2001-06-08 | BWBR0004220 | Besluit verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten

This commit is contained in:
Coornhert 2001-06-08 12:00:00 +00:00
parent cbe424638f
commit c559ba8c73

View file

@ -3,7 +3,7 @@ titel: Besluit verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten
bwb_id: BWBR0004220
type: AMvB
status: geldend
datum_inwerkingtreding: '2008-04-29'
datum_inwerkingtreding: '1988-09-01'
bron: https://wetten.overheid.nl/BWBR0004220
citeertitel: Besluit verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten
---
@ -14,31 +14,15 @@ citeertitel: Besluit verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en prepa
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. de wet: de Wet milieubeheer;
b. stoffenrichtlijn: richtlijn nr. 67/548/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 juni 1967 betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen (PbEG L 196);
c. Onze Ministers: Onze Ministers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van Infrastructuur en Milieu en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
### Artikel 1a
**1.**
Op een verpakking als bedoeld in artikel 9.2.3.3, eerste lid, van de wet moeten duidelijk en onuitwisbaar vermeld zijn:
a. de chemische namen van de stoffen waaruit het preparaat bestaat of de naam van het genetisch gemodificeerd organisme;
b. de naam en het adres van de in de Europese Economische Ruimte gevestigde persoon die het preparaat of het genetisch gemodificeerd organisme vervaardigt, in de Europese Economische Ruimte aan een ander ter beschikking stelt of invoert;
c. de benaming van het gevaar of de gevaren van het preparaat, als bedoeld in artikel 9.2.3.1, tweede lid, van de wet, met het bijbehorende symbool, onderscheidenlijk de bijbehorende symbolen, voor zover daarin krachtens het derde lid is voorzien;
d. een verwijzing naar de bijzondere, aan het gebruik van het preparaat verbonden gevaren, voor zover daarin krachtens het derde lid is voorzien;
e. veiligheidsaanbevelingen ter vermijding van de belangrijkste, aan het gebruik van het preparaat verbonden gevaren, voor zover daarin krachtens het derde lid is voorzien.
**2.** Onze Ministers stellen tezamen nadere regels met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde aanduidingen. Zij kunnen daarbij tevens bepalen dat door hen aan te geven verdere aanduidingen op een verpakking moeten zijn vermeld, of dat door hen aan te geven aanduidingen slechts in door hen aan te geven gevallen behoeven te zijn vermeld.
**3.** Aan het bepaalde bij of krachtens het eerste lid, onder a, c, d en e, en het tweede lid wordt geacht te zijn voldaan, indien een preparaat, opgenomen op een door Onze Ministers tezamen vastgestelde lijst van preparaten als bedoeld in artikel 9.2.3.1, is aangeduid op de wijze die in die lijst met betrekking tot dat preparaat is aangegeven.
a. de wet: de Wet milieugevaarlijke stoffen;
b. de richtlijn: de richtlijn nr. 67/548/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 juni 1967 betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen (*PbEG* L 196), zoals gewijzigd bij richtlijn nr. 92/32/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 30 april 1992 tot zevende wijziging van richtlijn 67/548/EEG betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen (*PbEG* L 154), zoals deze laatstelijk is gewijzigd bij richtlijn nr. 93/21 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 4 mei 1993 (*PbEG* L 110), met inbegrip van toekomstige wijzigingen van de bijlagen I, V en VI bij richtlijn nr. 67/548/EEG;
c. Onze Ministers: Onze Ministers van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
### Artikel 2
**1.**
De criteria volgens welke een stof moet worden ingedeeld in een categorie als bedoeld in artikel 9.2.3.1, tweede lid, van de wet, zijn voor de onderscheidene categorieën als volgt:
De criteria volgens welke een stof moet worden ingedeeld in een categorie als bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de wet, zijn voor de onderscheidene categorieën als volgt:
a. ontplofbaar: stoffen en preparaten in vaste, vloeibare, pasta- of gelatine-achtige toestand, die ook zonder de inwerking van zuurstof in de lucht exotherm kunnen reageren, hierbij snel gassen ontwikkelen en onder bepaalde voorwaarden ontploffen, snel explosief verbranden of door verhitting bij gedeeltelijke afsluiting ontploffen;
b. oxyderend: stoffen en preparaten die bij aanraking met andere stoffen, met name ontvlambare stoffen, sterk exotherm reageren;
@ -61,107 +45,78 @@ m. mutageen: stoffen en preparaten die bij inademing of bij opneming via de mond
n. voor de voortplanting vergiftige: stoffen en preparaten die bij inademing of bij opneming via de mond of via de huid niet-erfelijke afwijkingen bij het nageslacht alsmede of uitsluitend aantasting van de mannelijke of vrouwelijke voortplantingsfuncties of -vermogens kunnen veroorzaken, dan wel de frequentie van deze afwijkingen of aantasting doen toenemen;
o. milieugevaarlijk: stoffen en preparaten die, wanneer zij in het milieu terechtkomen, onmiddellijk of na verloop van tijd gevaar voor een of meer milieucompartimenten opleveren of kunnen opleveren.
