2014-08-01 | BWBR0003862 | Bekostigingsbesluit WPO
This commit is contained in:
parent
11bee277de
commit
c55a07a952
1 changed files with 78 additions and 127 deletions
|
|
@ -26,7 +26,7 @@ basisschool: een school waar basisonderwijs wordt gegeven, niet zijnde een speci
|
|||
|
||||
speciale school voor basisonderwijs: een school waar basisonderwijs wordt gegeven aan kinderen voor wie vaststaat dat overwegend een zodanige orthopedagogische en orthodidactische benadering aangewezen is, dat zij althans gedurende enige tijd op een speciale school voor basisonderwijs moeten worden opgevangen;
|
||||
|
||||
samenwerkingsverband: een samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 18 van de wet;
|
||||
samenwerkingsverband: een samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 1 van de wet;
|
||||
|
||||
school: een basisschool of een speciale school voor basisonderwijs, tenzij het tegendeel blijkt;
|
||||
|
||||
|
|
@ -36,7 +36,7 @@ bijzondere school: door een privaatrechtelijke rechtspersoon in stand gehouden s
|
|||
|
||||
nevenvestiging: deel van een school, dat op de plaats waar het onderwijs wordt gegeven voordat het een deel van de school werd als zelfstandige school functioneerde;
|
||||
|
||||
centrale dienst: centrale dienst die bekostiging ontvangt als bedoeld in artikel 132 van de wet;
|
||||
centrale dienst: centrale dienst als bedoeld in de wet;
|
||||
|
||||
bevoegd gezag van volgens de wet bekostigde scholen: voor wat betreft
|
||||
|
||||
|
|
@ -70,8 +70,6 @@ zoals deze regeling onderscheidenlijk deze wet luidden op 31 december 1996;
|
|||
|
||||
accountant: een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;
|
||||
|
||||
leerlinggebonden budget: het budget, dat beschikbaar is op grond van artikel 70a van de wet;
|
||||
|
||||
formatiebasisbedrag: het formatiebasisbedrag, bedoeld in artikel 22, eerste lid, onderdeel a;
|
||||
|
||||
formatieleeftijdsbedrag: het formatieleeftijdsbedrag, bedoeld in artikel 22, eerste lid, onderdeel b;
|
||||
|
|
@ -349,15 +347,7 @@ Het aantal leerlingen, bedoeld in artikel 134, zevende lid, van de wet is tien.
|
|||
|
||||
### Artikel 17
|
||||
|
||||
**1.** De vergoeding voor de materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding wordt bepaald volgens de programma’s van eisen, bedoeld in artikel 113, derde lid, van de wet.
|
||||
|
||||
**2.** De vergoeding, bedoeld in het eerste lid, wordt voor elke leerling met een leerlinggebonden budget die op de school is ingeschreven verhoogd volgens de onderstaande tabel:
|
||||
|
||||
Per 8 oktober 2013:
|
||||
|
||||
Per 8 oktober 2013:
|
||||
|
||||
**3.** De bedragen, bedoeld in het tweede lid, worden jaarlijks per 1 augustus, telkens te rekenen met het laatstelijk aangepaste bedrag, bij ministeriële regeling aangepast aan de prijsontwikkeling, overeenkomstig de prijsmutatie van de netto materiële consumptie, zoals opgenomen in de Macro Economische Verkenning, die naar verwachting zal optreden tussen het prijsniveau in het jaar voorafgaande aan het jaar waarin het bedrag wordt aangepast, en het jaar waarin het bedrag wordt aangepast.
|
||||
De vergoeding voor de materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding wordt bepaald volgens de programma’s van eisen, bedoeld in artikel 113, derde lid, van de wet.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk III. Bekostiging voor de personeelskosten
|
||||
|
||||
|
|
@ -442,9 +432,9 @@ b. de aanvullende bekostiging voor kleine scholen die de basisschool als school
|
|||
|
||||
### Artikel 26
|
||||
|
||||
**1.** De aanvullende bekostiging voor de schoolleiding, bedoeld in artikel 120, derde lid, van de wet bedraagt voor basisscholen met een aantal leerlingen op de teldatum dat niet hoger is dan 97 een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag. Voor basisscholen met een aantal leerlingen op de teldatum dat hoger is dan 97 wordt het in de eerste volzin bedoelde bedrag met 2 vermenigvuldigd.
|
||||
**1.** De aanvullende bekostiging voor de schoolleiding, bedoeld in artikel 120, derde lid, van de wet bedraagt voor basisscholen met een aantal leerlingen op de teldatum dat niet hoger is dan 97 respectievelijk hoger is dan 97 een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag.
|
||||
|
||||
**2.** De aanvullende bekostiging voor de schoolleiding, bedoeld in artikel 120, derde lid, van de wet bedraagt voor speciale scholen voor basisonderwijs met een aantal leerlingen op de teldatum dat niet hoger is dan 99 een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag. Voor speciale scholen voor basisonderwijs met een aantal leerlingen op de teldatum dat hoger is dan 99 wordt het in de eerste volzin bedoelde bedrag met 2 vermenigvuldigd.
|
||||
**2.** De aanvullende bekostiging voor de schoolleiding, bedoeld in artikel 120, derde lid, van de wet bedraagt voor speciale scholen voor basisonderwijs met een aantal leerlingen op de teldatum dat niet hoger is dan 99 respectievelijk hoger is dan 99 een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag.
|
||||
|
||||
### Artikel 27
|
||||
|
||||
|
|
@ -518,9 +508,9 @@ c. de som van de aantallen leerlingen op alle op 1 augustus van een schooljaar
|
|||
|
||||
### Artikel 31
|
||||
|
||||
**1.** Voor de berekening van het bedrag per leerling, bedoeld in artikel 132, derde lid, van de wet, bedraagt de formatie per leerling 0,00237 formatieplaats.
|
||||
**1.** Voor de berekening van het bedrag per leerling, bedoeld in artikel 132, eerste lid, van de wet bedraagt de hoeveelheid formatie 0,00237 formatieplaats.
|
||||
|
||||
**2.** Voor de berekening van het bedrag per leerling, bedoeld in artikel 132, vierde lid, van de wet, bedraagt de formatie per leerling 0,0654 formatieplaats.
|
||||
**2.** Dit lid is nog niet in werking getreden.
|
||||
|
||||
### Artikel 32
|
||||
|
||||
|
|
@ -534,95 +524,30 @@ Voor de berekening van het bedrag per leerling, bedoeld in artikel 125, tweede l
|
|||
|
||||
### Artikel 34
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
Voor een op de basisschool of de speciale school voor basisonderwijs ingeschreven leerling die toelaatbaar is verklaard tot een van de onderwijssoorten, bedoeld in artikel 2, vierde lid, onderdeel b of c, van de Wet op de expertisecentra dan wel tot het cluster, bedoeld in artikel 2, vierde lid, onderdeel d, van genoemde wet wordt een budget toegekend dat bestaat uit de som van:
|
||||
|
||||
a. een basisbedrag, welk bedrag wordt verhoogd met een leeftijdsbedrag dat wordt vermenigvuldigd met de geraamde landelijk gewogen gemiddelde leeftijd van de leraren van basisscholen op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar, en
|
||||
b. een her te besteden basisbedrag, welk bedrag wordt verhoogd met een leeftijdsbedrag dat wordt vermenigvuldigd met de geraamde landelijk gewogen gemiddelde leeftijd van leraren in het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Voor de berekening van het basisbedrag, bedoeld in het eerste lid, en het leeftijdsbedrag, bedoeld in het eerste lid, bedraagt de formatie de hoeveelheid die in onderstaande tabel is aangegeven bij de betreffende toelaatbaarheidsverklaring.
|
||||
|
||||
| Toelaatbaar verklaard tot speciaal onderwijs aan/van: | Formatie t.b.v. eerste lid, onderdeel a | Formatie t.b.v. eerste lid, onderdeel b |
|
||||
| --- | --- | --- |
|
||||
| a. Dove kinderen | 0,2179 | 0,1846 |
|
||||
| b. Slechthorende kinderen | 0,1061 | 0,0821 |
|
||||
| c. Kinderen met ernstige spraak moeilijkheden | 0,1061 | 0,0821 |
|
||||
| d. Lichamelijk gehandicapte kinderen | 0,1061 | 0,0709 |
|
||||
| e. Langdurig zieke kinderen met lichamelijke handicap | 0,1061 | 0,0709 |
|
||||
| f. Zeer moeilijk lerende kinderen | 0,1061 | 0,0709 |
|
||||
| g. cluster 4 | 0,1061 | 0,0709 |
|
||||
| h. meervoudig gehandicapte kinderen met de combinatie: | | |
|
||||
| Doof en zeer moeilijk lerend | 0,2179 | 0,0821 |
|
||||
| Doof en blind | 0,2179 | 0,0821 |
|
||||
| Slechthorend en zeer moeilijk lerend | 0,2179 | 0,0821 |
|
||||
| Lichamelijk gehandicapt en zeer moeilijk lerend | 0,2179 | 0,0709 |
|
||||
|
||||
| Toelaatbaar verklaard tot speciaal onderwijs aan/van: | Formatie t.b.v. eerste lid, onderdeel a | Formatie t.b.v. eerste lid, onderdeel b |
|
||||
| --- | --- | --- |
|
||||
| a. Dove kinderen | 0,1477 | 0,1846 |
|
||||
| b. Slechthorende kinderen | 0,0359 | 0,0821 |
|
||||
| c. Kinderen met ernstige spraak moeilijkheden | 0,0359 | 0,0821 |
|
||||
| d. Lichamelijk gehandicapte kinderen | 0,0359 | 0,0709 |
|
||||
| e. Langdurig zieke kinderen met lichamelijke handicap | 0,0359 | 0,0709 |
|
||||
| f. Zeer moeilijk lerende kinderen | 0,0359 | 0,0709 |
|
||||
| g. cluster 4 | 0,0359 | 0,0709 |
|
||||
| h. meervoudig gehandicapte kinderen met de combinatie: | | |
|
||||
| Doof en zeer moeilijk lerend | 0,1477 | 0,0821 |
|
||||
| Doof en blind | 0,1477 | 0,0821 |
|
||||
| Slechthorend en zeer moeilijk lerend | 0,1477 | 0,0821 |
|
||||
| Lichamelijk gehandicapt en zeer moeilijk lerend | 0,1477 | 0,0709 |
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk IIIa. Meting en beoordeling leerresultaten basisschool
|
||||
## Hoofdstuk IIIa. Meting en beoordeling leerresultaten school
|
||||
|
||||
### Artikel 34.1
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De leerresultaten, bedoeld in artikel 10a, van de wet worden gemeten aan de hand van de door het bevoegd gezag gekozen toetsen, indien die toetsen:
|
||||
|
||||
a. kennis en vaardigheden van ten minste rekenen en wiskunde en Nederlandse taal meten;
|
||||
b. voldoen aan het kwaliteitsoordeel betreffende validiteit en betrouwbaarheid van een onafhankelijke commissie;
|
||||
c. gegevens bevatten om schoolvorderingen te meten;
|
||||
d. landelijk genormeerd kunnen worden; en
|
||||
e. zijn afgenomen in overeenstemming met de afnameaanwijzingen, die zijn opgenomen in de toetshandleiding bij de desbetreffende toets.
|
||||
|
||||
**2.** Bij de beoordeling van de toetsresultaten hanteert de inspectie objectieve, relatieve normen. De grenzen die de inspectie als norm voor het oordeel voldoende dan wel onvoldoende resultaat hanteert, zijn gecorrigeerd voor groepskenmerken en individuele kenmerken van leerlingen, met dien verstande dat deze correctie in elk geval betrekking heeft op leerlingen als bedoeld in artikel 27, eerste lid.
|
||||
Bij de beoordeling van de leerresultaten, bedoeld in artikel 10a, derde lid, van de wet, hanteert de inspectie objectieve, relatieve normen. De grenzen die de inspectie als norm voor het oordeel voldoende dan wel onvoldoende resultaat hanteert, zijn gecorrigeerd voor schoolkenmerken en individuele kenmerken van leerlingen, met dien verstande dat deze correctie in elk geval betrekking heeft op leerlingen als bedoeld in artikel 27, eerste lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 34.2
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Bij de meting van leerresultaten als bedoeld in artikel 10a van de wet, kan een correctie plaatsvinden met betrekking tot:
|
||||
|
||||
a. leerlingen die zijn geïndiceerd voor leerwegondersteunend onderwijs als bedoeld in artikel 10e van de Wet op het voortgezet onderwijs;
|
||||
b. leerlingen voor wie op grond van psychosociale of cognitieve gronden specifieke voorzieningen noodzakelijk zijn en zijn getroffen en voor wie een ontwikkelingsperspectief aan de hand van de voor hen geldende tussendoelen is opgesteld;
|
||||
c. leerlingen die in het zevende of achtste jaar zijn ingestroomd;
|
||||
d. leerlingen die een andere toets hebben afgelegd dan de andere leerlingen in dat schooljaar dan wel geen toets hebben afgelegd en op wie de onderdelen a, b en c niet van toepassing zijn;
|
||||
e. kleine scholen.
|
||||
|
||||
**2.** In uitzonderlijke situaties kan een correctie plaatsvinden bij de meting van leerresultaten als bedoeld in artikel 10a van de wet voor leerlingen die niet vallen onder het eerste lid onder a tot en met d.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 34.3
|
||||
|
||||
Indien het aantal leerlingen op basis waarvan de leerresultaten worden gemeten in een of meer schooljaren binnen een periode van 3 schooljaren minder is dan 10 wordt gebruik gemaakt van de toetsgegevens over 5 schooljaren.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 34.4
|
||||
|
||||
**1.** Toetsen die voldoen aan de criteria, bedoeld in artikel 34.1, eerste lid, worden opgenomen in een ministeriële regeling.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Bij ministeriële regeling worden geregeld:
|
||||
|
||||
a. voor elke toets als bedoeld in artikel 34.1, eerste lid, de uitwerking van de wijze waarop de beoordeling tot stand komt;
|
||||
b. voor zover van toepassing, de wijze van correctie van de meting vanwege het feit dat de leerling is geïndiceerd voor leerwegondersteunend onderwijs;
|
||||
c. de wijze van correctie van de meting voor groepskenmerken en individuele kenmerken van leerlingen;
|
||||
d. voor zover van toepassing, de wijze van correctie van de meting voor leerlingen die een andere toets hebben afgelegd dan de andere leerlingen dan wel geen toets hebben afgelegd;
|
||||
e. wijze van beoordeling van de leerresultaten van kleine scholen;
|
||||
f. de normering waarop de inspectie het oordeel voldoende dan wel onvoldoende leerresultaat baseert.
|
||||
a. de uitwerking van de wijze waarop de beoordeling van de leerresultaten, bedoeld in artikel 10a, derde lid, van de wet tot stand komt;
|
||||
b. voor zover van toepassing, de wijze waarop en omstandigheden waarin bij kleine scholen de leerresultaten worden gewogen;
|
||||
c. de wijze van correctie van de meting voor schoolkenmerken en individuele kenmerken van leerlingen;
|
||||
d. de normering waarop de inspectie het oordeel voldoende dan wel onvoldoende leerresultaat baseert.
|
||||
|
||||
### Artikel 34.5
|
||||
|
||||
|
|
@ -635,7 +560,7 @@ b. over het concept-voorstel overlegt de inspecteur-generaal van het onderwijs m
|
|||
c. de inspecteur-generaal van het onderwijs legt het voorstel voor aan Onze Minister, onder vermelding van de wijze waarop in het voorstel rekening is gehouden met de reacties van de geraadpleegde organisaties uit het onderwijsveld;
|
||||
d. Onze Minister besluit naar aanleiding van het voorstel over wijziging van de systematiek van de beoordeling van leerresultaten of een daarvoor noodzakelijk voorstel van wet of ontwerp-algemene maatregel van bestuur wordt voorbereid.
|
||||
|
||||
**2.** Wijzigingen in de in de ministeriële regeling opgenomen toetsen, in de vaststelling en correctie van meting alsmede in de normering als gevolg van actualisatie van toetsgegevens, worden vastgesteld op voorstel van de inspecteur-generaal van het onderwijs.
|
||||
**2.** Wijzigingen in de vaststelling en correctie van meting alsmede in de normering als gevolg van actualisatie van toetsgegevens, worden vastgesteld op voorstel van de inspecteur-generaal van het onderwijs.
|
||||
|
||||
### Artikel 34.6
|
||||
|
||||
|
|
@ -646,6 +571,34 @@ b. onderzoek en verificatie ter plekke.
|
|||
|
||||
## Hoofdstuk IIIb. Ontwikkelingsperspectief, deskundigen en inrichting commissies
|
||||
|
||||
### Artikel 34.7
|
||||
|
||||
**1.** Het ontwikkelingsperspectief, bedoeld in artikel 40a van de wet, bevat ten minste informatie over naar welke onderwijssoort in het voortgezet onderwijs dan wel welk uitstroomprofiel van het voortgezet speciaal onderwijs, bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra, uitstroom van de leerling wordt verwacht, en de onderbouwing daarvan.
|
||||
|
||||
**2.** De onderbouwing bevat ten minste een weergave van de belemmerende en bevorderende factoren die van invloed zijn op het onderwijs aan de leerling.
|
||||
|
||||
### Artikel 34.8
|
||||
|
||||
De deskundigen, bedoeld in artikel 18a, elfde lid, van de wet zijn een orthopedagoog of een psycholoog en afhankelijk van de leerling over wiens toelaatbaarheid wordt geadviseerd ten minste een tweede deskundige, te weten een kinder- of jeugdpsycholoog, een pedagoog, een kinderpsychiater, een maatschappelijk werker of een arts.
|
||||
|
||||
### Artikel 34.9
|
||||
|
||||
**1.** De geschillencommissie, bedoeld in artikel 43 van de wet, bestaat uit ten minste 7 leden met verschillende deskundigheden. De leden worden benoemd op gezamenlijke bindende voordracht van de landelijke ouderorganisaties, de landelijke patiënten- en gehandicaptenorganisaties en de sectororganisaties.
|
||||
|
||||
**2.** De leden worden benoemd en ontslagen door Onze Minister.
|
||||
|
||||
**3.** De leden worden benoemd voor een periode van 4 jaar en kunnen ten hoogste 2 maal worden herbenoemd.
|
||||
|
||||
**4.** De commissie is zodanig samengesteld dat zij beschikt over (ortho)pedagogische, psychologische, onderwijskundige, maatschappelijke, bestuurlijke, juridische en medische deskundigheid. Voor de behandeling van ieder ingediend geschil kiest de commissie uit haar leden één voorzitter en twee leden. De commissie bepaalt welke samenstelling bij de behandeling van het geschil het meest geschikt is.
|
||||
|
||||
**5.** De leden worden ontslagen indien zij daarom verzoeken.
|
||||
|
||||
**6.** De leden mogen niet deel uitmaken van het bevoegd gezag van een van de scholen die deelnemen aan het samenwerkingsverband of het bevoegd gezag van dat samenwerkingsverband dat betrokken is in het geschil en zij functioneren zonder last of ruggenspraak.
|
||||
|
||||
**7.** De commissie zendt haar oordeel aan het bevoegd gezag en een afschrift van haar oordeel aan de ouders.
|
||||
|
||||
**8.** Het bevoegd gezag van de school die het oordeel van de commissie heeft ontvangen, deelt schriftelijk aan de ouders en aan de commissie mee wat er met het oordeel wordt gedaan. Indien de beslissing van het bevoegd gezag van de school afwijkt van het oordeel van de commissie, wordt in de beslissing de reden voor die afwijking vermeld.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk IV. Correcties op de bekostiging
|
||||
|
||||
### Artikel 34a
|
||||
|
|
@ -684,53 +637,51 @@ c. voor zover het een niet door een gemeente in stand gehouden school betreft, d
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Basisscholen ontvangen voor de periode van 1 augustus 2000 tot en met 31 december 2000 eenmalig een aanvullende vergoeding voor de uitgaven voor de materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding, welke vergoeding wordt vastgesteld op 5/12 van het verschil tussen:
|
||||
De overgangsbekostiging voor personele kosten, bedoeld in artikel X, vijfde lid, van de Wet van 11 oktober 2012 tot wijziging van enkele onderwijswetten in verband met een herziening van de organisatie en de financiering van de ondersteuning van leerlingen in het basisonderwijs, speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs (Stb. 2012, 533) wordt berekend als volgt:
|
||||
|
||||
a. de vergoeding op basis van het normatief bepaalde aantal te huisvesten groepen berekend volgens artikel 14 zoals dat artikel luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van het besluit van 12 april 2000, houdende wijziging van het Formatiebesluit WPO en enkele andere besluiten in verband met onder meer de verkleining van de groepsgrootte voor de 4- tot en met 7-jarige leerlingen van basisscholen (Stb. 179); en
|
||||
b. de vergoeding op basis van het normatief bepaalde aantal te huisvesten groepen leerlingen berekend volgens artikel 14 zoals dat artikel luidt met ingang van de datum van inwerkingtreding van het besluit van 12 april 2000, houdende wijziging van het Formatiebesluit WPO en enkele andere besluiten in verband met onder meer de verkleining van de groepsgrootte voor de 4- tot en met 7-jarige leerlingen van basisscholen (Stb. 179), met dien verstande dat:
|
||||
a. voor iedere leerling die op 1 oktober van het daaraan voorafgaande schooljaar was ingeschreven op een vestiging van een school behorend tot het samenwerkingsverband en voor wie op dat moment een leerlinggebonden budget beschikbaar was, ontvangt het samenwerkingsverband bekostiging die bestaat uit een bij ministeriële regeling te bepalen bedrag vermenigvuldigd met de hoeveelheid formatie die in onderstaande tabel is aangegeven bij de onderwijssoort waartoe de leerling toelaatbaar is verklaard:
|
||||
b. naast de op basis van onderdeel a berekende bekostiging ontvangt het samenwerkingsverband als overgangsbekostiging een bij ministeriële regeling te bepalen bedrag per leerling voor iedere leerling die op 1 oktober van het daaraan voorafgaande jaar was ingeschreven op een vestiging van een school behorend tot het samenwerkingsverband.
|
||||
|
||||
1°. de factor A, bedoeld in artikel 14, tweede lid, als volgt wordt berekend:
|
||||
**2.** De overgangsbekostiging voor materiële instandhouding, bedoeld in artikel X, vijfde lid, van de Wet van 11 oktober 2012 tot wijziging van enkele onderwijswetten in verband met een herziening van de organisatie en de financiering van de ondersteuning van leerlingen in het basisonderwijs, speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs (Stb. 2012, 533) wordt toegekend van 1 augustus tot en met 31 december van het desbetreffende jaar.
|
||||
|
||||
A = 7,76 x het aantal leerlingen in de leeftijd van 4 tot en met 7 jaar;
|
||||
2°. indien artikel 134, zesde lid, van de wet van toepassing is: de toename van het aantal leerlingen op 1 maart van het jaar waarover de vergoeding plaatsvindt, wordt meegeteld bij de berekening van factor A.
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Het in het tweede lid bedoelde bedrag wordt als volgt berekend:
|
||||
|
||||
a. voor iedere leerling die op 1 oktober van het daaraan voorafgaande schooljaar was ingeschreven op een vestiging van een school in het samenwerkingsverband en voor wie op dat moment een leerlinggebonden budget beschikbaar was, ontvangt het samenwerkingsverband vijf twaalfde deel van de bekostiging volgens onderstaande tabel.
|
||||
b. naast de in onderdeel a bedoelde bekostiging ontvangt het samenwerkingsverband als overgangsbekostiging een bij ministeriële regeling te bepalen bedrag per leerling.
|
||||
|
||||
### Artikel 35a
|
||||
|
||||
**1.** De omvang van het her te besteden bedrag, bedoeld in artikel XIA, tweede lid, van de Wet van 11 oktober 2012 tot wijziging van enkele onderwijswetten in verband met een herziening van de organisatie en de financiering van de ondersteuning van leerlingen in het basisonderwijs, speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs (Stb. 2012, 533) wordt berekend als volgt: het her te besteden bedrag is de vermenigvuldiging van een bedrag met de hoeveelheid leerlingen als bedoeld in artikel 35, eerste en derde lid, onderdeel a.
|
||||
|
||||
**2.** Het bedrag per leerling, bedoeld in het eerste lid, bestaat uit een hoeveelheid formatie die wordt vermenigvuldigd met een bij ministeriële regeling te bepalen bedrag.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Voor de berekening van het bedrag per leerling, bedoeld in het tweede lid, bedraagt de formatie per leerling:
|
||||
|
||||
| Toelaatbaar verklaard tot speciaal onderwijs aan/van: | Formatie indien leerling is ingeschreven op een basisschool/speciale school voor basisonderwijs |
|
||||
| --- | --- |
|
||||
| Lichamelijk gehandicapte kinderen | 0,0709 |
|
||||
| Langdurig zieke kinderen met lichamelijk handicap | 0,0709 |
|
||||
| Zeer moeilijk lerende kinderen | 0,0709 |
|
||||
| Cluster 4 | 0,0709 |
|
||||
| Lichamelijk gehandicapt en zeer moeilijk lerend | 0,0709 |
|
||||
|
||||
**2.** Indien het verschil tussen de vergoeding, berekend op grond van het eerste lid, onder a, en de vergoeding, berekend op grond van het eerste lid, onder b, negatief is, wordt de aanvullende vergoeding op nul gesteld.
|
||||
|
||||
**3.** Artikel 134, zevende en achtste lid, van de wet is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 36
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
**1.** Het samenwerkingsverband is gehouden om, wanneer een bevoegd gezag of een personeelsorganisatie daarom verzoekt, met dat bevoegd gezag en de personeelsorganisaties een op overeenstemming gericht overleg te voeren over het personeel dat in het derde schooljaar waarin artikel 70a van de wet is vervallen, nog niet zal zijn herplaatst en dat niet als gevolg van natuurlijk verloop zal zijn uitgestroomd op of voor 1 augustus 2016.
|
||||
|
||||
Voor het kalenderjaar 2001 wordt de factor A, bedoeld in artikel 14, tweede lid, als volgt berekend:
|
||||
**2.** Een bevoegd gezag als bedoeld in het eerste lid is het bevoegd van een school als bedoeld in de Wet op de expertisecentra of een centrale dienst, waar het personeel in het schooljaar 2014–2015 in dienst is.
|
||||
|
||||
A = 7,92 x het aantal leerlingen in de leeftijd van 4 tot en met 7 jaar op de datum, bedoeld in artikel 14, derde lid.
|
||||
**3.** Het personeel, bedoeld in het eerste lid, is het personeel dat op 1 mei 2012 als ambulant begeleider in dienst was bij een school als bedoeld in de Wet op de expertisecentra, een regionaal expertisecentrum als bedoeld in de Wet op de expertisecentra of een centrale dienst.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
**4.** Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van personeel, niet zijnde ambulant begeleiders, dat op 1 mei 2012 is dienst was bij een samenwerkingsverband als bedoeld in de wet, een centrale dienst of een regionaal expertisecentrum als bedoeld in de Wet op de expertisecentra en dat in het eerste schooljaar waarin artikel 70a van de wet is vervallen, niet zal zijn herplaatst.
|
||||
|
||||
Voor het kalenderjaar 2002 wordt de factor A, bedoeld in artikel 14, tweede lid, als volgt berekend:
|
||||
|
||||
A = 8,50 x het aantal leerlingen in de leeftijd van 4 tot en met 7 jaar op de datum, bedoeld in artikel 14, derde lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 36a
|
||||
|
||||
**1.** Indien Onze Minister van oordeel is dat een bevoegd gezag voor een of meer van zijn scholen als gevolg van factoren buiten de invloedssfeer van de school niet in staat is om de leerlinggegevens te leveren op de in artikel 178a van de wet bedoelde wijze, kan hij bepalen dat in de periode tot 1 augustus volgend op de datum van inwerkingtreding van dit artikel de levering van gegevens over het aantal leerlingen van de desbetreffende school of scholen ten behoeve van de vaststelling van de bekostiging, bedoeld in de artikelen 12a, eerste en tweede lid, 18, eerste lid, 29, eerste lid, en 30, eerste lid, plaatsvindt op de in het vierde tot en met negende lid bedoelde wijze.
|
||||
|
||||
**2.** De verplichting van het bevoegd gezag tot levering van de gegevens over het aantal leerlingen op de in het vierde tot en met negende lid bedoelde wijze vervalt zodra Onze Minister heeft bepaald dat het bevoegd gezag heeft aangetoond in staat te zijn de leerlinggegevens te leveren op de in artikel 178a van de wet bedoelde wijze.
|
||||
|
||||
**3.** Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat het eerste en tweede lid van overeenkomstige toepassing zijn op de levering van gegevens over het aantal leerlingen in een of meer schooljaren vanaf 1 augustus volgend op de datum van inwerkingtreding van dit artikel.
|
||||
|
||||
**4.** Indien het eerste lid van toepassing is, doet het bevoegd gezag ten behoeve van de bekostiging, bedoeld in de artikelen 12a, eerste en tweede lid, 18, eerste lid, 29, eerste lid, en 30, eerste lid, voor de vijftiende dag van elke maand aan Onze Minister een opgave van het aantal leerlingen van de school op de eerste dag van die maand toekomen overeenkomstig het vijfde tot en met negende lid.
|
||||
|
||||
**5.** De opgave, bedoeld in het vierde lid, is onderverdeeld in het aantal leerlingen in de leeftijd van 4 tot en met 7 jaar enerzijds en het aantal leerlingen in de leeftijd van 8 jaar en ouder anderzijds. Indien in de opgave een nadere onderverdeling wordt gemaakt op grond van de volgende leden, wordt in die onderverdeling tevens melding gemaakt van de verdeling over de in de vorige volzin genoemde leeftijdscategorieën.
|
||||
|
||||
**6.** De opgave, bedoeld in het vierde lid, voor basisscholen is onderverdeeld in de categorieën leerlingen, bedoeld in artikel 27, en in de categorieën leerlingen met een niet-Nederlandse culturele achtergrond met uitzondering van leerlingen van wie ten minste een van de ouders of voogden afkomstig is uit Suriname, de voormalige Nederlandse Antillen of Aruba.
|
||||
|
||||
**7.** De opgave, bedoeld in het vierde lid, voor speciale scholen voor basisonderwijs is onderverdeeld in leerlingen met een niet-Nederlandse culturele achtergrond en overige leerlingen.
|
||||
|
||||
**8.** Indien de school bestaat uit een hoofdvestiging en een of meer nevenvestigingen, wordt de opgave, bedoeld in het vierde lid, tevens onderverdeeld in de leerlingen van de hoofdvestiging en de leerlingen van elk van de nevenvestigingen.
|
||||
|
||||
**9.** Bij ministeriële regeling wordt vastgesteld op welke wijze de opgave, bedoeld in het vierde lid, wordt gedaan.
|
||||
**5.** Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op de rechtspersoon, bedoeld in artikel 184 van de wet voor zover het personeel, bedoeld in het derde en vierde lid, betreft dat in verband met de opheffing van regionale expertisecentra en de beëindiging van de ondersteuningswerkzaamheden bij de samenwerkingsverbanden zoals die bestonden voor 1 augustus 2013, een werkloosheidsuitkering ontvangt.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 2. Slotbepaling
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue