From c7ce2c0a3938b5a8d16e91db0c2307d79440dcc1 Mon Sep 17 00:00:00 2001 From: Coornhert Date: Sun, 15 Jun 2008 12:00:00 +0000 Subject: [PATCH] 2008-06-15 | BWBR0023988 | Inkomstenbelasting, lijfrenten, lijfrentepremieaftrek en rechten op periodieke uitkeringen --- .../BWBR0023988/README.md | 90 ++++++++++++++++--- 1 file changed, 78 insertions(+), 12 deletions(-) diff --git a/beleidsregel/inkomstenbelasting-lijfrenten-lijfrentepremieaftrek-en-rechten-op-periodieke-uit/BWBR0023988/README.md b/beleidsregel/inkomstenbelasting-lijfrenten-lijfrentepremieaftrek-en-rechten-op-periodieke-uit/BWBR0023988/README.md index a8274574cae..6eb69f0c81a 100644 --- a/beleidsregel/inkomstenbelasting-lijfrenten-lijfrentepremieaftrek-en-rechten-op-periodieke-uit/BWBR0023988/README.md +++ b/beleidsregel/inkomstenbelasting-lijfrenten-lijfrentepremieaftrek-en-rechten-op-periodieke-uit/BWBR0023988/README.md @@ -39,7 +39,19 @@ In dit besluit staan geen beleidsstandpunten die specifiek betrekking hebben op ### 1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen -Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden +| Wet inkomstenbelasting 2001: | Wet IB 2001 | +| --- | --- | +| Wet op de inkomstenbelasting 1964: | Wet IB 1964 | +| Algemene wet inzake rijksbelastingen: | AWR | +| Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001: | Invoeringswet | +| Wet op de loonbelasting 1964: | Wet LB 1964 | +| Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965: | Uitv.Besl. LB 1965 | +| Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001: | Uitv.Besl. IB 2001 | +| Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001: | Uitv.Reg. IB 2001 | +| Wet op het financieel toezicht: | Wft | +| Algemene nabestaandenwet: | Anw | +| Wet IB 1964; regime 1992 t/m 2000 : | Brede Herwaardering | +| Wet IB 1964; regime vóór 1992: | Pré Brede Herwaardering | ## 2. Voorwaarden voor lijfrenten en levensverzekeringen algemeen ( @@ -49,7 +61,13 @@ Het begrip lijfrente is gedefinieerd als een aanspraak volgens een overeenkomst #### 2.1.1. Begrip levensverzekering -Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden +Een lijfrente is een aanspraak volgens een overeenkomst van levensverzekering zoals gedefinieerd in artikel 3.117 van de Wet IB 2001. Op grond van dit artikel wordt onder een levensverzekering verstaan: een overeenkomst van levensverzekering als bedoeld in artikel 1:1 van de Wft. Hierna geef ik aan welke (fiscale) inhoud het begrip levensverzekering heeft en welke nadere criteria daarvoor zijn opgesteld. + +De Nederlandsche Bank is belast met de uitvoering van de Wft en bepaalt de inhoud van het begrip levensverzekering. In het rapport van de werkgroep levensverzekeringen WTV-Wet IB (van 4 juni 1993, gepubliceerd in FED 1993/525) zijn nadere criteria opgenomen over de inhoud van het begrip levensverzekering. Deze houden (samengevat) in dat van een levensverzekering pas sprake kan zijn als de verzekeringnemer/begunstigde een gerede kans heeft dat de overeenkomst hem substantieel meer oplevert dan de waarde van de betaalde premies vermeerderd met het door de verzekeraar behaalde rendement (de zogenoemde bonus). De nadere criteria hebben geleid tot rekenregels die in het rapport zijn opgenomen. + +De Nederlandsche Bank hanteert de nadere criteria voor overeenkomsten die zijn gesloten na 30 juni 1993 evenals voor overeenkomsten die na die datum zijn gewijzigd. Overeenkomsten die zijn afgesloten vóór 1 juli 1993 en die niet voldoen aan de nadere criteria merkt De Nederlandsche Bank ook aan als overeenkomsten van levensverzekering (eerbiedigende werking). + +Voor de toepassing van de Wet IB 2001 sluit ik aan bij de uitleg die De Nederlandsche Bank geeft aan het begrip levensverzekering. Dit standpunt brengt mee dat op of na 1 januari 2001 gesloten overeenkomsten van levensverzekering dienen te voldoen aan de door De Nederlandsche Bank gehanteerde nadere criteria zoals opgenomen in het eerder genoemde rapport. Het is dus niet voldoende als de afhankelijkheid van leven en/of sterven (slechts) formeel in de overeenkomst wordt opgenomen. #### 2.1.2. Onzekerheidseis @@ -202,7 +220,17 @@ Als geheel voldoet deze lijfrente niet aan de voorwaarden omdat geen sprake is v #### 4.3.1. Algemeen -Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden +Een nabestaandenlijfrente moet ingaan bij het overlijden van de belastingplichtige, zijn partner of zijn gewezen partner (artikel 3.125, eerste lid, onderdeel b, van de Wet IB 2001). Uitstel van de ingangsdatum van de nabestaandenlijfrente leidt in beginsel tot het in aanmerking nemen van negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen. Er geldt een redelijke termijn om de nabestaandenlijfrente vorm te geven en te doen ingaan (zie paragraaf 4.7). + +Tot en met 2000 kon voor de toepassing van de Wet IB 1964 een ingegane nabestaandenlijfrente fiscaal geruisloos door de gerechtigde worden omgezet in een andere (uitgestelde) lijfrente die op grond van artikel 45 van de Wet IB 1964 was toegestaan. Met ingang van 1 januari 2001 geldt echter het volgende. Als een lijfrente zodanig wordt gewijzigd of omgezet, dat de lijfrente ‘beoordeeld vanuit de verzekeringnemer’ niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 3.125 van de Wet IB 2001, worden negatieve uitgaven in aanmerking genomen (artikel 3.133, tweede lid, onderdeel b, van de Wet IB 2001). Dit brengt mee dat een nabestaandenlijfrente met ingang van 2001 niet meer fiscaal geruisloos kan worden omgezet in bijvoorbeeld een (uitgestelde) oudedagslijfrente ten behoeve van de nabestaanden. + +Hierop bestaat als uitzondering de situatie waarin de nabestaandenlijfrente ontstaat als gevolg van het overlijden van de partner van de verzekeringnemer en de verzekeringnemer ook de begunstigde van de lijfrente is. De nabestaandenlijfrente kan dan fiscaal geruisloos worden omgezet in een al dan niet uitgestelde (tijdelijke) oudedagslijfrente ten behoeve van de verzekeringnemer. + +Het voorgaande (geruisloze omzetting) geldt ook voor nabestaandenlijfrenten die zijn bedongen met toepassing van artikel 45 van de Wet IB 1964 en die na 1 januari 2001 worden of zijn omgezet. Artikel 3.133 Wet IB 2001 is namelijk ook van toepassing op dergelijke lijfrenten (Hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel T, eerste lid, van de Invoeringswet). Zie voor Pré Brede Herwaarderinglijfrenten die zijn aangepast aan de Wet IB 2001paragraaf 5.5. + +Gerechtigden tot nabestaandenlijfrenten kunnen alleen natuurlijke personen zijn. In de praktijk doet zich de situatie voor dat ‘de erfgenamen’ als begunstigden in de polis van de nabestaandenlijfrente zijn vermeld. Op het tijdstip van overlijden komt op grond van het testament vast te staan dat een niet-natuurlijk persoon erfgenaam is. Het gaat bijvoorbeeld om een algemeen nut beogende instelling. + +Op dat ondeelbare tijdstip voldoet deze nabestaandenlijfrente niet langer aan de voorwaarden van artikel 3.125, eerste lid, onderdeel b, van de Wet IB 2001. Bij de overledene worden negatieve uitgaven in aanmerking worden genomen (artikel 3.133, tweede lid, onderdeel b, van de Wet IB 2001). #### 4.3.2. Uitstel nabestaandenlijfrente tot tijdstip beëindiging @@ -243,7 +271,17 @@ Om deze ongewenste gevolgen te voorkomen, keur ik op grond van artikel 63 van de #### 4.6.1. Vanaf 2006 geen premieaftrek meer voor overbruggingslijfrente; eerbiedigende werking -Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden +Met ingang 1 januari 2006 is geen premieaftrek meer mogelijk voor tijdelijke lijfrenten die voorafgaan aan de pensioendatum (overbruggingslijfrenten). Wel is het mogelijk om in de toekomst nog overbruggingslijfrenten te bedingen voor zover er sprake is van op 31 december 2005 bestaande aanspraken (eerbiedigende werking; artikel 10a.1 van de Wet IB 2001). + +Voor die eerbiedigende werking geldt als voorwaarde dat de polis (mede) betrekking heeft op een overbruggingslijfrente. Dit houdt in dat de overbruggingslijfrente uitdrukkelijk (mede) verzekerd moet zijn. In vele bestaande lijfrentepolissen worden overbruggingslijfrenten niet met zoveel woorden genoemd. Meestal zijn uitsluitend de oudedagslijfrenten in de polis opgenomen, met als achterliggende gedachte dat op grond van de Wet IB 2001 (wettekst tot en met 2005) een fiscaal geruisloze omzetting in een overbruggingslijfrente steeds mogelijk is. + +Alleen als de overbruggingslijfrente in 2005 (alsnog) uitdrukkelijk in de bestaande lijfrentepolis was opgenomen, kan op grond van de wettekst in de toekomst gebruik gemaakt worden van de eerbiedigende werking van het overgangsrecht. + +Om te voorkomen dat lijfrentepolissen alleen om deze reden moeten worden aangepast, keur ik op grond van artikel 63 van de AWR (hardheidsclausule) het volgende goed. + +Het is niet nodig alsnog lijfrentepolissen aan te passen om in de toekomst overbruggingslijfrenten te kunnen bedingen voor op 31 december 2005 bestaande aanspraken. De aanpassing is ook niet nodig voor lijfrenten die zijn bedongen in het kader van de omzetting in een lijfrente van de fiscale oudedagsreserve en/of in het kader van de omzetting van stakingswinst. + +Dit geldt eveneens voor stamrechten die in het verleden zijn bedongen met toepassing van artikel 19 (oud) en artikel 44j (oud) van de Wet IB 1964. Dergelijke stamrechten mogen worden omgezet in een lijfrente als bedoeld in artikel 3.125 van de Wet IB 2001. De omzetting van een stamrecht in een overbruggingslijfrente kan ook plaatsvinden na het kalenderjaar 2005. Voor de hoogte van de overbruggingslijfrente verwijs ik naar paragraaf 9.4. #### 4.6.2. Overige aspecten in verband met afschaffen van de overbruggingslijfrente @@ -255,7 +293,9 @@ Als (mede) een overbruggingslijfrente is verzekerd, terwijl na 31 december 2005 #### 4.7.1. Inleiding -Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden +Op grond van vaste jurisprudentie gold voor de toepassing van de Wet IB 1964 voor de belanghebbende een redelijke termijn om na de expiratie van een kapitaalverzekering de bijbehorende lijfrenteclausule te gebruiken. Voor de toepassing van de Wet IB 2001 bestaat die redelijke termijn ook voor gerichte lijfrenten om de hoogte van de lijfrentetermijnen vast te stellen als de lijfrente ingaat. + +In de uitvoeringspraktijk bestaat onduidelijkheid over de duur van ‘een redelijke termijn’. Hierover bestaat vrijwel geen jurisprudentie. Om de praktijk te uniformeren en zoveel mogelijk zekerheid te bieden, geef ik hierna een minimumtermijn aan voor de verschillende situaties. #### 4.7.2. Redelijke termijn; uniforme minimumtermijn @@ -289,7 +329,9 @@ In de praktijk komt de volgende situatie voor. Een verzekerd persoon moet bij le #### 5.1.1. Inleiding -Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden +Premies die aanspraak geven op inkomensvoorzieningen als bedoeld in artikel 3.124, onderdelen a t/m c, van de Wet IB 2001 zijn onder voorwaarden aftrekbaar als uitgaven voor inkomensvoorzieningen. Daarbij gaat het om premies, waaronder ook koopsommen, voor een overeenkomst van lijfrente of een aanspraak op periodieke uitkeringen en verstrekkingen. Aftrek van dergelijke premies binnen de wettelijke begrenzingen is uitsluitend mogelijk als de overeenkomst voldoet aan bepaalde, nauw omschreven voorwaarden. Het gaat daarbij onder meer om de soort verzekerde uitkeringen, de gerechtigden, de ingangs- en einddata van de uitkeringen en de verzekeraar. + +Hierna ga ik in op situaties waarin lijfrenten zijn gesloten vóór 2001 onder de Wet IB 1964 terwijl de verzekeringnemer de met ingang van 2001 betaalde premies als uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aftrek wil brengen. Ik onderscheid hierbij lijfrenten gesloten onder het regime van de Brede Herwaardering (1992 tot en met 2000) en lijfrenten gesloten vóór 1992 (Pré Brede Herwaarderinglijfrenten). #### 5.1.2. Brede Herwaarderinglijfrenten @@ -309,11 +351,19 @@ Er is geen sprake van afkoop in fiscale zin als een lijfrente gesloten vóór 1 ### 5.3. Omzetting in lijfrente IB 2001; gevolgen voor gedeelte van lijfrente opgebouwd vóór 1 januari 2001 -Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden +Hierna neem ik een standpunt in over de gevolgen van een omzetting van een lijfrente gesloten vóór 1 januari 2001 in een lijfrente die voldoet aan de voorwaarden voor premieaftrek op grond van de Wet IB 2001. Het gaat om het gedeelte van de lijfrente, dat voortvloeit uit premiebetalingen die zijn gedaan vóór 1 januari 2001. + +Als het gaat om een premiebetaling zoals omschreven in Hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel O, eerste lid, onderdelen a, b en c, van de Invoeringswet, blijven voor de bepaling van het inkomen uit een dergelijke lijfrente altijd de bepalingen van de Wet IB 1964 van toepassing (eerbiedigende werking). Een latere omzetting of aanpassing van die lijfrente op welke wijze dan ook brengt hierin geen wijziging. Dit geldt ook voor een Pré Brede Herwaarderinglijfrente die wordt aangepast aan de voorwaarden voor premieaftrek van het regime IB 2001. ### 5.4. Omzetting in lijfrente IB 2001; gevolgen voor gedeelte van lijfrente opgebouwd met ingang van 2001 -Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden +Hierna neem ik een standpunt in over de gevolgen van een omzetting van een lijfrente gesloten vóór 1 januari 2001 in een lijfrente die voldoet aan de voorwaarden voor premieaftrek op grond van de Wet IB 2001. Het gaat om het gedeelte van de lijfrente dat voortvloeit uit premiebetalingen gedaan op of na 1 januari 2001. + +Ik onderscheid hierbij de volgende gevallen: + +a. De lijfrente vloeit voort uit premies die zijn afgetrokken als uitgaven voor inkomensvoorzieningen als bedoeld in artikel 3.124 van de Wet IB 2001. Hierop zijn de bepalingen van de Wet IB 2001 van toepassing. Dit betekent dat de lijfrente en de daaruit in de toekomst voortvloeiende uitkeringen tot box 1 behoren. +b. De lijfrente vloeit voort uit premies die niet als uitgaven voor inkomensvoorzieningen zijn afgetrokken en de premies gaan per lijfrenteovereenkomst een bedrag van € 2.269 per kalenderjaar niet te boven. De bepalingen van de Wet IB 1964 blijven van toepassing (Hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel O, eerste lid, onderdeel d, van de Invoeringswet; eerbiedigende werking). Het moet dan gaan om een overeenkomst die tot stand is gekomen vóór 14 september 1999 en waarvan nadien de premiebetalingen niet zijn verhoogd, tenzij de verhoging plaatsvond op grond van een normale en gebruikelijke optieclausule. Dit betekent dat de lijfrente (geheel) tot box 1 behoort. De daaruit in de toekomst voortvloeiende uitkeringen worden in box 1 belast onder toepassing van de saldomethode in verband met de niet afgetrokken premies. +c. De lijfrente vloeit voort uit niet afgetrokken premies die per lijfrenteovereenkomst een bedrag van € 2.269 per kalenderjaar te boven gaan of er bestaat geen aanspraak op eerbiedigende werking. Op die lijfrente zijn uitsluitend de bepalingen van de Wet IB 2001 van toepassing. Dit betekent dat de lijfrente voor het bedrag dat betrekking heeft op de premie boven € 2.269 behoort tot de heffingsgrondslag van box 3. ### 5.5. Ingaan nabestaandenlijfrente bij Pré Brede Herwaarderingpolis die is aangepast aan IB 2001 @@ -323,7 +373,13 @@ Op grond van het Pré Brede Herwaarderingregime behoefde een lijfrente ten gevol #### 5.5.2. Geen uitstel ingaan nabestaandenlijfrente -Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden +Een Pré Brede Herwaarderinglijfrente verliest als gevolg van de aanpassing aan het lijfrenteregime van de Wet IB 2001 niet de eerbiedigende werking voor zover de lijfrente voortvloeit uit premiebetalingen gedaan vóór 2001 (zie paragraaf 5.3). + +Voor zover de lijfrente voortvloeit uit premiebetalingen gedaan na 2000 kan de eerbiedigende werking ook van toepassing zijn. In paragraaf 5.4 is aangegeven om welke situaties het gaat. Voor een lijfrente die bij leven uitkeert, kan daardoor sprake zijn van een gedeelte waarop nog het Pré Brede Herwaarderingregime van toepassing is en een gedeelte waarop het regime van de Wet IB 2001 van toepassing is. + +Voor een nabestaandenlijfrente is de situatie echter een andere. Het risico van vóóroverlijden wordt in een lijfrentepolis immers verzekerd op grond van de laatst betaalde risicopremie(s). Een nabestaandenlijfrente vloeit niet voort uit een opgebouwd lijfrentekapitaal zoals dat wel het geval is bij een lijfrente die bij leven uitkeert. Indien dus een nabestaandenlijfrente ingaat na 2001 en de laatstbetaalde premie voor de lijfrente – waarin meestal is begrepen de risicopremie voor de dekking van het overlijdensrisico – als uitgave voor inkomensvoorziening is afgetrokken, is op de gehele nabestaandenlijfrente het regime van de Wet IB 2001 van toepassing. Uitstel van het ingaan van de nabestaandenlijfrenten is dan fiscaalrechtelijk niet toegestaan, behalve in de situaties omschreven in paragraaf 4.3. + +Uitstel van het ingaan van een nabestaandenlijfrente is wel mogelijk in de situatie waarin de Pré Brede Herwaarderinglijfrente zoals die is opgebouwd tot en met het jaar 2000 premievrij is gemaakt en administratief gesplitst wordt bijgehouden van de lijfrente waarop met ingang van 2001 aftrekbare premies worden betaald. Voor zover de premievrije waarde een recht geeft op dekking bij overlijden na het jaar 2000, is op de desbetreffende lijfrente die ingaat bij overlijden het regime van de Wet IB 1964 van toepassing en is uitstel van de nabestaandenlijfrente fiscaal mogelijk. ## 6. Hoogte van de lijfrentepremieaftrek ( @@ -532,7 +588,11 @@ Als aan de offerte een opschortende voorwaarde is verbonden, kan de overeenkomst #### 8.1.1. Inleiding -Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden +Termijnen van lijfrenten en andere periodieke uitkeringen en verstrekkingen uit een inkomensvoorziening zijn uitsluitend belastbaar in box 1 voor zover de daarvoor betaalde premies als uitgaven voor inkomensvoorziening in aanmerking zijn genomen (artikel 3.100, eerste lid, onderdeel b, van de Wet IB 2001). Voor zover de premies niet in aftrek zijn gebracht, zijn de termijnen niet belastbaar in box 1, maar behoort het recht (op de termijnen) tot de rendementsgrondslag van box 3. Anders dan onder de Wet IB 1964 heeft de belastingplichtige dus de keuze om een lijfrentepremie als bedoeld in artikel 3.124 van de Wet IB 2001 al dan niet in aftrek te brengen. + +Het al dan niet in aftrek brengen van betaalde premies kan berusten op een bewuste keuze of op een verzuim. In gevallen waarin een belastingplichtige heeft verzuimd de premie in aftrek te brengen kan het gaan om contracten waarvoor in voorgaande jaren al premies in aftrek zijn gebracht of waarvoor in latere jaren premies in aftrek worden gebracht. Deze contracten zouden door het niet in aftrek brengen van één of meer premies in de toekomst moeten worden gesplitst in een box-1-gedeelte en in een box-3-gedeelte. + +Hierna ga ik in op de situaties waarin verzuimd is premie in aftrek te brengen en daarna op de mogelijkheden om alsnog premieaftrek te krijgen. #### 8.1.2. Situaties waarin is verzuimd om premies in aftrek te brengen @@ -587,7 +647,9 @@ Het voorgaande geldt evenzeer voor situaties waarin aftrekbare lijfrentepremies #### 9.1.1. Inleiding -Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden +Aftrek van premies als uitgaven voor inkomensvoorzieningen vindt plaats onder strikte voorwaarden. Schending van die voorwaarden heeft tot gevolg dat bepaalde sancties intreden (artikel 3.133 van de Wet IB 2001). Bij verboden handelingen worden negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking genomen ter grootte van de waarde in het economische verkeer van het desbetreffende recht (artikel 3.137 van de Wet IB 2001). Dit geldt niet voor zover de opgebouwde rechten onder de eerbiedigende werking van artikel 75 van de Wet IB 1964 vallen. + +Als nog geen lijfrenteuitkering is vervallen, wordt de waarde in het economische verkeer ten minste gesteld op de premies die in aftrek op het inkomen zijn gebracht (de zogenoemde minimumwaarderingsregel). Daarnaast is de belastingplichtige revisierente verschuldigd over de waarde in het economische verkeer van het recht (artikel 30i van de AWR). Hierna neem ik een aantal standpunten in bij schending van de voorwaarden van de lijfrentepremieaftrek. #### 9.1.2. Premievakantie bij gemengde lijfrente; gevolgen @@ -615,7 +677,11 @@ Van oneigenlijk gebruik is wel sprake bij een louter individuele verbetering waa #### 9.2.3. Negatieve uitgaven bij verbetering pensioen -Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden +Als er sprake is van een pensioentekort kan de belastingplichtige betaalde lijfrentepremies van het inkomen aftrekken (jaarruimte en reserveringsruimte; artikel 3.127, eerste en tweede lid, van de Wet IB 2001). In de jaren vóór 2001 was een vergelijkbare aanvullende premieaftrek mogelijk wegens een pensioentekort (artikel 45a, tweede en derde lid, van de Wet IB 1964). Hierna ga ik in op de gevolgen van pensioenverbetering die betrekking heeft op jaren vóór 2001. + +Het terugnemen van lijfrentepremieaftrek door pensioenverbetering ziet uitsluitend op premies die in de jaren 2001 en volgende in aftrek zijn gebracht (artikel 3.127, eerste en tweede lid, van de Wet IB 2001). Dit betekent dat op premieaftrek die heeft plaatsgevonden onder de Wet IB 1964 bij pensioenverbetering niet wordt teruggekomen. + +Er worden wel negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking genomen in de volgende situatie. Met ingang van 2001 zijn premies afgetrokken met toepassing van de regeling van de reserveringsruimte, gebaseerd op een pensioentekort uit de jaren vóór 2001. Er vindt een pensioenverbetering plaats die betrekking heeft op dat pensioentekort uit de jaren vóór 2001. ### 9.3. Echtscheiding en lijfrente