2016-05-12 | BWBR0037925 | Meetcode gas RNB

This commit is contained in:
Coornhert 2016-05-12 12:00:00 +00:00
parent e9d8c38672
commit c621269c8f

View file

@ -3,7 +3,7 @@ titel: Meetcode gas RNB
bwb_id: BWBR0037925
type: zbo
status: geldend
datum_inwerkingtreding: '2016-06-30'
datum_inwerkingtreding: '2016-05-12'
bron: https://wetten.overheid.nl/BWBR0037925
citeertitel: Meetcode gas RNB
---
@ -157,7 +157,7 @@ Indien er geen sprake is van een telemetriegrootverbruikmeetinrichting en indien
### Artikel 2.1.1
De bepalingen van hoofdstuk 2 zijn van toepassing op meetinrichtingen die verbonden zijn met netkoppelingen en de aansluiting van aangeslotenen.
De bepalingen van hoofdstuk 2 zijn van toepassing op meetinrichtingen in het overdrachtspunt van de aansluiting van aangeslotenen niet zijnde een regionale netbeheerder en in de netkoppeling.
### Artikel 2.1.2
@ -169,7 +169,7 @@ Meetinrichtingen in het overdrachtspunt van een aansluiting op een gastransportn
In het (de) overdrachtspunt(en) van een aansluiting met een totale maximale capaciteit van ten hoogste 40 m^3(n) per uur is een niet op afstand uitleesbare kleinverbruikmeetinrichting of een op afstand uitleesbare kleinverbruikmeetinrichting aanwezig.
### Paragraaf 2.3. Meetinrichting verbonden met een aansluiting met een totale maximale capaciteit groter dan 40 m
### Paragraaf 2.3. Meetinrichting in het overdrachtspunt van een aansluiting met een totale maximale capaciteit groter dan 40 m
### Artikel 2.3.1
@ -177,11 +177,11 @@ Een aansluiting, waarop de aangeslotene conform 4.3.1.3 of 4.3.1.8 van de Alloca
### Artikel 2.3.2
Een aansluiting, waarop de aangeslotene conform 4.3.1.5 of 4.3.1.10 van de Allocatiecode gas de afnamecategorie GXX respectievelijk GIN toegekend heeft gekregen, dient een minimaal maandelijks uitleesbare of een uurlijks uitleesbare telemetriegrootverbruikmeetinrichting, zoals beschreven in 4.3.4 te hebben.
Een aansluiting, waarop de aangeslotene conform 4.3.1.5 of 4.3.1.10 van de Allocatiecode gas de afnamecategorie GXX respectievelijk GIN toegekend heeft gekregen, dient een dagelijks uitleesbare of een uurlijks uitleesbare telemetriegrootverbruikmeetinrichting, zoals beschreven in 4.3.4 te hebben.
### Artikel 2.3.3
Een aansluiting, waarop de aangeslotene conform 4.3.1.7 van de Allocatiecode gas de afnamecategorie G2C toegekend heeft gekregen, dient een profielgrootverbruikmeetinrichting zoals beschreven in 4.3.3, een minimaal maandelijks uitleesbare of een uurlijks uitleesbare telemetriegrootverbruikmeetinrichting, zoals beschreven in 4.3.4 te hebben.
Een aansluiting, waarop de aangeslotene conform 4.3.1.7 van de Allocatiecode gas de afnamecategorie G2C toegekend heeft gekregen, dient een profielgrootverbruikmeetinrichting zoals beschreven in 4.3.3, een dagelijks uitleesbare of een uurlijks uitleesbare telemetriegrootverbruikmeetinrichting, zoals beschreven in 4.3.4 te hebben.
### Paragraaf 2.4. Aanwijzing meterbeheerder
@ -606,13 +606,13 @@ De in 4.3.2.1 genoemde gegevens in het meterregister kunnen desgevraagd worden i
### Artikel 4.3.2.4
Bij beëindiging van de beheerovereenkomst met de meetverantwoordelijke, bewaart de meetverantwoordelijke de gegevens zoals bedoeld in 4.3.2.1 gedurende een periode van tenminste zeven jaar.
Bij beëindiging van de beheerovereenkomst met de meetverantwoordelijke, bewaart de meetverantwoordelijke de gegevens zoals bedoeld in 4.3.2.1 nog ten minste drie jaar.
#### Paragraaf 4.3.3. Eisen aan profiel grootverbruikmeetinrichtingen
### Artikel 4.3.3.1
Een meetinrichting registreert de totale op het overdrachtspunt uitgewisselde hoeveelheid gas, uitgedrukt in kubieke meters (m^3) en/of in normaal kubieke meters [m^3(n)]. De standen van elk telwerk zijn minimaal maandelijks uit- of afleesbaar. De standen van elk telwerk zijn ter plaatse van de meetinrichting op elk willekeurig moment afleesbaar.
Een meetinrichting registreert de totale op het overdrachtspunt uitgewisselde hoeveelheid gas, uitgedrukt in kubieke meters (m^3) en/of in normaal kubieke meters [m^3(n)]. De standen van elk telwerk zijn ter plaatse van de meetinrichting op elk willekeurig moment afleesbaar.
#### Paragraaf 4.3.4. Eisen aan telemetriegrootverbruikmeetinrichtingen
@ -635,14 +635,6 @@ De afwijking van de starttijden en stoptijden van de meetperiode is niet groter
In afwijking van 4.3.4.3 is bij uitval van het synchronisatiesysteem de afwijking van de start- en stoptijden van de meetperiode minder dan tien seconden gedurende een periode van maximaal een week.
### Artikel 4.3.4.5
Bij een uurlijks uitleesbare meetinrichting kunnen de gegevens zoals bedoeld in artikel 4.3.4.1, onderdeel a, uurlijks op afstand elektronisch worden uitgelezen.
### Artikel 4.3.4.6
Bij een minimaal maandelijks uitleesbare meetinrichting kunnen de gegevens zoals bedoeld in artikel 4.3.4.1, onderdeel a, minimaal maandelijks, of zoveel vaker als nodig op grond van de opslagcapaciteit van de vluchtige data-buffer, op afstand elektronisch worden uitgelezen.
#### Paragraaf 4.3.5. Storingen in de grootverbruikmeetinrichting
### Artikel 4.3.5.1
@ -677,49 +669,33 @@ De in 5.1.1 bedoelde meetgegevens zijn beveiligd tegen wijziging ervan.
### Artikel 5.2.1
Ten minste eenmaal per maand, tussen de vijfde werkdag voor en de vijfde werkdag na de maandwisseling, bepaalt de meetverantwoordelijke bij profielgrootverbruikmeetinrichtingen op profielgrootverbruikaansluitingen de in 4.3.3.1 bedoelde meetgegevens en slaat deze op in niet-vluchtige databuffers.
### Artikel 5.2.1a
Onverminderd 5.2.1 bepaalt de meetverantwoordelijke bij de meetinrichting op profielgrootverbruikaansluitingen die nog niet maandelijks uit- of afgelezen kunnen worden ten minste eenmaal per jaar, in de zes weken voorafgaande aan de maand die op grond van 2.1.2, onderdeel c, van de Informatiecode elektriciteit en gas is opgenomen in het aansluitingenregister, de in 4.3.3.1 bedoelde meetgegevens en slaat deze op in niet-vluchtige databuffers.
Tenminste eenmaal per jaar, in de zes weken voorafgaande aan de maand die op grond van 2.1.2, onderdeel c, van de Informatiecode Elektriciteit en Gas is opgenomen in het aansluitingenregister, bepaalt de meetverantwoordelijke bij profielgrootverbruikmeetinrichtingen op profielgrootverbruikaansluitingen de in 4.3.3.1 bedoelde meetgegevens en slaat deze op in niet-vluchtige databuffers.
### Artikel 5.2.2
De in 5.2.1 en 5.2.1a bedoelde bepaling van de meetgegevens vindt in de regel plaats door uit- of aflezing van de meetinrichting door de meetverantwoordelijke. De meetverantwoordelijke kan van de aangeslotene verlangen dat de aangeslotene zelf de tellerstand opneemt en deze tellerstand op een door de meetverantwoordelijke te bepalen wijze en binnen een door de meetverantwoordelijke aangegeven termijn ter kennis van de meetverantwoordelijke brengt.
### Artikel 5.2.2a
Indien sprake is van dataoverdracht met behulp van pulsen tussen de verschillende onderdelen van de meetinrichting of tussen de meetinrichting en de meetverantwoordelijke, worden in afwijking van het gestelde in 5.2.1 de maandelijkse tellerstanden van de gasmeter, en indien van toepassing van het niet herleid volume van het volumeherleidingsinstrument en van het herleid volume van het volumeherleidingsinstrument door de meetverantwoordelijke berekend op basis van deze pulsen.
De in 5.2.1 bedoelde bepaling van de meetgegevens vindt in de regel plaats door uit- of aflezing van de meetinrichting door de meetverantwoordelijke. De meetverantwoordelijke kan van de aangeslotene verlangen dat de aangeslotene zelf de tellerstand opneemt en deze tellerstand op een door de meetverantwoordelijke te bepalen wijze en binnen een door de meetverantwoordelijke aangegeven termijn ter kennis van de meetverantwoordelijke brengt.
### Artikel 5.2.3
Indien 5.2.2a van toepassing is, worden ten minste eenmaal per 36 maanden de tellerstanden van de gasmeter, en indien van toepassing van het niet herleid volume van het volumeherleidingsinstrument en van het herleid volume van het volumeherleidingsinstrument bepaald door het ter plaatse uit- of aflezen van de meetinrichting door de meetverantwoordelijke. Het eventueel geconstateerde verschil met de op afstand bepaalde standen wordt restvolume genoemd. De oorzaak van het ontstaan van dit restvolume wordt door de meetverantwoordelijke onderzocht. Indien uit dit onderzoek blijkt dat (een deel van) het restvolume naar grote waarschijnlijkheid is ontstaan in een concreet te duiden maand van de afgelopen twaalf maanden, wijst de meetverantwoordelijke (dit deel van) het restvolume toe aan de desbetreffende maand. Het (deel van) het restvolume dat niet kan worden toegewezen aan een concrete maand wordt door de meetverantwoordelijke evenredig toegewezen aan de afgelopen 12 maanden. Indien het geconstateerde verschil zo groot is dat de bepaalde meetgegevens voor de afgelopen 36 maanden niet voldoen aan de eisen gesteld in 4.1.3.3 voor volumemeting en/of capaciteitsmeting, vindt een onderzoek plaats naar de datacollectie en maakt de meetverantwoordelijke een schatting van het werkelijke verbruik gedurende de (vermoedelijke) periode dat de meting onjuist was. Dit verbruik wordt door de meetverantwoordelijke evenredig toegewezen aan de (vermoedelijke) periode dat de meting onjuist was, of, indien deze periode langer dan 12 maanden geleden is, aan de afgelopen 12 maanden.
### Artikel 5.2.3a
Onverminderd 5.2.1 bepaalt de meetverantwoordelijke eenmaal in de 36 maanden bij profielgrootverbruikmeetinrichtingen die nog niet maandelijks uit- of afgelezen kunnen worden de meetgegevens genoemd in 5.2.1a door aflezing op de meetinrichting bij de aangeslotene en slaat deze meetgegevens op in niet-vluchtige databuffers.
Indien de meetverantwoordelijke redelijkerwijs niet in staat is de tellerstand van de meetinrichting uit of af te lezen of de aangeslotene niet heeft voldaan aan het verlangen van de meetverantwoordelijke, zoals beschreven in 5.2.2, maakt de meetverantwoordelijke een schatting van de tellerstand(-en).
### Artikel 5.2.4
Kennisneming van de in 5.2.1, 5.2.1a, 5.2.2, 5.2.2a, 5.2.3 en 5.2.3a bedoelde meetgegevens is voorbehouden aan die partijen die daartoe op grond van deze regeling, wetgeving en/of rechtsgeldig gesloten overeenkomsten zijn gerechtigd.
Ten minste eenmaal in de 36 maanden worden de meetgegevens genoemd in 5.2.1 bepaald door aflezing op de meetinrichting bij de aangeslotene door de meetverantwoordelijke en slaat deze meetgegevens op in niet-vluchtige databuffers.
### Artikel 5.2.5
De meetverantwoordelijke draagt er zorg voor dat de in 5.2.1, 5.2.1a, 5.2.2, 5.2.2a, 5.2.3 en 5.2.3a bedoelde meetgegevens zijn beveiligd tegen wijziging ervan.
De in 5.2.1 en 5.2.4 bedoelde meetgegevens zijn beveiligd tegen wijziging ervan.
### Artikel 5.2.6
De meetverantwoordelijke bewaart de meetgegevens bedoeld in 5.2.1, 5.2.1a, 5.2.2, 5.2.3, 5.2.3a gedurende een periode van ten minste zeven jaar.
De meetverantwoordelijke bewaart de meetgegevens bedoeld in 5.2.1 en 5.2.4 gedurende een periode van drie jaar.
### Paragraaf 5.3. Meetgegevensverzameling bij telemetriegrootverbruikmeetinrichtingen
### Artikel 5.3.1
De meetverantwoordelijke:
a. verzamelt bij uurlijks bemeten meetinrichtingen op elektronische wijze uurlijks de in 4.3.4.1 onderdeel a genoemde meetgegevens en slaat deze op in niet-vluchtige databuffers;
b. verzamelt bij minimaal maandelijks bemeten meetinrichtingen op elektronische wijze maandelijks, of zoveel vaker als nodig vanwege de opslagcapaciteit van de vluchtige databuffer, de in 4.3.4.1 onderdeel a genoemde meetgegevens, waarbij geldt dat de resolutie van de meetgegevens niet beïnvloed wordt en dat er geen gegevens verloren gaan en slaat deze op in niet-vluchtige databuffers;
c. verzamelt maandelijks de in 4.3.4.1 sub b genoemde gegevens en slaat deze op in niet-vluchtige databuffers.
De meetverantwoordelijke verzamelt op elektronische wijze de in 4.3.4.1 sub a genoemde meetgegevens op een zodanige wijze dat de resolutie van de meetgegevens niet wordt beïnvloed en slaat deze meetgegevens op in niet-vluchtige databuffers. De in 4.3.4.1 sub b genoemde gegevens worden per gasmaand verzameld. Bij dagelijks uitleesbare meetinrichtingen gebeurt dit dagelijks, bij uurlijks uitleesbare meetinrichtingen gebeurt dit uurlijks.
### Artikel 5.3.2
@ -727,7 +703,7 @@ In afwijking van het gestelde in 5.3.1 worden, indien sprake is van dataoverdrac
### Artikel 5.3.3
Indien 5.3.2 van toepassing is, worden tenminste eenmaal per zes maanden de tellerstanden van de gasmeter, en indien van toepassing van het niet herleid volume van het volumeherleidingsinstrument en van het herleid volume van het volumeherleidingsinstrument bepaald door het ter plaatse uit- of aflezen van de meetinrichting door de meetverantwoordelijke. Het eventueel geconstateerde verschil met de op afstand bepaalde standen wordt restvolume genoemd. De oorzaak van het ontstaan van dit restvolume wordt door de meetverantwoordelijke onderzocht. Indien uit dit onderzoek blijkt dat (een deel van) het restvolume naar grote waarschijnlijkheid is ontstaan in concreet te duiden uren van de afgelopen maand, verdeelt de meetverantwoordelijke (dit deel van) het restvolume naar beste kunnen over de desbetreffende uren. Het eventueel resterende restvolume wordt verwerkt in de maand van uit- of aflezen, nadat dit is herleid tot normaal kubieke meters [m^3(n)] met behulp van de gemiddelde herleidingsfactor voor de uurmetingen van de afgelopen maand. Indien het geconstateerde verschil zo groot is dat de op afstand bepaalde meetgegevens voor de onderhavige maand niet voldoen aan de eisen gesteld in 4.1.3.3 voor volumemeting en/of capaciteitsmeting, vindt een onderzoek plaats naar de datacollectie en wordt, in plaats van de hierboven genoemde werkwijze, de werkwijze volgens paragraaf 6.4.4 van de Informatiecode Elektriciteit en Gas gevolgd.
Indien 5.3.2 van toepassing is, worden tenminste eenmaal per zes maanden de tellerstanden van de gasmeter, en indien van toepassing van het niet herleid volume van het volumeherleidingsinstrument en van het herleid volume van het volumeherleidingsinstrument bepaald door het ter plaatse uit- of aflezen van de meetinrichting door de meetverantwoordelijke. Het eventueel geconstateerde verschil met de op afstand bepaalde standen wordt restvolume genoemd. De oorzaak van het ontstaan van dit restvolume wordt door de meetverantwoordelijke onderzocht. Indien uit dit onderzoek blijkt dat (een deel van) het restvolume naar grote waarschijnlijkheid is ontstaan in concreet te duiden uren van de afgelopen maand, verdeelt de meetverantwoordelijke (dit deel van) het restvolume naar beste kunnen over de desbetreffende uren. Het eventueel resterende restvolume wordt verwerkt in de maand van uit- of aflezen, nadat dit is herleid tot normaal kubieke meters [m^3(n)] met behulp van de gemiddelde herleidingsfactor voor de uurmetingen van de afgelopen maand. Indien het geconstateerde verschil zo groot is dat de op afstand bepaalde meetgegevens voor de onderhavige maand niet voldoen aan de eisen gesteld in 4.1.3.3 voor volumemeting en/of capaciteitsmeting, vindt een onderzoek plaats naar de datacollectie en wordt, in plaats van de hierboven genoemde werkwijze, de werkwijze volgens 6.4.2.18 of 6.4.2.19 van de Informatiecode Elektriciteit en Gas gevolgd.
### Artikel 5.3.4
@ -739,7 +715,7 @@ De in 5.3.1, 5.3.2 en 5.3.3 bedoelde meetgegevens zijn beveiligd tegen wijziging
### Artikel 5.3.6
De meetverantwoordelijke bewaart de meetgegevens bedoeld in 5.3.1, 5.3.2 en 5.3.3 gedurende een periode van ten minste zeven jaar.
De meetverantwoordelijke bewaart de meetgegevens bedoeld in 5.3.1, 5.3.2 en 5.3.3 gedurende een periode van drie jaar.
### Paragraaf 5.4. Storingen in de gegevensverwerking bij telemetriegrootverbruikmeetinrichtingen
@ -755,7 +731,7 @@ Wanneer het geregistreerd volume van de gasmeter verschilt met het geregistreerd
### Artikel 5.4.1.3
Het in 5.4.1.1 of in 5.4.1.2 geconstateerde verschil wordt als restvolume verwerkt in de maand van uit- of aflezen, nadat dit is herleid tot normaal kubieke meters [m^3(n)] met behulp van de gemiddelde herleidingsfactor voor de uurmetingen van de desbetreffende periode. Indien het geconstateerde verschil zo groot is dat de op afstand bepaalde meetgegevens voor de desbetreffende periode niet voldoen aan de eisen gesteld in 4.1.3.3 voor volumemeting en/of capaciteitsmeting, vindt een onderzoek plaats naar de datacollectie en wordt, in plaats van de hierboven genoemde werkwijze, de werkwijze volgens 5.4 en volgens paragraaf 6.4.4 van de Informatiecode Elektriciteit en Gas gevolgd.
Het in 5.4.1.1 of in 5.4.1.2 geconstateerde verschil wordt als restvolume verwerkt in de maand van uit- of aflezen, nadat dit is herleid tot normaal kubieke meters [m^3(n)] met behulp van de gemiddelde herleidingsfactor voor de uurmetingen van de desbetreffende periode. Indien het geconstateerde verschil zo groot is dat de op afstand bepaalde meetgegevens voor de desbetreffende periode niet voldoen aan de eisen gesteld in 4.1.3.3 voor volumemeting en/of capaciteitsmeting, vindt een onderzoek plaats naar de datacollectie en wordt, in plaats van de hierboven genoemde werkwijze, de werkwijze volgens 5.4 en volgens 6.4.2.18 van de Informatiecode Elektriciteit en Gas gevolgd.
#### Paragraaf 5.4.2. Verplichtingen van de meetverantwoordelijke bij het op afstand uitlezen van telemetriegrootverbruikmeetinrichtingen
@ -801,249 +777,6 @@ De meetverantwoordelijke registreert alle reparaties die conform 5.4.3.1 tot en
Desgevraagd geeft de meetverantwoordelijke aan de MV-erkenner inzage in de registratie met betrekking tot de onder punt 5.4.3.6 genoemde reparaties.
## Hoofdstuk 5a. Gaskwaliteitsmeting bij invoedingsinstallaties
### Paragraaf 5a.1. Voorwaarden met betrekking tot de uitvoering van gaskwaliteitsmeting
### Artikel 5a.1.1
Met betrekking tot de plaatsing, de bedrijfsvoering, het beheer en het onderhoud aan de gaskwaliteitsmeting toont de invoeder aan dat:
a. hij de gaskwaliteitsmeting en de overige voorzieningen, zoals bedoeld in 2.5.2 van de Aansluit- en transportcode Gas RNB bedrijft en onderhoudt volgens de voorschriften van de leveranciers van deze voorzieningen. Het bedienend personeel is dienovereenkomstig opgeleid.
b. het onderhoud en de inspectie aan de in onderdeel a bedoelde voorzieningen worden uitgevoerd door gekwalificeerd en competent personeel.
c. de periodieke controle van de in onderdeel a bedoelde voorzieningen en de onderhoudsprocessen alleen worden uitgeoefend door personen of organisaties in het bezit van een geldig certificaat waaruit blijkt dat deze persoon of geoormerkt deel van de organisatie is gekwalificeerd voor de uitvoering van gaskwaliteitsmeting, afgegeven door een binnen- of buitenlandse geaccrediteerde certificeringsinstelling (bijvoorbeeld een ISO 9001- of 14001-certificaat of een daarmee vergelijkbaar certificaat).
### Paragraaf 5a.2. De gaskwaliteitsmeetinrichting
### Artikel 5a.2.1
De door middel van de gaskwaliteitsmeting te meten waarden van samenstelling of eigenschappen worden op basis van de volgende normen, meetmethoden en frequentie vastgesteld,
De totale onnauwkeurigheid van het gasmengsel dient te voldoen aan de Wobbe- en calorische waarde specificaties, zoals in deze tabel.
### Artikel 5a.2.2
Indien de invoeder met een andere meetmethode, gelijkwaardig aan die zoals bedoeld in 5a.2.1, de gaskwaliteit wil bepalen, wordt dit in overleg met de netbeheerder toegestaan, indien de invoeder aantoont dat deze meetmethode gelijkwaardige meetresultaten oplevert. Metingen dienen te geschieden met gelijke bepalingsintervallen zoals genoemd in 5a.2.1. Indien de toegepaste meetinstrumenten leiden tot afwijkende onderhouds- en beheerfrequentie, dient dit te worden goedgekeurd door de in 5a.1.1, onderdeel c, bedoelde persoon of organisatie.
### Artikel 5a.2.3
In aanvulling op 5a.2.1 wordt tevens een bewakingssignaal aangeboden voor de bewaking van de THT-voorziening.
### Artikel 5a.2.4
Indien de invoedingsinstallatie is voorzien van een bijmenginstallatie van stikstof, zal het gehalte aan stikstof via een gaschromatische meting worden vastgesteld, tezamen met een flowmeting van het gas of de gassen die bijgemengd worden, tenzij de invoedingsinstallatie beschikt over een gaskwaliteitsmeting waarmee de Wobbe-Index kan worden bepaald zonder het gehalte aan stikstof te bepalen. In aanvulling op 5a.2.1 worden deze bewakingssignalen aangeboden.
### Artikel 5a.2.5
Met een halfjaarlijks interval wordt een monstername van het gas gedaan. Hierop wordt een laboratoriumanalyse conform onderstaande tabel uitgevoerd. Daarbij geldt dat:
a. voor de componenten THT, CO en Siloxanen de gaschromatografische bepalingsmethode moet worden toegepast of apparatuur met gelijkwaardige eigenschappen;
b. voor de THT-bepaling de invoeder in gelegenheid wordt gesteld om door middel van het monsternamepunt zoals omschreven in 2.5.1a.2 van de Aansluit- en transportcode Gas RNB een monster te nemen;
c. in de opstartfase van de invoeding de netbeheerder in overleg met de invoeder een ander dan halfjaarlijkse interval kan vaststellen;
d. voor de componenten CH_4, CO_2, N_2 en O_2 de totale onnauwkeurigheid van het gasmengsel moet voldoen aan de Wobbe- en calorische waarde specificaties, zoals vermeld in 5a.2.1; en
e. in de rapportage van de laboratoriumtest voor micro-organismen wordt aangegeven wat de wijze van monsterneming, de wijze van analyse en het criterium voor een positieve test is.
### Artikel 5a.2.6
De monstername bedoeld in 5a.2.5 vindt plaats zoals beschreven in NEN-EN-ISO 10715:2000 “Aardgas Richtlijnen voor monsterneming”.
### Artikel 5a.2.7
De meetwaarden en bewakingssignalen worden ten minste vijf jaar opgeslagen in een niet vluchtige databuffer.
### Artikel 5a.2.8
Systematische afwijkingen van de gaskwaliteitsmeting dienen terug te worden gedrongen door middel van de CUSUM techniek, conform ISO/TR 7871:1997 “Cumulative sum charts Guidance on quality control and data analysis using CUSUM techniques” of een daarmee vergelijkbare techniek.
### Paragraaf 5a.3. Gaskwaliteitsmeetgegevens en rapportage
### Artikel 5a.3.1
Een lokaal data acquisitiesysteem registreert op de plek van de meting voor elke analyseslag de verkregen analysewaarden en bepaalde waarden volgens 5a.2.1 en 5a.2.2, alsmede het tijdstip van registratie.
### Artikel 5a.3.2
De klok van het lokale data acquisitiesysteem wordt tenminste dagelijks gesynchroniseerd met een centrale klok.
### Artikel 5a.3.3
Het lokale data acquisitiesysteem legt met de data tevens de door de meetinstallatie gegenereerde storingsinformatie vast.
### Artikel 5a.3.4
De geregistreerde waarden, zoals bedoeld in 5a.2.1, worden door de invoeder aangeboden aan de regionale netbeheerder door middel van een on-line verbinding.
### Artikel 5a.3.5
De invoeder dient de geregistreerde waarden van de gaskwaliteitsmeetinrichting, zoals bedoeld in 5a.2.1, vijf jaar te archiveren.
### Artikel 5a.3.6
Twee maal per jaar verstrekt de invoeder de rapportage met de resultaten van de metingen en analyses zoals bedoel in 5a.2.5, alsmede de conclusie daaruit, aan de regionale netbeheerder.
### Artikel 5a.3.7
De samenstelling (keuze en concentratie van de componenten) van het testgas en het kalibratiegas wordt bepaald op basis van de samenstelling van het procesgas.
### Artikel 5a.3.8
Kalibratiegassen worden gravimetrisch aangemaakt conform NEN-EN-ISO 6142:2006 “Gas analysis Preparation of calibration gas mixtures Gravimetric method“ en van een certificaat voorzien conform NEN-EN-ISO 6143:2006 “Gas analysis Comparison methods for determining and checking the composition of calibration gas mixtures”. De onnauwkeurigheid van het mengsel op basis van Wobbe en calorische bovenwaarde, dient te voldoen aan de in 5a.2.1 gestelde specificaties.
### Artikel 5a.3.9
Alle werkzaamheden aan de gaskwaliteitsmeetinrichting worden vastgelegd in een logboek. Door middel van de volgende rapportages wordt de regionale netbeheerder één keer per jaar geïnformeerd over de performance van de gaskwaliteitsmeetinrichting:
CUSUM resultaten van de gaskwaliteitsmeting;
Maandelijkse resultaten van de (nulpunt)drift (indien van toepassing);
Keuringsrapport(en) resultaat discontinue controlemetingen.
### Artikel 5a.3.10
De invoeder draagt zorg voor periodieke inspectie ter bepaling van het juist functioneren van de kwaliteitsmeetinrichting en legt conform de aangegeven periodes zoals aangegeven in hoofdstuk 5a van de “Meetcode gas RNB” de bevindingen hiervan vast in een keuringsrapport.
### Paragraaf 5a.4. Inbedrijfname, beheer en onderhoud van de gaskwaliteitsmeetinrichting
#### Paragraaf 5a.4.1. Inbedrijfname en beheer van de gaskwaliteitsmeetinrichting
### Artikel 5a.4.1.1
Voor aanvang van de invoeding wordt er een gaskwaliteitsmeetprotocol opgesteld. In het gaskwaliteitsmeetprotocol legt de invoeder vast hoe de gaskwaliteitsmeting wordt uitgevoerd. In het gaskwaliteitsmeetprotocol wordt ten minste beschreven:
Het gaskwaliteitsmeetsysteem;
Data-acquisitie, -verwerking, -logging en communicatie;
Kwaliteitsborging en onderhoud van het gaskwaliteitsmeetsysteem;
Onzekerheid van het gaskwaliteitsmeetsysteem;
Afhandeling van herberekeningen.
### Artikel 5a.4.1.2
De goedkeuring van de gaskwaliteitsmeetinrichting kan door de invoeder plaats vinden en dient tenminste vijf werkdagen voor aanvang van de geplande invoeding gemeld te worden aan de regionale netbeheerder.
### Artikel 5a.4.1.3
De invoeder geeft een schriftelijke verklaring over het juist functioneren af aan de regionale netbeheerder en dat de metingen aangeven dat het geproduceerde gas conform de specificaties is, voorafgaand aan de start van invoeding in het regionale gastransportnet en vertrekt hiertoe de volgende documenten:
Gemeten waarden en conclusies over kwaliteit van het gas n.a.v. de monstername;
Keuringsrapport van de gaskwaliteitsmeetinstallatie;
Tekeningen gaskwaliteitsmeetinstallatie;
Standaard gaskwaliteitsmeetprotocol;
Gemeten continue waarden van tenminste 24 uur met een opgave of aan de criteria voor invoeding voldaan wordt;
Goedkeuring van de kwaliteitsmeting door de netbeheerder.
### Artikel 5a.4.1.4
De gaskwaliteitsmeetinrichting dient initieel gekalibreerd te worden met een kalibratiegas dat op het werkgebied van het procesgas ligt, volgens de NEN-EN-ISO 10723:2002 “Natural gas Performance evaluation for on-line analytical systems”. Deze kalibratie wordt herhaald na het overschrijden van de afkeurgrens of CUSUM-grens van de testgasprocedure.
#### Paragraaf 5a.4.2. Beheer van de gaskwaliteitsmeetinrichting
### Artikel 5a.4.2.1
De invoeder voert een keer per maand testgasprocedure uit.
### Artikel 5a.4.2.2
De invoeder inspecteert tenminste één keer per maand de gaskwaliteitsmeting uitwendig en controleert of de hoeveelheden draaggas, testgas en kalibratiegas toereikend zijn.
### Artikel 5a.4.2.3
De invoeder controleert tenminste één keer per maand de compleetheid van de gegevens in het logboek en valideert deze op basis van:
de werking van de gaskwaliteitsmeting op basis van de CUSUM kaarten;
tijdsynchronisatie van de gaskwaliteitsmeting en de meetperiode;
aanwezigheid van alle metingen en een waarde.
### Artikel 5a.4.2.4
De invoeder controleert tenminste één keer per maand de werking van het bedieningspaneel en de gaskwaliteitsmeetinrichting na storingen (die geen consequenties hebben gehad voor het functioneren van de gaskwaliteitsmeetinrichting).
### Artikel 5a.4.2.5
De invoeder justeert de gaskwaliteitsmeetinrichting door middel van kalibratie als daartoe aanleiding is op basis van de maandelijkse validatie door de testgas procedure.
### Artikel 5a.4.2.6
De invoeder controleert of de houdbaarheidsdatum van het testgas en kalibratiegas, die op het bijbehorende certificaat vermeld staat, niet verstreken is.
#### Paragraaf 5a.4.3. Onderhoud
### Artikel 5a.4.3.1
Componenten van de gaskwaliteitsmeetinrichting dienen conform de fabrikantspecificaties uitgewisseld, geplaatst, onderhouden en beheerd te worden.
### Artikel 5a.4.3.2
Indien de gaskwaliteitsmeetinrichting onderhoud behoeft, dient de invoeding gestaakt te worden.
#### Paragraaf 5a.4.4. Testgasprocedure
### Artikel 5a.4.4.1
Ter controle van de juiste werking van de gaschromatograaf, deel uit makend van de gaskwaliteitsmeetinrichting, voert de invoeder periodiek een testgas analyse uit.
### Artikel 5a.4.4.2
Het testgas bestaat uit de hoofdcomponenten CH_4, CO_2, O_2, N_2.
### Artikel 5a.4.4.3
De testgassen zijn voorzien van een certificaat waarvan de Hs (MJ/m^3(n)) waarde is vastgesteld op basis van een laboratoriumanalyse.
### Artikel 5a.4.4.4
De gaskwaliteit van het testgas voor een gaschromatograaf moet liggen in het gerealiseerde werkgebied van de betreffende gaschromatograaf.
### Artikel 5a.4.4.5
De testgas-test omvat minimaal 3 analyses. Er wordt gerekend op basis van het gemiddelde van de laatste twee analyses. Bij een verschil tussen analyse resultaat en het certificaat groter dan 0,3% wordt een onderzoek ingesteld, zo nodig gevolgd door een correctieve actie aan de gaschromatograaf, en dient de invoeder een voorstel tot correctie van de meetwaarden conform 4.1.7 of 4.6.5 van de Meetcode gas LNB te doen.
### Artikel 5a.4.4.6
In het testgas-proces vindt een bewaking plaats op systematische afwijkingen. Deze bewaking vindt plaats volgens ISO 7871 of een vergelijkbare methode. Deze methode staat bekend als de CUSUM methode, zie 2.7.3 van de Meetcode gas LNB.
### Artikel 5a.4.4.7
De afwijkingen vanuit de testgasprocedure worden in een CUSUM controlekaart bijgehouden.
### Artikel 5a.4.4.8
Als de kalibratie is uitgevoerd, wordt de nieuwe kalibratielijn in de gaskwaliteitsmeetinrichting geregistreerd (de feitelijke justering) en wordt de testgasprocedure nogmaals uitgevoerd met beide testgassen. Daarmee wordt de nieuwe kalibratielijn gevalideerd.
### Paragraaf 5a.5. Omgang met storingen gaskwaliteitsmeting
### Artikel 5a.5.1
De invoeder houdt alle correcties in de data in logboeken bij. In deze logboeken worden minimaal vermeld de originele meetwaarde, de vervangende meetwaarde, de reden van wijziging, de wijze van wijziging, het tijdstip van wijziging en de uitvoerder van de wijziging.
### Paragraaf 5a.6. Gaskwaliteitsmeting ten behoeve van uitvoering B5.6.9
### Artikel 5a.6.1
Periodiek bepaalt de gaschromatograaf de samenstelling van het gas
### Artikel 5a.6.2
Uit de componentensamenstelling wordt de calorische bovenwaarde berekend.
### Artikel 5a.6.3
De meetverantwoordelijke bepaalt het aantal normaal kubieke meters [m^3(n)] (volume) van het gas dat de gasmeter in datzelfde interval heeft gemeten.
### Artikel 5a.6.4
De energie-inhoud van het gas dat in het voorbije interval is gemeten wordt bepaald door de calorische bovenwaarde te vermenigvuldigen met het aantal normaal kubieke meters gas als bedoeld in 5a.6.3.
### Artikel 5a.6.5
De stappen 5a.6.1 tot en met 5a.6.4 worden minimaal 1 maal per 5 minuten uitgevoerd. De totale ingevoede hoeveelheid energie van enig uur wordt bepaald door de waarden uit stap 5a.6.4 bij elkaar op te tellen. Het totale ingevoede aantal normaal kubieke meters [m^3(n)] (volume) wordt bepaald door de waarden uit stap 5a.6.3 bij elkaar op te tellen. De gemiddelde calorische waarde over het uur is gelijk aan de totale hoeveelheid energie gedeeld door het totale volume. Indien het totaal ingevoede aantal normaal kubieke meters [m^3(n)] (volume) in enig uur gelijk is aan nul, dan wordt de calorische waarde voor dat uur op nul gesteld.
### Artikel 5a.6.6
De meetverantwoordelijke zorgt ervoor dat de intervallen van de stappen 5a.6.1 en 5a.6.3 niet meer dan zestig seconden van elkaar afwijken.
### Artikel 5a.6.7
Indien de meetverantwoordelijke de in 5a.6.1 bedoelde bepaling niet zelf uitvoert, geschiedt de overdracht van de in 5a.6.2 bedoelde gegevens aan de meetverantwoordelijke automatisch en is deze beveiligd tegen wijziging ervan.
## Hoofdstuk 6. Bijzondere bepalingen
### Paragraaf 6.1. Verwisseling of wijziging van het deel van de meetinrichting dat zich in het perceel van de aangeslotene bevindt
@ -1095,11 +828,11 @@ Indien er zich situaties voordoen die niet zijn voorzien in de bepalingen van de
### Artikel 6.3.1
De regionale netbeheerder beslist na overleg met de aangeslotene over de toelaatbaarheid van een bestaande (gaskwaliteits)meetinrichting die voor de inwerkingtreding van deze regeling is geïnstalleerd en die niet aan de in hoofdstuk 4 of 5a genoemde eisen voldoet. Indien de bestaande meetinrichting geheel of gedeeltelijk niet toelaatbaar wordt geoordeeld, stelt de regionale netbeheerder een redelijke termijn binnen welke de aangeslotene de meetinrichting alsnog aan de eisen genoemd in hoofdstuk 4 moet laten voldoen.
De regionale netbeheerder beslist na overleg met de aangeslotene over de toelaatbaarheid van een bestaande meetinrichting die voor de inwerkingtreding van deze code is geïnstalleerd en die niet aan de in hoofdstuk 4 genoemde eisen voldoet. Indien de bestaande meetinrichting geheel of gedeeltelijk niet toelaatbaar wordt geoordeeld, stelt de regionale netbeheerder een redelijke termijn binnen welke de aangeslotene de meetinrichting alsnog aan de eisen genoemd in hoofdstuk 4 moet laten voldoen.
### Artikel 6.3.2
De in 6.3.1 genoemde termijn bedraagt maximaal vijf jaar voor de in hoofdstuk 4 genoemde eisen en maximaal 2 jaar voor de in hoofdstuk 5a genoemde eisen.
De in 6.3.1 genoemde termijn bedraagt maximaal vijf jaar.
### Artikel 6.3.2a
@ -1109,10 +842,6 @@ Indien de in 6.3.1 bedoelde aanpassing van de bestaande meetinrichting betrekkin
Voor zover in deze code wordt verwezen naar normen en richtlijnen, geldt dat indien een nieuwe versie daarvan wordt vastgesteld, die nieuwe norm of richtlijn geldt. Indien een norm wordt neergelegd in een wettelijke regeling dan wordt deze toegepast zodra deze van kracht wordt.
### Artikel 6.3.3a
Vervallen
### Artikel 6.3.4
De Meetvoorwaarden Gas RNB, zoals vastgesteld bij besluit van 21 november 2006 en nadien diverse malen gewijzigd, wordt ingetrokken.