2015-02-01 | BWBR0032554 | Aanwijzing vervolgingsbeslissing levensbeëindiging niet op verzoek en late zwangerschapsafbreking
This commit is contained in:
parent
df662f3211
commit
c80639b710
1 changed files with 1 additions and 7 deletions
|
|
@ -18,13 +18,7 @@ Met ingang van 15 maart 2007 is de Ministeriële regeling centrale deskundigenco
|
|||
|
||||
## . Inleiding en samenvatting
|
||||
|
||||
Deze aanwijzing regelt de wijze waarop het openbaar ministerie omgaat met gevallen van levensbeëindiging niet op verzoek en late zwangerschapsafbrekingen (de afbreking van een zwangerschap na 24 weken).
|
||||
|
||||
De officier van justitie is net als in gevallen van levensbeëindiging op verzoek gehouden in gevallen van levensbeëindiging niet op verzoek en late zwangerschapsafbrekingen te beslissen over het al dan niet afgeven van een verlof tot begraven of verbranding. Daarnaast dienen deze zaken bij het openbaar ministerie te worden gemeld om te beoordelen of sprake is van een strafbaar feit. Indien dat het geval is, beoordeelt het openbaar ministerie of de betrokken arts al dan niet een beroep op overmacht in de zin van noodtoestand (naar medisch wetenschappelijke inzichten staat vast dat medisch ingrijpen zinloos is) toekomt.
|
||||
|
||||
Voor de levensbeëindiging van uitzichtloos en ondraaglijk lijdende pasgeborenen en late zwangerschapsafbrekingen van categorie 2 geldt sinds 15 maart 2007 een aparte procedure die voorziet in beoordeling door een centrale deskundigencommissie alvorens de zaak aan het openbaar ministerie wordt voorgelegd. Levensbeëindiging niet op verzoek, zoals bij pasgeborenen, en late zwangerschapsafbrekingen zijn en blijven strafbaar, ook na de instelling van de centrale deskundigencommissie. De Tweede Kamer is over de instelling van deze commissie geïnformeerd in een brief van 29 november 2005 (TK 2005–2006, 30300 XVI, nr. 90), waarin tevens de zorgvuldigheidseisen zijn vastgelegd waaraan de commissie het handelen van de arts zal beoordelen. Het oordeel van de commissie is een advies dat het openbaar ministerie zal betrekken bij zijn beslissing al dan niet tot vervolging over te gaan. Uiteraard laat dit advies het in de artikelen 167, tweede lid, en 242, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering neergelegde opportuniteitsbeginsel bij de vervolgingsbeslissing van het openbaar ministerie onverlet.
|
||||
|
||||
Voor de andere gevallen van levensbeëindiging niet op verzoek blijft de sinds 1 juni 1994 vigerende meldingsprocedure van kracht. Deze aanwijzing beschrijft de procedure die voorheen was opgenomen in de Aanwijzing vervolgingsbeslissing inzake levensbeëindiging op verzoek. Voor de categorie 1-gevallen van late zwangerschapsafbreking (ongeborenen met onbehandelbare aandoeningen die naar verwachting tijdens of direct na de geboorte tot de dood leiden) voorziet deze aanwijzing eveneens in een beschrijving van de door het openbaar ministerie te volgen procedure. Een beschrijving van de door het openbaar ministerie te volgen procedure in gevallen van late zwangerschapsafbreking in verband met de gezondheidstoestand van de moeder volgt in een later stadium. In alle gevallen waarin besloten wordt tot een strafrechtelijk onderzoek, geschiedt dit onderzoek door de medisch officier van justitie.
|
||||
2016394129-01-20162016394129-01-201601-02-2015
|
||||
|
||||
## 1. Levensbeëindiging niet op verzoek (wilsonbekwamen, niet zijnde uitzichtloos en ondraaglijk lijdende pasgeborenen) (zie stroomschema 1)
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue