From c42ebd43a5aa047ad834dbaf3ac3c0d778744bc4 Mon Sep 17 00:00:00 2001 From: Coornhert Date: Wed, 16 Jul 2003 12:00:00 +0000 Subject: [PATCH] 2003-07-16 | BWBR0002691 | Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers --- .../BWBR0002691/README.md | 341 +++++++++++++----- 1 file changed, 249 insertions(+), 92 deletions(-) diff --git a/wet/algemene-pensioenwet-politieke-ambtsdragers/BWBR0002691/README.md b/wet/algemene-pensioenwet-politieke-ambtsdragers/BWBR0002691/README.md index f56766a01b4..2f24efef644 100644 --- a/wet/algemene-pensioenwet-politieke-ambtsdragers/BWBR0002691/README.md +++ b/wet/algemene-pensioenwet-politieke-ambtsdragers/BWBR0002691/README.md @@ -58,12 +58,7 @@ c. beiden ongehuwd zijn; d. beiden ten tijde van de aanmelding achttien jaar of ouder zijn en e. geen bloed- of aanverwanten in de rechte lijn zijn. -**2.** - -Voorts kunnen een aanmelding doen als bedoeld in het eerste lid: - -a. de gewezen politieke ambtsdrager met recht op uitkering ter zake van ontslag of aftreden, of -b. de gewezen politieke ambtsdrager, indien hij al voor zijn ontslag of aftreden gehuwd was met de man of vrouw van wie aanmelding gewenst wordt, dan wel indien die man of vrouw al voor het ontslag of aftreden door de gewezen politieke ambtsdrager was aangemeld geweest als bedoeld in het eerste lid, mits de aanmelding wordt gedaan voordat degene die de aanmelding doet de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt. +**2.** Een gewezen politieke ambtsdrager als bedoeld in het eerste lid kan, voordat hij de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, eveneens een aanmelding doen als bedoeld in dat lid. **3.** Degene die een aanmelding doet, voegt daarbij een gewaarmerkt afschrift van de benodigde gegevens uit de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens waaruit blijkt dat is voldaan aan de voorwaarde, gesteld in het eerste lid, onder *a*, alsmede een afschrift van het contract, bedoeld in het eerste lid, onder *b*, dan wel een uittreksel daaruit of een verklaring van een notaris dienaangaande, waaruit de wederzijdse onderhoudsplichtigheid blijkt. @@ -126,7 +121,12 @@ b. *gepensioneerd minister:* hij die uit hoofde van een ontslag recht heeft op p **1.** Aan een minister aan wie door Ons ontslag wordt verleend wordt met ingang van de dag van zijn ontslag, indien hij nog niet de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, een uitkering toegekend op de voet van de volgende artikelen. -**2.** Het vorige lid vindt geen toepassing indien de belanghebbende zulks verzoekt dan wel indien hij zonder onderbreking weder als minister optreedt. +**2.** + +Het eerste lid vindt geen toepassing: + +a. indien de belanghebbende daarom verzoekt, of indien hij zonder onderbreking weer als minister optreedt; +b. indien aan de belanghebbende rechtens zijn vrijheid is ontnomen. **3.** @@ -135,13 +135,17 @@ Wij, de Raad van State gehoord, kunnen bepalen dat geen uitkering wordt toegeken a. zich in vreemde krijgsdienst of in vreemde overheidsdienst heeft begeven en naar Ons oordeel zich daardoor uit Nederlands nationaal oogpunt beschouwd onwaardig heeft gedragen; b. wegens enig strafbaar feit is veroordeeld waaruit naar Ons oordeel blijkt dat hij zich uit Nederlands nationaal oogpunt beschouwd onwaardig heeft gedragen. +**4.** Tenzij de omstandigheid bedoeld in het tweede lid, onder b, te rekenen vanaf de dag van ingang van het ontslag even lang als of langer heeft geduurd dan de duur van de uitkering berekend volgens artikel 7, eerste lid, wordt de uitkering alsnog toegekend met ingang van de dag dat die omstandigheid zich niet meer voordoet, voor de resterende duur. + ### Artikel 7 **1.** De uitkering wordt toegekend voor een duur gelijk aan de tijd waarin de belanghebbende minister is geweest, maar ten minste voor de duur van twee jaren en ten hoogste voor de duur van zes jaren. Indien de belanghebbende met een of meer onderbrekingen minister is geweest, wordt in aanmerking genomen de tijd gedurende welke hij minister is geweest in een tijdvak, laatstelijk voor zijn ontslag, waarin zijn ministerschap voor ten hoogste een zesde deel van dat tijdvak is onderbroken. -**2.** In geval van tussentijds vervallen van de uitkering krachtens artikel 11, tweede lid, onder b, wordt de volgende uitkering toegekend ten minste tot het tijdstip waarop eerstgenoemde uitkering, indien zij niet was vervallen, zou zijn geëindigd. +**2.** In afwijking van het eerste lid wordt de uitkering toegekend voor de duur van zes maanden, indien de belanghebbende korter dan drie maanden minister is geweest. -**3.** In bijzondere gevallen kunnen Wij, de Raad van State gehoord, bepalen, dat de uitkering wordt voortgezet voor een, met inachtneming van artikel 11 vast te stellen termijn, die op dezelfde wijze kan worden verlengd. +**3.** In geval van tussentijds vervallen van de uitkering krachtens artikel 11, tweede lid, onder b, wordt de volgende uitkering toegekend ten minste tot het tijdstip waarop eerstgenoemde uitkering, indien zij niet was vervallen, zou zijn geëindigd. + +**4.** In bijzondere gevallen kunnen Wij, de Raad van State gehoord, bepalen, dat de uitkering wordt voortgezet voor een, met inachtneming van artikel 11 vast te stellen termijn, die op dezelfde wijze kan worden verlengd. ### Artikel @@ -263,8 +267,11 @@ b. indien de wijziging ambtshalve plaatsvindt, met ingang van de eerste dag van Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder inkomsten verstaan het gezamenlijk bedrag dat de belanghebbende wegens het verrichten van activiteiten geniet als -a. winst uit onderneming, -b. zuivere inkomsten uit of in verband met arbeid. Onder inkomsten bedoeld in de vorige volzin, wordt mede verstaan een arbeidsongeschiktheidsuitkering krachtens de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten. +a. winst uit een of meer ondernemingen, bedoeld in artikel 3.8 van de Wet inkomstenbelasting 2001; +b. belastbaar loon uit of in verband met arbeid en +c. belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden, behoudens voorzover het een werkzaamheid betreft als bedoeld in de artikelen 3.91, eerste lid, onderdelen a en b, en 3.92 van de Wet inkomstenbelasting 2001. + +Onder inkomsten bedoeld in de vorige volzin, wordt mede verstaan een arbeidsongeschiktheidsuitkering krachtens de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten. **3.** De in het eerste lid bedoelde verrekening geschiedt aldus dat de uitkering wordt verminderd met het bedrag waarmede de uitkering, vermeerderd met die inkomsten, de laatstelijk genoten wedde, waarvan de uitkering is afgeleid, overschrijdt. @@ -272,7 +279,7 @@ b. zuivere inkomsten uit of in verband met arbeid. Onder inkomsten bedoeld in de **5.** Kinderbijslag wordt niet aangemerkt als inkomst. -**6.** Voor de toepassing van dit artikel ten aanzien van de voortgezette uitkering bedoeld in artikel 7, vierde lid, en artikel 8*a*, kan Onze Minister andere inkomsten aanmerken als te zijn genoten wegens activiteiten bedoeld in het tweede lid. +**6.** Voor de toepassing van dit artikel ten aanzien van de voortgezette uitkering bedoeld in artikel 7, vierde lid, en artikel 8a, kan Onze Minister andere inkomsten aanmerken als te zijn genoten wegens activiteiten bedoeld in het tweede lid. ### Artikel 9a @@ -286,7 +293,9 @@ b. zuivere inkomsten uit of in verband met arbeid. Onder inkomsten bedoeld in de ### Artikel 10 -De uitkering over een maand berekend, wordt in maandelijkse termijnen betaald. +**1.** De uitkering, berekend over een maand, wordt in maandelijkse termijnen betaald. + +**2.** De uitkering wordt niet uitbetaald zolang de belanghebbende niet of niet op de voorgeschreven wijze voldoet aan zijn verplichtingen op grond van artikel 9a. ### Artikel 11 @@ -297,9 +306,12 @@ De uitkering over een maand berekend, wordt in maandelijkse termijnen betaald. De uitkering vervalt: a. met ingang van de dag waarop de gewezen minister de leeftijd van 65 jaar bereikt; -b. met ingang van de dag waarop de gewezen minister wederom minister wordt. +b. met ingang van de dag waarop de gewezen minister wederom minister wordt; +c. wanneer tijdens de duur van de uitkering zich de omstandigheid voordoet, bedoeld in artikel 6, tweede lid, onder b. Zodra die omstandigheid zich niet langer voordoet is het daar bepaalde van overeenkomstige toepassing. -**3.** +**3.** De uitkering kan geheel of ten dele vervallen worden verklaard indien de belanghebbende herhaaldelijk niet of niet op de voorgeschreven wijze voldoet aan zijn verplichtingen op grond van artikel 9a. + +**4.** Voorts kunnen Wij, de Raad van State gehoord, de uitkering vervallen verklaren, indien de gewezen minister: @@ -338,6 +350,14 @@ c. indien de belanghebbende daarom verzoekt. **4.** Indien voor de pensioenberekening in aanmerking te nemen tijd als minister en als staatssecretaris voor het pensioen meetellen, wordt over elk van die tijden een afzonderlijk pensioen berekend. De som van die pensioenen wordt als een eenheid toegekend. +**5.** De minister en de gewezen minister hebben bij ingang van het pensioen eenmalig de keuzemogelijkheid het pensioen met 12 percent te verhogen, voorzover het is berekend over diensttijd die is gelegen na 30 juni 1999 en die overeenkomt met de tijd die krachtens artikel 22 voor de berekening van het nabestandenpensioen in aanmerking wordt genomen. + +**6.** Met de verhoging van het pensioen, bedoeld in het vijfde lid, vervalt de aanspraak op nabestaandenpensioen, voorzover opgebouwd na 30 juni 1999. + +**7.** De keuze, bedoeld in het vijfde lid, kan slechts worden gedaan met toestemming van de echtgenoot of de aangemelde partner. Onze Minister kan nadere regels stellen met betrekking tot het doen van de keuze. + +**8.** De verhoging van het pensioen gaat in met ingang van de dag waarop het recht op pensioen ontstaat en is onherroepelijk. + ### Artikel 14 **1.** Voor tijd vóór 1 januari 1986 is de pensioengrondslag de wedde. @@ -395,18 +415,17 @@ Artikel 14a, eerste lid, is van toepassing op tijd na 31 december 1994, met dien ### Artikel 15 -**1.** Recht op nabestaandenpensioen heeft de nabestaande van een minister, gewezen minister of gepensioneerd minister. +**1.** De nabestaande van een minister, gewezen minister of gepensioneerd minister heeft recht op pensioen. **2.** -Geen recht op nabestaandenpensioen bestaat indien het huwelijk was gesloten nadat het ontslag van de echtgenoot was ingegaan, tenzij: +In afwijking van het eerste lid bestaat geen recht op nabestaandenpensioen: -a. de echtgenoot ten tijde van het sluiten van het huwelijk recht had op uitkering ter zake van zijn ontslag als minister, of -b. de echtgenoten reeds voor het ontslag met elkaar gehuwd waren geweest dan wel de nabestaande door de echtgenoot aangemeld was geweest en mits het huwelijk was gesloten voordat deze de 65-jarige leeftijd had bereikt. +a. indien het huwelijk is gesloten nadat de gepensioneerde minister de leeftijd van 65 jaar had bereikt; +b. bij overlijden van een gewezen minister vóór het bereiken van de leeftijd van 65 jaar, voorzover de pensioengeldige tijd van de overledene is gelegen na 31 juli 2003; +c. bij overlijden van een gepensioneerd minister, voorzover de pensioengeldige tijd van de overledene is gelegen na 30 juni 1999 en de keuze is gedaan, bedoeld in artikel 13a, vijfde lid. -**3.** Voor de toepassing van het vorige lid wordt het ontslag geacht niet te zijn ingegaan, indien zonder wezenlijke onderbreking een politiek ambt als bedoeld in deze wet is aanvaard. - -**4.** Wij beslissen, de Raad van State gehoord, of een onderbreking als wezenlijk moet worden beschouwd. Van een zodanige onderbreking is geen sprake indien deze ten hoogste twee maanden heeft geduurd. +**3.** Voor de toepassing van het tweede lid geldt niet als gewezen minister de gewezen minister met recht op uitkering als bedoeld in artikel 6. ### Artikel 16 @@ -423,7 +442,14 @@ b. de onder *a* bedoelde dag ligt na het tijdstip van de inwerkingtreding van de **2.** Eveneens heeft recht op bijzonder nabestaandenpensioen de vrouw of man van wie de aanmelding is geëindigd, mits zij of hij recht op nabestaandenpensioen zou hebben gehad, indien de minister, de gewezen minister of gepensioneerd minister op de dag van eindigen van de aanmelding zou zijn overleden. -**3.** Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing indien de desbetreffende vrouw of man als gevolg van een huwelijk met, dan wel een aanmelding door dezelfde minister ter zake van diens overlijden recht op nabestaandenpensioen verkrijgt. +**3.** + +In afwijking van het het eerste en het tweede lid bestaat geen recht op bijzonder nabestaandenpensioen: + +a. indien de minister, gewezen minister of gepensioneerd minister en de desbetreffende vrouw of man dat zijn overeengekomen bij huwelijkse voorwaarden, bij geschrift met het oog op het einde van het huwelijk of de aanmelding, en Onze Minister daarmee instemt; +b. indien de onder a bedoelde vrouw of man als gevolg van hertrouwen met of aanmelding door dezelfde minister wegens diens overlijden recht op nabestaandenpensioen heeft; +c. bij overlijden van een minister of gewezen minister voor de leeftijd van 65 jaar, voorzover de pensioengeldige tijd van de overledene is gelegen na 31 juli 2003; +d. bij overlijden van een gepensioneerd minister voorzover de pensioengeldige tijd van de overledene is gelegen na 30 juni 1999 en de keuze is gedaan, bedoeld in artikel 13a, vijfde lid. ### Artikel 18 @@ -449,7 +475,7 @@ Kinderen ten opzichte van welke aan een mannelijke minister, gewezen of gepensio ### Artikel 22 -**1.** Het nabestaandenpensioen bedraagt vijf zevende gedeelte van het pensioen, waarop de overleden minister als zodanig aanspraak zou hebben gehad indien hij met ingang van de dag na die van zijn overlijden was ontslagen of waarop de overleden gewezen minister als zodanig recht of uitzicht had. +**1.** Het nabestaandenpensioen bedraagt vijf zevende gedeelte van het pensioen, waarop de overleden minister als zodanig aanspraak zou hebben gehad indien hij met ingang van de dag na die van zijn overlijden was ontslagen of waarop de overleden gewezen minister als zodanig recht of uitzicht had, een en ander met inachtneming van artikel 15, tweede lid, onder b en c. **2.** @@ -464,23 +490,39 @@ b. als gewezen minister in de periode, waarover hem een uitkering is toegekend, **4.** Bij de toepassing van de voorgaande leden wordt ten aanzien van het eigen pensioen voor zover artikel 14a daarop van toepassing is, in alle gevallen gerekend met de franchise bedoeld in artikel 14a, derde lid onder a. +**5.** Het nabestaandenpensioen wordt verminderd indien de nabestaande meer dan tien jaar jonger was dan de overledene en het huwelijk dan wel de aanmelding op de dag van overlijden nog geen vijf jaar heeft geduurd. De vermindering bedraagt drie procent voor elk vol jaar dat het leeftijdsverschil meer dan tien jaar bedraagt. + ### Artikel 22a -**1.** Dit artikel is uitsluitend van toepassing op pensioenberekeningen over diensttijd tussen 31 december 1985 en 1 januari 1995. +**1.** De nabestaande die jonger is dan 65 jaar maar geen recht heeft op nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet, heeft recht op een toeslag op zijn volgens artikel 22 berekende pensioen, indien dat is berekend of mede berekend over diensttijd na 31 december 1985. -**2.** De nabestaande die de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt en geen recht heeft op nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet, heeft tot de eerste dag van de maand waarin hij die leeftijd bereikt recht op een toeslag op zijn volgens artikel 22 berekende pensioen. Deze toeslag bedraagt jaarlijks voor elk voor de berekening van het nabestaandenpensioen tellend jaar twee en een half procent van het tot een jaarbedrag herleide bedrag van de nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet vermeerderd met de daarover berekende vakantie-uitkering ingevolge die wet. +**2.** De toeslag bedraagt jaarlijks voor elk voor de berekening van het nabestaandenpensioen tellend jaar na 31 december 1985 2,5 procent van 75 procent van het tot een jaarbedrag herleide bedrag van de nabestaandenuitkering en de vakantie-uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet. -**3.** Wanneer betrokkene voldoet, onderscheidenlijk niet meer voldoet, aan de voorwaarden omschreven in het tweede lid, dient hij hiervan onverwijld kennis te geven aan Onze Minister. De daarbedoelde toeslag gaat niet eerder in dan een jaar voor de eerste dag van de maand waarin de kennisgeving werd gedaan of waarin die toeslag ambtshalve is toegekend. +**3.** De nabestaande, bedoeld in het eerste lid, die jonger is dan 40 jaar, heeft recht op de in dat lid bedoelde toeslag voor de duur van 12 maanden. -**4.** Wanneer het bedrag van de nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet of van de daarover berekende vakantie-uitkering ingevolge die wet wordt gewijzigd, wordt de in het tweede lid bedoelde toeslag dienovereenkomstig gewijzigd met ingang van dezelfde dag als eerstbedoelde wijziging. +**4.** De toeslag gaat in met ingang van de maand waarin het recht daarop ontstaat en wordt met ingang van 1 januari en 1 juli van ieder jaar nader vastgesteld aan de hand van wijzigingen van de in het tweede lid bedoelde bedragen vanaf 1 juli 1999. + +**5.** + +Het recht op toeslag vervalt: + +a. met ingang van de eerste dag van de maand waarin de nabestaande 65 jaar wordt; +b. met ingang van de maand volgend op die waarin de nabestaande hertrouwt, als partner wordt aangemeld of als samenwonend als bedoeld in de Algemene nabestaandenwet wordt aangemerkt. ### Artikel 22b -**1.** Dit artikel is uitsluitend van toepassing op pensioenberekeningen over diensttijd tussen 31 december 1994 en 1 januari 1996. +**1.** De nabestaande die recht heeft op nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet, waarop inkomen in mindering wordt gebracht, heeft recht op een toeslag op zijn volgens artikel 22 berekende pensioen, indien dat is berekend of mede berekend over diensttijd na 31 december 1985. -**2.** De nabestaande die de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt en geen recht heeft op nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet, heeft tot de eerste dag van de maand waarin hij die leeftijd bereikt recht op een toeslag op zijn volgens de voorgaande artikelen berekende pensioen. Deze toeslag bedraagt jaarlijks voor elk voor de berekening van het nabestaandenpensioen tellend jaar 1,25 percent van de franchise, bedoeld in artikel 14aa. +**2.** Recht op toeslag heeft eveneens de nabestaande aan wie in het tijdvak van 1 juli 1996 tot 1 juli 1999 nabestaandenpensioen is toegekend en op wiens uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet in dat tijdvak inkomen in mindering is gebracht, met ingang van die vermindering. -**3.** Het derde en vierde lid van artikel 22*a* zijn van overeenkomstige toepassing. +**3.** + +De toeslag bedraagt jaarlijks voor elk voor de berekening van het nabestaandenpensioen tellend jaar na 31 december 1985 2,5 procent van het verschil tussen 75 procent van het tot een jaarbedrag herleide bedrag van de nabestaandenuitkering en de vakantie-uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet zonder vermindering en het verminderde bedrag. De toeslag bedraagt niet meer dan 75 procent van het in de eerste volzin eerstbedoelde bedrag en kan niet negatief zijn. De toeslag wordt nader vastgesteld; + +a. met ingang van 1 januari en 1 juli van ieder jaar aan de hand van wijzigingen van de in het tweede lid, eerste volzin, eerstbedoelde bedragen vanaf 1 juli 1999; +b. bij iedere nadere vaststelling van de verminderdering van een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet. + +**4.** Artikel 22a, vierde en vijfde lid, zijn mede van toepassing op de toeslag ingevolge dit artikel. ### Artikel 22c @@ -504,15 +546,22 @@ c. met ingang van de eerste dag van de maand waarin de vermindering van de nabes ### Artikel 23 -**1.** Het bijzonder pensioen van de nabestaande van een minister, van een gewezen minister of van een gepensioneerd minister wordt op dezelfde wijze berekend als het pensioen van de nabestaande van een minister, van een gewezen minister of van een gepensioneerd minister, met dien verstande dat slechts de diensttijd medetelt die is gelegen vóór de ontbinding van het huwelijk dan wel vóór het tijdstip waarop de aanmelding is geëindigd. +**1.** + +Het bijzonder nabestaandenpensioen bedraagt vijf zevende gedeelte van een eigen pensioen waarbij in aanmerking wordt genomen: + +a. de berekeningsgrondslag waarnaar het pensioen van de minister, gewezen minister of gepensioneerd minister zou zijn berekend indien deze op de dag van ontbinding van het huwelijk dan wel van het einde van de aanmelding als partner recht op pensioen zou hebben verkregen; +b. pensioengeldige tijd die is gelegen vóór de onder a bedoelde dag, met dien verstande dat in de gevallen bedoeld in artikel 17, derde lid, onder c en d, uitsluitend tijd vóór respectievelijk 1 augustus 2003 en 1 juli 1999 in aanmerking wordt genomen. **2.** Indien er recht bestaat op meer dan een bijzonder nabestaandenpensioen als bedoeld in artikel 17, eerste of tweede lid, vindt het eerste lid overeenkomstige toepassing met dien verstande, dat voor de berekening van het bijzonder nabestaandenpensioen ontleend aan elk huwelijk en elke aanmelding waaraan een eerder huwelijk dan wel een eerdere aanmelding voorafgaat slechts de diensttijd medetelt die samenloopt of geacht kan worden samen te lopen met de huwelijksduur dan wel de duur van de aanmelding. -**3.** Indien er bij een overlijden recht bestaat op een of meer bijzondere nabestaandenpensioenen wordt het nabestaandenpensioen dat aan hetzelfde overlijden wordt ontleend met het bedrag daarvan verminderd. +**3.** Artikel 22, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing. + +**4.** Indien er bij een overlijden recht bestaat op een of meer bijzondere nabestaandenpensioenen wordt het nabestaandenpensioen dat aan hetzelfde overlijden wordt ontleend met het bedrag daarvan verminderd. ### Artikel 24 -Indien een nabestaande hertrouwt dan wel partij is bij een aanmelding, wordt zijn pensioen opnieuw vastgesteld met ingang van de maand volgende op die waarin hij hertrouwt dan wel de aanmelding geschiedt. Daarbij wordt uitsluitend de voor pensioen in aanmerking komende diensttijd van de minister, de gewezen minister of de gepensioneerde minister in aanmerking genomen, die gelegen is voor het tijdstip van diens overlijden. +Indien een nabestaande hertrouwt, partij is bij een aanmelding of wordt aangemerkt als ongehuwd samenwonend als bedoeld in de Algemene nabestaandenwet, wordt zijn pensioen opnieuw vastgesteld met ingang van de daarop volgende maand. Daarbij wordt uitsluitend de voor pensioen in aanmerking komende diensttijd van de minister, de gewezen minister of de gepensioneerde minister in aanmerking genomen, die gelegen is voor het tijdstip van diens overlijden. ### Artikel 25 @@ -550,17 +599,19 @@ b. voor de wees bedoeld in artikel 25, eerste lid, onder b, 0,75 percent van het ### Artikel 27 -**1.** De gedeelten van de nabestaanden-, bijzondere nabestaanden- en wezenpensioenen, onderscheidenlijk van de wezenpensioenen, bedoeld in de artikelen 22, 23, 24 en 25, gaan tezamen het bedrag waarvan die pensioenen zijn afgeleid niet te boven. +**1.** Het gezamenlijk bedrag van de wezenpensioenen gaat een bedrag gelijk aan vijf zevende gedeelte van het bedrag waarvan die pensioenen zijn afgeleid niet te boven. -**2.** Indien wegens toepassing van het vorige lid de daarbedoelde pensioengedeelten een vermindering moeten ondergaan, geschiedt deze in evenredigheid van de onderscheidene bedragen. +**2.** Indien wegens toepassing van het eerste lid de wezenpensioenen worden verminderd, geschiedt deze vermindering in evenredigheid naar de omvang van die pensioenen. + +**3.** Bij de toepassing van dit artikel wordt de toeslag, bedoeld in artikel 27b, buiten beschouwing gelaten. ### Artikel 27a -**1.** De nabestaande die de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt, heeft tot de eerste dag van de maand waarin hij die leeftijd bereikt recht op een toeslag op zijn volgens de voorgaande artikelen berekende pensioen ten bedrage van 15 percent van dat pensioen, behoudens het bepaalde in het tweede en vierde lid. +**1.** De nabestaande die de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt, heeft tot de eerste dag van de maand waarin hij die leeftijd bereikt recht op een toeslag op zijn volgens de voorgaande artikelen berekende pensioen ten bedrage van 15 percent van dat pensioen voorzover berekend over tijd vóór 1 augustus 2003 en van 7,5 percent voorzover berekend over tijd na 31 juli 2003, behoudens het bepaalde in het tweede en vierde lid. **2.** Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder een pensioen als daar bedoeld verstaan het pensioen nadat eventueel hoofdstuk 17 toepassing heeft gevonden. -**3.** Dit artikel is niet van toepassing ten aanzien van degene die recht heeft op bijzonder nabestaandenpensioen, noch degene wiens nabestaandenpensioen wegens hertrouwen of een aanmelding opnieuw is vastgesteld. +**3.** Dit artikel is niet van toepassing ten aanzien van degene die recht heeft op bijzonder nabestaandenpensioen, noch degene wiens nabestaandenpensioen met toepassing van artikel 24 opnieuw is vastgesteld. **4.** De in het eerste lid bedoelde toeslag bedraagt ten hoogste vijftien percent van f 72.309,80 per 14 maart 2003: € 35.466,30. Dit bedrag wordt telkens aangepast bij de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 105, derde lid, overeenkomstig de aanpassing van een bedrag dat, omgerekend naar euro's, op 1 januari 1985  € 28 678,91 bedroeg. @@ -751,7 +802,14 @@ e. berekeningsgrondslag: het bedrag van de op de dag vóór het aftreden geldend **1.** Aan een kamerlid wordt met ingang van de dag van zijn aftreden, indien hij nog niet de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, een uitkering toegekend op de voet van de volgende artikelen. -**2.** Het vorige lid vindt geen toepassing indien de belanghebbende zulks verzoekt dan wel indien hij zonder onderbreking weder als kamerlid optreedt. +**2.** + +Het eerste lid vindt geen toepassing: + +a. indien de belanghebbende daarom verzoekt, of indien hij zonder onderbreking weer als kamerlid optreedt; +b. indien aan de belanghebbende rechtens zijn vrijheid is ontnomen. + +**4.** Tenzij de omstandigheid bedoeld in het tweede lid, onder b, te rekenen vanaf de dag van ingang van het ontslag even lang als of langer heeft geduurd dan de duur van de uitkering berekend volgens artikel 52, eerste, tweede of derde lid, wordt de uitkering alsnog toegekend met ingang van de dag dat die omstandigheid zich niet meer voordoet, voor de resterende duur. ### Artikel 52 @@ -885,8 +943,9 @@ b. indien de wijziging ambtshalve plaatsvindt, met ingang van de eerste dag van Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder inkomsten verstaan het gezamenlijk bedrag dat de belanghebbende wegens het verrichten van activiteiten geniet als -a. winst uit onderneming, -b. zuivere inkomsten uit of in verband met arbeid. +a. winst uit een of meer ondernemingen, bedoeld in artikel 3.8 van de Wet inkomstenbelasting 2001; +b. belastbaar loon uit of in verband met arbeid en +c. belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden, behoudens voorzover het een werkzaamheid betreft als bedoeld in de artikelen 3.91, eerste lid, onderdelen a en b, en 3.92 van de Wet inkomstenbelasting 2001. Onder inkomsten bedoeld in de vorige volzin, wordt mede verstaan een arbeidsongeschiktheidsuitkering krachtens de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten. @@ -914,7 +973,9 @@ Ten aanzien van deze verrekening is artikel 54 van toepassing, met dien verstand ### Artikel 55 -De uitkering over een maand berekend, wordt in maandelijkse termijnen betaald. +**1.** De uitkering, berekend over een maand, wordt in maandelijkse termijnen betaald. + +**2.** De uitkering wordt niet uitbetaald zolang de belanghebbende niet of niet op de voorgeschreven wijze voldoet aan zijn verplichtingen op grond van artikel 54a. ### Artikel 56 @@ -925,7 +986,10 @@ De uitkering over een maand berekend, wordt in maandelijkse termijnen betaald. De uitkering vervalt: a. met ingang van de dag waarop het gewezen kamerlid de leeftijd van 65 jaar bereikt; -b. met ingang van de dag waarop het gewezen kamerlid wederom als kamerlid optreedt dan wel lid wordt van het Europees Parlement. +b. met ingang van de dag waarop het gewezen kamerlid wederom als kamerlid optreedt dan wel lid wordt van het Europees Parlement; +c. wanneer tijdens de duur van de uitkering zich de omstandigheid voordoet, bedoeld in artikel 51, tweede lid, onder b. Zodra die omstandigheid zich niet langer voordoet is het daar bepaalde van overeenkomstige toepassing. + +**3.** De uitkering kan geheel of ten dele vervallen worden verklaard indien de belanghebbende herhaaldelijk niet of niet op de voorgeschreven wijze voldoet aan zijn verplichtingen op grond van artikel 54a. ### Artikel 57 @@ -959,6 +1023,14 @@ a. voor zover gedurende de in dat lid bedoelde tijd de uitkering wegens het geni b. in zover de belanghebbende die recht heeft op uitkering, maar die minder uitkering geniet dan de krachtens artikel 106 berekende inhoudingen ter zake van ouderdom en overlijden, er geen zorg voor draagt dat het bedrag van deze inhoudingen, welk bedrag in dit geval als een op hem rustende schuld wordt beschouwd, bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd is voldaan; c. indien de belanghebbende daarom verzoekt. +**5.** Een kamerlid en een gewezen kamerlid hebben bij ingang van het pensioen eenmalig de keuzemogelijkheid het pensioen met 12 percent te verhogen, voorzover het is berekend over kamerlidtijd die is gelegen na 30 juni 1999 en die overeenkomt met de tijd die krachtens artikel 67 voor de berekening van het nabestandenpensioen in aanmerking wordt genomen. + +**6.** Met de verhoging van het pensioen, bedoeld in het vijfde lid, vervalt de aanspraak op nabestaandenpensioen, voorzover opgebouwd na 30 juni 1999. + +**7.** De keuze, bedoeld in het vijfde lid, kan slechts worden gedaan met toestemming van de echtgenoot of de aangemelde partner. Onze Minister kan nadere regels stellen met betrekking tot het doen van de keuze. + +**8.** De verhoging van het pensioen gaat in met ingang van de dag waarop het recht op pensioen ontstaat en is onherroepelijk. + ### Artikel 59 **1.** Voor tijd vóór 1 januari 1986 is de pensioengrondslag de berekeningsgrondslag. @@ -1016,18 +1088,17 @@ Artikel 59a, eerste lid, is van toepassing op tijd na 31 december 1994, met dien ### Artikel 60 -**1.** Recht op nabestaandenpensioen heeft de nabestaande van een kamerlid, gewezen kamerlid of gepensioneerd kamerlid. +**1.** De nabestaande van een kamerlid, gewezen kamerlid of gepensioneerd kamerlid heeft recht op pensioen. **2.** -Geen recht op nabestaandenpensioen bestaat indien het huwelijk was gesloten nadat het ontslag van de echtgenoot was ingegaan, tenzij: +In afwijking van het eerste lid bestaat geen recht op nabestaandenpensioen: -a. de echtgenoot ten tijde van het sluiten van het huwelijk recht had op uitkering ter zake van zijn aftreden als kamerlid, of -b. de echtgenoten reeds voor het ontslag met elkaar gehuwd waren geweest dan wel de nabestaande door de echtgenoot aangemeld was geweest en mits het huwelijk was gesloten voordat deze de 65-jarige leeftijd had bereikt. +a. indien het huwelijk is gesloten nadat het gepensioneerde kamerlid de leeftijd van 65 jaar had bereikt; +b. bij overlijden van een gewezen kamerlid vóór het bereiken van de leeftijd van 65 jaar, voorzover de pensioengeldige tijd van de overledene is gelegen na 31 juli 2003; +c. bij overlijden van een gepensioneerd kamerlid, voorzover de pensioengeldige tijd van de overledene is gelegen na 30 juni 1999 en de keuze is gedaan, bedoeld in artikel 58a, vijfde lid. -**3.** Voor de toepassing van het vorige lid wordt het aftreden geacht niet te hebben plaatsgevonden, indien zonder wezenlijke onderbreking een politiek ambt als bedoeld in deze wet is aanvaard. - -**4.** Wij beslissen, de Raad van State gehoord, of een onderbreking als wezenlijk moet worden beschouwd. Van een zodanige onderbreking is geen sprake indien deze ten hoogste twee maanden heeft geduurd. +**3.** Voor de toepassing van het tweede lid geldt niet als gewezen kamerlid het gewezen kamerlid met recht op uitkering als bedoeld in artikel 51. ### Artikel 61 @@ -1044,7 +1115,14 @@ b. de onder *a* bedoelde dag ligt na het tijdstip van de inwerkingtreding van de **2.** Eveneens heeft recht op bijzonder nabestaandenpensioen de vrouw of man van wie de aanmelding is geëindigd, mits zij of hij recht op nabestaandenpensioen zou hebben gehad, indien het kamerlid, het gewezen kamerlid of gepensioneerde kamerlid op de dag van eindigen van de aanmelding zou zijn overleden. -**3.** Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing indien de desbetreffende vrouw of man als gevolg van een huwelijk met, dan wel een aanmelding door hetzelfde kamerlid ter zake van diens overlijden recht op nabestaandenpensioen verkrijgt. +**3.** + +In afwijking van het eerste en het tweede lid bestaat geen recht op bijzonder nabestaandenpensioen: + +a. indien het kamerlid, gewezen kamerlid of gepensioneerde kamerlid en de desbetreffende vrouw of man dat zijn overeengekomen bij huwelijkse voorwaarden, bij geschrift met het oog op het einde van het huwelijk of de aanmelding, en Onze Minister daarmee instemt; +b. indien de onder a bedoelde vrouw of man als gevolg van hertrouwen met of aanmelding door hetzelfde kamerlid wegens diens overlijden recht op nabestaandenpensioen heeft; +c. bij overlijden van een kamerlid of gewezen kamerlid voor de leeftijd van 65 jaar, voorzover de pensioengeldige tijd van de overledene is gelegen na 31 juli 2003; +d. bij overlijden van een gepensioneerd kamerlid, voorzover de pensioengeldige tijd van de overledene is gelegen na 30 juni 1999 en de keuze is gedaan, bedoeld in artikel 58a, vijfde lid. ### Artikel 63 @@ -1070,7 +1148,7 @@ Kinderen ten opzichte van welke aan een mannelijk kamerlid ten tijde van zijn ov ### Artikel 67 -**1.** Het nabestaandenpensioen bedraagt vijf zevende gedeelte van het pensioen, waarop het overleden kamerlid als zodanig aanspraak zou hebben gehad, indien hij met ingang van de dag na die van zijn overlijden was ontslagen, of waarop het overleden gewezen kamerlid als zodanig recht of uitzicht had. +**1.** Het nabestaandenpensioen bedraagt vijf zevende gedeelte van het pensioen, waarop het overleden kamerlid als zodanig aanspraak zou hebben gehad, indien hij met ingang van de dag na die van zijn overlijden was ontslagen, of waarop het overleden gewezen kamerlid als zodanig recht of uitzicht had, een en ander met inachtneming van artikel 60, tweede lid, onder b en c. **2.** @@ -1083,23 +1161,39 @@ b. als gewezen kamerlid in de periode, waarover hem een uitkering is toegekend, **4.** Bij de toepassing van de voorgaande leden wordt ten aanzien van het eigen pensioen voor zover artikel 59a daarop van toepassing is, in alle gevallen gerekend met de franchise bedoeld in artikel 59a, derde lid, onder a. +**5.** Het nabestaandenpensioen wordt verminderd indien de nabestaande meer dan tien jaar jonger was dan de overledene en het huwelijk dan wel de aanmelding op de dag van overlijden nog geen vijf jaar heeft geduurd. De vermindering bedraagt drie procent voor elk vol jaar dat het leeftijdsverschil meer dan tien jaar bedraagt. + ### Artikel 67a -**1.** Dit artikel is uitsluitend van toepassing op pensioenberekeningen over diensttijd tussen 31 december 1985 en 1 januari 1995. +**1.** De nabestaande die jonger is dan 65 jaar maar geen recht heeft op nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet heeft recht op een toeslag op zijn volgens artikel 67 berekende pensioen, indien dat is berekend of mede berekend over diensttijd na 31 december 1985. -**2.** De nabestaande die de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt en geen recht heeft op nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet, heeft tot de eerste dag van de maand waarin hij die leeftijd bereikt recht op een toeslag op zijn volgens artikel 67 berekende pensioen. Deze toeslag bedraagt jaarlijks voor elk voor de berekening van het nabestaandenpensioen tellend jaar twee en een half procent van het tot een jaarbedrag herleide bedrag van de nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet vermeerderd met de daarover berekende vakantie-uitkering ingevolge die wet. +**2.** De toeslag bedraagt jaarlijks voor elk voor de berekening van het nabestaandenpensioen tellend jaar na 31 december 1985 2,5 procent van 75 procent van het tot een jaarbedrag herleide bedrag van de nabestaandenuitkering en de vakantie-uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet. -**3.** Wanneer betrokkene voldoet, onderscheidenlijk niet meer voldoet, aan de voorwaarden omschreven in het tweede lid, dient hij hiervan onverwijld kennis te geven aan Onze Minister. De daarbedoelde toeslag gaat niet eeder in dan een jaar voor de eerste dag van de maand waarin de kennisgeving werd gedaan of waarin die toeslag ambtshalve is toegekend. +**3.** De nabestaande, bedoeld in het eerste lid, die jonger is dan 40 jaar, heeft recht op de in dat lid bedoelde toeslag voor de duur van 12 maanden. -**4.** Wanneer het bedrag van de nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet of van de daarover berekende vakantie-uitkering ingevolge die wet wordt gewijzigd, wordt de in het tweede lid bedoelde toeslag dienovereenkomstig gewijzigd met ingang van dezelfde dag als eerstbedoelde wijziging. +**4.** De toeslag gaat in met ingang van de maand waarin het recht daarop ontstaat en wordt met ingang van 1 januari en 1 juli van ieder jaar nader vastgesteld aan de hand van wijzigingen van de in het tweede lid bedoelde bedragen vanaf 1 juli 1999. + +**5.** + +Het recht op toeslag vervalt: + +a. met ingang van de eerste dag van de maand waarin de nabestaande 65 jaar wordt; +b. met ingang van de maand volgend op die waarin de nabestaande hertrouwt, als partner wordt aangemeld of als samenwonend als bedoeld in de Algemene nabestaandenwet wordt aangemerkt. ### Artikel 67b -**1.** Dit artikel is uitsluitend van toepassing op pensioenberekeningen over diensttijd tussen 31 december 1994 en 1 januari 1996. +**1.** De nabestaande die recht heeft op nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet, waarop inkomen in mindering wordt gebracht, heeft recht op een toeslag op zijn volgens artikel 67 berekende pensioen, indien dat is berekend of mede berekend over diensttijd na 31 december 1985. -**2.** De nabestaande die de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt en geen recht heeft op nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet, heeft tot de eerste dag van de maand waarin hij die leeftijd bereikt recht op een toeslag op zijn volgens de voorgaande artikelen berekende pensioen. Deze toeslag bedraagt jaarlijks voor elk voor de berekening van het nabestaandenpensioen tellend jaar 1,25 percent van de franchise, bedoeld in artikel 59aa. +**2.** Recht op toeslag heeft eveneens de nabestaande aan wie in het tijdvak van 1 juli 1996 tot 1 juli 1999 nabestaandenpensioen is toegekend en op wiens uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet in dat tijdvak inkomen in mindering is gebracht, met ingang van die vermindering. -**3.** Het derde en vierde lid van artikel 22*a* zijn van overeenkomstige toepassing. +**3.** + +De toeslag bedraagt jaarlijks voor elk voor de berekening van het nabestaandenpensioen tellend jaar na 31 december 1985 2,5 procent van het verschil tussen 75 procent van het tot een jaarbedrag herleide bedrag van de nabestaandenuitkering en de vakantie-uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet zonder vermindering en het verminderde bedrag. De toeslag bedraagt niet meer dan 75 procent van het in de eerste volzin eerstbedoelde bedrag en kan niet negatief zijn. De toeslag wordt nader vastgesteld; + +a. met ingang van 1 januari en 1 juli van ieder jaar aan de hand van wijzigingen van de in het tweede lid, eerste volzin, eerstbedoelde bedragen vanaf 1 juli 1999; +b. bij iedere nadere vaststelling van de verminderdering van een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet. + +**4.** Artikel 67a, vierde en vijfde lid, zijn mede van toepassing op de toeslag ingevolge dit artikel. ### Artikel 67c @@ -1123,15 +1217,22 @@ c. met ingang van de eerste dag van de maand waarin de vermindering van de nabes ### Artikel 68 -**1.** Het bijzonder pensioen van de nabestaande van een kamerlid, van een gewezen kamerlid of van een gepensioneerd kamerlid wordt op dezelfde wijze berekend als het pensioen van de nabestaande van een kamerlid, van een gewezen kamerlid of van een gepensioneerd kamerlid, met dien verstande dat slechts de kamerlidtijd medetelt die is gelegen vóór de ontbinding van het huwelijk dan wel vóór het tijdstip waarop de aanmelding is geëindigd. +**1.** + +Het bijzonder nabestaandenpensioen bedraagt vijf zevende gedeelte van een eigen pensioen waarbij in aanmerking wordt genomen: + +a. de berekeningsgrondslag waarnaar het pensioen van het kamerlid, gewezen kamerlid of gepensioneerd kamerlid zou zijn berekend indien deze op de dag van ontbinding van het huwelijk dan wel van het einde van de aanmelding als partner recht op pensioen zou hebben verkregen; +b. pensioengeldige tijd die is gelegen vóór de onder a bedoelde dag, met dien verstande dat in de gevallen bedoeld in artikel 62, derde lid, onder c en d, uitsluitend tijd vóór respectievelijk 1 augustus 2003 en 1 juli 1999 in aanmerking wordt genomen. **2.** Indien er recht bestaat op meer dan een bijzonder nabestaandenpensioen als bedoeld in artikel 62, eerste of tweede lid, vindt het eerste lid overeenkomstige toepassing met dien verstande, dat voor de berekening van het bijzonder nabestaandenpensioen ontleend aan elk huwelijk en elke aanmelding waaraan een eerder huwelijk dan wel een eerdere aanmelding voorafgaat slechts de kamerlidtijd medetelt die samenloopt of geacht kan worden samen te lopen met de huwelijksduur dan wel de duur van de aanmelding. -**3.** Indien er bij een overlijden recht bestaat op een of meer bijzondere nabestaandenpensioenen wordt het nabestaandenpensioen dat aan hetzelfde overlijden wordt ontleend met het bedrag daarvan verminderd. +**3.** Artikel 67, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing. + +**4.** Indien er bij een overlijden recht bestaat op een of meer bijzondere nabestaandenpensioenen wordt het nabestaandenpensioen dat aan hetzelfde overlijden wordt ontleend met het bedrag daarvan verminderd. ### Artikel 69 -Indien een nabestaande hertrouwt dan wel partij is bij een aanmelding, wordt zijn pensioen opnieuw vastgesteld met ingang van de maand volgende op die waarin hij hertrouwt dan wel de aanmelding geschiedt. Daarbij wordt uitsluitend de voor pensioen in aanmerking komende tijd van het kamerlid, het gewezen kamerlid of het gepensioneerde kamerlid in aanmerking genomen, die gelegen is voor het tijdstip van diens overlijden. +Indien een nabestaande hertrouwt, partij is bij een aanmelding of wordt aangemerkt als ongehuwd samenwonend als bedoeld in de Algemene nabestaandenwet, wordt zijn pensioen opnieuw vastgesteld met ingang van de daarop volgende maand. Daarbij wordt uitsluitend de voor pensioen in aanmerking komende tijd van het kamerlid, het gewezen kamerlid of het gepensioneerde kamerlid in aanmerking genomen, die gelegen is voor het tijdstip van diens overlijden. ### Artikel 70 @@ -1169,13 +1270,15 @@ b. voor de wees bedoeld in artikel 70, eerste lid, onder b, 0,75 percent van het ### Artikel 72 -**1.** De gedeelten van de nabestaanden-, bijzondere nabestaanden- en wezenpensioenen, onderscheidenlijk van de wezenpensioenen, bedoeld in de artikelen 67, 68, 69 en 70, gaan tezamen het bedrag waarvan die pensioenen zijn afgeleid niet te boven. +**1.** Het gezamenlijk bedrag van de wezenpensioenen gaat een bedrag gelijk aan vijf zevende gedeelte van het bedrag waarvan die pensioenen zijn afgeleid niet te boven. -**2.** Indien wegens toepassing van het vorige lid de daarbedoelde pensioengedeelten een vermindering moeten ondergaan, geschiedt deze in evenredigheid van de onderscheidene bedragen. +**2.** Indien wegens toepassing van het eerste lid de wezenpensioenen worden verminderd, geschiedt deze vermindering in evenredigheid naar de omvang van die pensioenen. + +**3.** Bij de toepassing van dit artikel wordt de toeslag, bedoeld in artikel 73a, buiten beschouwing gelaten. ### Artikel 73 -**1.** De nabestaande die de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt, heeft tot de eerste dag van de maand waarin hij die leeftijd bereikt recht op een toeslag op zijn volgens de voorgaande artikelen berekende pensioen ten bedrage van 15 percent van dat pensioen, behoudens het bepaalde in het tweede en vierde lid. +**1.** De nabestaande die de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt, heeft tot de eerste dag van de maand waarin hij die leeftijd bereikt recht op een toeslag op zijn volgens de voorgaande artikelen berekende pensioen ten bedrage van 15 percent van dat pensioen voorzover berekend over tijd vóór 1 augustus 2003 en van 7,5 percent voorzover berekend over tijd na 31 juli 2003, behoudens het bepaalde in het tweede en vierde lid. **2.** Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder een pensioen als daar bedoeld verstaan het pensioen nadat eventueel hoofdstuk 17 toepassing heeft gevonden. @@ -1679,7 +1782,14 @@ d. deeltijdfactor: een breuk waarvan de teller wordt gevormd door de genoten wed **1.** Aan een lid van gedeputeerde staten wordt met ingang van de dag van zijn aftreden, indien hij nog niet de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, recht op uitkering verleend ten laste van de provincie waarin hij als zodanig optrad, op de voet van de volgende artikelen. -**2.** Het eerste lid vindt geen toepassing indien de belanghebbende zonder onderbreking weer als lid van gedeputeerde staten optreedt, tenzij hij als zodanig een betrekking in een mindere omvang is gaan uitoefenen. +**2.** + +Het eerste lid vindt geen toepassing: + +a. indien de belanghebbende daarom verzoekt, of indien hij zonder onderbreking weer als lid van gedeputeerde staten optreedt, tenzij hij als zodanig een betrekking in een mindere omvang is gaan uitoefenen; +b. indien aan de belanghebbende rechtens zijn vrijheid is ontnomen. + +**4.** Tenzij de omstandigheid bedoeld in het tweede lid, onder b, te rekenen vanaf de dag van ingang van het ontslag even lang als of langer heeft geduurd dan de duur van de uitkering berekend volgens artikel 132, eerste tweede of derde lid, wordt de uitkering alsnog toegekend met ingang van de dag dat die omstandigheid zich niet meer voordoet, voor de resterende duur. ##### Paragraaf . Duur van de uitkering @@ -1817,8 +1927,11 @@ b. indien de wijziging ambtshalve plaatsvindt, met ingang van de eerste dag van Voor de toepassing van het eerste lid worden onder inkomsten verstaan het gezamenlijk bedrag dat de belanghebbende wegens het verrichten van activiteiten, ter hand genomen met ingang van of na de dag waarop hij heeft opgehouden lid van gedeputeerde staten te zijn, geniet als -a. winst uit onderneming, -b. zuivere inkomsten uit of in verband met arbeid. Onder inkomsten bedoeld in de vorige volzin, wordt mede verstaan een arbeidsongeschiktheidsuitkering krachtens de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten. +a. winst uit een of meer ondernemingen, bedoeld in artikel 3.8 van de Wet inkomstenbelasting 2001; +b. belastbaar loon uit of in verband met arbeid en +c. belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden, behoudens voorzover het een werkzaamheid betreft als bedoeld in de artikelen 3.91, eerste lid, onderdelen a en b, en 3.92 van de Wet inkomstenbelasting 2001. + +Onder inkomsten bedoeld in de vorige volzin, wordt mede verstaan een arbeidsongeschiktheidsuitkering krachtens de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten. **3.** @@ -1850,7 +1963,9 @@ c. de vaste vergoeding die wordt genoten als lid van provinciale staten. ### Artikel 135 -De uitkering over een maand berekend, wordt in maandelijkse termijnen betaald. +**1.** De uitkering, berekend over een maand, wordt in maandelijkse termijnen betaald. + +**2.** De uitkering wordt niet uitbetaald zolang de belanghebbende niet of niet op de voorgeschreven wijze voldoet aan zijn verplichtingen op grond van artikel 134a. ##### Paragraaf . Einde en verval van de uitkering @@ -1864,6 +1979,9 @@ De uitkering vervalt: a. met ingang van de dag waarop de belanghebbende de leeftijd van 65 jaar bereikt; b. met ingang van de dag waarop de belanghebbende opnieuw lid van gedeputeerde staten wordt in de provincie ten laste waarvan de uitkering wordt genoten, tenzij hij als zodanig een betrekking is gaan uitoefenen in een mindere omvang dan voor het aftreden waaraan hij het recht op uitkering ontleent. +c. wanneer tijdens de duur van de uitkering zich de omstandigheid voordoet, bedoeld in artikel 131, tweede lid, onder b. Zodra die omstandigheid zich niet langer voordoet is het daar bepaalde van overeenkomstige toepassing. + +**3.** De uitkering kan geheel of ten dele vervallen worden verklaard indien de belanghebbende herhaaldelijk niet of niet op de voorgeschreven wijze voldoet aan zijn verplichtingen op grond van artikel 134a. ##### Paragraaf . Uitkering bij overlijden @@ -1905,6 +2023,14 @@ c. indien de belanghebbende daarom verzoekt. Provinciale staten onderscheidenlijk de raad kunnen bepalen dat voor de toepassing van de eerste en de tweede volzin de vergoeding voor de werkzaamheden als lid van provinciale staten respectievelijk de raad niet wordt beschouwd als daar bedoelde inkomsten. +**4.** Een lid van gedeputeerde staten en een gewezen lid van gedeputeerde staten hebben bij ingang van het pensioen eenmalig de keuzemogelijkheid het pensioen met 12 percent te verhogen, voorzover het is berekend over tijd als lid van gedeputeerde staten die is gelegen na 30 juni 1999 en die overeenkomt met de tijd die krachtens artikel 145 voor de berekening van het nabestandenpensioen in aanmerking wordt genomen. + +**5.** Met de verhoging van het pensioen, bedoeld in het vijfde lid, vervalt de aanspraak op nabestaandenpensioen, voorzover opgebouwd na 30 juni 1999. + +**6.** De keuze, bedoeld in het vijfde lid, kan slechts worden gedaan met toestemming van de echtgenoot of de aangemelde partner. De regels, bedoeld in artikel 13a, zevende lid, zijn van overeenkomstige toepassing. + +**7.** De verhoging van het pensioen gaat in met ingang van de dag waarop het recht op pensioen ontstaat en is onherroepelijk. + ### Artikel 139 **1.** Voor tijd vóór 1 januari 1986 is de pensioengrondslag de wedde. @@ -1968,18 +2094,17 @@ Tijd, doorgebracht als lid van gedeputeerde staten, gedurende welke de belangheb ### Artikel 140 -**1.** Ten laste van de provincie, waarin hij als zodanig optrad, wordt recht op nabestaandenpensioen verleend aan de nabestaande van een lid, gewezen lid of gepensioneerd lid van gedeputeerde staten. +**1.** De nabestaande van een lid van gedeputeerde staten, gewezen lid van gedeputeerde staten of gepensioneerd lid van gedeputeerde staten heeft recht op pensioen. **2.** -Geen recht op nabestaandenpensioen bestaat indien het huwelijk was gesloten nadat het ontslag van de echtgenoot was ingegaan, tenzij: +In afwijking van het eerste lid bestaat geen recht op nabestaandenpensioen: -a. de echtgenoot ten tijde van het sluiten van het huwelijk recht had op uitkering ter zake van zijn aftreden als lid van gedeputeerde staten, of -b. de echtgenoten reeds voor het ontslag met elkaar gehuwd waren geweest dan wel de nabestaande door de echtgenoot aangemeld was geweest en mits het huwelijk was gesloten voordat deze de 65-jarige leeftijd had bereikt. +a. indien het huwelijk is gesloten nadat het gepensioneerde lid van gedeputeerde staten de leeftijd van 65 jaar had bereikt; +b. bij overlijden van een gewezen lid van gedeputeerde staten vóór het bereiken van de leeftijd van 65 jaar, voorzover de pensioengeldige tijd van de overledene is gelegen na 31 juli 2003; +c. bij overlijden van een gepensioneerd lid van gedeputeerde staten, voorzover de pensioengeldige tijd van de overledene is gelegen na 30 juni 1999 en de keuze is gedaan, bedoeld in artikel 138a, vierde lid. -**3.** Voor de toepassing van het vorige lid wordt het aftreden geacht niet te hebben plaatsgevonden, indien zonder wezenlijke onderbreking een politiek ambt als bedoeld in deze wet is aanvaard. - -**4.** Provinciale Staten beslissen of een onderbreking als wezenlijk moet worden beschouwd. Van een zodanige onderbreking is geen sprake indien deze ten hoogste twee maanden heeft geduurd. +**3.** Voor de toepassing van het tweede lid geldt niet als gewezen lid van gedeputeerde staten het gewezen lid van gedeputeerde staten met recht op uitkering als bedoeld in artikel 131. ### Artikel 141 @@ -1996,7 +2121,14 @@ b. de onder *a* bedoelde dag ligt na het tijdstip van de inwerkingtreding van de **2.** Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de vrouw of man van wie de aanmelding is geëindigd, mits zij of hij recht op nabestaandenpensioen zou hebben gehad, indien het lid van gedeputeerde staten, het gewezen lid van gedeputeerde staten of gepensioneerde lid van gedeputeerde staten op de dag van eindigen van de aanmelding zou zijn overleden. -**3.** Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing indien de desbetreffende vrouw of man als gevolg van een huwelijk met, dan wel een aanmelding door hetzelfde lid van gedeputeerde staten ter zake van diens overlijden recht op nabestaandenpensioen verkrijgt. +**3.** + +In afwijking van het het eerste en het tweede lid bestaat geen recht op bijzonder nabestaandenpensioen: + +a. indien het lid van gedeputeerde staten, gewezen lid van gedeputeerde staten of gepensioneerde lid van gedeputeerde staten en de desbetreffende vrouw of man dat zijn overeengekomen bij huwelijkse voorwaarden, bij geschrift met het oog op het einde van het huwelijk of de aanmelding, en gedeptuteerde staten daarmee instemmen; +b. indien de onder a bedoelde vrouw of man als gevolg van hertrouwen met of aanmelding door hetzelfde lid van gedeputeerde staten wegens diens overlijden recht op nabestaandenpensioen heeft; +c. bij overlijden van een lid van gedeputeerde staten of gewezen lid van gedeputeerde staten voor de leeftijd van 65 jaar, voorzover de pensioengeldige tijd van de overledene is gelegen na 30 juni 1999; +d. bij overlijden van een gepensioneerd lid van gedeputeerde staten, voorzover de pensioengeldige tijd van de overledene is gelegen na 30 juni 1999 en de keuze is gedaan, bedoeld in artikel 138a, vijfde lid. ### Artikel 143 @@ -2022,7 +2154,7 @@ c. de kinderen voor welke het lid, gewezen lid of gepensioneerd lid van gedepute ### Artikel 145 -**1.** Het nabestaandenpensioen bedraagt vijf zevende gedeelte van het pensioen, waarop het overleden lid van gedeputeerde staten als zodanig aanspraak zou hebben gehad, indien hij met ingang van de dag na die van zijn overlijden was ontslagen, of waarop het overleden gewezen lid van gedeputeerde staten als zodanig recht of uitzicht had. +**1.** Het nabestaandenpensioen bedraagt vijf zevende gedeelte van het pensioen, waarop het overleden lid van gedeputeerde staten als zodanig aanspraak zou hebben gehad, indien hij met ingang van de dag na die van zijn overlijden was ontslagen, of waarop het overleden gewezen lid van gedeputeerde staten als zodanig recht of uitzicht had, een en ander met inachtneming van artikel 140, tweede lid, onder b en c. **2.** @@ -2035,23 +2167,39 @@ b. als gewezen lid van gedeputeerde staten in de periode, waarover hem een uitke **4.** Bij de toepassing van de voorgaande leden wordt ten aanzien van het eigen pensioen voor zover artikel 139a daarop van toepassing is, in alle gevallen gerekend met de franchise bedoeld in artikel 139a, vierde lid, onder *a*. +**5.** Het nabestaandenpensioen wordt verminderd indien de nabestaande meer dan tien jaar jonger was dan de overledene en het huwelijk dan wel de aanmelding op de dag van overlijden nog geen vijf jaar heeft geduurd. De vermindering bedraagt drie procent voor elk vol jaar dat het leeftijdsverschil meer dan tien jaar bedraagt. + ### Artikel 145a -**1.** Dit artikel is uitsluitend van toepassing op pensioenberekeningen over diensttijd tussen 31 december 1985 en 1 januari 1995. +**1.** De nabestaande die jonger is dan 65 jaar maar geen recht heeft op nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet, heeft recht op een toeslag op zijn volgens artikel 145 berekende pensioen, indien dat is berekend of mede berekend over diensttijd na 31 december 1985. -**2.** De nabestaande die de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt en geen recht heeft op nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet, heeft tot de eerste dag van de maand waarin hij die leeftijd bereikt recht op een toeslag op zijn volgens artikel 145 berekende pensioen. Deze toeslag bedraagt jaarlijks voor elk voor de berekening van het nabestaandenpensioen tellend jaar twee en een half procent van het tot een jaarbedrag herleide bedrag van de nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet vermeerderd met de daarover berekende vakantie-uitkering ingevolge die wet. +**2.** De toeslag bedraagt jaarlijks voor elk voor de berekening van het nabestaandenpensioen tellend jaar na 31 december 1985 2,5 procent van 75 procent van het tot een jaarbedrag herleide bedrag van de nabestaandenuitkering en de vakantie-uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet. -**3.** Wanneer betrokkene voldoet, onderscheidenlijk niet meer voldoet, aan de voorwaarden omschreven in het tweede lid, dient hij hiervan onverwijld kennis te geven aan provinciale staten. De daarbedoelde toeslag gaat niet eerder in dan een jaar voor de eerste dag van de maand waarin de kennisgeving werd gedaan of waarin die toeslag ambtshalve is toegekend. +**3.** De nabestaande, bedoeld in het eerste lid, die jonger is dan 40 jaar, heeft recht op de in dat lid bedoelde toeslag voor de duur van 12 maanden. -**4.** Wanneer het bedrag van de nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet of van de daarover berekende vakantie-uitkering ingevolge die wet wordt gewijzigd, wordt de in het tweede lid bedoelde toeslag dienovereenkomstig gewijzigd met ingang van dezelfde dag als eerstbedoelde wijziging. +**4.** De toeslag gaat in met ingang van de maand waarin het recht daarop ontstaat en wordt met ingang van 1 januari en 1 juli van ieder jaar nader vastgesteld aan de hand van wijzigingen van de in het tweede lid bedoelde bedragen vanaf 1 juli 1999. + +**5.** + +Het recht op toeslag vervalt: + +a. met ingang van de eerste dag van de maand waarin de nabestaande 65 jaar wordt; +b. met ingang van de maand volgend op die waarin de nabestaande hertrouwt, als partner wordt aangemeld of als samenwonend als bedoeld in de Algemene nabestaandenwet wordt aangemerkt. ### Artikel 145b -**1.** Dit artikel is uitsluitend van toepassing op pensioenberekeningen over diensttijd tussen 31 december 1994 en 1 januari 1996. +**1.** De nabestaande die recht heeft op nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet, waarop inkomen in mindering wordt gebracht, heeft recht op een toeslag op zijn volgens artikel 145 berekende pensioen, indien dat is berekend of mede berekend over diensttijd na 31 december 1985. -**2.** De nabestaande die de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt en geen recht heeft op nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet, heeft tot de eerste dag van de maand waarin hij die leeftijd bereikt recht op een toeslag op zijn volgens de voorgaande artikelen berekende pensioen. Deze toeslag bedraagt jaarlijks voor elk voor de berekening van het nabestaandenpensioen tellend jaar 1,25 percent van de franchise, bedoeld in artikel 139aa. +**2.** Recht op toeslag heeft eveneens de nabestaande aan wie in het tijdvak van 1 juli 1996 tot 1 juli 1999 nabestaandenpensioen is toegekend en op wiens uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet in dat tijdvak inkomen in mindering is gebracht, met ingang van die vermindering. -**3.** Het derde en vierde lid van artikel 145*a* zijn van overeenkomstige toepassing. +**3.** + +De toeslag bedraagt jaarlijks voor elk voor de berekening van het nabestaandenpensioen tellend jaar na 31 december 1985 2,5 procent van het verschil tussen 75 procent van het tot een jaarbedrag herleide bedrag van de nabestaandenuitkering en de vakantie-uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet zonder vermindering en het verminderde bedrag. De toeslag bedraagt niet meer dan 75 procent van het in de eerste volzin eerstbedoelde bedrag en kan niet negatief zijn. De toeslag wordt nader vastgesteld; + +a. met ingang van 1 januari en 1 juli van ieder jaar aan de hand van wijzigingen van de in het tweede lid, eerste volzin, eerstbedoelde bedragen vanaf 1 juli 1999; +b. bij iedere nadere vaststelling van de verminderdering van een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet. + +**3.** Artikel 145a, vierde en vijfde lid, zijn mede van toepassing op de toeslag ingevolge dit artikel. ### Artikel 145c @@ -2075,15 +2223,22 @@ c. met ingang van de eerste dag van de maand waarin de vermindering van de nabes ### Artikel 146 -**1.** Het bijzonder pensioen van de nabestaande van een lid van gedeputeerde staten, van een gewezen lid van gedeputeerde staten of van een gepensioneerd lid van gedeputeerde staten wordt op dezelfde wijze berekend als het pensioen van de nabestaande van een lid van gedeputeerde staten, van een gewezen lid van gedeputeerde staten of van een gepensioneerd lid van gedeputeerde staten, met dien verstande dat slechts de diensttijd medetelt die is gelegen vóór de ontbinding van het huwelijk dan wel vóór het tijdstip waarop de aanmelding is geëindigd. +**1.** + +Het bijzonder nabestaandenpensioen bedraagt vijf zevende gedeelte van een eigen pensioen waarbij in aanmerking wordt genomen: + +a. de berekeningsgrondslag waarnaar het pensioen van het lid van gedeputeerde staten, gewezen lid van gedeputeerde staten of gepensioneerde lid van gedeputeerde staten zou zijn berekend indien deze op de dag van ontbinding van het huwelijk dan wel van het einde van de aanmelding als partner recht op pensioen zou hebben verkregen; +b. pensioengeldige tijd die is gelegen vóór de onder a bedoelde dag, met dien verstande dat in de gevallen bedoeld in artikel 142, derde lid, onder c en d, uitsluitend tijd vóór respectievelijk 1 augustus 2003 en 1 juli 1999 in aanmerking word genomen. **2.** Indien er recht bestaat op meer dan een bijzonder nabestaandenpensioen als bedoeld in artikel 142, eerste of tweede lid, vindt het eerste lid overeenkomstige toepassing met dien verstande, dat voor de berekening van het bijzonder nabestaandenpensioen ontleend aan elk huwelijk en elke aanmelding waaraan een eerder huwelijk dan wel een eerdere aanmelding voorafgaat slechts de diensttijd medetelt die samenloopt of geacht kan worden samen te lopen met de huwelijksduur dan wel de duur van de aanmelding. -**3.** Indien er bij een overlijden recht bestaat op een of meer bijzondere nabestaandenpensioenen wordt het nabestaandenpensioen dat aan hetzelfde overlijden wordt ontleend met het bedrag daarvan verminderd. +**3.** Artikel 145, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing. + +**4.** Indien er bij een overlijden recht bestaat op een of meer bijzondere nabestaandenpensioenen wordt het nabestaandenpensioen dat aan hetzelfde overlijden wordt ontleend met het bedrag daarvan verminderd. ### Artikel 147 -Indien een nabestaande hertrouwt dan wel partij is bij een aanmelding, wordt zijn pensioen opnieuw vastgesteld met ingang van de maand volgende op die waarin hij hertrouwt dan wel de aanmelding geschiedt. Daarbij wordt uitsluitend de voor pensioen in aanmerking komende diensttijd van het lid van gedeputeerde staten, het gewezen lid van gedeputeerde staten of het gepensioneerde lid van gedeputeerde staten in aanmerking genomen, die gelegen is voor het tijdstip van diens overlijden. +Indien een nabestaande hertrouwt, partij is bij een aanmelding of wordt aangemerkt als ongehuwd samenwonend als bedoeld in de Algemene nabestaandenwet, wordt zijn pensioen opnieuw vastgesteld met ingang van de daarop volgende maand. Daarbij wordt uitsluitend de voor pensioen in aanmerking komende diensttijd van het lid van gedeputeerde staten, het gewezen lid van gedeputeerde staten of het gepensioneerde lid van gedeputeerde staten in aanmerking genomen, die gelegen is voor het tijdstip van diens overlijden. ### Artikel 148 @@ -2121,17 +2276,19 @@ b. voor de wees bedoeld in artikel 148, eerste lid, onder b, 0,75 percent van he ### Artikel 150 -**1.** De gedeelten van de nabestaanden- bijzondere nabestaanden- en wezenpensioenen, onderscheidenlijk van de wezenpensioenen, bedoeld in de artikelen 145, 146, 147 en 148, gaan tezamen het bedrag waarvan die pensioenen zijn afgeleid niet te boven. +**1.** Het gezamenlijk bedrag van de wezenpensioenen gaat een bedrag gelijk aan vijf zevende gedeelte van het bedrag waarvan die pensioenen zijn afgeleid niet te boven. -**2.** Indien wegens toepassing van het vorige lid de daarbedoelde pensioengedeelten een vermindering moeten ondergaan, geschiedt deze in evenredigheid van de onderscheidene bedragen. +**2.** Indien wegens toepassing van het eerste lid de wezenpensioenen worden verminderd, geschiedt deze vermindering in evenredigheid naar de omvang van die pensioenen. + +**3.** Bij de toepassing van dit artikel wordt de toeslag, bedoeld in artikel 150b, buiten beschouwing gelaten. ### Artikel 150a -**1.** De nabestaande die de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt, heeft tot de eerste dag van de maand waarin hij die leeftijd bereikt recht op een toeslag op zijn volgens de voorgaande artikelen berekende pensioen ten bedrage van 15 percent van dat pensioen, behoudens het bepaalde in het tweede en vierde lid. +**1.** De nabestaande die de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt, heeft tot de eerste dag van de maand waarin hij die leeftijd bereikt recht op een toeslag op zijn volgens de voorgaande artikelen berekende pensioen ten bedrage van 15 percent van dat pensioen voorzover berekend over tijd vóór 1 augustus 2003 en van 7,5 percent voorzover berekend over tijd na 31 juli 2003, behoudens het bepaalde in het tweede en vierde lid. **2.** Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder een pensioen als daar bedoeld verstaan het pensioen nadat eventueel hoofdstuk 25 toepassing heeft gevonden. -**3.** Dit artikel is niet van toepassing ten aanzien van degene die recht heeft op bijzonder nabestaandenpensioen, noch degene wiens nabestaandenpensioen wegens hertrouwen dan wel een aanmelding opnieuw is vastgesteld. +**3.** Dit artikel is niet van toepassing ten aanzien van degene die recht heeft op bijzonder nabestaandenpensioen, noch degene wiens nabestaandenpensioen met toepassing van artikel 147 opnieuw is vastgesteld. **4.** De in het eerste lid bedoelde toeslag bedraagt ten hoogste vijftien percent van f 72.309,80 per 14 maart 2003: € 35.466,30. Dit bedrag wordt telkens aangepast bij de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 157, derde lid, overeenkomstig de aanpassing van een bedrag dat, omgerekend naar euro's, op 1 januari 1985  € 28 678,91 bedroeg.