diff --git a/amvb/uitvoeringsbesluit-inkomstenbelasting-2001/BWBR0012066/README.md b/amvb/uitvoeringsbesluit-inkomstenbelasting-2001/BWBR0012066/README.md index 86547474c4c..0ce27654604 100644 --- a/amvb/uitvoeringsbesluit-inkomstenbelasting-2001/BWBR0012066/README.md +++ b/amvb/uitvoeringsbesluit-inkomstenbelasting-2001/BWBR0012066/README.md @@ -109,7 +109,7 @@ De dividendbelasting geheven over tot het inkomen uit aanmerkelijk belang behore ### Artikel 9 -**1.** De vermindering vanwege in het voordeel uit sparen en beleggen begrepen niet in Nederland te belasten inkomensbestanddelen is gelijk aan het bedrag dat tot de belasting die zonder de toepassing van deze afdeling volgens de wet over het belastbare inkomen uit sparen en beleggen verschuldigd zou zijn, in dezelfde verhouding staat als het gemiddelde van de rendementsgrondslag buiten Nederland aan het begin van het jaar (begindatum) en aan het einde van het jaar (einddatum) staat tot het gemiddelde van de rendementsgrondslag aan het begin en aan het einde van het jaar. +**1.** De vermindering vanwege in het voordeel uit sparen en beleggen begrepen niet in Nederland te belasten inkomensbestanddelen is gelijk aan het bedrag dat tot de belasting die zonder de toepassing van deze afdeling volgens de wet over het belastbare inkomen uit sparen en beleggen verschuldigd zou zijn, in dezelfde verhouding staat als de rendementsgrondslag buiten Nederland aan het begin van het jaar (peildatum) staat tot de rendementsgrondslag op de peildatum. **2.** De vermindering van het eerste lid kan niet meer bedragen dan de belasting die zonder de toepassing van de afdeling volgens de wet over het belastbare inkomen uit sparen en beleggen verschuldigd zou zijn. @@ -124,15 +124,13 @@ Bij een belastingplichtige die niet het gehele jaar in Nederland woont, wordt de **4.** Onder de belasting die zonder de toepassing van deze afdeling volgens de wet over het belastbare inkomen uit sparen en beleggen verschuldigd zou zijn, wordt verstaan: de over het kalenderjaar berekende belasting op het belastbare inkomen uit sparen en beleggen als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de wet verminderd met een evenredig deel van het belastingdeel van de heffingskorting. Artikel 3, zesde lid, tweede en derde volzin, is van overeenkomstige toepassing. -**5.** Artikel 5.3 van de wet is bij het overlijden van de belastingplichtige van overeenkomstige toepassing. - ### Artikel 10 De dividendbelasting geheven over dividenden uit rechten die tot de bezittingen, bedoeld in artikel 5.3 van de wet, behoren, wordt niet verrekend met de door de kiezende belastingplichtige verschuldigde inkomstenbelasting. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot bronbelasting, bedoeld in artikel 9.2, eerste lid, onderdeel d, van de wet en bronbelasting, bedoeld in het tiende lid van dat artikel. ### Artikel 11 -**1.** Partieel buitenlandse belastingplichtigen die van buiten Nederland in dienstbetrekking worden genomen als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 kunnen kiezen voor toepassing van de regels van de hoofdstukken 4 en 5 van de Wet inkomstenbelasting 2001 zoals die volgens hoofdstuk 7 van die wet gelden voor buitenlandse belastingplichtigen (partieel buitenlandse belastingplicht). Een keuze voor partieel buitenlandse belastingplicht geldt voor het gehele kalenderjaar, maar ten hoogste voor de periode waarin de werknemer in dat kalenderjaar voor hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 2001 wordt beschouwd als ingekomen werknemer. +**1.