitkering bedraagt per kalendermaand voor: -a. een alleenstaande: € 648,04 per 1 juli 2009: € 726,59; -b. een alleenstaande ouder: € 828,31 per 1 juli 2009: € 1.012,93; -c. gehuwden: € 954,73 per 1 juli 2009: € 1.071,44. +a. een alleenstaande: € 648,04 per 1 januari 2010: € 732,78; +b. een alleenstaande ouder: € 828,31 per 1 januari 2010: € 1014,75; +c. gehuwden: € 954,73 per 1 januari 2010: € 1.081,90. **2.** Indien de echtgenoot van de kunstenaar in een omstandigheid verkeert als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdelen a, b of c, wordt de hoogte van de uitkering vastgesteld op het bedrag voor een alleenstaande of alleenstaande ouder. @@ -272,9 +278,9 @@ Bij de definitieve vaststelling van de hoogte van de uitkering wordt van het vol a. over de periode in het kalenderjaar waarin geen uitkering is ontvangen wordt niet in aanmerking genomen het bruto-inkomen tot een maximum per maand van het in artikel 8, onderdeel a, genoemde van toepassing zijnde bedrag, vermeerderd met de door de kunstenaar of zijn gezin verschuldigde inkomensafhankelijke bijdragen als bedoeld in artikel 41 van de Zorgverzekeringswet, voor zover deze hen niet op grond van artikel 46 van de Zorgverzekeringswet zijn vergoed; b. het na toepassing van onderdeel a overblijvende meerinkomen wordt in aanmerking genomen over de periode waarin in het betreffende kalenderjaar uitkering is verleend, voorzover dat tezamen met het van toepassing zijnde bedrag, genoemd in artikel 15, eerste lid, over deze periode per maand meer bedraagt dan: -1°. € 1.355,98 per 1 juli 2009: € 1.521,52 voor een alleenstaande; -2°. € 1.673,05 per 1 juli 2009: € 1.972,36 voor een alleenstaande ouder; -3°. € 1.871,42 per 1 juli 2009: € 2.098,84 voor gehuwden. +1°. € 1.355,98 per 1 januari 2010: € 1.525,24 voor een alleenstaande; +2°. € 1.673,05 per 1 januari 2010: € 1.973,26 voor een alleenstaande ouder; +3°. € 1.871,42 per 1 januari 2010: € 2.111,13 voor gehuwden. **3.** In afwijking van het eerste en tweede lid en artikel 5, eerste lid, onderdeel b, wordt bij een kunstenaar wiens uitkering is beëindigd in verband met het bereiken van de maximale uitkeringsduur op grond van artikel 19, het inkomen van de kunstenaar of zijn gezin slechts in aanmerking genomen over de periode van het kalenderjaar voorafgaand aan het tijdstip met ingang waarop de uitkering is beëindigd, voorzover dat inkomen tezamen met het van toepassing zijnde bedrag, genoemd in artikel 15, eerste lid, over deze periode per kalendermaand meer bedraagt dan het van toepassing zijnde bedrag, genoemd in het tweede lid, onderdeel b. @@ -422,7 +428,7 @@ Indien bij een gemeenschappelijke regeling als bedoeld in de Wet gemeenschappeli **1.** -Indien de kunstenaar of zijn echtgenoot de voor de verlening van de uitkering van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de kunstenaar of zijn echtgenoot anderszins onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek, schort het college het recht op uitkering voor de duur van ten hoogste acht weken op: +Indien de kunstenaar of zijn echtgenoot de voor de verlening van de uitkering van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de kunstenaar of zijn echtgenoot anderszins onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek, kan het college het recht op uitkering voor de duur van ten hoogste acht weken opschorten: a. vanaf de eerste dag van de periode waarop het verzuim betrekking heeft, of b. vanaf de dag van het verzuim indien niet kan worden bepaald op welke periode dit verzuim betrekking heeft. @@ -445,14 +451,12 @@ c. daarvoor naar het oordeel van het college dringende redenen aanwezig zijn. **1.** -Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van uitkering en terzake van weigering van uitkering, herziet het college een dergelijk besluit of trekt hij dat in: +Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van uitkering en terzake van weigering van uitkering, kan het college een dergelijk besluit herzien of intrekken: a. indien een gedraging als bedoeld in artikel 22, eerste lid, of het niet of niet behoorlijk nakomen van een daar bedoelde verplichting heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering; b. indien anderszins de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend. -**2.** Als de kunstenaar of zijn echtgenoot in het geval, bedoeld in artikel 25, eerste lid, het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, trekt het college na het verstrijken van deze termijn het besluit tot toekenning van uitkering in met ingang van de eerste dag waarover het recht op uitkering is opgeschort. - -**3.** Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking af te zien. +**2.** Als de kunstenaar of zijn echtgenoot in het geval, bedoeld in artikel 25, eerste lid, het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, kan het college na het verstrijken van deze termijn het besluit tot toekenning van uitkering intrekken met ingang van de eerste dag waarover het recht op uitkering is opgeschort. ### Artikel 27 @@ -466,13 +470,13 @@ b. indien anderszins de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verl ### Artikel 28 -Kosten van de uitkering worden door het college teruggevorderd in de gevallen en naar de regels, bedoeld in dit hoofdstuk, en in de gevallen, bedoeld in artikel 16. +Kosten van de uitkering kunnen door het college worden teruggevorderd in de gevallen en naar de regels, bedoeld in dit hoofdstuk, en in de gevallen, bedoeld in artikel 16. ### Artikel 29 **1.** -Het college vordert de kosten van de uitkering terug, voorzover de uitkering: +Het college kan de kosten van de uitkering terugvorderen, voorzover de uitkering: a. ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend; b. ingevolge artikel 14 bij wijze van een voorschot is verleend en na onderzoek is vastgesteld dat over de betrokken periode geen recht op een uitkering bestaat; @@ -485,45 +489,15 @@ d. anderszins onverschuldigd is betaald, waaronder begrepen dat de kunstenaar of ### Artikel 30 -Het college vordert de kosten van de uitkering over het voorgaande kalenderjaar terug, voorzover de kunstenaar of zijn echtgenoot niet voldoet aan de verplichting, bedoeld in artikel 20, derde of vierde lid, laatste volzin. +Het college kan de kosten van de uitkering over het voorgaande kalenderjaar terugvorderen, voorzover de kunstenaar of zijn echtgenoot niet voldoet aan de verplichting, bedoeld in artikel 20, derde of vierde lid, laatste volzin. ### Artikel 31 -**1.** - -In afwijking van de artikelen 16, vierde lid, onderdeel b, 29 en 30 kan het college, ambtshalve of op verzoek van de kunstenaar, besluiten gedeeltelijk van terugvordering af te zien of gedeeltelijk van verdere terugvordering af te zien bij medewerking aan een schuldregeling, indien: - -a. redelijkerwijs te voorzien is dat de kunstenaar of zijn gezin niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden of indien hij in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen; -b. redelijkerwijs te voorzien is dat een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen, behoudens de in het tweede lid bedoelde vorderingen, van de overige schuldeisers zonder een zodanig besluit niet tot stand zal komen; -c. de terugvordering door het college ten minste zal worden voldaan naar evenredigheid met de vorderingen van de schuldeisers van gelijke rang; -d. een naar het oordeel van het college betrouwbare schuldregeling tot stand is gekomen door tussenkomst van een schuldhulpverlener als bedoeld in artikel 48 van de Wet op het consumentenkrediet; en -e. uitdeling in het kader van de schuldregeling plaatsvindt overeenkomstig artikel 349 van de Faillissementswet. - -**2.** - -Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van: - -a. een terugvordering als bedoeld in artikel 30 is ontstaan door het niet nakomen door de kunstenaar van de verplichting, bedoeld in artikel 20, dan wel met betrekking tot het niet naleven van die verplichting aangifte is gedaan op grond van het Wetboek van Strafrecht; -b. vorderingen welke door hypotheek of verpanding op een zaak of zaken zijn gedekt, behoudens voorzover zij niet op die zaken verhaald kunnen worden. - -**3.** Het besluit tot het afzien van terugvordering of van verdere terugvordering treedt niet in werking voordat een schuldregeling overeenkomstig het eerste lid tot stand is gekomen. - -**4.** - -Het besluit tot gedeeltelijk afzien van terugvordering of gedeeltelijk afzien van verdere terugvordering wordt ingetrokken of ten nadele van de kunstenaar gewijzigd indien: - -a. niet binnen twaalf maanden nadat dat besluit is bekendgemaakt, een schuldregeling is tot stand gekomen die voldoet aan de eisen, bedoeld in het eerste lid; -b. de kunstenaar of zijn echtgenoot de schuld aan het college niet overeenkomstig de schuldregeling voldoet, of -c. onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid. - -**5.** Bij ministeriële regeling kunnen met betrekking tot dit artikel nadere regels worden gesteld ten aanzien van de bevoegdheid om mee te werken aan schuldregelingen. +Vervallen ### Artikel 32 -In afwijking van de artikelen 16, vierde lid, onderdeel b, 29 en 30 kan het college besluiten: - -a. geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn; -b. van terugvordering af te zien, indien het terug te vorderen bedrag een door Onze Minister vast te stellen bedrag niet te boven gaat. +Vervallen ### Artikel 33 @@ -622,7 +596,7 @@ d. het College zorgverzekeringen, genoemd in artikel 58, eerste lid, van de Zorg e. de bedrijfstakpensioenfondsen, ondernemingspensioenfondsen, risicofondsen, stichtingen tot uitvoering van een regeling inzake vervroegd uittreden en andere organen belast met het doen van uitkeringen of verstrekkingen die in het kader van deze wet als inkomen worden aangemerkt; f. de Kamers van Koophandel, met dien verstande dat dit, in afwijking van de aanhef van dit lid, geschiedt tegen betaling van de daarvoor op grond van de Handelsregisterwet 2007 vastgestelde vergoeding; g. de korpschef en de bevelhebber van de Koninklijke marechaussee in de zin van de Vreemdelingenwet 2000; -h. de Informatie Beheer Groep betreffende de toepassing van de Wet studiefinanciering 2000, de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten, en de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek; +h. Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap dan wel, voor zover het betreft het onderwijs of onderzoek op het gebied van de landbouw en de natuurlijke omgeving, Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit betreffende de toepassing van de Wet studiefinanciering 2000, de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten, en de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek; i. Onze Minister van Justitie voorzover het betreft de kunstenaar of een lid van zijn gezin die rechtens zijn vrijheid is ontnomen; j. de adviserende instelling die in het kader van de uitvoering van deze wet het college van advies dient; k. de instanties en personen die woonruimte verhuren; @@ -748,49 +722,15 @@ Met het toezicht op de naleving van deze wet zijn belast de bij besluit van het ### Artikel 48 -**1.** - -Onze Minister vergoedt ten laste van ’s Rijks kas: - -a. de kosten van uitkeringen, alsmede de in artikel 46 van de Zorgverzekeringswet bedoelde vergoedingen van de inkomensafhankelijke bijdragen daarover, voorzover de uitkering niet bij wijze van voorschot op grond van artikel 14 is verleend; -b. de door het college gemaakte uitvoeringskosten. - -**2.** Het college declareert de in een kalenderjaar gemaakte kosten, bedoeld in het eerste lid, door middel van een opgave van de door het college gemaakte kosten in de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 17a, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet. - -**3.** Bij ministeriële regeling worden regels gesteld inzake de vergoeding van gemaakte uitvoeringskosten. +Vervallen ### Artikel 49 -**1.** Onze Minister verleent voorschotten op de vergoeding, bedoeld in artikel 48, eerste lid. - -**2.** Voorzover de uitvoering van deze wet door het college ernstige tekortkomingen vertoont, kan Onze Minister besluiten de voorschotten lager vast te stellen dan uit de krachtens het derde lid gestelde regels zou voortvloeien. - -**3.** Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met betrekking tot het verlenen van voorschotten. +Vervallen ### Artikel 50 -**1.** Onze Minister stelt de vergoeding van de kosten, bedoeld in artikel 48, vast binnen een jaar na ontvangst door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 48, tweede lid. - -**2.** Indien de verantwoordingsinformatie bedoeld in artikel 17a, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet, niet of niet volledig is ontvangen door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties binnen 18 maanden na het kalenderjaar waarop deze betrekking heeft, wordt de vergoeding, bedoeld in het eerste lid, over dat jaar ambtshalve vastgesteld. - -**3.** - -De vergoeding voor de kosten, bedoeld in artikel 48, eerste lid, onderdeel a, wordt verlaagd indien: - -a. het een uitkering betreft die is verleend in strijd met het bij en krachtens deze wet bepaalde; -b. het een uitkering betreft die niet of niet volledig overeenkomstig hoofdstuk 4, is of wordt teruggevorderd; -c. niet is voldaan aan de bij artikel 22 gestelde regels, voor een bedrag gelijk aan het bedrag waarmee de kosten zouden zijn verlaagd indien het college op een juiste wijze toepassing zouden hebben gegeven aan deze artikelen. - -**4.** Indien als gevolg van het niet hebben voldaan door het college aan de bij de artikelen 11, tweede lid, of 19, derde lid, gestelde regels, niet kan worden vastgesteld of en voor welk bedrag de vergoeding voor de kosten, bedoeld in artikel 48, eerste lid, onderdeel a, moet worden verlaagd, wordt volgens bij ministeriële regeling te stellen regels hiervoor een bedrag vastgesteld. - -**5.** - -Het derde en vierde lid zijn niet van toepassing voor zover naar het oordeel van Onze Minister: - -a. de tekortkomingen van bijzondere aard of geringe betekenis zijn; -b. het college zich voldoende heeft ingespannen om de tekortkomingen op te heffen. - -**6.** Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de toepassing van het derde lid. +Vervallen ### Paragraaf 6.2. Financiering adviserende instelling @@ -824,7 +764,7 @@ c. de in het tweede lid bedoelde verklaring en het onderzoek dat resulteert in d ### Artikel 54 -Het college brengt de kosten van voorzieningen als bedoeld in artikel 21, eerste lid, niet zijnde uitvoeringskosten, ten laste van de uitkering, bedoeld in artikel 69, eerste lid, onderdeel a, van de Wet werk en bijstand. +Ten behoeve van de kosten van voorzieningen als bedoeld in artikel 21, eerste lid, niet zijnde uitvoeringskosten, ontvangt het college een uitkering op grond van de Wet participatiebudget. ## Hoofdstuk 7. Wijziging andere wetten @@ -964,6 +904,14 @@ Artikel 8 van de Wet inkomensvoorziening kunstenaars blijft van toepassing op de Bij algemene maatregel van bestuur kan ten behoeve van de kunstenaar die in of voor het jaar 2004 een uitkering heeft ontvangen op grond van de Wet inkomensvoorziening kunstenaars en die in 2005 een uitkering aanvraagt op grond van deze wet, worden afgeweken van de perioden en bedragen, bedoeld in artikel 11, eerste lid, aanhef en onderdeel b. +### Artikel 78e + +Artikel 50 blijft van toepassing op de vaststelling van de vergoeding, bedoeld in dat artikel, zoals dat artikel luidde voor inwerkingtreding van de Wet van 17 december 2009 tot bundeling van uitkeringen inkomensvoorziening aan gemeenten (Stb. 592), voor kosten die betrekking hebben op kalenderjaren gelegen voor die van inwerkingtreding van die wet. + +### Artikel 78f + +De artikelen 2, zesde en zevende lid, en 3, tweede lid, zijn niet van toepassing, indien voor de inwerkingtreding van deze artikelleden, op grond van artikel 8 recht bestaat op een uitkering voor gehuwden, omdat de ongehuwde kunstenaar wegens een gezamenlijke huishouding met een meerderjarig aangehuwd kind of een meerderjarig voormalig pleegkind is aangemerkt als gehuwd, voor zolang dit recht op uitkering bestaat, tenzij toepassing van de genoemde artikelleden leidt tot een hogere uitkering. + ### Artikel 79 Onze Minister zendt in overeenstemming met Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, binnen vijf jaar na inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.