**2.** Voor de indeling van een stof in een categorie als bedoeld in artikel 9.2.3.1, tweede lid, van de wet, zijn tevens van toepassing de criteria die zijn vastgelegd in bijlage VI bij de stoffenrichtlijn.
**2.** Voor de indeling van een stof in een categorie als bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de wet, zijn tevens van toepassing de criteria die zijn vastgelegd in bijlage VI bij de richtlijn.
**3.** Het bepaalde in het eerste lid, onder a tot en met e, is niet van toepassing op aërosolen als bedoeld in het Warenwetbesluit drukverpakkingen.
**3.** Het bepaalde in het eerste lid, onder *c*, *d* en *e*, is niet van toepassing op aërosolen als bedoeld in het Warenwetbesluit drukverpakkingen.
### Artikel 3
**1.** Ter bepaling of een stof behoort tot een categorie als bedoeld in artikel 9.2.3.1, tweede lid, van de wet, wordt gebruik gemaakt van de bestaande relevante en toegankelijke gegevens over de eigenschappen van de stof.
**1.** Voor zover van een stof een kennisgeving als bedoeld in artikel 4, derde lid, van de wet is gedaan, dient ter bepaling of de stof behoort tot een categorie als bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de wet, gebruik te worden gemaakt van de bij de kennisgeving overgelegde gegevens. Voor stoffen die voorkomen op de Europese inventaris van bestaande commerciële stoffen (European Inventory of Existing Commercial Substances (EINECS))(*PbEG* 90/C 146A), doch niet zijn opgenomen in bijlage I bij de richtlijn, dient hierbij gebruik te worden gemaakt van de bestaande relevante en toegankelijke gegevens over de eigenschappen van de stof.
**2.** Onderzoek dat wordt uitgevoerd teneinde vast te stellen of een stof behoort tot een categorie als bedoeld in artikel 9.2.3.1, tweede lid, van de wet, dient te worden uitgevoerd met toepassing van methoden, vastgelegd in bijlage X bij de EG-verordening registratie, evaluatie en autorisatie van chemische stoffen.
**2.** Onderzoek dat wordt uitgevoerd teneinde vast te stellen of een stof als bedoeld in de tweede volzin van het eerste lid behoort tot een categorie als bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de wet, dient te worden uitgevoerd met toepassing van methoden, vastgelegd in bijlage V bij de richtlijn.
**3.** Dit artikel is niet van toepassing op stoffen die zijn opgenomen op de in artikel 36, vierde lid, van de wet bedoelde lijst.
### Artikel 4
Vervallen
Indien van een stof als bedoeld in artikel 2*a*, eerste of tweede lid, artikel 9, tweede lid, onder *a*, of artikel 12, eerste, tweede of derde lid, van het Kennisgevingsbesluit Wet milieugevaarlijke stoffen of van een stof die in de Europese Gemeenschappen door een fabrikant zal worden of wordt vervaardigd of door een importeur zal worden of wordt ingevoerd in een hoeveelheid van minder dan 1000 kg per jaar met het oogmerk daarmede in laboratoria onderzoek te verrichten of, nog niet volledig kan worden bepaald in hoeverre zij behoort tot een of meer categorieën als bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de wet, moet op de verpakking van die stof, benevens de aanduidingen op grond van reeds uitgevoerde onderzoeken, duidelijk en onuitwisbaar zijn vermeld: "Pas op - nog niet volledig onderzochte stof".
### Artikel 5
**1.** De in artikel 1a, eerste lid, voorgeschreven aanduidingen moeten gesteld zijn in de Nederlandse taal.
**2.** Onze Ministers kunnen bepalen dat in door hen aan te geven gevallen, waarin naar hun oordeel in het verband met de bestemming van de stoffen het in het eerste lid voorgeschreven gebruik van de Nederlandse taal voor de in artikel 1a, eerste lid, voorgeschreven aanduidingen niet zinvol is, deze aanduidingen in een andere taal dan de Nederlandse mogen worden gesteld.
Onze Ministers kunnen bepalen dat in door hen aan te geven gevallen, waarin naar hun oordeel in het verband met de bestemming van de stoffen het in artikel 36, tweede lid, van de wet voorgeschreven gebruik van de Nederlandse taal voor de in artikel 36, eerste lid, van de wet voorgeschreven aanduidingen niet zinvol is, deze aanduidingen in een andere taal dan de Nederlandse taal mogen worden gesteld.
### Artikel 6
**1.** De artikelen 9.2.3.1 tot en met 9.2.3.4 van de wet, en de artikelen 2, eerste en derde lid, 3, tweede lid, en 5, zijn van overeenkomstige toepassing op preparaten, met uitzondering van cosmetica als bedoeld in het Warenwetbesluit cosmetische producten 2011.
**1.** De artikelen 34 tot en met 38 van de wet, en de artikelen 2, eerste en derde lid, 3, tweede lid, en 5, zijn van overeenkomstige toepassing op preparaten, met uitzondering van cosmetica als bedoeld in het Cosmeticabesluit (Warenwet) 1979 (*Stb.* 1980, 256).
**2.** Onze Ministers kunnen regels stellen met betrekking tot de verpakking, het etiket daaronder begrepen, en aanduiding van preparaten.
**2.** Onze Ministers kunnen regelen stellen met betrekking tot de verpakking en aanduiding van preparaten die niet behoren tot een categorie als bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de wet.
### Artikel 6a
**1.** De indeling van een preparaat in een categorie als bedoeld in artikel 9.2.3.1, tweede lid, onder a tot en met e, van de wet, dient te geschieden op grond van onderzoek naar de in die onderdelen bedoelde gevaarlijke eigenschappen.
**1.** De indeling van een preparaat in een categorie als bedoeld in artikel 34, tweede lid, onder *a* tot en met *e*, van de wet, dient te geschieden op grond van onderzoek naar de in die onderdelen bedoelde gevaarlijke eigenschappen.
**2.**
In afwijking van het eerste lid kan de indeling van een preparaat in een categorie als bedoeld in dat lid achterwege blijven, indien:
a. geen enkel bestanddeel van dat preparaat de in artikel 9.2.3.1, tweede lid, onder a tot en met e van de wet, bedoelde eigenschappen heeft en het volgens de gegevens waarover de fabrikant beschikt weinig waarschijnlijk is dat bij het preparaat een dergelijk gevaar aanwezig is, of
b. in het geval van wijziging van de samenstelling van een preparaat met bekende samenstelling, er wetenschappelijke aanwijzingen zijn dat een nieuwe beoordeling van de gevaren niet tot een wijziging van de indeling zal leiden.
**3.** Bij regeling van Onze Ministers worden nadere regels gesteld ter zake van het onderzoek en de in het eerste lid genoemde indeling van een preparaat.
**2.** Onze Ministers kunnen ter uitvoering van een bindend besluit van een orgaan van de Europese Gemeenschappen bepalen dat het eerste lid geheel of gedeeltelijk niet van toepassing is voor door hen aan te geven preparaten. Zij kunnen daarbij bepalen dat voor de indeling in de in artikel 34, tweede lid, onder *a* tot en met *e*, van de wet bedoelde categorieën moet worden gebruik gemaakt van een door hen vast te stellen methode.
### Artikel 6b
**1.** Voor de indeling van een preparaat in een categorie als bedoeld in artikel 9.2.3.1, tweede lid, onder f tot en met n, van de wet, is van toepassing de door Onze Ministers vast te stellen methode met bijbehorende criteria, die gebaseerd is op de eigenschappen van de stoffen waaruit het preparaat is samengesteld en de concentraties waarin die stoffen in het preparaat voorkomen.
**1.** Voor de indeling van een preparaat in een categorie als bedoeld in artikel 34, tweede lid, onder *f* tot en met *j* en *l* tot en met *n*, van de wet, is van toepassing de door Onze Ministers vast te stellen methode met bijbehorende criteria, die gebaseerd is op de eigenschappen van de stoffen waaruit het preparaat is samengesteld en de concentraties waarin die stoffen in het preparaat voorkomen.
**2.** In afwijking van het eerste lid wordt een preparaat overeenkomstig de criteria van bijlage VI bij de stoffenrichtlijn, ingedeeld in één of meer van de categorieën bedoeld in artikel 9.2.3.1, tweede lid, onder f tot en met j, van de wet, indien met betrekking tot die indeling toxicologische gegevens beschikbaar zijn.
**2.** In afwijking van het eerste lid is artikel 2, tweede lid, van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de indeling van een preparaat in één of meer van de categorieën bedoeld in artikel 34, tweede lid, onder *f* tot en met *j*, van de wet, indien met betrekking tot die indeling toxicologische gegevens beschikbaar zijn.
**3.** Bij regeling van Onze Ministers worden regels gesteld over de wijze waarop de toxicologische gegevens bedoeld in het tweede lid worden bepaald.
**4.** In de in het derde lid bedoelde regels kunnen tevens bijzondere omstandigheden worden aangewezen die van invloed zijn op de indeling van het preparaat.
**5.** Onze Ministers bepalen in welke gevallen een wijziging in de samenstelling van een preparaat dat is ingedeeld in een categorie als bedoeld in artikel 9.2.3.1, tweede lid, onder f tot en met n, van de wet, leidt tot een nieuwe beoordeling van die indeling.
**3.** Onze Ministers bepalen in welke gevallen een wijziging in de samenstelling van een preparaat dat is ingedeeld in een categorie als bedoeld in artikel 34, tweede lid, onder *f* tot en met *j* en *l* tot en met *n*, van de wet, dient te leiden tot een nieuwe beoordeling van die indeling.
### Artikel 6c
**1.** Op de indeling van een preparaat in de categorie milieugevaarlijk als bedoeld in artikel 9.2.3.1, tweede lid, onder o, van de wet, is van toepassing de bij regeling van Onze Ministers vast te stellen methode met bijbehorende criteria.
**1.** Het is degene die een stof of een preparaat, behorende tot een categorie als bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de wet, vervaardigt of in Nederland invoert, verboden om die stof of dat preparaat ter aflevering voorhanden te hebben of aan een ander ter beschikking te stellen, indien hij de gegevens die voor de indeling en aanduiding van die stof of dat preparaat zijn gebruikt, niet gedurende tien jaar na de beëindiging van het vervaardigen of invoeren ter beschikking houdt.
**2.** Bij regeling van Onze Ministers wordt voor preparaten waarvan de samenstelling bekend is, met uitzondering van de onder richtlijn nr. 91/414/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (PbEG L 230) vallende preparaten die zijn ingedeeld volgens andere internationaal erkende methoden die in overeenstemming zijn met de bepalingen van de bijlagen II en III bij richtlijn nr. 91/414/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (PbEG L 230), vastgesteld in welke gevallen een nieuwe beoordeling van de gevaren voor het milieu plaatsvindt.
### Artikel 6d
**1.**
Degene die verantwoordelijk is voor het in de handel brengen van een stof of een preparaat houdt ter beschikking:
a. de gegevens die zijn gebruikt voor de indeling en het kenmerken van het preparaat;
b. alle nuttige informatie betreffende de wijze van verpakking van die verpakkingen die preparaten bevatten welke aan het grote publiek te koop aangeboden of verkocht worden met inbegrip van het certificaat dat na proeven overeenkomstig bijlage IX, deel A, bij de stoffenrichtlijn wordt verstrekt.
**2.** Bij regeling van Onze Ministers worden instanties aangewezen ten behoeve waarvan de in het eerste lid genoemde gegevens ter beschikking worden gehouden.
**3.** Bij regeling van Onze Ministers kunnen nadere regels worden gesteld betreffende het vragen van inlichtingen over de samenstelling van het preparaat en alle andere nuttige informatie aan de persoon die verantwoordelijk is voor het in de handel brengen van het preparaat.
### Artikel 6e
Elke vorm van reclame voor een preparaat waarbij een particulier een koopcontract kan sluiten zonder eerst de verpakking, het etiket daarbij inbegrepen, van het preparaat te hebben gezien, vermeldt de daarop aangeduide soort of soorten gevaren als bedoeld in artikel 9.2.3.1, tweede lid, van de wet.
### Artikel 6f
Bij regeling van Onze Ministers kunnen preparaten worden aangewezen waarop de artikelen 1a en 9.2.3.1 tot en met 9.2.3.4 van de wet geheel of voor een daarbij te bepalen gedeelte niet van toepassing zijn indien deze preparaten in de vorm waarin ze in de handel zijn gebracht geen gevarenopleveren uit fysisch-chemische eigenschappen, noch gevaren opleveren voor gezondheid of voor het milieu.
**2.** Indien degene die een preparaat vervaardigt of in Nederland invoert, dit ter beschikking stelt aan een ander ter verwerking in een ander preparaat, verschaft hij hem daarbij op diens verzoek alle noodzakelijke gegevens over de in het uitgangspreparaat aanwezige gevaarlijke stoffen ten einde een correcte indeling en aanduiding van het nieuwe preparaat mogelijk te maken.
### Artikel 7
De artikelen 9.2.3.1, 9.2.3.2, 9.2.3.3 en 9.2.3.4, eerste lid, van de wet zijn niet van toepassing op:
**1.**
a. springstoffen die in de handel worden gebracht met het oog op hun explosieve of pyrotechnische eigenschappen;
De artikelen 34 tot en met 37 en artikel 38, eerste lid, van de wet zijn niet van toepassing op:
a. munitie en springstoffen die in de handel worden gebracht om door explosie of door een pyrotechnisch effect een beoogde uitwerking te hebben;
b. stoffen, alsmede preparaten als bedoeld in artikel 6, eerste lid, in douanevervoer, die onder toezicht staan van de douane en niet worden bewerkt of verwerkt;
c. stoffen, alsmede preparaten als bedoeld in artikel 6, eerste lid, in de vorm van afvalstoffen waarop richtlijn nr. 2006/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2006 betreffende afvalstoffen (PbEU L 114) of richtlijn nr. 78/319/EEG van de Raad van 20 maart 1978 betreffende toxische en gevaarlijke afvalstoffen (PbEG L 319) van toepassing zijn;
d. preparaten die radioactieve stoffen als omschreven in richtlijn nr. 80/836/Euratom van de Raad van 15 juli 1980 houdende wijziging van de richtlijnen tot vaststelling van de basisnormen voor de bescherming van de gezondheid der bevolking en der werknemers tegen de aan ioniserende straling verbonden gevaren, bevatten;
e. medische hulpmiddelen die invasief zijn of in direct contact komen met het lichaam, voorzover er communautaire voorschriften voor de indeling en kenmerking van gevaarlijke stoffen en preparaten voorhanden zijn die eenzelfde niveau van informatie en bescherming verzekeren als richtlijn nr. 1999/45/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 31 mei 1999 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke preparaten (PbEG L 200);
f. geneesmiddelen als bedoeld in de Geneesmiddelenwet en diergeneesmiddelen als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet dieren.
c. stoffen, alsmede preparaten als bedoeld in artikel 6, eerste lid, in de vorm van afvalstoffen waarop Richtlijn 75/442/EEG (*PbEG* L 194), betreffende afvalstoffen, of Richtlijn 78/319/EEG (*PbEG* L 84), betreffende toxische en gevaarlijke afvalstoffen, van toepassing zijn;
d. sera en vaccins als bedoeld in de Wet op sera en vaccins (*Stb.* 1927, 91);
e. bloed en bloedprodukten als bedoeld in de Wet op menselijk bloed (*Stb.* 1961, 182).
**2.** De artikelen 34 tot en met 37 en artikel 38, eerste lid, van de wet zijn tot 30 april 1997 evenmin van toepassing op butaan, propaan en vloeibaar gemaakt petroleumgas, met uitzondering van aërosolen als bedoeld in het Warenwetbesluit drukverpakkingen.
### Artikel 8
Dit besluit berust op de artikelen 9.2.3.1, derde en vierde lid, 9.2.3.2, 9.2.3.3 en 9.2.3.5 van de wet.
Het Besluit Aflevering Gevaarlijke Stoffen (*Stb.* 1979, 764) wordt ingetrokken.
### Artikel 9
**1.** Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
**2.** Een wijziging van bijlage VI bij de stoffenrichtlijn treedt voor de toepassing van artikel 3, eerste lid, onderscheidenlijk tweede lid, onderscheidenlijk artikel 2, tweede lid, in werking met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij ministerieel besluit, dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld.
**2.** Een wijziging van bijlage I, V of VI bij de richtlijn treedt voor de toepassing van artikel 3, eerste lid, onderscheidenlijk tweede lid, onderscheidenlijk artikel 2, tweede lid, in werking met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij ministerieel besluit, dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld.
**3.** Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport in overeenstemming met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan bij ministeriële regeling onderdelen van een in werking getreden wijziging als bedoeld in het tweede lid, voor door hem aan te wijzen categorieën stoffen tot een door hem te bepalen tijdstip buiten toepassing laten.
**4.** Indien de bijlage van de stoffenrichtlijn, bedoeld in het tweede lid, wordt gewijzigd, zal Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport dit bekend maken in de Nederlandse Staatscourant. Hij maakt daarbij tevens bekend wanneer de wijziging in werking treedt.
**4.** Indien één van de bijlagen van de richtlijn, bedoeld in het tweede lid, wordt gewijzigd, zal Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport dit bekend maken in de Nederlandse Staatscourant. Hij maakt daarbij tevens bekend wanneer de wijziging in werking treedt.
**5.** Het besluit kan worden aangehaald als Besluit verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten.