2013-01-01 | BWBR0002507 | Wet aanpassing pensioenvoorzieningen Bijstandkorps

This commit is contained in:
Coornhert 2013-01-01 12:00:00 +00:00
parent f144355807
commit c64660cd8d

View file

@ -74,7 +74,7 @@ e. «algemene nabestaandenuitkering», «algemene halfwezenuitkering» en «alge
### Artikel 9a
Voor de toepassing van deze wet wordt onder het algemeen ouderdomspensioen van een rechthebbende die de 65-jarige leeftijd reeds heeft bereikt mede begrepen het algemeen ouderdomspensioen waarop zijn echtgenoot recht heeft, tenzij het echtpaar duurzaam gescheiden leeft.
Voor de toepassing van deze wet wordt onder het algemeen ouderdomspensioen van een rechthebbende die de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, reeds heeft bereikt mede begrepen het algemeen ouderdomspensioen waarop zijn echtgenoot recht heeft, tenzij het echtpaar duurzaam gescheiden leeft.
### Artikel 10
@ -82,10 +82,10 @@ Voor de toepassing van de bepalingen van deze afdeling geldt het volgende.
a. Een pensioen wordt geacht te zijn berekend naar 8/5 maal de pensioendiensttijd, die voor de berekening van het pensioen in aanmerking is genomen, tot een maximum van veertig jaren.
b. Indien in een pensioen een invaliditeitstoeslag, als bedoeld in de Tweede Afdeling is begrepen, wordt het pensioen geacht te zijn berekend naar 8/5 maal een met de som van pensioen en invaliditeitstoeslag overeenkomende pensioendiensttijd, tot een maximum van veertig jaren. De voorgaande volzin vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van weduwen- en wezenpensioenen, waarop krachtens artikel 6, tweede lid, of artikel 6, vierde lid, een toeslag is verleend.
c. Een vol algemeen ouderdomspensioen wordt geacht betrekking te hebben op het tijdvak, liggende tussen de tijdstippen, waarop de rechthebbende op een eigen pensioen, dan wel degene aan wiens overlijden het recht op pensioen wordt ontleend, de leeftijd van 15 jaren heeft bereikt en die van 65 jaren heeft of zou hebben bereikt. Buiten beschouwing wordt gelaten dat deel van vorenbedoeld tijdvak waarop betrekking heeft of geacht kan worden betrekking te hebben het bedrag van het algemeen ouderdomspensioen waarop aanspraak is verkregen door vrijwillige premiebetaling op grond van de Algemene Ouderdomswet.
d. De uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet wordt geacht betrekking te hebben op het tijdvak, liggende tussen de tijdstippen waarop degene, aan wiens overlijden het recht op pensioen wordt ontleend, de leeftijd van 15 jaren heeft bereikt en die van 65 jaren heeft of zou hebben bereikt. Buiten beschouwing wordt gelaten dat deel van vorenbedoeld tijdvak waarover vrijwillige premiebetaling krachtens artikel 63 van de Algemene nabestaandenwet heeft plaatsgevonden.
e. Als diensttijd wordt uitsluitend in aanmerking genomen de diensttijd gelegen tussen de tijdstippen waarop de rechthebbende op een eigen pensioen, dan wel degene aan wiens overlijden het recht op pensioen wordt ontleend, de leeftijd van 15 jaren heeft bereikt en die van 65 jaren heeft of zou hebben bereikt.
f. Diensttijd, waarnaar een pensioen geacht wordt te zijn berekend en die niet daadwerkelijk in dienstverhouding is doorgebracht, wordt geacht aan te sluiten bij het einde van de dienstverhouding waaraan het recht op pensioen is ontleend; voor zover dientengevolge deze diensttijd zich uitstrekt na het tijdstip waarop de leeftijd van 65 jaar is of zou worden bereikt wordt die diensttijd, te rekenen van dat tijdstip, geacht te zijn doorgebracht, voor zoveel mogelijk gedurende tijdvakken van onderbreking van de daadwerkelijk in dienstverhouding doorgebrachte tijd en voor het overige onmiddellijk voor de aanvang van de diensttijd waarnaar het pensioen is berekend.
c. Een vol algemeen ouderdomspensioen wordt geacht betrekking te hebben op het tijdvak, liggende tussen de tijdstippen, waarop de rechthebbende op een eigen pensioen, dan wel degene aan wiens overlijden het recht op pensioen wordt ontleend, de aanvangsleeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt en de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft of zou hebben bereikt. Buiten beschouwing wordt gelaten dat deel van vorenbedoeld tijdvak waarop betrekking heeft of geacht kan worden betrekking te hebben het bedrag van het algemeen ouderdomspensioen waarop aanspraak is verkregen door vrijwillige premiebetaling op grond van de Algemene Ouderdomswet.
d. De uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet wordt geacht betrekking te hebben op het tijdvak, liggende tussen de tijdstippen waarop degene, aan wiens overlijden het recht op pensioen wordt ontleend, de aanvangsleeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt en de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft of zou hebben bereikt. Buiten beschouwing wordt gelaten dat deel van vorenbedoeld tijdvak waarover vrijwillige premiebetaling krachtens artikel 63 van de Algemene nabestaandenwet heeft plaatsgevonden.
e. Als diensttijd wordt uitsluitend in aanmerking genomen de diensttijd gelegen tussen de tijdstippen waarop de rechthebbende op een eigen pensioen, dan wel degene aan wiens overlijden het recht op pensioen wordt ontleend, de aanvangsleeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt en de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft of zou hebben bereikt.
f. Diensttijd, waarnaar een pensioen geacht wordt te zijn berekend en die niet daadwerkelijk in dienstverhouding is doorgebracht, wordt geacht aan te sluiten bij het einde van de dienstverhouding waaraan het recht op pensioen is ontleend; voor zover dientengevolge deze diensttijd zich uitstrekt na het tijdstip waarop de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, is of zou worden bereikt wordt die diensttijd, te rekenen van dat tijdstip, geacht te zijn doorgebracht, voor zoveel mogelijk gedurende tijdvakken van onderbreking van de daadwerkelijk in dienstverhouding doorgebrachte tijd en voor het overige onmiddellijk voor de aanvang van de diensttijd waarnaar het pensioen is berekend.
g. De vakantie-uitkeringen, bedoeld in de Algemene Ouderdomswet en de Algemene nabestaandenwet, worden geacht op overeenkomstige wijze als het ouderdomspensioen, de uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet in termijnen te worden uitbetaald.
#### Hoofdstuk Tweede. Samenloop van pensioen met algemeen ouderdomspensioen
@ -166,7 +166,7 @@ Op schriftelijk verzoek van de weduwe, die aantoont, dat een rente of uitkering,
### Artikel 19a
**1.** Indien recht is ontstaan op weduwepensioen of een wezenpensioen na 31 december 2000 heeft de weduwe die de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt, onderscheidenlijk de wees, in afwijking van de Wet brutering overhevelingstoeslag lonen, recht op een toeslag ter grootte van 1,9% van dat pensioen, met een maximum van € 791,85 per jaar.
**1.** Indien recht is ontstaan op weduwepensioen of een wezenpensioen na 31 december 2000 heeft de weduwe die de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, nog niet heeft bereikt, onderscheidenlijk de wees, in afwijking van de Wet brutering overhevelingstoeslag lonen, recht op een toeslag ter grootte van 1,9% van dat pensioen, met een maximum van € 791,85 per jaar.
**2.** Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt de toeslag krachtens dit artikel niet onder pensioen of uitkering begrepen.
@ -187,7 +187,7 @@ b. bij iedere nadere vaststelling van de hiervoor bedoelde nabestaandenuitkering
Het recht op de toeslag, bedoeld in het eerste lid, vervalt:
a. met ingang van de eerste dag van de maand waarin de weduwe de 65-jarige leeftijd bereikt;
a. met ingang van de eerste dag van de maand waarin de weduwe de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, bereikt;
b. met ingang van de maand volgende op die waarin de weduwe hertrouwt, als partner wordt geregistreerd of aangemerkt, of als ongehuwd samenwonend als bedoeld in de Algemene nabestaandenwet wordt aangemerkt.
**5.** Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt de toeslag krachtens dit artikel niet onder pensioen of uitkering begrepen.
@ -202,7 +202,7 @@ b. met ingang van de maand volgende op die waarin de weduwe hertrouwt, als partn
Het recht op de toeslag, bedoeld in het eerste lid vervalt:
a. met ingang van de eerste dag van de maand waarin de weduwe de 65-jarige leeftijd bereikt;
a. met ingang van de eerste dag van de maand waarin de weduwe de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, bereikt;
b. met ingang van de maand volgend op die waarin de weduwe trouwt of als partner wordt geregistreerd of aangemerkt;
c. met ingang van de eerste dag van de maand waarin de vermindering van de nabestaandenuitkering, bedoeld in het eerste lid, ongedaan wordt gemaakt.