2010-02-10 | BWBR0004147 | Besluit emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer A

This commit is contained in:
Coornhert 2010-02-10 12:00:00 +00:00
parent 8dc68ff1c8
commit c5fa22bc31

View file

@ -3,7 +3,7 @@ titel: Besluit emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer A
bwb_id: BWBR0004147
type: AMvB
status: geldend
datum_inwerkingtreding: '1987-05-29'
datum_inwerkingtreding: '2009-12-07'
bron: https://wetten.overheid.nl/BWBR0004147
citeertitel: Besluit emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer A
---
@ -99,7 +99,7 @@ b. andere stookinstallaties dan zuigermotoren, waarin brandstoffen worden gebrui
4°. stookinstallaties die blijkens de daarvoor geldende vergunning bestemd zijn voor het onderzoeken, beproeven of demonstreren van experimentele verbrandingstechnieken of technieken ter bestrijding van de uitworp van zwaveldioxide, stikstofoxiden en stof;
5°. gasturbines en gasturbine-installaties, waarvoor voor 27 november 2002 vergunning is verleend, waarvan het jaarlijks aantal bedrijfsuren niet meer bedraagt dan 500, gasturbines en gasturbine-installaties, waarvoor op of na 27 november 2002 vergunning is verleend, met een thermisch vermogen van minder dan 50 MW waarvan het jaarlijks aantal bedrijfsuren niet meer bedraagt dan 500 en gasturbines en gasturbine-installaties met een netto-asvermogen van niet meer dan 1 MW;
6°. stookinstallaties waarvoor emissie-eisen zijn gesteld bij het Besluit verbranden afvalstoffen;
7°. bestaande stookinstallaties die blijkens de daarvoor geldende vergunning bestemd zijn voor tijdelijk bedrijf van niet meer dan 500 uren per jaar;
7°. bestaande stookinstallaties met een thermisch vermogen van minder dan 50 megawatt die blijkens de daarvoor geldende vergunning bestemd zijn voor tijdelijk bedrijf van niet meer dan 500 uren per jaar;
8°. installaties voor de vergassing van kolen of olie;
9°. installaties die op offshoreplatforms worden gebruikt;
10°. technische voorzieningen voor de zuivering van rookgassen door verbranding die niet als autonome stookinstallatie worden geëxploiteerd.
@ -189,9 +189,8 @@ Bij afwisselend gebruik van verschillende soorten brandstof in een stookinstalla
In afwijking van het eerste lid geschiedt de vaststelling van de toegestane uitworp aan zwaveloxiden bij een stookinstallatie als bedoeld in het derde lid:
a. bij een bestaande stookinstallatie op basis van een emissie-eis van 700 mg/m^3 voor vaste brandstoffen en van 1700 mg/m^3 voor zware stookolie;
b. bij een stookinstallatie waarvoor in de periode van 29 mei 1987 tot en met 26 november 2002 vergunning is verleend en waarvan het thermisch vermogen 400 MW of minder is, op basis van een emissie-eis van 700 mg/m^3 voor vaste brandstoffen en van 1000 mg/m^3 voor zware stookolie;
c. bij een stookinstallatie voor zware stookolie waarvoor op of na 27 november 2002 vergunning is verleend en waarvan het thermisch vermogen 50 MW of meer is, maar minder dan 100 MW, op basis van een emissie-eis van 850 mg/m^3.
a. bij een stookinstallatie waarvoor in de periode van 29 mei 1987 tot en met 26 november 2002 vergunning is verleend en waarvan het thermisch vermogen 400 MW of minder is, op basis van een emissie-eis van 700 mg/m^3 voor vaste brandstoffen en van 1000 mg/m^3 voor zware stookolie;
b. bij een stookinstallatie voor zware stookolie waarvoor op of na 27 november 2002 vergunning is verleend en waarvan het thermisch vermogen 50 MW of meer is, maar minder dan 100 MW, op basis van een emissie-eis van 850 mg/m^3.
**5.** In afwijking van het eerste lid geldt, indien bij of krachtens dit besluit geen emissie-eis voor zwaveldioxide is gesteld, als emissie-eis de emissie van zwaveldioxide die zou ontstaan door het verbranden van brandstoffen met het zwavelgehalte dat op grond van het Besluit zwavelgehalte brandstoffen ten hoogste is toegestaan.
@ -205,7 +204,7 @@ c. bij een stookinstallatie voor zware stookolie waarvoor op of na 27 november 2
In plaats van de datum van de vergunningverlening geldt:
a. indien van een stookinstallatie na de datum van vergunningverlening de combinatie van brander en vuurhaard door een andere combinatie wordt vervangen of daaraan veranderingen worden aangebracht, die met nieuwbouw van de stookinstallatie overeenkomen, dan wel de stookinstallatie geheel wordt vervangen, voor de toepassing van de artikelen 11, derde lid, 12, derde en vierde lid, 13, tweede, derde en vierde lid, en 23, indien voor bedoelde verandering een vergunning als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de wet is verleend, de datum waarop die vergunning is verleend, dan wel, indien zich een geval voordoet als bedoeld in artikel 8.19, tweede lid, van de wet, de datum waarop het bevoegd gezag een verklaring als bedoeld in artikel 8.19, tweede lid, onder c, van de wet heeft afgegeven, dan wel, indien een dergelijke vergunning niet is verleend en zich geen geval voordoet als bedoeld in artikel 8.19, tweede lid, van de wet, de datum waarop bedoelde verandering is uitgevoerd;
a. indien van een stookinstallatie na de datum van vergunningverlening de combinatie van brander en vuurhaard door een andere combinatie wordt vervangen of daaraan veranderingen worden aangebracht, die met nieuwbouw van de stookinstallatie overeenkomen, dan wel de stookinstallatie geheel wordt vervangen, voor de toepassing van de artikelen 11, derde lid, 12, derde en vierde lid, 13, tweede, derde en vierde lid, en 23, indien voor bedoelde verandering een vergunning als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de wet is verleend, de datum waarop die vergunning is verleend, dan wel, indien zich een geval voordoet als bedoeld in artikel 8.19, eerste lid, van de wet, de datum waarop het bevoegd gezag een verklaring als bedoeld in artikel 8.19, eerste lid, onder c, van de wet heeft afgegeven, dan wel, indien een dergelijke vergunning niet is verleend en zich geen geval voordoet als bedoeld in artikel 8.19, eerste lid, van de wet, de datum waarop bedoelde verandering is uitgevoerd;
b. indien de capaciteit van een stookinstallatie met een thermisch vermogen van 50 MW of meer op of na 27 november 2002 met 50 MW of meer wordt uitgebreid, voor de toepassing van dit besluit met betrekking tot het uitgebreide gedeelte van de installatie de datum waarop voor bedoelde verandering een vergunning als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de wet is verleend dan wel, indien een dergelijke vergunning niet is verleend, de datum waarop bedoelde verandering is uitgevoerd;
c. indien een stookinstallatie met een thermisch vermogen van 50 MW of meer op of na 27 november 2002 wordt veranderd dan wel de werking hiervan na die datum wordt veranderd op een wijze die naar het oordeel van het bevoegd gezag negatieve en significante effecten kan hebben op mens of milieu, voorzover onderdeel b niet van toepassing is, voor de toepassing van dit besluit de datum waarop voor bedoelde verandering een vergunning als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de wet is verleend, dan wel, indien een dergelijke vergunning niet is verleend, de datum waarop bedoelde verandering is uitgevoerd.
@ -403,9 +402,26 @@ Het bepaalde in § 1 is niet van toepassing op bestaande stookinstallaties.
**2.** Een stookinstallatie als bedoeld in het eerste lid wordt zodanig gebruikt dat ten minste een ontzwavelingspercentage van 85 wordt bereikt.
**3.** Een bestaande stookinstallatie voor kolen met een thermisch vermogen van 300 MW of meer wordt, indien deze na 1 januari 1989 nog 10.000 uren, herleid op uren bij een belasting van 100 procent, in gebruik zal zijn, met ingang van die datum zodanig gebruikt dat de uitworp van stikstofoxiden met het rookgas niet meer bedraagt dan 1100 mg/m^3 bij gebruik van poederkool en ten hoogste 1000 mg/m^3 in andere gevallen.
**3.**
**4.** Een bestaande stookinstallatie als bedoeld in het derde lid, alsmede een bestaande stookinstallatie voor kolen met een thermisch vermogen van minder dan 300 MW maar van meer dan 20 MW wordt zodanig gebruikt dat de uitworp van stikstofoxiden met het rookgas niet meer bedraagt dan 650 mg/m^3.
Een bestaande stookinstallatie voor kolen wordt zodanig gebruikt dat de uitworp van zwaveldioxide met het rookgas niet meer bedraagt dan:
a. een waarde, uitgedrukt in milligram per normaal kubieke meter, die gelijk is aan 2400 min vier maal het thermisch vermogen, indien de stookinstallatie een thermisch vermogen heeft van minder dan 300 megawatt, maar meer dan 100 megawatt;
b. 2000 milligram per normaal kubieke meter, indien de stookinstallatie een thermisch vermogen heeft van 50 megawatt of meer, maar minder dan 100 megawatt.
**4.**
Een bestaande stookinstallatie als bedoeld in het derde lid wordt zodanig gebruikt dat de uitworp van stikstofoxiden met het rookgas niet meer bedraagt dan:
a. 600 milligram per normaal kubieke meter, indien de stookinstallatie een thermisch vermogen heeft van 50 megawatt of meer, maar minder dan 500 megawatt;
b. 500 milligram per normaal kubieke meter, en met ingang van 1 januari 2016, 200 milligram per normaal kubieke meter, indien de stookinstallatie een thermisch vermogen heeft van 500 megawatt of meer.
**5.**
Een bestaande stookinstallatie voor kolen wordt zodanig gebruikt dat de uitworp van stof met het rookgas niet meer bedraagt dan:
a. 100 milligram per normaal kubieke meter, indien de stookinstallatie een thermisch vermogen heeft van 50 megawatt of meer, maar minder dan 500 megawatt;
b. 50 milligram per normaal kubieke meter, indien de stookinstallatie een thermisch vermogen heeft van 500 megawatt of meer.
### Artikel 16
@ -413,33 +429,35 @@ Het bepaalde in § 1 is niet van toepassing op bestaande stookinstallaties.
**2.** Een stookinstallatie als bedoeld in het eerste lid wordt zodanig gebruikt dat ten minste een ontzwavelingspercentage van 85 wordt bereikt.
**3.** Een bestaande stookinstallatie voor vloeibare brandstoffen wordt, indien deze na 1 januari 1989 nog 10.000 uren, herleid op uren bij een belasting van 100 procent, in gebruik zal zijn, met ingang van die datum zodanig gebruikt dat de uitworp van stikstofoxiden met het rookgas niet meer bedraagt dan 700 mg/m^3.
**3.**
Een bestaande stookinstallatie voor vloeibare brandstoffen, behorend tot een elektriciteitsproductiebedrijf, wordt zodanig gebruikt dat de uitworp van stikstofoxiden met het rookgas niet meer bedraagt dan:
a. 700 milligram per normaal kubieke meter, indien de stookinstallatie een thermisch vermogen heeft van minder dan 50 megawatt en na 1 januari 1989 nog tenminste 10.000 uren, herleid op uren bij een belasting van 100 procent, in gebruik zal zijn;
b. 450 milligram per normaal kubieke meter, indien de stookinstallatie een thermisch vermogen heeft van 50 megawatt of meer, maar minder dan 500 megawatt;
c. 400 milligram per normaal kubieke meter, indien de stookinstallatie een thermisch vermogen heeft van meer dan 500 megawatt.
**4.**
Voor een stookinstallatie als bedoeld in het derde lid, niet behorend tot een elektriciteits-produktiebedrijf, geldt in plaats van de in het derde lid vermelde waarde van 700 mg/m^3 een waarde van:
Voor een stookinstallatie als bedoeld in het derde lid, niet behorend tot een elektriciteitsproductiebedrijf, gelden de volgende emissiegrenswaarden:
a. voor zware stookolie en voor in de inrichting gegenereerde vloeibare brandstoffen met een stikstofgehalte groter dan 0,3 procent: 400 mg/m^3;
b. voor andere vloeibare brandstoffen dan bedoeld onder *a* : 200 mg/m^3.
a. 400 milligram per normaal kubieke meter, indien de stookinstallatie wordt gestookt met zware stookolie of met vloeibare brandstoffen met een stikstofgehalte groter dan 0,3 procent;
b. 200 milligram per normaal kubieke meter, indien de stookinstallatie wordt gestookt met andere vloeibare brandstoffen dan bedoeld onder a.
**5.**
**5.** Een bestaande stookinstallatie voor zware stookolie wordt, voor zover een eis als gesteld in het eerste of tweede lid niet of nog niet van toepassing is, zodanig gebruikt dat de uitworp van zwaveldioxide met het rookgas niet meer bedraagt dan 1700 mg/m^3.
Het eerste tot en met het vierde lid zijn niet van toepassing met betrekking tot een stookinstallatie waarin zowel aardgas als zware stookolie of gasolie kan worden gestookt, indien slechts zware stookolie of gasolie wordt gestookt:
a. ingeval in verband met de weersomstandigheden of storingen in de aardgastoevoer geen levering van aardgas kan plaatsvinden;
b. teneinde een noodzakelijke verversing van de voorraad zware stookolie of gasolie, die wordt aangehouden met het oog op de omstandigheden, bedoeld onder *a* , dan wel op grond van de Wet voorraadvorming aardolieprodukten (*Stb.* 1986, 675), mogelijk te maken.
**6.** Een bestaande stookinstallatie voor zware stookolie wordt, voor zover een eis als gesteld in het eerste of tweede lid niet of nog niet van toepassing is, zodanig gebruikt dat de uitworp van zwaveldioxide met het rookgas niet meer bedraagt dan 1700 mg/m^3.
**7.** Van elk geval van het stoken van zware stookolie of gasolie in de in het vijfde lid genoemde omstandigheden dient terstond melding te worden gemaakt aan het bevoegd gezag.
**6.** Een bestaande stookinstallatie voor vloeibare brandstoffen met een thermisch vermogen van 50 megawatt of meer wordt zodanig gebruikt dat de uitworp van stof met het rookgas niet meer bedraagt dan 50 milligram per normaal kubieke meter.
### Artikel 17
**1.**
Een bestaande stookinstallatie voor gasvormige brandstoffen wordt, indien deze na 1 januari 1989 nog tenminste 10.000 uren, herleid op uren bij een belasting van 100 procent, in gebruik zal zijn, zodanig gebruikt, dat de uitworp van stikstofoxiden met het rookgas niet meer bedraagt dan:
Een bestaande stookinstallatie voor gasvormige brandstoffen wordt zodanig gebruikt, dat de uitworp van stikstofoxiden met het rookgas niet meer bedraagt dan:
a. met ingang van 1 januari 1989: 500 mg/m^3;
a. voor stookinstallaties, behorend tot een elektriciteitsproductiebedrijf:
1°. 300 milligram per normaal kubieke meter, indien de stookinstallatie een thermisch vermogen heeft van 50 megawatt of meer, maar minder dan 500 megawatt;
2°. 200 milligram per normaal kubieke meter, indien de stookinstallatie een thermisch vermogen heeft van 500 megawatt of meer.
b. voor stookinstallaties niet behorend tot een elektriciteitsproduktiebedrijf
1°. 150 mg/m^3,
@ -450,21 +468,28 @@ b. voor stookinstallaties niet behorend tot een elektriciteitsproduktiebedrijf
Een bestaande stookinstallatie voor gasvormige brandstoffen die afkomstig zijn uit een raffinaderij, wordt zodanig gebruikt dat de uitworp van zwaveldioxide met het rookgas niet meer bedraagt dan:
a. 800 mg/m^3, ingeval het gas betreft met een lage specifieke warmte-inhoud afkomstig van de laatste fase van de omzetting van raffinageresiduen in petroleumcokes;
b. 35 mg/m^3, ingeval het andere dan de onder *a* bedoelde gassen betreft.
b. 35 mg/m^3, ingeval het andere dan de onder a bedoelde gassen betreft.
**3.**
Een bestaande stookinstallatie voor gasvormige brandstoffen bestaande uit cokesovengas, hoogovengas of oxygas, dan wel een mengsel van twee of meer van deze gassen, of van een of meer van deze gassen met aardgas, wordt zodanig gebruikt dat de uitworp met het rookgas niet meer bedraagt dan:
Een bestaande stookinstallatie voor gasvormige brandstoffen, anders dan bedoeld in het tweede lid, wordt zodanig gebruikt dat de uitworp van zwaveldioxide met het rookgas niet meer bedraagt dan:
a. voor zwaveldioxide:
1°. 400 mg/m^3 voor cokesovengas;
2°. 150 mg/m^3 voor hoogovengas;
3°. 35 mg/m^3 voor oxygas;
b. voor stof 20 mg/m^3.
a. 400 milligram per normaal kubieke meter, voor cokesovengas;
b. 150 milligram per normaal kubieke meter, voor hoogovengas;
c. 5 milligram per normaal kubieke meter, voor vloeibaar gemaakt gas, indien de stookinstallatie een thermisch vermogen van 50 megawatt of meer heeft;
d. 35 milligram per normaal kubieke meter, voor oxygas, en
e. 35 milligram per normaal kubieke meter, voor overige gasvormige brandstoffen, indien de stookinstallatie een thermisch vermogen van 50 megawatt of meer heeft.
**4.** Bij het gebruik van aardgas in combinatie met een of meer andere brandstoffen wordt voor de berekening van de uitworp van zwaveldioxide met het rookgas een waarde van 35 mg/m^3 gehanteerd.
**5.**
Een bestaande stookinstallatie voor gasvormige brandstoffen wordt zodanig gebruikt dat de uitworp van stof met het rookgas niet meer bedraagt dan:
a. 5 milligram per normaal kubieke meter als regel;
b. 10 milligram per normaal kubieke meter, voor hoogovengas;
c. 20 milligram per normaal kubieke meter, voor door de ijzer- en staalindustrie geproduceerd gas dat elders kan worden gebruikt en dat niet is aan te merken als hoogovengas.
### Paragraaf 3. Emissie-eisen voor zwaveloxiden uit raffinaderijen
### Artikel 18
@ -621,19 +646,36 @@ Indien ten aanzien van een stookinstallatie, waarin een gasvormige brandstof wor
**1.**
Een emissie-eis die ingevolge artikel 24 in de plaats treedt van de in artikel 16, vierde lid, aanhef en onder a, genoemde emissie-eis mag ten hoogste een waarde hebben van:
Een emissiegrenswaarde die ingevolge artikel 24 in de plaats treedt van de in artikel 16, vierde lid, aanhef en onder a, genoemde emissiegrenswaarde bedraagt ten hoogste:
a. voor een stookinstallatie als bedoeld in artikel 24, vierde lid: 700 mg/m^3;
b. voor een stookinstallatie anders dan bedoeld onder a: 450 mg/m^3.
a. voor een stookinstallatie als bedoeld in artikel 24, vierde lid:
1°. 700 milligram per normaal kubieke meter, indien de stookinstallatie een thermisch vermogen heeft van minder dan 50 megawatt;
2°. 450 milligram per normaal kubieke meter, indien de stookinstallatie een thermisch vermogen heeft van 50 megawatt of meer, maar minder dan 500 megawatt;
3°. 400 milligram per normaal kubieke meter, indien de stookinstallatie een thermisch vermogen heeft van 500 megawatt of meer;
b. voor een stookinstallatie anders dan bedoeld onder a:
1°. 450 milligram per normaal kubieke meter, indien de stookinstallatie een thermisch vermogen heeft van 50 megawatt of meer, maar minder dan 500 megawatt;
2°. 400 milligram per normaal kubieke meter, indien de stookinstallatie een thermisch vermogen heeft van 500 megawatt of meer.
**2.** Een emissie-eis die ingevolge artikel 24 in de plaats treedt van de in artikel 16, vierde lid, aanhef en onder b, genoemde emissie-eis mag ten hoogste een waarde hebben van 225 mg/m^3.
**3.**
Een emissie-eis die ingevolge artikel 24 in de plaats treedt van de in artikel 17, eerste lid, onder b, onder 1°, genoemde emissie-eis, mag ten hoogste een waarde hebben van:
Een emissiegrenswaarde die ingevolge artikel 24 in de plaats treedt van de in artikel 17, eerste lid, onderdeel b, onder 1°, genoemde emissiegrenswaarde, bedraagt ten hoogste:
a. voor een stookinstallatie als bedoeld in artikel 24, vijfde lid: 500 mg/m^3;
b. voor een stookinstallatie anders dan bedoeld onder a: 350 mg/m^3.
a. voor een stookinstallatie als bedoeld in artikel 24, vijfde lid:
1°. 500 milligram per normaal kubieke meter, indien de stookinstallatie een thermisch vermogen heeft van minder dan 50 megawatt;
2°. 300 milligram per normaal kubieke meter, indien de stookinstallatie een thermisch vermogen heeft van 50 megawatt of meer, maar minder dan 500 megawatt;
3°. 200 milligram per normaal kubieke meter, indien de stookinstallatie een thermisch vermogen heeft van 500 megawatt of meer;
b. voor een stookinstallatie anders dan bedoeld onder a:
1°. 350 milligram per normaal kubieke meter, indien de stookinstallatie een thermisch vermogen heeft van minder dan 50 megawatt;
2°. 300 milligram per normaal kubieke meter, indien de stookinstallatie een thermisch vermogen heeft van 50 megawatt of meer, maar minder dan 500 megawatt;
3°. 200 milligram per normaal kubieke meter, indien de stookinstallatie een thermisch vermogen heeft van 500 megawatt of meer.
## Hoofdstuk 2a. Keuring en onderhoud
## Hoofdstuk 3. Bevoegdheden van het bevoegd gezag
@ -656,8 +698,8 @@ a. voor een stookinstallatie voor vaste brandstoffen andere dan kolen:
1°. een strengere emissie-eis dan de in artikel 11, eerste lid, onder b, onder 1°, onder c, onder 1°, onder c, onder 3° of onder d, gestelde emissie-eis voor zwaveldioxide stellen doch niet strenger dan 250 mg/m^3;
2°. een strengere emissie-eis dan de in artikel 11, vierde lid, onder a of b, gestelde emissie-eis voor stof stellen, doch niet strenger dan 5 mg/m^3;
b. voor een stookinstallatie voor kolen een strengere emissie-eis dan de in artikel 11, vierde lid, onder a, gestelde emissie-eis voor stof stellen, doch niet strenger dan 20 mg/m^3;
c. voor een stookinstallatie voor cokesovengas dat ontzwaveld is door een installatie waarvoor op of na 15 oktober 1992 vergunning is verleend, een strengere emissie-eis dan de in artikel 13, eerste lid, onder b, of 17, derde lid, onder a, onder 1°, gestelde emissie-eis stellen doch niet strenger dan 200 mg/m^3;
d. voor een stookinstallatie voor hoogovengas een strengere emissie-eis dan de in artikel 13, eerste lid, onder c, of 17, derde lid, onder a, onder 2°, gestelde emissie-eis stellen, doch niet strenger dan 120 mg/m^3;
c. voor een stookinstallatie voor cokesovengas dat ontzwaveld is door een installatie waarvoor op of na 15 oktober 1992 vergunning is verleend, een strengere emissie-eis dan de in artikel 13, eerste lid, onder b, of 17, derde lid, onder a, gestelde emissie-eis stellen doch niet strenger dan 200 mg/m^3;
d. voor een stookinstallatie voor hoogovengas een strengere emissie-eis dan de in artikel 13, eerste lid, onder c, of 17, derde lid, onder b, gestelde emissie-eis stellen, doch niet strenger dan 120 mg/m^3;
e. voor een gasturbine waarvoor op of na 15 oktober 1992 vergunning is verleend een strengere emissie-eis dan de in artikel 20, eerste lid, onder a, gestelde emissie-eis voor stikstofoxiden stellen, indien deze strengere emissie-eis niet noodzaakt tot injectie van water, stoom of een ander inert materiaal, doch niet strenger dan een die overeenkomt met vervanging van de waarde van 200 g/GJ door 65 g/GJ;
f. voor een gasturbine waarop artikel 20, eerste lid, onder b of d, van toepassing is een strengere eis dan de in dat lid gestelde eis stellen, doch niet strenger dan 45 g/GJ.
g. voor een gasturbine-installatie of voor een gasturbine waarop artikel 22 van toepassing is, een strengere emissie-eis dan de in artikel 20a, tweede lid, onder b, gestelde emissie-eis voor stikstofoxiden stellen, doch niet strenger dan een die overeenkomt met vervanging van de waarde van 135 g/GJ door 100 g/GJ;
@ -718,9 +760,22 @@ Voor een procesfornuis waarvoor op of na 1 mei 1998 vergunning is verleend, kan,
a. de krachtens artikel 13, tweede lid, onder c, onder 2°, gestelde emissie-eis, maar niet minder streng dan 160 mg/m^3 ingeval de uittreedtemperatuur van het medium waaraan de warmte wordt overgedragen lager is dan 600° C en 200 mg/m^3 in de overige gevallen;
b. de krachtens artikel 13, derde lid, onder d, onder 2°, gestelde emissie-eis, maar niet minder streng dan 130 mg/m^3 ingeval de uittreedtemperatuur van het medium waaraan de warmte wordt overgedragen lager is dan 600° C en 150 mg/^3 in de overige gevallen.
**9.** Voor een bestaande stookinstallatie kan een minder strenge emissie-eis worden gesteld dan de krachtens artikel 16, vierde lid, of 17, eerste lid, onder b, onder 1°, juncto artikel 24 geldende emissie-eisen, maar niet minder streng dan 700 mg/m^3 bij gebruik van vloeibare brandstoffen en 500 mg/m^3 bij gebruik van gasvormige brandstoffen.
**9.**
**10.** Het bevoegd gezag kan, de inspecteur gehoord, met inachtneming van de eisen van richtlijn 2001/80/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2001 inzake de beperking van de emissies van bepaalde verontreinigende stoffen in de lucht door grote stookinstallaties (PbEG L 309), voor een stookinstallatie minder strenge emissie-eisen met betrekking tot stikstofoxiden dan de in de artikelen 11, derde lid, 12, derde en vierde lid, 13, tweede tot en met vierde lid, 15, derde en vierde lid, 16, derde en vierde lid, 17, eerste lid, en 20 tot en met 23a gestelde emissie-eisen stellen, voorzover naar zijn oordeel afdoende wordt aangetoond dat laatstbedoelde eisen strenger zijn dan de eisen die zouden voortvloeien uit de eis dat de voor de betrokken inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.
Voor een bestaande stookinstallatie kan een minder strenge emissiegrenswaarde worden gesteld dan:
a. de krachtens artikel 16, vierde lid juncto artikel 24 geldende waarde, maar niet minder streng dan:
1°. 700 milligram per normaal kubieke meter, indien de installatie een thermisch vermogen heeft van minder dan 50 megawatt;
2°. 450 milligram per normaal kubieke meter, indien de stookinstallatie een thermisch vermogen heeft van 50 megawatt of meer, maar minder dan 500 megawatt;
3°. 400 milligram per normaal kubieke meter, indien de stookinstallatie een thermisch vermogen heeft van 500 megawatt of meer;
b. de krachtens artikel 17, eerste lid, onder b, juncto artikel 24 geldende emissiegrenswaarde, maar niet minder streng dan:
1°. 500 milligram per normaal kubieke meter, indien de stookinstallatie een thermisch vermogen heeft van minder dan 50 megawatt;
2°. 300 milligram per normaal kubieke meter, indien de stookinstallatie een thermisch vermogen heeft van 50 megawatt of meer, maar minder dan 500 megawatt;
3°. 200 milligram per normaal kubieke meter, indien de stookinstallatie een thermisch vermogen heeft van 500 megawatt of meer.
**10.** Het bevoegd gezag kan, de inspecteur gehoord, met inachtneming van de eisen van richtlijn 2001/80/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2001 inzake de beperking van de emissies van bepaalde verontreinigende stoffen in de lucht door grote stookinstallaties (PbEG L 309), voor een stookinstallatie minder strenge emissie-eisen met betrekking tot stikstofoxiden dan de in de artikelen 11, derde lid, 12, derde en vierde lid, 13, tweede tot en met vierde lid, 15, vierde lid, onder a, 16, derde lid, onder a en vierde lid, 17, eerste lid, onderdeel a, sub 1°, en onderdeel b, en 20 tot en met 23a gestelde emissie-eisen stellen, voorzover naar zijn oordeel afdoende wordt aangetoond dat laatstbedoelde eisen strenger zijn dan de eisen die zouden voortvloeien uit de eis dat de voor de betrokken inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.
**11.** Het bevoegd gezag doet onverwijld mededeling aan Onze Minister van beslissingen op grond van dit artikel.
@ -733,6 +788,8 @@ b. voor een stookinstallatie met een thermisch vermogen van 500 MW of meer: 200
in welke gevallen de onder a of b genoemde emissie-eis in de plaats treedt van de door het bevoegd gezag vastgestelde emissie-eis totdat het bevoegd gezag de vergunning op dit punt in overeenstemming brengt met dit besluit.
**13.** Door het bevoegd gezag vastgestelde emissiegrenswaarden voor installaties als bedoeld in het negende lid komen te vervallen, indien die waarden minder streng zijn dan de in het negende lid genoemde waarden, in welke gevallen laatstbedoelde waarden van rechtswege in de plaats treden van de door het bevoegd gezag vastgestelde emissiegrenswaarden.
### Artikel 28a
In afwijking van de artikelen 27 en 28 stelt het bevoegd gezag, indien tot de inrichting een gpbv-installatie behoort, voor een tot die gpbv-installatie behorende stookinstallatie strengere emissie-eisen dan de in dit besluit voor die installatie gestelde emissie-eisen, indien met laatstbedoelde eisen niet wordt voldaan aan de artikelen 8.8 en 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer.
@ -831,7 +888,7 @@ b. indien de stookinstallatie meer dan zes maanden per jaar aaneengesloten uit b
**2.** De gegevens, bedoeld in het eerste lid, dienen in een register te worden opgenomen.
**3.** Indien in een stookinstallatie waarop artikel 12, eerste lid, onder b, onder 1°, onder c, onder 1°, of onder d, of achtste lid, dan wel artikel 16, zesde lid, van toepassing is, zware stookolie wordt gestookt met een zwavelgehalte van niet meer dan 1%, is aan de in genoemde artikelen gestelde emissie-eis voldaan en kan in afwijking van het bepaalde in het eerste lid worden volstaan met registratie van het zwavelgehalte van genoemde brandstof.
**3.** Indien in een stookinstallatie waarop artikel 12, eerste lid, onder b, onder 1°, onder c, onder 1°, of onder d, of achtste lid, dan wel artikel 16, vijfde lid, van toepassing is, zware stookolie wordt gestookt met een zwavelgehalte van niet meer dan 1%, is aan de in genoemde artikelen gestelde emissie-eis voldaan en kan in afwijking van het bepaalde in het eerste lid worden volstaan met registratie van het zwavelgehalte van genoemde brandstof.
### Artikel 34
@ -877,13 +934,13 @@ b. indien het een stookinstallatie betreft met een thermisch vermogen van minder
De emissie aan zwaveldioxide van een stookinstallatie die onderdeel uitmaakt van een raffinaderij wordt bepaald door:
a. continue meting indien de stookinstallatie een vermogen heeft van 100 MW of meer;
b. afzonderlijke meting indien de stookinstallatie een vermogen heeft van minder dan 100 MW, tenzij continue meting plaatsvindt.
b. afzonderlijke meting indien de stookinstallatie een thermisch vermogen heeft van 50 megawatt of meer, maar minder dan 100 megawatt, tenzij continue meting plaatsvindt.
**2.**
In afwijking van het eerste lid kan, indien de emissie aan zwaveldioxide van een stookinstallatie die onderdeel uitmaakt van een raffinaderij uitsluitend wordt bepaald door het zwavelgehalte van de ingezette brandstoffen, in de volgende gevallen worden volstaan met registratie in een register van de aard en de gebruikte hoeveelheden van de ingezette brandstoffen, het zwavelgehalte daarvan en alle andere gegevens die noodzakelijk zijn om te kunnen beoordelen of aan de emissie-eisen voor zwaveldioxide is voldaan:
a. de stookinstallatie heeft een thermisch vermogen van minder dan 100 MW;
a. de stookinstallatie heeft een thermisch vermogen van 50 megawatt of meer, maar minder dan 100 megawatt;
b. de stookinstallatie zal na uiterlijk 10.000 bedrijfsuren, te rekenen vanaf 27 november 2002, definitief buiten bedrijf worden gesteld;
c. de stookinstallatie is een ketelinstallatie, gasturbine of gasturbine-installatie die, of een procesfornuis dat met aardgas wordt gestookt;
d. de stookinstallatie wordt met olie gestookt, het zwavelgehalte van deze olie is bekend en de stookinstallatie heeft geen rookgasontzwavelingsinstallatie;
@ -913,7 +970,7 @@ b. 95% van alle uurgemiddelden niet hoger is dan 200% van de waarde van de emiss
**2.**
De concentratie aan stikstofoxiden in rookgas bij een stookinstallatie met een thermisch vermogen van minder dan 100 MW, niet zijnde een gasturbine of een gasturbine-installatie, een zuigermotor of een combinatie van installaties als bedoeld in artikel 22, wordt bepaald door:
De concentratie aan stikstofoxiden in rookgas bij een stookinstallatie met een thermisch vermogen van 50 megawatt of meer, maar minder dan 100 megawatt, niet zijnde een gasturbine of een gasturbine-installatie, een zuigermotor of een combinatie van installaties als bedoeld in artikel 22, wordt bepaald door:
a. continue meting indien het een stookinstallatie betreft waarop artikel 13, tweede lid, onder c, of vierde lid, onder c, onder 1°, of artikel 24, vierde of vijfde lid, van toepassing is, tenzij op een andere wijze ten genoegen van het bevoegd gezag wordt aangetoond dat de voor de stookinstallatie geldende emissie-eis niet zal worden overschreden;
b. afzonderlijke meting indien geen continue meting plaatsvindt.
@ -943,7 +1000,7 @@ b. indien de stookinstallatie meer dan zes maanden per jaar aaneengesloten uit b
in welke gevallen de artikelen 35 en 36 van overeenkomstige toepassing zijn.
**7.** Het eerste lid is niet van toepassing op een stookinstallatie met een thermisch vermogen van minder dan 300 MW, die na uiterlijk 10.000 bedrijfsuren, te rekenen vanaf 27 november 2002, definitief buiten bedrijf zal worden gesteld. In dat geval is het tweede lid van overeenkomstige toepassing.
**7.** Het eerste lid is niet van toepassing op een stookinstallatie met een thermisch vermogen van 50 megawatt of meer, maar minder dan 300 MW, die na uiterlijk 10.000 bedrijfsuren, te rekenen vanaf 27 november 2002, definitief buiten bedrijf zal worden gesteld. In dat geval is het tweede lid van overeenkomstige toepassing.
### Artikel 38a
@ -953,7 +1010,7 @@ in welke gevallen de artikelen 35 en 36 van overeenkomstige toepassing zijn.
Het eerste lid is van toepassing op een stookinstallatie voor aardgas:
a. met een thermisch vermogen van 7,5 MW of minder die uitsluitend wordt gebruikt voor het verhitten van water of stoom bij een druk niet hoger dan 1 MPa zonder dat daarbij luchtvoorverwarming wordt toegepast en
a. met een thermisch vermogen 1 megawatt of meer, maar minder dan 7,5 megawatt die uitsluitend wordt gebruikt voor het verhitten van water of stoom bij een druk niet hoger dan 1 MPa zonder dat daarbij luchtvoorverwarming wordt toegepast en
b. waarop artikel 13, vierde lid, onder c of d, of 17, eerste lid, onder b, van toepassing is.
### Artikel 39
@ -962,14 +1019,14 @@ b. waarop artikel 13, vierde lid, onder c of d, of 17, eerste lid, onder b, van
**2.**
De concentratie aan stikstofoxiden in rookgas wordt bij een gasturbine, een gasturbine-installatie of een combinatie van installaties als bedoeld in artikel 22, met een thermisch vermogen van minder dan 100 MW, bepaald door:
De concentratie aan stikstofoxiden in rookgas wordt bij een gasturbine, een gasturbine-installatie of een combinatie van installaties als bedoeld in artikel 22, met een thermisch vermogen van 50 megawatt of meer, maar minder dan 100 MW, bepaald door:
a. continue meting indien ter bestrijding van de emissie van stikstofoxiden met het rookgas injectie van water, stoom of een ander inert materiaal wordt toegepast, tenzij op een andere wijze ten genoegen van het bevoegd gezag wordt aangetoond dat de voor de stookinstallatie geldende emissie-eis niet zal worden overschreden;
b. afzonderlijke meting indien geen continue meting plaatsvindt.
**3.** De concentratie aan stikstofoxiden in rookgas wordt bij een zuigermotor bepaald door middel van een afzonderlijke meting.
**4.** Het eerste lid is niet van toepassing op een stookinstallatie met een thermisch vermogen van minder dan 300 MW, die na uiterlijk 10.000 bedrijfsuren, te rekenen vanaf 27 november 2002, definitief buiten bedrijf zal worden gesteld. In dat geval is het tweede lid van overeenkomstige toepassing.
**4.** Het eerste lid is niet van toepassing op een stookinstallatie met een thermisch vermogen van 50 megawatt of meer, maar minder dan 300 MW, die na uiterlijk 10.000 bedrijfsuren, te rekenen vanaf 27 november 2002, definitief buiten bedrijf zal worden gesteld. In dat geval is het tweede lid van overeenkomstige toepassing.
### Artikel 40
@ -1023,12 +1080,12 @@ b. indien de maximale bijstook in de bijbehorende ketel of ketels volgens de ont
In afwijking van het eerste lid hoeft in de volgende gevallen geen continue meting plaats te vinden en is het derde lid van overeenkomstige toepassing:
a. de stookinstallatie heeft een thermisch vermogen van minder dan 300 MW en zal na uiterlijk 10.000 bedrijfsuren, te rekenen vanaf 27 november 2002, definitief buiten bedrijf worden gesteld;
a. de stookinstallatie heeft een thermisch vermogen van 50 megawatt of meer, maar minder dan 300 MW en zal na uiterlijk 10.000 bedrijfsuren, te rekenen vanaf 27 november 2002, definitief buiten bedrijf worden gesteld;
b. de stookinstallatie is een ketelinstallatie, gasturbine of gasturbine-installatie die, of een procesfornuis dat wordt gestookt met een gasvormige brandstof die gezien de herkomst geen dusdanige hoeveelheid stofdeeltjes kan bevatten dat daardoor 10% van de betreffende emissie-eis kan worden overschreden.
**3.**
De concentratie aan stof in rookgas wordt bij een stookinstallatie met een thermisch vermogen van minder dan 100 MW bepaald door middel van een afzonderlijke meting, tenzij:
De concentratie aan stof in rookgas wordt bij een stookinstallatie met een thermisch vermogen van 50 megawatt of meer, maar minder dan 100 MW bepaald door middel van een afzonderlijke meting, tenzij:
a. continue meting plaatsvindt of
b. de stookinstallatie een ketelinstallatie, gasturbine of gasturbine-installatie is die, of een procesfornuis is dat wordt gestookt met een gasvormige brandstof die gezien de herkomst geen dusdanige hoeveelheid stofdeeltjes kan bevatten dat daardoor 10% van de betreffende emissie-eis kan worden overschreden.
@ -1073,9 +1130,9 @@ Onze Minister stelt nadere regels met betrekking tot de wijze waarop de concentr
### Artikel 46
**1.** Ingeval met betrekking tot zware stookolie een besluit krachtens artikel 5 of 6 van de Distributiewet 1939 is vastgesteld en toepassing is gegeven aan artikel 5*a* van het Besluit zwavelgehalte brandstoffen, kan Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken, voor stookinstallaties voor zware stookolie waarop artikel 12, eerste en tweede of achtste lid, of artikel 16, eerste en tweede of zesde lid, van het onderhavige besluit van toepassing is, waarden voor de toegestane uitworp van zwaveldioxide vaststellen, die voor een periode van ten hoogste zes maanden in de plaats komen van de waarden vermeld in die leden.
**1.** Ingeval met betrekking tot zware stookolie een besluit krachtens artikel 5 of 6 van de Distributiewet 1939 is vastgesteld en toepassing is gegeven aan artikel 5a van het Besluit zwavelgehalte brandstoffen, kan Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken, voor stookinstallaties voor zware stookolie waarop artikel 12, eerste en tweede of achtste lid, of artikel 16, eerste en tweede of zesde lid, van het onderhavige besluit van toepassing is, waarden voor de toegestane uitworp van zwaveldioxide vaststellen, die voor een periode van ten hoogste zes maanden in de plaats komen van de waarden vermeld in die leden. Onze Minister neemt hierbij de voorschriften van richtlijn 2001/80/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2001 inzake de beperking van de emissies van bepaalde verontreinigende stoffen in de lucht door grote stookinstallaties (PbEG L 309) in acht.
**2.** Het eerste lid geldt voor een andere dan een bestaande stookinstallatie slechts indien het thermisch vermogen van de stookinstallatie kleiner is dan 300 MW.
**2.** Het eerste lid geldt voor een andere dan een bestaande stookinstallatie slechts indien het thermisch vermogen van de stookinstallatie 50 megawatt of meer maar minder dan 50 megawatt is.
**3.** Een waarde als bedoeld in het eerste lid is voor stookinstallaties waarvoor een emissie-eis van 1700 mg/m^3 geldt, niet hoger dan de waarde voor de uitworp van zwaveldioxide met het rookgas, die zou optreden wanneer zware stookolie wordt verbruikt met een zwavelgehalte, gelijk aan een gehalte dat is vastgesteld met toepassing van artikel 5*a* van het Besluit zwavelgehalte brandstoffen.
@ -1093,8 +1150,6 @@ Vervallen
### Artikel 48a
**1.**
Voor een stookinstallatie anders dan een procesfornuis waarop dit besluit van toepassing is als gevolg van de wijziging van het thermisch vermogen van 75 MWth in 50 MWth, genoemd in categorie 1.3, onderdeel b, van bijlage I behorende bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, geldt:
a. indien tussen 31 juli 1988 en 15 september 1991 vergunning is verleend, in afwijking van het bepaalde in:
@ -1102,11 +1157,8 @@ a. indien tussen 31 juli 1988 en 15 september 1991 vergunning is verleend, in af
1°. artikel 11, derde lid, onder c, onder 2°, een emissie-eis van 650 mg/m^3 en met ingang van 1 januari 2008 een emissie-eis van 600 mg/m^3;
2°. artikel 12, vierde lid, onder b, een emissie-eis van 450 mg/m^3 en met ingang van 1 januari 2008 een emissie-eis van 400 mg/m^3 indien de stookinstallatie een thermisch vermogen heeft van 500 MW of meer;
3°. artikel 13, vierde lid, onder b, een emissie-eis van 350 mg/m^3 en met ingang van 1 januari 2008 een emissie-eis van 300 mg/m^3 indien de stookinstallatie een thermisch vermogen heeft van minder dan 500 MW en 200 mg/m^3 indien de stookinstallatie een thermisch vermogen heeft van 500 MW of meer;
b. artikel 16, derde lid en artikel 17, eerste lid, niet;
c. voor de toepassing van artikel 20*a*, tweede lid, in plaats van de datum van 31 december 1989, de datum van 14 september 1991;
d. in afwijking van de in artikel 16, zesde lid, en in artikel 20*a*, tweede lid, vastgestelde ingangsdata, een ingangsdatum van 15 september 1991.
**2.** Voor een bestaand procesfornuis gelden artikel 16, derde lid, en artikel 17, eerste lid, onder a, niet.
b. voor de toepassing van artikel 20a, tweede lid, in plaats van de datum van 31 december 1989, de datum van 14 september 1991;
c. in afwijking van de in artikel 16, vijfde lid, en in artikel 20a, tweede lid, vastgestelde ingangsdata, een ingangsdatum van 15 september 1991.
### Artikel 48b