2002-01-01 | BWBR0012094 | Vrijstellingsbesluit Wet Bpf 2000
This commit is contained in:
parent
4c6a22163a
commit
c6288dab56
1 changed files with 209 additions and 0 deletions
209
amvb/vrijstellingsbesluit-wet-bpf-2000/BWBR0012094/README.md
Normal file
209
amvb/vrijstellingsbesluit-wet-bpf-2000/BWBR0012094/README.md
Normal file
|
|
@ -0,0 +1,209 @@
|
|||
---
|
||||
titel: Vrijstellingsbesluit Wet Bpf 2000
|
||||
bwb_id: BWBR0012094
|
||||
type: AMvB
|
||||
status: geldend
|
||||
datum_inwerkingtreding: '2001-01-01'
|
||||
bron: https://wetten.overheid.nl/BWBR0012094
|
||||
citeertitel: Vrijstellingsbesluit Wet Bpf 2000
|
||||
---
|
||||
|
||||
# Vrijstellingsbesluit Wet Bpf 2000
|
||||
|
||||
### Artikel 1
|
||||
|
||||
In dit besluit wordt verstaan onder:
|
||||
|
||||
a. wet: de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000;
|
||||
b. verplichtstelling: verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds op grond van artikel 2, eerste lid, van de wet;
|
||||
c. vrijstelling: vrijstelling, bedoeld in artikel 13 van de wet.
|
||||
|
||||
### Artikel 2
|
||||
|
||||
Op verzoek van een werkgever wordt door een bedrijfstakpensioenfonds aan alle werknemers van die werkgever, met ingang van de dag dat de verplichtstelling in werking treedt respectievelijk als gevolg van gewijzigde bedrijfsactiviteiten op hem van toepassing wordt, vrijstelling verleend, indien de werknemers van die werkgever al deelnemen in een pensioenregeling die al ten minste zes maanden voor het moment van indiening van de aanvraag tot verplichtstelling van kracht was respectievelijk indien de werkgever voor zijn werknemers al een pensioenvoorziening heeft getroffen die al ten minste zes maanden voor het moment dat de verplichtstelling op hem van toepassing wordt, van kracht was.
|
||||
|
||||
### Artikel 3
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Op verzoek van een werkgever wordt door een bedrijfstakpensioenfonds aan alle werknemers van die werkgever vrijstelling verleend indien die werkgever deel uitmaakt of deel is gaan uitmaken van een concern en:
|
||||
|
||||
a. bij de concernvorming zowel de bij het arbeidsvoorwaardenoverleg van die werkgever betrokken vakorganisaties als de bij het arbeidsvoorwaardenoverleg van het concern betrokken vakorganisaties, betrokken zijn geweest;
|
||||
b. het concern al een pensioenvoorziening heeft, die in overleg met de bij het arbeidsvoorwaardenoverleg betrokken vakorganisaties tot stand is gekomen;
|
||||
c. bij het concern op de dag waarop het verzoek om vrijstelling wordt ingediend ten minste 100 werknemers werkzaam zijn die niet in het desbetreffende bedrijfstakpensioenfonds deelnemen;
|
||||
d. het aantal actieve deelnemers waarop de pensioenvoorziening van het concern van toepassing is, op de dag waarop het verzoek om vrijstelling wordt ingediend ten minste 25% dan wel ten minste 50 actieve deelnemers meer bedraagt, dan het aantal werknemers waarvoor de vrijstelling wordt gevraagd; en
|
||||
e. het verzoek om vrijstelling tevens wordt gedaan door of namens het concern en de vakorganisaties, bedoeld in onderdeel b.
|
||||
|
||||
**2.** Onder concern als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan een aantal juridisch zelfstandige ondernemingen dat aan een gemeenschappelijke leiding is onderworpen.
|
||||
|
||||
### Artikel 4
|
||||
|
||||
Op verzoek van een werkgever wordt door een bedrijfstakpensioenfonds aan alle werknemers van die werkgever vrijstelling verleend voorzover een besluit tot algemeenverbindendverklaring van bepalingen van een collectieve arbeidsovereenkomst op die werkgever niet van toepassing is of, indien dat besluit wel op hem van toepassing is, voorzover hij hiervan dispensatie heeft gekregen en met de bij het arbeidsvoorwaardenoverleg betrokken vakorganisaties een afzonderlijke pensioenvoorziening is overeengekomen. Het verzoek om vrijstelling wordt mede door of namens de bij het arbeidsvoorwaardenoverleg betrokken vakorganisaties gedaan.
|
||||
|
||||
### Artikel 5
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Op verzoek van een werkgever wordt door een bedrijfstakpensioenfonds aan alle werknemers van die werkgever vrijstelling verleend indien:
|
||||
|
||||
a. uit de performancetoets, uitgevoerd over een periode van 5 kalenderjaren aan de hand van bijlage 1 bij deze regeling, blijkt dat het feitelijk behaalde beleggingsrendement van het bedrijfstakpensioenfonds in negatieve zin aanzienlijk afwijkt van het rendement van de door het fonds vastgestelde normportefeuille waarbij van een aanzienlijke afwijking in negatieve zin sprake is indien de uitkomst van de berekening van de performancetoets minder is dan – 1,28;
|
||||
b. blijkt dat het bedrijfstakpensioenfonds niet of in onvoldoende mate heeft voldaan aan het tweede of derde lid; of
|
||||
c. blijkt dat het bedrijfstakpensioenfonds, indien het vierde lid is toegepast, niet of in onvoldoende mate heeft voldaan aan dat vierde lid.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Ten behoeve van de performancetoets, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt door het bestuur van het bedrijfstakpensioenfonds jaarlijks het beleggingsbeleid voor het daarop volgende kalenderjaar vastgesteld waarbij een adequate verdeling van de beleggingen is gemaakt in vastrentende en zakelijke waarden. Van een adequate verdeling tussen vastrentende en zakelijke waarden is sprake indien aannemelijk gemaakt kan worden dat die verdeling:
|
||||
|
||||
a. is bepaald in samenhang met het financieringsbeleid en is afgestemd op de pensioenverplichtingen, daarbij inbegrepen de reglementaire indexatieverplichtingen rekening houdend met het tot dan toe terzake gevoerde beleid, zodanig dat dit over een lange termijn leidt tot een lage premie en een stabiel premieverloop;
|
||||
b. is gekozen op basis van projecties die gebaseerd zijn op realistische en onderling consistente veronderstellingen; en
|
||||
c. de toets op toereikendheid ten aanzien van de continue dekking van de verworven aanspraken, uitgaande van prudente veronderstellingen, heeft doorstaan.
|
||||
|
||||
**3.** De normportefeuille, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt jaarlijks door het bestuur van het bedrijfstakpensioenfonds voor het daarop volgende kalenderjaar vastgesteld en is gebaseerd op de in het tweede lid bedoelde verdeling van beleggingen in vastrentende waarden en zakelijke waarden, waarbij deze verdeling verder onderverdeeld wordt naar beleggingscategorieën en landen of sectoren waarin belegd wordt en waarbij deze onderverdeling voorzien wordt van herbeleggingsindices voor het daarop volgende jaar die breed samengesteld, belegbaar en objectief meetbaar zijn. Indien geen representatieve herbeleggingsindex bestaat of van toepassing is, wordt een representatieve lokale rentemarktindex gebruikt vermeerderd met 1 procentpunt.
|
||||
|
||||
**4.** In afwijking van het tweede en derde lid kan het bestuur van het bedrijfstakpensioenfonds een eenmaal vastgesteld beleggingsbeleid respectievelijk vastgestelde normportefeuille in de loop van een jaar voor het dan nog resterende deel van dat jaar opnieuw vaststellen indien door een onvoorziene substantiële wijziging in de verplichtingenstructuur niet langer sprake is van een adequate verdeling tussen vastrentende en zakelijke waarden als bedoeld in het tweede en derde lid. De noodzaak tot het op korte termijn opnieuw vaststellen blijkt uit een na 1 november van het voorafgaande kalenderjaar opgestelde Asset Liability Managementstudie, uitgevoerd naar aanleiding van de gewijzigde verplichtingenstructuur, en uit een verklaring van een externe deskundige die niet bij die studie betrokken is geweest, waarin de uitkomst van die studie wordt onderschreven.
|
||||
|
||||
**5.**
|
||||
|
||||
Het bestuur van het bedrijfstakpensioenfonds:
|
||||
|
||||
a. deelt op verzoek vanaf 1 april van het desbetreffende jaar schriftelijk mee welk beleggingsbeleid als bedoeld in het tweede lid het heeft gekozen waarbij de gemaakte keuzen met een toelichting zijn onderbouwd;
|
||||
b. overlegt op verzoek vanaf 1 april van het desbetreffende jaar een verklaring van een externe accountant die voldoet aan artikel 393, lid 1, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, waaruit blijkt dat een normportefeuille als bedoeld in het derde lid is vastgesteld en voorzien is van een toelichting waarbij de gemaakte keuzen zijn onderbouwd;
|
||||
c. deelt op verzoek vanaf 1 januari schriftelijk mee welke normportefeuille als bedoeld in het derde lid het over het daaraan voorafgaande jaar had gekozen waarbij de gemaakte keuzen met een toelichting zijn onderbouwd;
|
||||
d. deelt op verzoek vanaf 1 april schriftelijk het feitelijk rendement van het bedrijfstakpensioenfonds en het rendement van de gekozen normportefeuille als bedoeld in punt 3 van bijlage 1 bij deze regeling mee;
|
||||
e. deelt op verzoek vanaf 1 april schriftelijk de uitkomst van de berekening als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, mee; en
|
||||
f. doet, in het geval het beleggingsbeleid en de normportefeuille opnieuw zijn vastgesteld als bedoeld in het vierde lid,
|
||||
|
||||
1°. de mededeling, bedoeld in onderdeel a, vanaf de 15^e dag na totstandkoming van het nieuwe beleggingsbeleid;
|
||||
2°. de verklaring, bedoeld in onderdeel b, vanaf de 15^e dag na totstandkoming van het nieuwe normportefeuille;
|
||||
3°. een mededeling van het opnieuw vaststellen van het beleggingsbeleid en de normportefeuille in de Staatscourant uiterlijk de 15^e dag na de vaststelling; en
|
||||
4°. de aan het bedrijfspensioenfonds deelnemende werkgevers binnen 2 maanden na het opnieuw vaststellen van het beleggingsbeleid en de normportefeuille een schriftelijke mededeling toekomen.
|
||||
|
||||
**6.** Dit artikel is niet van toepassing op een bedrijfstakpensioenfonds voorzover dat bedrijfstakpensioenfonds herverzekerd is zonder een gesepareerd beleggingsdepot. In dat geval wordt, in afwijking van het eerste lid, aan een werkgever slechts vrijstelling verleend indien het bestuur van het bedrijfstakpensioenfonds bij het sluiten van de herverzekeringsovereenkomst niet of onvoldoende heeft getoetst of het beleggingsbeleid van de verzekeraar voldoet aan het tweede lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 6
|
||||
|
||||
Op verzoek van een werkgever kan door het bedrijfstakpensioenfonds aan alle werknemers van die werkgever ook om andere redenen dan genoemd in de artikelen 2, 3, eerste lid, 4 en 5, eerste lid, vrijstelling worden verleend.
|
||||
|
||||
### Artikel 7
|
||||
|
||||
**1.** Aan de vrijstelling kunnen door het bedrijfstakpensioenfonds voorschriften worden verbonden ter verzekering van een goede uitvoering van de wet.
|
||||
|
||||
**2.** Aan de vrijstelling wordt door het bedrijfstakpensioenfonds het voorschrift verbonden dat de werkgever of, in het geval pensioenrechten worden ontleend aan een ondernemingspensioenfonds of een ander bedrijfstakpensioenfonds, het bestuur van het desbetreffende fonds, aan de Pensioen- & Verzekeringskamer en aan het bestuur van het bedrijfstakpensioenfonds dat vrijstelling verleent inlichtingen zal verstrekken, die de Pensioen- & Verzekeringskamer of laatstgenoemd bestuur ter verzekering van een goede uitvoering van de wet verlangt. De inlichtingen worden desgewenst schriftelijk en door middel van ingevulde en ondertekende formulieren binnen een door de Verzekeringskamer onderscheidenlijk door bedoeld bestuur, schriftelijk te stellen termijn verstrekt.
|
||||
|
||||
**3.** Aan de vrijstelling wordt door het bedrijfstakpensioenfonds het voorschrift verbonden dat de werkgever een andere pensioenvoorziening heeft of deze zal treffen en deze heeft ondergebracht of zal onderbrengen bij een ander bedrijfstakpensioenfonds, een ondernemingspensioenfonds of een verzekeraar als bedoeld in artikel 2, vierde lid, van de Pensioen- en spaarfondsenwet.
|
||||
|
||||
**4.** Aan de vrijstelling, bedoeld in de artikelen 3, eerste lid, 4, 5, eerste lid, en 6 kan het bedrijfstakpensioenfonds het voorschrift verbinden dat de werkgever een financiële bijdrage betaalt ter vergoeding van het verzekeringstechnisch nadeel dat het fonds bij de vrijstelling lijdt. De hoogte van deze bijdrage wordt berekend volgens bijlage 2 bij dit besluit, tenzij partijen anders overeenkomen.
|
||||
|
||||
**5.** Aan de vrijstelling, bedoeld in de artikelen 2 en 6 wordt door het bedrijfstakpensioenfonds het voorschrift verbonden dat de pensioenregeling van de werkgever volgens de berekening aan de hand van bijlage 3 bij dit besluit te allen tijde ten minste actuarieel en financieel gelijkwaardig is aan die van het bedrijfstakpensioenfonds.
|
||||
|
||||
**6.** Aan de vrijstelling, bedoeld in artikel 5, eerste lid, wordt het voorschrift verbonden dat aan de pensioenregeling van de werkgever ten minste dezelfde aanspraken worden ontleend als aan de pensioenregeling van het bedrijfstakpensioenfonds.
|
||||
|
||||
### Artikel 8
|
||||
|
||||
**1.** Een vrijstelling kan door het bedrijfstakpensioenfonds worden ingetrokken, indien niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 2, 3 of 4, indien niet meer wordt voldaan aan de reden tot vrijstelling, bedoeld in artikel 6, of indien wordt gehandeld in strijd met een of meer aan de vrijstelling verbonden voorschriften.
|
||||
|
||||
**2.** De vrijstelling, bedoeld in de artikel 5, wordt uitsluitend op verzoek van de werkgever aan wiens werknemers vrijstelling is verleend ingetrokken.
|
||||
|
||||
**3.** In afwijking van het tweede lid kan de vrijstelling, bedoeld in artikel 5, door het bedrijfstakpensioenfonds worden ingetrokken indien wordt gehandeld in strijd met de voorschriften die aan de vrijstelling verbonden zijn.
|
||||
|
||||
### Artikel 9
|
||||
|
||||
**1.** In afwijking van artikel 5, eerste lid, onderdeel a, wordt de performancetoets in 2002 uitgevoerd over de periode 26 april 1998 tot 1 januari 2002 en in 2003 over de periode 26 april 1998 tot 1 januari 2003.
|
||||
|
||||
**2.** In afwijking van artikel 5, derde lid, wordt voor het jaar 1998 uitgegaan van een vóór 26 augustus 1998 door het bestuur van het bedrijfstakpensioenfonds vastgestelde normportefeuille die naar keuze van het bedrijfstakpensioenfonds of is gebaseerd op de feitelijke verdeling van de beleggingen in vastrentende en zakelijke waarden zoals het bedrijfstakpensioenfonds die hanteerde op 26 april 1998 of is gebaseerd op de gemiddelde feitelijke verdeling van de beleggingen in vastrentende en zakelijke waarden in de maand april 1998. Artikel 5, vijfde lid, is hierbij van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**3.** In afwijking van het tweede lid, eerste zin, kan, indien vóór 1 januari 1998 door het bestuur van het bedrijfstakpensioenfonds voor het jaar 1998 een normportefeuille is vastgesteld, van die normportefeuille worden uitgegaan. Bij de uitvoering van de performancetoets, bedoeld in het eerste lid, wordt in dat geval de normportefeuille gehanteerd zoals deze luidde op 26 april 1998.
|
||||
|
||||
**4.** Voor de jaren 1999 en 2000, wordt bij de berekening van de performancetoets, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel a, uitgegaan van de normportefeuille die op grond van artikel 5, derde lid, en de daarop berustende bepalingen van de Wet betreffende verplichte deelneming in een bedrijfspensioenfonds zoals die wet en de daarop berustende bepalingen luidde op de dag voor inwerkingtreding van artikel 40 de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 voor die jaren is vastgesteld.
|
||||
|
||||
**5.** Voor de jaren 1998 en 1999 wordt bij de berekeningen in bijlage 1 uitgegaan van de gemaakte berekeningen op grond van artikel 5, derde lid, en de daarop berustende bepalingen van de Wet betreffende verplichte deelneming in een bedrijfspensioenfonds zoals die wet en de daarop berustende bepalingen luidde op de dag voor inwerkingtreding van artikel 40 van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 over die jaren.
|
||||
|
||||
### Artikel 10
|
||||
|
||||
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2001 met dien verstande dat artikel 5, eerste lid, onderdeel a, met ingang van 1 januari 2002 in werking treedt.
|
||||
|
||||
### Artikel 11
|
||||
|
||||
Dit besluit wordt aangehaald als: Vrijstellingsbesluit Wet Bpf 2000.
|
||||
|
||||
## Bijlage 1. Performance toets
|
||||
|
||||
De performancetoets wordt als volgt uitgevoerd, waarbij het subscript j steeds het jaar aangeeft:
|
||||
|
||||
1. Uitgaande van de normportefeuille worden twee percentages vastgesteld die de samenstelling van de normportefeuille bepalen:
|
||||
|
||||
a_j%: vastrentende waarden inclusief kasbeleggingen;
|
||||
|
||||
b_j%: overige (zakelijke) beleggingen;
|
||||
|
||||
a_j% en b_j% zijn samen 100%.
|
||||
|
||||
2. Hieruit wordt jaarlijks de voor het bedrijfstakpensioenfonds geldende maat voor de rendementsspreiding bepaald volgens de formule
|
||||
|
||||
Ej = [a_j% * 0,6% + b_j% * 2,6%].
|
||||
|
||||
3. Jaarlijks voor 1 april wordt over het daaraan voorafgaande jaar het feitelijke rendement van het bedrijfstakpensioenfonds (R^f_j) en het rendement van de gekozen normportefeuille (R^b_j) op eenzelfde grondslag vastgesteld en gecontroleerd door een externe accountant die voldoet aan artikel 393, lid 1, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Hierbij wordt bij het bepalen van het rendement gebruik gemaakt van daartoe opgestelde richtlijnen van de Vereniging van Beleggingsanalisten.
|
||||
|
||||
4. Daarnaast worden de interne beleggingsuitvoeringskosten k_j bepaald en uitgedrukt in een percentage van het gemiddelde van het begin- en eindvermogen op actuele basis. Onder interne beleggingsuitvoeringskosten worden tevens begrepen de door het bedrijfstakpensioenfonds te betalen beheerskosten aan externe vermogensbeheerders, met inbegrip van kosten van bewaarneming en administratiekosten voor zover niet reeds tot uitdrukking komend in de rendementsberekening over aangehouden eenheden of tegoeden bij externe vermogensbeheerders.
|
||||
|
||||
5. Het verschil in rendement tussen R^f_j en R^b_j wordt gecorrigeerd voor (i) de beleggingskosten, waarbij het rendement van de normportefeuille wordt gecorrigeerd voor beleggingskosten, die fictief zijn bepaald op 0,15% en (ii) voor de jaarlijkse maat voor de rendementsspreiding van het fonds E_j. Daartoe berekent men z_j volgens de formule:
|
||||
|
||||
z_j = (R^f_j – k_j)-(R^b_j – 0,15)
|
||||
|
||||
E_j
|
||||
|
||||
6. Op basis hiervan toetst men vanaf 2004 of over de afgelopen 5 jaar geldt dat:
|
||||
|
||||
z(j-5) + z(j-4) + z(j-3) + z(j-2) + z(j-1)≥ – 1,28
|
||||
|
||||
√ 5
|
||||
|
||||
7. In 2002 wordt getoetst of
|
||||
|
||||
z(1998) + z(1999) + z(2000) + z(2001)≥ – 1,28
|
||||
|
||||
√ 3,7
|
||||
|
||||
8. In 2003 wordt getoetst of
|
||||
|
||||
z(1998) + z(1999) + z(2000) + z(2001)+ z (2002) ≥ – 1,28
|
||||
|
||||
√ 4,7
|
||||
|
||||
9. Indien door het bestuur van het bedrijfstakpensioenfonds het beleggingsbeleid en de normportefeuille in de loop van een jaar opnieuw zijn vastgesteld als bedoeld in artikel 5, vierde lid, wordt bij de performancetoets over dat jaar naar rato van de periode waarvoor de betreffende normportefeuille van toepassing was, met de betreffende normportefeuille rekening gehouden. Dit betekent:
|
||||
|
||||
a. voor de toepassing van punt 1:
|
||||
|
||||
a_periode 1 % plus b_periode 1 % zijn samen 100%
|
||||
|
||||
Voor periode 2 geldt dezelfde formule, zij het dat het subscript «periode 2» wordt genoteerd in plaats van «periode 1»;
|
||||
|
||||
b. voor de toepassing van punt 2:
|
||||
|
||||
E_periode 1 = [a_periode 1 * 0,6 + b_periode 1 * 2,6]
|
||||
|
||||
Hierbij is a_periode 1 % het aandeel van de vastrentende waarden in de normportefeuille (en het beleggingsbeleid) en b_periode 1 % het aandeel zakelijke waarden in periode 1.
|
||||
|
||||
Voor periode 2 geldt dezelfde formule, zij het dat het subscript «periode 2» genoteerd staat in plaats van «periode 1»;
|
||||
|
||||
c. voor de toepassing van punt 5:
|
||||
|
||||
z_periode 1 = (R^f_periode 1 – k_j) – (R^b_periode 1 – 0,15)
|
||||
|
||||
E_periode 1
|
||||
|
||||
voor periode 1, en dezelfde formule voor periode 2, maar dan met subscript« periode 2»
|
||||
|
||||
Vervolgens worden de z_periode 1 en z_periode 2 teruggebracht worden naar één periode van een jaar, door de formule
|
||||
|
||||
z_j = z_periode 1 + z_periode 2
|
||||
|
||||
De na deze berekening verkregen z_j wordt in de formules van de punten 6, 7 en 8 verwerkt.
|
||||
|
||||
## Bijlage 2. Rekenregels verzekeringstechnisch nadeel
|
||||
|
||||
De hoogte van de compensatie ter vergoeding van het verzekeringstechnische nadeel bij vrijstelling heeft betrekking op de volgende elementen:
|
||||
|
||||
Indien er op de dag van uittreding sprake is van een onderdekking, mag dit er niet toe leiden dat de financieringsachterstand wordt verhaald op de bij het bedrijfstakpensioenfonds achterblijvende werkgevers. De werkgever aan wie de vrijstelling is verleend dient dan op dezelfde wijze als de achterblijvende werkgevers bij te dragen in de financiering van de achterstand. Partijen kunnen overeen komen dat dit in één keer wordt afgerekend.
|
||||
|
||||
## Bijlage 3. Actuariële en financiële gelijkwaardigheid
|
||||
Loading…
Add table
Reference in a new issue