** Partieel buitenlandse belastingplichtigen die van buiten Nederland in dienstbetrekking worden genomen als bedoeld in hoofdstuk 4A van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 kunnen kiezen voor toepassing van de regels van de hoofdstukken 4 en 5 van de Wet inkomstenbelasting 2001 zoals die volgens hoofdstuk 7 van die wet gelden voor buitenlandse belastingplichtigen (partieel buitenlandse belastingplicht). Een keuze voor partieel buitenlandse belastingplicht geldt voor het gehele kalenderjaar, maar ten hoogste voor de periode waarin de werknemer in dat kalenderjaar voor hoofdstuk 4A van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 wordt beschouwd als ingekomen werknemer. **2.** De in het eerste lid genoemde keuze kan worden gemaakt en herzien zolang de aanslag niet onherroepelijk vaststaat. @@ -146,7 +144,7 @@ De dividendbelasting geheven over dividenden uit rechten die tot de bezittingen, **3.** De voordelen die ingevolge het eerste lid buiten aanmerking blijven, worden alsnog als winst uit onderneming in aanmerking genomen – met dien verstande dat artikel 3.11, eerste lid, van de wet op die voordelen niet van toepassing is – indien de belastingplichtige binnen vijf jaren na het tijdstip waarop de in het eerste lid bedoelde vrijstelling op hem van toepassing is geworden, het bosbedrijf of een gedeelte van het bosbedrijf – anders dan ten gevolge van overlijden of onteigening, daaronder begrepen minnelijke onteigening en verkoop ter voorkoming van onteigening – staakt. In geval van staking van een gedeelte van het bosbedrijf worden de in de vorige volzin bedoelde voordelen slechts in aanmerking genomen voorzover deze betrekking hebben op dit gedeelte. De voordelen worden geacht te zijn genoten ten tijde van de staking. -**4.** Voor de toepassing van het derde lid wordt niet als een staking aangemerkt een overdracht aan een persoon als bedoeld in artikel 3.63, vierde lid, van de wet mits zowel de belastingplichtige als degene aan wie is overgedragen dit schriftelijk verzoekt. Alsdan wordt degene aan wie is overgedragen voor de toepassing van het derde lid geacht in de plaats te zijn getreden van de belastingplichtige. +**4.** Voor de toepassing van het derde lid wordt niet als een staking aangemerkt een overdracht aan een persoon als bedoeld in artikel 3.63, vierde of vijfde lid, van de wet mits zowel de belastingplichtige als degene aan wie is overgedragen dit schriftelijk verzoekt. Alsdan wordt degene aan wie is overgedragen voor de toepassing van het derde lid geacht in de plaats te zijn getreden van de belastingplichtige. ### Artikel 12a @@ -351,13 +349,13 @@ Bij een voor het enkele gebruik van de woning verschuldigde jaarlijkse huur als **3.** De jaarlijkse huur, bedoeld in het tweede lid, wordt gesteld op twaalf maal de maandelijkse huur, zoals die geldt aan het begin van de verhuurperiode in het kalenderjaar. Indien de huurprijs zoals die tussen gelieerde partijen is overeengekomen zodanig is dat deze tussen willekeurige derden niet overeengekomen zou zijn, wordt de huurprijs voor de toepassing van het tweede lid gesteld op 3,5% van de WOZ-waarde. -**4.** Indien de woning een gedeelte van een gebouwd eigendom is als bedoeld in artikel 16, onderdeel c, van de Wet waardering onroerende zaken, en niet als een afzonderlijke zaak vervreemd kan worden, bedraagt de leegwaarderatio 60%. +**4.** Indien de woning een gedeelte van een gebouwd eigendom is als bedoeld in artikel 16, onderdeel c, van de Wet waardering onroerende zaken, en niet als een afzonderlijke zaak vervreemd kan worden, wordt voor de toepassing van het eerste en het tweede lid de WOZ-waarde van die woning verlaagd met een bedrag van € 20 000. **5.** Indien van een woning een gedeelte verhuurd is, wordt slechts de WOZ-waarde van dat deel vermenigvuldigd met de leegwaarderatio. Indien de WOZ-waarde van dat deel niet is vastgesteld, wordt deze bepaald door de totale WOZ-waarde van de woning te vermenigvuldigen met de verhuurde vierkante meters en te delen door de totale oppervlakte van de woning. ### Artikel 17b -De waarde van een erfpachtcanon als bedoeld in artikel 5.20, vierde lid, van de wet wordt gesteld op het zeventienvoud van het jaarlijkse bedrag. +De waarde van een erfpachtcanon als bedoeld in artikel 5.20, vierde lid, van de wet wordt gesteld op het zeventienvoud van het jaarlijkse bedrag. In afwijking van de eerste volzin wordt het deel van een erfpachtcanon dat kan worden toegerekend aan een verhuurde woning als bedoeld in artikel 17a, vierde lid, gesteld op het twintigvoud van het jaarlijkse bedrag. De toerekening van de erfpachtcanon, bedoeld in de vorige volzin, geschiedt naar rato van de, met inachtneming van artikel 17a, vierde lid, berekende, WOZ-waarden van de te onderscheiden zelfstandige onderdelen van het gebouwd eigendom waarop de erfpachtcanon betrekking heeft. ### Artikel 18 @@ -478,71 +476,103 @@ Vervallen ### Artikel 21 -**1.** Indien op grond van artikel 26, tweede, vierde of vijfde lid, aanhef en onderdeel a, van de Invorderingswet 1990 aan een belastingplichtige kwijtschelding van belasting ter zake van belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang is verleend, wordt ten aanzien van hem de in artikel 7.6 van de wet bedoelde verkrijgingsprijs verminderd met vier maal het kwijtgescholden bedrag aan belasting. +**1.** Indien op grond van artikel 26, vierde lid, van de Invorderingswet 1990 aan een belastingplichtige ter zake van geconserveerd inkomen uit tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen kwijtschelding van belasting is verleend wegens in Nederland verschuldigde dividend- of inkomstenbelasting ter zake van nadien genoten reguliere voordelen uit die aandelen of winstbewijzen, wordt ten aanzien van hem de in artikel 7.6 van de wet bedoelde verkrijgingsprijs van deze aandelen of winstbewijzen verminderd met een bedrag gelijk aan het bedrag van die reguliere voordelen. -**2.** Indien ter zake van de vervreemding van aandelen of winstbewijzen aan de belastingplichtige ten aanzien van de overdrager een conserverende aanslag is opgelegd en met betrekking tot die aanslag krachtens artikel 26, tweede, vierde of vijfde lid, aanhef en onderdeel a, van de Invorderingswet 1990 kwijtschelding van belasting is verleend, wordt ten aanzien van de belastingplichtige de in artikel 7.6 van de wet bedoelde verkrijgingsprijs van deze aandelen of winstbewijzen verminderd met vier maal het kwijtgescholden bedrag aan belasting voor zover die kwijtschelding toerekenbaar is aan bedoelde aandelen of winstbewijzen. De eerste volzin is ook van toepassing indien het betreft een kwijtschelding van een conserverende aanslag waarvan het uitstel van betaling krachtens artikel 25, achtste lid, onderdeel a, van de Invorderingswet 1990 is voortgezet bij de vervreemding aan de belastingplichtige. +**2.** Indien op grond van artikel 26, vijfde lid, aanhef en onderdeel a, van de Invorderingswet 1990 aan een belastingplichtige ter zake van geconserveerd inkomen uit tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen kwijtschelding van belasting zal worden verleend wegens een vervreemding van tot dat belang behorende aandelen of winstbewijzen tegen een lagere waarde dan waarvan is uitgegaan voor de bepaling van dat geconserveerd inkomen, wordt ten aanzien van hem de in artikel 7.6 van de wet bedoelde verkrijgingsprijs van deze vervreemde aandelen of winstbewijzen verminderd met een bedrag gelijk aan vier maal het bedrag dat zal worden kwijtgescholden aan belasting. -**3.** Voor de toepassing van het eerste en tweede lid worden met artikel 26, tweede, vierde of vijfde lid, aanhef en onderdeel a, van de Invorderingswet 1990 gelijkgesteld artikel 26, derde lid, en artikel 26, tweede lid, van de Invorderingswet 1990 zoals deze artikelonderdelen achtereenvolgens luidden op 10 maart 2004, respectievelijk 31 december 2000. +**3.** + +Indien op grond van artikel 26, tweede lid, van de Invorderingswet 1990 aan een belastingplichtige ter zake van geconserveerd inkomen uit tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen kwijtschelding van belasting is verleend wegens het verstrijken van de termijn bedoeld in dat lid, wordt ten aanzien van hem de in artikel 7.6 van de wet bedoelde verkrijgingsprijs van die aandelen of winstbewijzen verminderd met: + +a. ingeval geen kwijtschelding van belasting is verleend wegens genoten reguliere voordelen op die aandelen of winstbewijzen: een bedrag gelijk aan vier maal het bedrag dat is kwijtgescholden aan belasting voor zover die kwijtschelding toerekenbaar is aan bedoelde aandelen of winstbewijzen; +b. ingeval wel kwijtschelding van belasting is verleend wegens genoten reguliere voordelen op die aandelen of winstbewijzen: een bedrag gelijk aan het verschil tussen vier maal het bedrag dat zou zijn kwijtgescholden indien onderdeel a toepassing zou hebben gevonden en de eerdere vermindering van de verkrijgingsprijs ingevolge de kwijtschelding wegens de genoten reguliere voordelen op de bedoelde aandelen of winstbewijzen. + +**4.** Indien ter zake van de vervreemding van tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen aan de belastingplichtige ten aanzien van de overdrager een conserverende aanslag is opgelegd en met betrekking tot die aanslag krachtens artikel 26, vierde lid, van de Invorderingswet 1990 kwijtschelding van belasting is verleend wegens in Nederland verschuldigde dividend- of inkomstenbelasting ter zake van nadien door de belastingplichtige genoten reguliere voordelen uit die aandelen of winstbewijzen, wordt ten aanzien van de belastingplichtige de in artikel 7.6 van de wet bedoelde verkrijgingsprijs van deze aandelen of winstbewijzen verminderd met een bedrag gelijk aan het bedrag van die reguliere voordelen. + +**5.** Indien ter zake van de vervreemding van tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen aan de belastingplichtige ten aanzien van de overdrager een conserverende aanslag is opgelegd en met betrekking tot die aanslag krachtens artikel 26, vijfde lid, aanhef en onderdeel a, van de Invorderingswet 1990 kwijtschelding van belasting zal worden verleend wegens een vervreemding van tot dat belang behorende aandelen of winstbewijzen door de belastingplichtige tegen een lagere waarde dan waarvan is uitgegaan voor die conserverende aanslag, wordt ten aanzien van de belastingplichtige de in artikel 7.6 van de wet bedoelde verkrijgingsprijs van deze vervreemde aandelen of winstbewijzen verminderd met een bedrag gelijk aan vier maal het bedrag dat zal worden kwijtgescholden aan belasting. + +**6.** + +Indien ter zake van de vervreemding van tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen aan de belastingplichtige ten aanzien van de overdrager een conserverende aanslag is opgelegd en met betrekking tot die aanslag krachtens artikel 26, tweede lid, van de Invorderingswet 1990 kwijtschelding van belasting is verleend wegens het verstrijken van de termijn bedoeld in dat lid, wordt ten aanzien van de belastingplichtige de in artikel 7.6 van de wet bedoelde verkrijgingsprijs van die aandelen of winstbewijzen verminderd met: + +a. ingeval geen kwijtschelding van belasting is verleend wegens genoten reguliere voordelen op die aandelen of winstbewijzen: een bedrag gelijk aan vier maal het bedrag dat is kwijtgescholden aan belasting voor zover die kwijtschelding toerekenbaar is aan bedoelde aandelen of winstbewijzen; +b. ingeval wel kwijtschelding van belasting is verleend wegens genoten reguliere voordelen op die aandelen of winstbewijzen: een bedrag gelijk aan het verschil tussen vier maal het bedrag dat zou zijn kwijtgescholden indien onderdeel a toepassing zou hebben gevonden en de eerdere vermindering van de verkrijgingsprijs ingevolge de kwijtschelding wegens de genoten reguliere voordelen op de bedoelde aandelen of winstbewijzen. + +**7.** Het vierde tot en met zesde lid is ook van toepassing indien het betreft een kwijtschelding van een conserverende aanslag waarvan het uitstel van betaling krachtens artikel 25, achtste lid, onderdeel a, van de Invorderingswet 1990 is voortgezet bij de vervreemding aan de belastingplichtige. + +**8.** Voor de toepassing van dit artikel wordt met artikel 26, tweede, vierde of vijfde lid, aanhef en onderdeel a, van de Invorderingswet 1990 gelijkgesteld artikel 26, derde lid, en artikel 26, tweede lid, van de Invorderingswet 1990 zoals deze artikelonderdelen achtereenvolgens luidden op 10 maart 2004, respectievelijk 31 december 2000. ## Hoofdstuk 7A. Wijze van heffing ( ### Artikel 21a -Als voorheffing worden aangewezen door Andorra, British Virgin Islands, Guernsey, Isle of Man, Jersey, Liechtenstein, Monaco, Nederlandse Antillen, San Marino, Turks and Caicos Islands en Zwitserland geheven bronbelasting over een uit die mogendheid als uiteindelijk gerechtigde als bedoeld in artikel 2 van de richtlijn nr. 2003/48/EG van de Raad van de Europese Unie van 3 juni 2003 betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling (PbEU L 157), genoten rentebetaling, mits de bronbelasting vergelijkbaar is met die in artikel 11 van die richtlijn en de rentebetaling valt onder de begripsomschrijving van artikel 6 van die richtlijn. +Als voorheffing worden aangewezen door Andorra, British Virgin Islands, Curaçao, Guernsey, Isle of Man, Jersey, Liechtenstein, Monaco, San Marino, Turks and Caicos Islands, Sint Maarten en Zwitserland geheven bronbelasting over een uit die mogendheid als uiteindelijk gerechtigde als bedoeld in artikel 2 van de richtlijn nr. 2003/48/EG van de Raad van de Europese Unie van 3 juni 2003 betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling (PbEU L 157), genoten rentebetaling, mits de bronbelasting vergelijkbaar is met die in artikel 11 van die richtlijn en de rentebetaling valt onder de begripsomschrijving van artikel 6 van die richtlijn. ## Hoofdstuk 8. Aanvullende regelingen ( ### Artikel 22 -**1.** Als administratieplichtigen als bedoeld in artikel 10.8, eerste lid, van de wet worden aangewezen: banken, elektronischgeldinstellingen, beleggingsinstellingen, beleggingsondernemingen en levensverzekeraars in de zin van de Wet op het financieel toezicht. +**1.** Als administratieplichtigen als bedoeld in artikel 10.8, eerste lid, van de wet worden aangewezen: beheerders, beleggingsinstellingen, beleggingsondernemingen, betaaldienstverleners, financiële instellingen, kredietinstellingen, levensverzekeraars en schadeverzekeraars in de zin van de Wet op het financieel toezicht. **2.** Als gegevens en inlichtingen als bedoeld in artikel 10.8, eerste lid, van de wet worden aangewezen: -a. over een rekening waarop een saldo in geld kan worden aangehouden: +a. met betrekking tot betaalproducten, spaarproducten en beleggingsproducten: -1°. het saldo aan het einde van het kalenderjaar en -2°. de in dat kalenderjaar op de rekening genoten rente; -b. over een rekening waarop een saldo in effecten kan worden aangehouden: +1°. de waarde in het economische verkeer aan het begin van het kalenderjaar; +2°. de in het kalenderjaar genoten rente; +3°. de in het kalenderjaar genoten opbrengst, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet op de dividendbelasting 1965; +4°. de obligatierente die in het kalenderjaar is genoten, alsmede de obligatierente die in het kalenderjaar is betaald, is verrekend, ter beschikking is gesteld of rentedragend is geworden; +5°. de in het kalenderjaar ten laste van de belastingplichtige geheven dividendbelasting en ingehouden buitenlandse bronbelasting; +b. met betrekking tot schulden als bedoeld in artikel 3.119a van de wet en schulden als bedoeld in artikel 5.3 van de wet: -1°. het saldo aan het einde van het kalenderjaar en -2°. de in dat kalenderjaar op de rekening genoten opbrengst, bedoeld in artikel 2 van de Wet op de dividendbelasting 1965, en de op die opbrengst ingehouden dividendbelasting; -c. over het verrichten van een contante uitbetaling ter zake van het verzilveren van coupons of vergelijkbare stukken van obligaties of vergelijkbare waardepapieren: het totaalbedrag dat in het kalenderjaar is uitbetaald; -d. over een kapitaalverzekering eigen woning als bedoeld in artikel 3.116, tweede lid, van de wet: +1°. de waarde in het economische verkeer aan het einde van het kalenderjaar; +2°. de rente die in het kalenderjaar is betaald, is verrekend, ter beschikking is gesteld of rentedragend is geworden; +c. met betrekking tot een kapitaalverzekering eigen woning als bedoeld in artikel 3.116, tweede lid, van de wet: 1°. het in het kalenderjaar genoten bedrag aan uitkering; -2°. indien de verzekering op grond van artikel 3.116, derde lid, onderdeel a, b, c, e, f of g, van de wet, in het kalenderjaar wordt geacht tot uitkering te zijn gekomen: de waarde in het economische verkeer van de verzekering op het tijdstip waarop de verzekering wordt geacht tot uitkering te zijn gekomen; -e. over een lijfrente als bedoeld in de artikelen 3.124 en 3.125 van de wet: +2°. indien de verzekering op grond van artikel 3.116, derde lid, onderdeel a, b, c, e, f of g, van de wet in het kalenderjaar wordt geacht tot uitkering te zijn gekomen: de waarde in het economische verkeer van de verzekering op het tijdstip waarop die verzekering wordt geacht tot uitkering te zijn gekomen; +d. met betrekking tot een spaarrekening eigen woning of een beleggingsrecht eigen woning als bedoeld in artikel 3.116a, tweede lid, onderscheidenlijk artikel 3.116a, derde lid, van de wet: + +1°. het in het kalenderjaar gedeblokkeerde tegoed, onderscheidenlijk de in het kalenderjaar gedeblokkeerde waarde; +2°. indien de spaarrekening of het beleggingsrecht op grond van artikel 3.116a, vierde lid, onderdeel a, b, d, e of f, van de wet in het kalenderjaar wordt geacht te zijn gedeblokkeerd: het tegoed op de spaarrekening onderscheidenlijk de waarde in het economische verkeer van het beleggingsrecht op het tijdstip waarop die spaarrekening of dat beleggingsrecht wordt geacht te zijn gedeblokkeerd; +e. met betrekking tot een lijfrente als bedoeld in de artikelen 3.124 en 3.125 van de wet: 1°. de in het kalenderjaar betaalde of verrekende premies; -2°. indien in het kalenderjaar zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 3.133, tweede lid, onderdeel a, b, d, e, f, g, h, i of j, in samenhang met artikel 3.133, derde lid, van de wet: de omstandigheid die zich heeft voorgedaan en de waarde in het economische verkeer van de aanspraak bepaald met toepassing van artikel 3.137 van de wet; -f. over een recht als bedoeld in artikel 5.10, onderdeel a, van de wet: de som van het verzekerde kapitaal per verzekerde aan het einde van het kalenderjaar; -g. over een recht op kapitaalsuitkering uit een op 14 september 1999 bestaande levensverzekering: +2°. indien in het kalenderjaar zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 3.133, tweede lid, onderdeel a, b, c, d voor zover betrekking hebbend op vervreemding, e, g, h, i of j, van de wet of zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 3.133, derde lid, van de wet: de omstandigheid die zich heeft voorgedaan en de waarde in het economische verkeer van de aanspraak bepaald met toepassing van artikel 3.137 van de wet; +3°. de restituties in het kalenderjaar van in een eerder kalenderjaar betaalde of verrekende premies indien de restitutie geen afkoop is in de zin van artikel 3.133, tweede lid, onderdeel d, van de wet; +f. met betrekking tot een lijfrentespaarrekening of een lijfrentebeleggingsrecht als bedoeld in artikel 3.126a van de wet: -1°. het verzekerde kapitaal bij leven, dan wel, bij het ontbreken hiervan, de waarde in het economische verkeer van het recht, aan het einde van het kalenderjaar; -2°. een verhoging in het kalenderjaar van het verzekerde kapitaal bij leven, dan wel, bij het ontbreken hiervan, een verhoging in het kalenderjaar van de premies, alsmede een verlenging van de looptijd van de levensverzekering in het kalenderjaar, een en ander voorzover die verhoging of verlenging de eerbiedigende werking van hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel AN, van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001, verloren doet gaan; -h. over een recht op kapitaalsuitkering of prestatie uit levensverzekering voorzover niet in aanmerking genomen op grond van de onderdelen d tot en met g: de waarde in het economische verkeer van het recht aan het einde van het kalenderjaar. +1°. de in het kalenderjaar overgemaakte bedragen; +2°. indien in het kalenderjaar zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 3.133, achtste lid, van de wet in samenhang met artikel 3.133, tweede lid, onderdeel a, b, c, d voor zover betrekking hebbend op vervreemding, e, g, h, i of j, van de wet: de omstandigheid die zich heeft voorgedaan en de waarde in het economische verkeer van de aanspraak bepaald met toepassing van artikel 3.137 van de wet; +g. met betrekking tot een recht of een tegoed als bedoeld in artikel 5.10, eerste lid, onderdeel a onderscheidenlijk onderdeel b, van de wet: waarde in het economische verkeer van het recht onderscheidenlijk het tegoed aan het begin van het kalenderjaar; +h. met betrekking tot een recht op kapitaaluitkering uit een op 14 september 1999 bestaande levensverzekering: -**3.** Onder rente als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, onder 2°, wordt verstaan: hetgeen tussen de geldgever en de geldnemer is overeengekomen als vergoeding voor het gedurende de looptijd van de geldlening ter beschikking stellen van de hoofdsom. +1°. de waarde in het economische verkeer van het recht aan het begin van het kalenderjaar; +2°. een verhoging in het kalenderjaar van het verzekerde kapitaal bij leven, dan wel, bij het ontbreken hiervan, een verhoging in het kalenderjaar van de premies, alsmede een verlenging van de looptijd van de levensverzekering in het kalenderjaar, een en ander voor zover die verhoging of verlenging de eerbiedigende werking van hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel AN, van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001, verloren doet gaan; +3°. het in het kalenderjaar genoten bedrag aan uitkering; +i. met betrekking tot een recht op kapitaaluitkering uit een op 31 december 2000 bestaande levensverzekering, niet zijnde een recht als bedoeld in onderdeel h: -**4.** Het saldo, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, onder 1°, is de waarde van de effecten op de einddatum, bepaald volgens artikel 5.19 of artikel 5.21 van de wet, dan wel, indien deze artikelen geen toepassing kunnen vinden, de grondslag voor het over het kalenderjaar bedongen bewaarloon voor de in bewaring gegeven effecten of bij het ontbreken hiervan de uitgifteprijs van de effecten. +1°. de waarde in het economische verkeer van het recht aan het begin van het kalenderjaar; +2°. het in het kalenderjaar genoten bedrag aan uitkering; +j. met betrekking tot een recht op kapitaaluitkering of prestatie uit levensverzekering, niet zijnde een recht als bedoeld in de onderdelen c, g, h en i en niet zijnde een recht als bedoeld in artikel 5.10, eerste lid, onderdeel c, van de wet: de waarde in het economische verkeer van het recht aan het begin van het kalenderjaar; +k. met betrekking tot een aanspraak op periodieke uitkeringen of verstrekkingen ter zake van invaliditeit, ziekte of ongeval als bedoeld in artikel 3.124, eerste lid, onderdeel c, van de wet: -**5.** +1°. indien in het kalenderjaar zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 3.133, tweede lid, onderdeel a, d voor zover betrekking hebbend op vervreemding, e, g of i, laatstgenoemd onderdeel in samenhang met het vijfde lid, van de wet: de omstandigheid die zich heeft voorgedaan en de waarde in het economische verkeer van de aanspraak bepaald met toepassing van artikel 3.137 van de wet; +2°. de in het kalenderjaar betaalde of verrekende premies; +3°. de restituties in het kalenderjaar van betaalde of verrekende premies indien de restitutie geen afkoop is in de zin van artikel 3.133, tweede lid, onderdeel d, van de wet; +l. met betrekking tot een aanspraak op periodieke uitkeringen of verstrekkingen, niet zijnde een aanspraak als bedoeld in de onderdelen e, f en k: de waarde in het economische verkeer van het recht aan het begin van het kalenderjaar. -De gegevens en inlichtingen, bedoeld in het tweede lid, onderdelen a en b, worden verstrekt per rekening en over zowel de saldi als de rente of de opbrengst onderverdeeld naar: +**3.** Onder rente als bedoeld in het tweede lid, onderdelen a en b, wordt verstaan: hetgeen tussen de geldgever en de geldnemer is overeengekomen als vergoeding voor het gedurende de looptijd van de geldlening ter beschikking stellen van de hoofdsom. Onder spaarproducten in de zin van het tweede lid, onderdeel a, wordt niet verstaan: het geblokkeerde deel van een spaarloonrekening. -a. spaartegoeden, aandelenoptierechten, aandelen of winstbewijzen als bedoeld in artikel 5.11 van de wet; -b. maatschappelijke beleggingen als bedoeld in artikel 5.13 van de wet; -c. beleggingen in durfkapitaal als bedoeld in artikel 5.16 van de wet; -d. saldi, rente of opbrengst voorzover niet in aanmerking genomen op grond van de onderdelen a tot en met c. +**4.** -**6.** +Een administratieplichtige kan de verstrekking van gegevens en inlichtingen achterwege laten indien: -De in het eerste lid aangewezen administratieplichtige kan de verstrekking van gegevens en inlichtingen, bedoeld in het tweede lid, onderdelen a, b of g, onder 1°, achterwege laten indien: - -a. het saldo, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, onder 1°, of onderdeel b, onder 1°, lager is dan €500, en het bedrag van de rente, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, onder 2°, of van de opbrengst, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, onder 2°, lager is dan €11; -b. het verzekerde kapitaal bij leven of de waarde in het economische verkeer van het recht, bedoeld in het tweede lid, onderdeel g, onder 1°, lager is dan €46 984. +a. naar het oordeel van de inspecteur het belang van ontvangst van de gegevens en inlichtingen niet opweegt tegen de inspanning tot verstrekking daarvan door de administratieplichtige; +b. de waarde in het economische verkeer van het recht, bedoeld in het tweede lid, onderdelen g en h, onder 1°, lager is dan het bedrag, genoemd in artikel 5.10, eerste lid, onderdeel a, van de wet, of +c. de gegevens of inlichtingen door de inspecteur zijn aangewezen als van verstrekking vrijgestelde gegevens en inlichtingen en aan de voor die vrijstelling verbonden voorwaarden is voldaan. ### Artikel 23