2014-07-01 | BWBR0025458 | Waterwet

This commit is contained in:
Coornhert 2014-07-01 12:00:00 +00:00
parent 23d3469ef0
commit c8158ec53e

View file

@ -20,10 +20,11 @@ citeertitel: Waterwet
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt, tenzij anders bepaald, verstaan onder:
- *beheer:* de overheidszorg met betrekking tot een of meer afzonderlijke watersystemen of onderdelen daarvan, gericht op de in artikel 2.1 genoemde doelstellingen;
- *beheerder:* het bevoegde bestuursorgaan van het overheidslichaam dat belast is met beheer;
- *bergingsgebied:* een krachtens de Wet ruimtelijke ordening voor waterstaatkundige doeleinden bestemd gebied, niet zijnde een oppervlaktewaterlichaam of onderdeel daarvan, dat dient ter verruiming van de bergingscapaciteit van een of meer watersystemen en ook als bergingsgebied op de legger is opgenomen;
- *beheer:* overheidszorg met betrekking tot een of meer afzonderlijke watersystemen of onderdelen daarvan, gericht op de in artikel 2.1 genoemde doelstellingen;
- *beheerder:* bevoegd bestuursorgaan van het overheidslichaam dat belast is met beheer;
- *bergingsgebied:* krachtens de Wet ruimtelijke ordening voor waterstaatkundige doeleinden bestemd gebied, niet zijnde een oppervlaktewaterlichaam of onderdeel daarvan, dat dient ter verruiming van de bergingscapaciteit van een of meer watersystemen en ook als bergingsgebied op de legger is opgenomen;
- *beschermingszone:* aan een waterstaatswerkgrenzende zone, waarin ter bescherming van dat werk voorschriften en beperkingen kunnen gelden;
- *bevoegd gezag:* tot verlening van een watervergunning bevoegd bestuursorgaan, in voorkomend geval met toepassing van artikel 6.17;
- *buitenwater:* water van een oppervlaktewaterlichaam waarvan de waterstand direct invloed ondergaat bij hoge stormvloed, bij hoog opperwater van een van de grote rivieren, bij hoog water van het IJsselmeer of het Markermeer, dan wel bij een combinatie daarvan;
- *deltafonds:* fonds, bedoeld in artikel 7.22a;
- *deltaprogramma:* programma, bedoeld in artikel 4.9;
@ -33,10 +34,11 @@ In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt, tenzij anders bepaald, ver
- *infiltreren van water:* in de bodem brengen van water, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater;
- *kaderrichtlijn water:*
richtlijn nr. 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PbEG L 327);
- *legger:* legger als bedoeld in artikel 5.1;
- *onttrekken van grondwater:* onttrekken van grondwater door middel van een onttrekkingsinrichting;
- *onttrekkingsinrichting:* inrichting of werk, bestemd voor het onttrekken van grondwater;
- *Onze Minister:* Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;
- *Onze Ministers:* Onze Minister van Verkeer en Waterstaat tezamen met Onze Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, ieder voor zover het aangelegenheden betreft die mede tot zijn verantwoordelijkheid behoren;
- *Onze Minister:* Onze Minister van Infrastructuur en Milieu;
- *Onze Ministers:* Onze Minister van Infrastructuur en Milieu tezamen met Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, ieder voor zover het aangelegenheden betreft die mede tot zijn verantwoordelijkheid behoren;
- *openbaar vuilwaterriool:* voorziening voor de inzameling en het transport van stedelijk afvalwater, in beheer bij een gemeente of een rechtspersoon die door een gemeente met het beheer is belast;
- *oppervlaktewaterlichaam:* samenhangend geheel van vrij aan het aardoppervlak voorkomend water, met de daarin aanwezige stoffen, alsmede de bijbehorende bodem, oevers en, voor zover uitdrukkelijk aangewezen krachtens deze wet, drogere oevergebieden, alsmede flora en fauna;
- *primaire waterkering:* waterkering die beveiliging biedt tegen overstroming doordat deze behoort tot een dijkring ofwel vóór een dijkring is gelegen;
@ -53,15 +55,15 @@ In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt, tenzij anders bepaald, ver
- *zee:* mariene wateren, met uitzondering van de binnenwateren van staten, met inbegrip van de zeebodem en ondergrond daarvan;
- *zuiveringtechnisch werk:* werk voor het zuiveren van stedelijk afvalwater, in exploitatie bij een waterschap of gemeente, dan wel een rechtspersoon die door het bestuur van een waterschap met de zuivering van stedelijk afvalwater is belast, met inbegrip van het bij dat werk behorende werk voor het transport van stedelijk afvalwater.
**2.** Voor de toepassing van deze wet worden onttrekkingsinrichtingen die een samenhangend geheel vormen, als één onttrekkingsinrichting aangemerkt.
**2.** Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen worden onttrekkingsinrichtingen die een samenhangend geheel vormen, als één onttrekkingsinrichting aangemerkt.
**3.** Voor de toepassing van deze wet ten aanzien van de zee wordt onder oppervlaktewaterlichaam mede begrepen de ondergrond van de zeebodem.
**3.** Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen ten aanzien van de zee wordt onder oppervlaktewaterlichaam mede begrepen de ondergrond van de zeebodem.
### Paragraaf 2. Geografische bepalingen
### Artikel 1.2
**1.** Voor de toepassing van het begrip stroomgebieddistrict in deze wet wordt het Nederlandse grondgebied ingedeeld in de op Nederlands grondgebied gelegen delen van de stroomgebieddistricten Eems, Maas, Rijn en Schelde. Onder het Nederlandse grondgebied wordt in dit artikel mede verstaan de territoriale zee, voor zover die is gelegen aan de landzijde van de lijn waarvan elk punt zich bevindt op een afstand van een internationale zeemijl, gemeten zeewaarts vanaf de laagwaterlijn, bedoeld in artikel 1 van de Wet grenzen Nederlandse territoriale zee of de basislijn, bedoeld in artikel 2 van die wet.
**1.** Voor de toepassing van het begrip stroomgebieddistrict in deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt het Nederlandse grondgebied ingedeeld in de op Nederlands grondgebied gelegen delen van de stroomgebieddistricten Eems, Maas, Rijn en Schelde. Onder het Nederlandse grondgebied wordt in dit artikel en de daarop berustende bepalingen mede verstaan de territoriale zee, voor zover die is gelegen aan de landzijde van de lijn waarvan elk punt zich bevindt op een afstand van een internationale zeemijl, gemeten zeewaarts vanaf de laagwaterlijn, bedoeld in artikel 1 van de Wet grenzen Nederlandse territoriale zee of de basislijn, bedoeld in artikel 2 van die wet.
**2.** De onderlinge grenzen van de Nederlandse delen van de stroomgebieddistricten worden vastgesteld bij of krachtens algemene maatregel van bestuur. Daarbij wordt tevens voorzien in de toedeling van de grondwaterlichamen aan de stroomgebieddistricten.
@ -143,7 +145,7 @@ Bij provinciale verordening worden, met het oog op de bergings- en afvoercapacit
### Artikel 2.10
Normen voor de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen worden vastgesteld op de voet van hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer, in overeenstemming met het stelsel van milieudoelstellingen, opgenomen in artikel 4 van de kaderrichtlijn water.
Normen voor de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen worden vastgesteld krachtens hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer, in overeenstemming met het stelsel van milieudoelstellingen, opgenomen in artikel 4 van de kaderrichtlijn water.
### Artikel 2.11
@ -159,7 +161,7 @@ Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voor rijkswateren en, met
**3.** Onze Minister brengt telkens over de in het eerste lid genoemde periode over elke dijkring verslag uit aan de beide Kamers der Staten-Generaal.
**4.** De in het eerste lid bedoelde verslagen bevatten een beoordeling van de veiligheid. Die beoordeling geschiedt onder meer in het licht van de ingevolge artikel 2.2, eerste of tweede lid, vastgestelde veiligheidsnorm, de ingevolge artikel 2.3, eerste lid, vastgestelde factoren, de in artikel 2.6, eerste lid, bedoelde technische leidraden en de in artikel 5.1 bedoelde legger. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de beoordeling. Bij de voorbereiding van de regeling worden de besturen van de waterschappen gehoord.
**4.** De in het eerste lid bedoelde verslagen bevatten een beoordeling van de veiligheid. Die beoordeling geschiedt onder meer in het licht van de ingevolge artikel 2.2, eerste of tweede lid, vastgestelde veiligheidsnorm, de ingevolge artikel 2.3, eerste lid, vastgestelde factoren, de in artikel 2.6, eerste lid, bedoelde technische leidraden en de legger. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de beoordeling. Bij de voorbereiding van de regeling worden de besturen van de waterschappen gehoord.
**5.** Indien de beoordeling van de veiligheid daartoe aanleiding geeft, bevatten de in het eerste lid bedoelde verslagen een omschrijving van de voorzieningen die op een daarbij aan te geven termijn nodig worden geacht.
@ -187,9 +189,11 @@ Onverminderd artikel 2.12 kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur
**5.** De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur houdende wijziging van de in het eerste lid bedoelde aanwijzing kan slechts worden gedaan indien over een daarin besloten liggende overdracht dan wel overneming van het beheer door Onze Minister overeenstemming is bereikt met de betrokken andere beheerder en gedeputeerde staten.
**6.** Bij ministeriële regeling kunnen niet tot het Rijk behorende overheidslichamen worden aangewezen die geheel of gedeeltelijk zijn belast met het beheer van daarbij aangewezen rijkswateren. De aanwijzing gebeurt in overeenstemming met het desbetreffende bestuursorgaan.
### Artikel 3.2
**1.** Bij provinciale verordening worden voor de niet bij het Rijk in beheer zijnde watersystemen of onderdelen daarvan overheidslichamen aangewezen die belast zijn met het beheer, met inachtneming van artikel 2, tweede lid, van de Waterschapswet.
**1.** Bij provinciale verordening worden voor de regionale wateren overheidslichamen aangewezen geheel of gedeeltelijk zijn belast met het beheer, met inachtneming van artikel 2, tweede lid, van de Waterschapswet.
**2.** Voor zover bij provinciale verordening andere lichamen dan waterschappen worden belast met beheer, zijn de artikelen 4.6, 5.1, 7.2, 8.1 en 8.3 van deze wet niet van toepassing voor de betrokken beheerders en, indien het provincies en gemeenten betreft, evenmin artikel 5.29, behoudens voor zover dat artikel bij of krachtens die verordening van toepassing wordt verklaard voor daarbij aan te wijzen waterstaatswerken, in verband met de bijzondere betekenis van die waterstaatswerken.
@ -203,7 +207,7 @@ Het waterschap draagt zo goed mogelijk zorg voor het voorkomen van schade aan wa
**1.**
In het belang van het tijdig nemen van maatregelen bij hoog water dat gevaar voor een tot directe kering van het buitenwater bestemde primaire waterkering kan opleveren, draagt Onze Minister zorg dat:
In het belang van het tijdig nemen van maatregelen bij hoog water dat gevaar voor een tot directe kering van het buitenwater bestemde primaire waterkering kan opleveren, draagt Onze Minister er zorg voor dat:
a. informatie beschikbaar is over de verwachte afwijkingen van de daartoe door Onze Minister gepubliceerde hoogwaterstanden;
b. waarschuwingen en verdere inlichtingen worden verschaft aan de beheerders van primaire waterkeringen en colleges van gedeputeerde staten die het betreft, zodra te verwachten is dat bij hoge stormvloed, hoog opperwater van een van de grote rivieren, hoog water van het IJsselmeer of het Markermeer of, ten gevolge van een combinatie daarvan, de hoogwaterstand het alarmeringspeil overschrijdt.
@ -306,21 +310,21 @@ Onze Minister oefent het toezicht uit op de primaire waterkeringen.
### Artikel 3.12
**1.** Gedeputeerde staten kunnen, indien een samenhangend en doelmatig regionaal waterbeheer dat vordert, het bestuur van een waterschap een aanwijzing geven omtrent de uitoefening van taken of bevoegdheden. Indien het een waterschap betreft waarvan het gebied in twee of meer provincies is gelegen, wordt de aanwijzing gegeven door gedeputeerde staten van de provincie of provincies waaraan het toezicht op het waterschap is opgedragen.
**1.** Gedeputeerde staten kunnen, indien een samenhangend en doelmatig regionaal waterbeheer dat vordert, het bestuur van een waterschap een aanwijzing geven omtrent de uitoefening van bevoegdheden of de uitvoering van taken. Indien het een waterschap betreft waarvan het gebied in twee of meer provincies is gelegen, wordt de aanwijzing gegeven door gedeputeerde staten van de provincie of provincies waaraan het toezicht op het waterschap is opgedragen.
**2.** Bij de aanwijzing wordt een termijn gesteld waarbinnen uitvoering wordt gegeven aan de aanwijzing.
**3.** Een aanwijzing wordt niet gegeven dan nadat het bestuur van het waterschap in de gelegenheid is gesteld van zijn gevoelen omtrent het voornemen tot het geven van de aanwijzing te doen blijken, tenzij spoedeisende omstandigheden zich daartegen verzetten.
**4.** Wanneer het bestuur van een waterschap een krachtens het eerste lid gevorderde beslissing niet of niet naar behoren neemt, zijn gedeputeerde staten bevoegd daarin namens dat bestuur en ten laste van dat waterschap te voorzien. Indien gedeputeerde staten gebruikmaken van deze bevoegdheid, melden zij dit onverwijld aan Onze Minister.
**4.** Wanneer het bestuur van een waterschap niet, niet tijdig of niet naar behoren gevolg geeft aan de aanwijzing, zijn gedeputeerde staten bevoegd daarin namens dat bestuur en ten laste van dat waterschap te voorzien. Indien gedeputeerde staten gebruikmaken van deze bevoegdheid, melden zij dit onverwijld aan Onze Minister.
### Artikel 3.13
**1.** Onze Minister kan, indien internationale verplichtingen of bovenregionale belangen dat noodzakelijk maken, gedeputeerde staten of het bestuur van een waterschap een aanwijzing geven omtrent de uitoefening van taken of bevoegdheden in het kader van het waterbeheer. Artikel 3.12, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
**1.** Onze Minister kan, indien internationale verplichtingen of bovenregionale belangen dat noodzakelijk maken, gedeputeerde staten of het bestuur van een waterschap een aanwijzing geven omtrent de uitoefening van bevoegdheden of de uitvoering van taken in het kader van het waterbeheer. Artikel 3.12, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
**2.** Een aanwijzing wordt niet gegeven dan nadat het betrokken bestuursorgaan en, indien de aanwijzing is gericht tot het bestuur van een waterschap, gedeputeerde staten van de provincie of provincies waaraan het toezicht op dat waterschap is opgedragen, in de gelegenheid zijn gesteld van hun gevoelen omtrent het voornemen tot het geven van de aanwijzing te doen blijken, tenzij spoedeisende omstandigheden zich daartegen verzetten.
**3.** Wanneer het bestuur van een waterschap een krachtens het eerste lid gevorderde beslissing niet of niet naar behoren neemt dan wel een krachtens het eerste lid gevorderde handeling niet of niet naar behoren verricht, besluit Onze Minister daarin te voorzien ten laste van het waterschap. De artikelen 121, tweede en vierde lid, 121a tot en met 121e van de Provinciewet zijn van overeenkomstige toepassing.
**3.** Wanneer het bestuur van een waterschap een krachtens het eerste lid gevorderde beslissing niet of niet naar behoren neemt dan wel een krachtens het eerste lid gevorderde handeling niet of niet naar behoren verricht of anderszins een krachtens het eerste lid gevorderd resultaat niet, niet tijdig of niet naar behoren tot stand brengt, besluit Onze Minister daarin te voorzien ten laste van het waterschap. De artikelen 121, tweede en vierde lid, 121a tot en met 121e van de Provinciewet zijn van overeenkomstige toepassing.
### Artikel 3.14
@ -418,11 +422,10 @@ d. een overzicht van de financiële middelen, die voor de uitvoering van het pro
**1.**
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of provinciale verordening worden regels gesteld omtrent de voorbereiding en goedkeuring, alsmede de vormgeving en inrichting van beheerplannen betreffende rijkswateren, onderscheidenlijk regionale wateren. Deze regels hebben in elk geval betrekking op:
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of provinciale verordening worden regels gesteld omtrent de voorbereiding, alsmede de vormgeving en inrichting van beheerplannen betreffende rijkswateren, onderscheidenlijk regionale wateren. Deze regels hebben in elk geval betrekking op:
a. de raadpleging van de in artikel 4.6, eerste lid, bedoelde beheerders alsmede gedeputeerde staten van de provincies en de besturen van de veiligheidsregios waarbinnen de watersystemen of onderdelen daarvan zijn gelegen, alsmede de ten aanzien van grensvormende of grensoverschrijdende wateren bevoegde Belgische, Duitse of Britse autoriteiten;
b. inspraak van belanghebbenden en ingezetenen van het beheersgebied;
c. de goedkeuring van een beheerplan betreffende regionale wateren door gedeputeerde staten.
b. inspraak van belanghebbenden en ingezetenen van het beheersgebied.
**2.** Bij de maatregel of verordening, bedoeld in het eerste lid, wordt voorzien in toezending of kennisgeving van een vastgesteld beheerplan aan de ingevolge het eerste lid geraadpleegde instanties alsmede Onze Minister.
@ -515,7 +518,7 @@ De beheerder neemt, met inachtneming van de bij of krachtens hoofdstuk 2 gesteld
### Artikel 5.5
Deze paragraaf is van toepassing op projectplannen tot aanleg, verlegging of versterking van primaire waterkeringen en, in de gevallen bij of krachtens provinciale verordening bepaald, op projectplannen van besturen van waterschappen voor de aanleg of wijziging van andere waterkeringen dan primaire waterkeringen en op andere waterstaatswerken van bovenlokale betekenis die met spoed en op gecoördineerde wijze tot stand moeten worden gebracht.
Deze paragraaf is van toepassing op projectplannen tot aanleg of wijziging van primaire waterkeringen en, in de gevallen bij of krachtens provinciale verordening bepaald, op projectplannen van besturen van waterschappen voor de aanleg of wijziging van andere waterkeringen dan primaire waterkeringen en op andere waterstaatswerken van bovenlokale betekenis die met spoed en op gecoördineerde wijze tot stand moeten worden gebracht.
### Artikel 5.6
@ -523,15 +526,15 @@ Deze paragraaf is van toepassing op projectplannen tot aanleg, verlegging of ver
**2.** De terinzagelegging, bedoeld in artikel 3:11 van de Algemene wet bestuursrecht, geschiedt tevens ten kantore van de betrokken bestuursorganen. Zienswijzen kunnen naar voren worden gebracht door een ieder.
**3.** De beheerder stelt een projectplan tot aanleg, verlegging of versterking van een primaire waterkering vast binnen twaalf weken nadat de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen is verstreken. Na vaststelling zendt hij het plan onverwijld aan gedeputeerde staten.
**3.** De beheerder stelt een projectplan tot aanleg of wijziging van een primaire waterkering vast binnen twaalf weken nadat de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen is verstreken. Na vaststelling zendt hij het plan onverwijld aan gedeputeerde staten.
### Artikel 5.7
**1.** Het projectplan behoeft de goedkeuring van gedeputeerde staten van de provincie op wier grondgebied het wordt uitgevoerd.
**1.** Het projectplan behoeft de goedkeuring van gedeputeerde staten van de provincie op wier grondgebied het wordt uitgevoerd. De goedkeuring kan slechts worden onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.
**2.** Indien het een waterstaatswerk betreft dat in meer dan één provincie is gelegen, kunnen gedeputeerde staten van de desbetreffende provincies bij overeenstemmende besluiten bepalen dat gedeputeerde staten van de provincie waarin het waterstaatswerk in hoofdzaak is gelegen, belast zijn met de goedkeuring van het projectplan.
**3.** In afwijking van artikel 10:31, tweede en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan het nemen van een besluit omtrent de goedkeuring van een projectplan tot aanleg, verlegging of versterking van een primaire waterkering niet worden verdaagd.
**3.** In afwijking van artikel 10:31, tweede en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan het nemen van een besluit omtrent de goedkeuring van een projectplan tot aanleg of wijziging van een primaire waterkering niet worden verdaagd.
### Artikel 5.8
@ -572,6 +575,10 @@ De in artikel 5.8, eerste lid, bedoelde besluiten worden, voor zover zij gecoör
### Artikel 5.13
**2.** Tegen een besluit als bedoeld in artikel 5.7, eerste lid, kan geen beroep bij de bestuursrechter worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijze kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 van de Algemene wet bestuursrecht naar voren heeft gebracht tegen het ontwerp van het projectplan waarop de goedkeuring betrekking heeft.
**2.**
In afwijking van artikel 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht vangt de termijn voor het indienen van een beroepschrift tegen de besluiten, bedoeld in artikel 5.8, eerste lid, aan met ingang van de dag na die waarop de in artikel 5.12 bedoelde bekendmaking is geschied.
### Artikel 5.14
@ -625,13 +632,11 @@ Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald in welke geva
**1.** De met de inspectie van watersystemen of onderdelen daarvan belaste personen, werkzaam onder verantwoordelijkheid van de beheerder, zijn bevoegd, met medeneming van de benodigde apparatuur, elke plaats te betreden met uitzondering van woningen zonder toestemming van de bewoner.
**2.** De in het eerste lid bedoelde personen zijn, indien zij daartoe bij besluit van de beheerder zijn aangewezen, tevens bevoegd woningen zonder toestemming van de bewoner te betreden, voorzover die woningen deel uitmaken van een waterstaatswerk of daarmee rechtstreeks in verbinding staan.
**3.** De artikelen 5:13, 5:15, tweede en derde lid, 5:16 en 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.
**2.** De artikelen 5:13, 5:15, tweede en derde lid, 5:16 en 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.
### Artikel 5.21
**1.** De beheerder kan, voor zover dat voor de vervulling van zijn taken redelijkerwijs nodig is, rechthebbenden ten aanzien van gronden de verplichting opleggen om op of in die gronden onderzoeken en daarmee verband houdende werkzaamheden te gedogen.
**1.** De beheerder of, in voorkomende gevallen, gedeputeerde staten kunnen, voor zover dat voor de vervulling van hun taken redelijkerwijs nodig is, rechthebbenden ten aanzien van gronden de verplichting opleggen om op of in die gronden onderzoeken en daarmee verband houdende werkzaamheden te gedogen.
**2.** Spoedeisende gevallen uitgezonderd, wordt de beschikking waarbij de gedoogplicht wordt opgelegd, ten minste twee weken voor aanvang van het onderzoek aan de rechthebbenden bekendgemaakt.
@ -727,7 +732,6 @@ Rechthebbenden ten aanzien van gronden waarin het grondwater invloed ondergaat d
In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt, tenzij anders bepaald, verstaan onder:
- *bevoegd gezag:* tot verlening van een watervergunning bevoegd bestuursorgaan, in voorkomend geval met toepassing van artikel 6.17;
- *lozen:* brengen van stoffen in een oppervlaktewaterlichaam of brengen van water of stoffen op een zuiveringtechnisch werk;
- *revisievergunning:* vergunning die wordt verleend krachtens artikel 6.18, eerste lid, of 6.19, eerste lid;
- *stoffen:* afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen;
@ -781,7 +785,7 @@ b. ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening of een bodemenergiesysteem.
### Artikel 6.5
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan voor rijkswateren en, met het oog op internationale verplichtingen of bovenregionale belangen, voor regionale wateren worden bepaald dat het verboden is zonder vergunning van Onze Minister, onderscheidenlijk het bestuur van het waterschap:
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan voor rijkswateren en, met het oog op internationale verplichtingen of bovenregionale belangen, voor regionale wateren worden bepaald dat het verboden is zonder daartoe strekkende vergunning van Onze Minister, onderscheidenlijk het bestuur van het waterschap:
a. water te brengen in of te onttrekken aan een oppervlaktewaterlichaam;
b. grondwater te onttrekken of water te infiltreren in andere gevallen dan als bedoeld in artikel 6.4;
@ -797,7 +801,7 @@ c. gebruik te maken van een waterstaatswerk of een daartoe behorende bescherming
### Artikel 6.7
De in artikel 6.6, eerste lid, bedoelde regels kunnen mede een vrijstelling van een in de artikelen 6.3 tot en met 6.5 bedoelde vergunningplicht of een verbod op het verrichten van daarbij aangegeven handelingen inhouden, alsmede de verplichting om, met inachtneming van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels, het verrichten van handelingen te melden, metingen uit te voeren, gegevens te registreren en daarvan opgave te doen aan een daarbij aangewezen bestuursorgaan.
De in artikel 6.6, eerste lid, bedoelde regels kunnen mede een vrijstelling van een verbod als bedoeld in artikel 6.3, 6.4 of 6.5 inhouden of een verbod op het verrichten van daarbij aangegeven handelingen, alsmede de verplichting om, met inachtneming van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels, het verrichten van handelingen te melden, metingen uit te voeren, gegevens te registreren en daarvan opgave te doen aan een daarbij aangewezen bestuursorgaan.
### Artikel 6.8
@ -863,7 +867,7 @@ Deze paragraaf is mede van toepassing op de krachtens verordening van een waters
**1.** Indien een aanvraag om vergunning betrekking heeft op een handeling of samenstel van handelingen ten aanzien waarvan meer dan één bestuursorgaan bevoegd is, wordt de aanvraag in behandeling genomen en wordt daarop beslist door het bestuursorgaan van het hoogste gezag. Ontbreekt een hoogste gezag, dan wordt de aanvraag in behandeling genomen en wordt daarop beslist door het bestuursorgaan op wiens grondgebied de handeling of het samenstel van handelingen in hoofdzaak wordt verricht.
**2.** In afwijking van het eerste lid kunnen de betrokken bestuursorganen gezamenlijk uit hun midden een ander bestuursorgaan aanwijzen dat de aanvraag in behandeling zal nemen en daarop zal beslissen.
**2.** In afwijking van het eerste lid kunnen de betrokken bestuursorganen gezamenlijk uit hun midden een ander bestuursorgaan aanwijzen dat de aanvraag in behandeling zal nemen en daarop zal beslissen. De bevoegdheid tot aanwijzing kan steeds in mandaat worden uitgeoefend.
**3.** Op een aanvraag als bedoeld in het eerste lid wordt niet beslist dan nadat de medebetrokken bestuursorganen in de gelegenheid zijn gesteld advies te geven omtrent de aanvraag of het ontwerp van de op de aanvraag te nemen beschikking.
@ -1054,27 +1058,11 @@ c. het ter beschikking stellen van een woonruimte of bedrijfsruimte voor volgtij
Eén vervuilingseenheid vertegenwoordigt met betrekking tot:
a. het zuurstofverbruik: het jaarlijks verbruik van 54,8 kilogram zuurstof;
b. de gewichtshoeveelheden van de groep van stoffen chroom, koper, lood, nikkel, zilver en zink: 1,00 kilogram;
c. de gewichtshoeveelheden van de groep van stoffen arseen, kwik en cadmium: 0,100 kilogram;
d. de gewichtshoeveelheden van de stof chloride: 650 kilogram;
e. de gewichtshoeveelheden van de stof sulfaat: 650 kilogram;
f. de gewichtshoeveelheden van de stof fosfor: 20,0 kilogram.
**3.** De verontreinigingsheffing van het Rijk wordt niet geheven ter zake van het lozen van de stoffen chloride, sulfaat, fosfor en zilver.
het zuurstofverbruik: het jaarlijks verbruik van 54,8 kilogram zuurstof.
### Artikel 7.4
**1.**
Het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot de gewichtshoeveelheden van de onderstaande groepen stoffen die in een kalenderjaar in een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk worden geloosd, wordt per bedrijfsruimte, riolering of zuiveringtechnisch werk tot minimaal nihil verminderd met het product van het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot het zuurstofverbruik van de in dat kalenderjaar vanuit die bedrijfsruimte, riolering of dat zuiveringtechnisch werk in een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk gebrachte stoffen, en:
a. voor de groep stoffen chroom, koper, lood, nikkel en zink: 0,04;
b. voor de groep stoffen kwik, cadmium en arseen: 0,006.
**2.** Het aantal vervuilingseenheden, berekend na toepassing van het eerste lid, wordt voor elk van de in dat lid bedoelde groepen stoffen op nihil gesteld indien dat aantal minder bedraagt dan 10.
**3.** Op een heffing ter zake van lozingen op een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij een waterschap is artikel 122f, derde lid, van de Waterschapswet van overeenkomstige toepassing.
Vervallen
### Artikel 7.5
@ -1086,11 +1074,11 @@ b. voor de groep stoffen kwik, cadmium en arseen: 0,006.
**4.** Indien de uitkomst van de methode tot bepaling van het chemisch zuurstofverbruik in belangrijke mate is beïnvloed door biologisch niet of nagenoeg niet afbreekbare stoffen, wordt op die uitkomst een correctie toegepast, overeenkomstig bij ministeriële regeling, onderscheidenlijk belastingverordening te stellen regels.
**5.** Artikel 122h, eerste, vijfde en zesde lid, en artikel 122i tot en met 122l van de Waterschapswet zijn van overeenkomstige toepassing. Artikel 122i, eerste lid, van de Waterschapswet is eveneens van overeenkomstige toepassing op lozingen vanuit een openbaar vuilwaterriool of vanuit een zuiveringtechnisch werk.
**5.** Artikel 122h, eerste, vijfde en zesde lid, en artikel 122i tot en met 122k van de Waterschapswet zijn van overeenkomstige toepassing. Artikel 122i, eerste lid, van de Waterschapswet is eveneens van overeenkomstige toepassing op lozingen vanuit een zuiveringtechnisch werk.
### Artikel 7.6
**1.** Het tarief van de heffing ter zake van lozingen op een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk bedraagt € 35,50 per vervuilingseenheid.
**1.** Het tarief van de heffing ter zake van lozingen op een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk bedraagt € 37,28 per vervuilingseenheid.
**2.** In afwijking van het eerste lid bedraagt het tarief per vervuilingseenheid van de heffing ter zake van lozingen op een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk vanuit een zuiveringtechnisch werk voor het biologisch zuiveren van huishoudelijk afvalwater 50% van het in het eerste lid genoemde bedrag.
@ -1112,7 +1100,15 @@ e. in verband met de uitvoering van artikel 7.19.
**2.** Aan de heffing worden onderworpen de bij provinciale verordening aan te wijzen houders van inrichtingen of werken, bestemd tot het onttrekken van grondwater.
**3.** Als grondslag voor de heffing geldt de onttrokken hoeveelheid grondwater. Indien op grond van vergunningvoorschriften water wordt geïnfiltreerd, wordt voor het vaststellen van de grondslag de geïnfiltreerde hoeveelheid volgens bij provinciale verordening te stellen nadere regels in mindering gebracht op de onttrokken hoeveelheid grondwater.
**3.**
Als de houder van de inrichting of het werk wordt aangemerkt:
a. indien het daartoe krachtens deze wet of de Waterschapswet bevoegde gezag een vergunning heeft verleend voor de onttrekking van het grondwater: degene aan wie deze vergunning is verleend;
b. indien ter zake van de onttrekking van het grondwater de krachtens deze wet of de Waterschapswet voorgeschreven melding is gedaan: degene die deze melding heeft gedaan;
c. in overige gevallen: degene ten behoeve van wie de onttrekking plaatsvindt.
**4.** Als grondslag voor de heffing geldt de onttrokken hoeveelheid grondwater. Indien op grond van vergunningvoorschriften water wordt geïnfiltreerd, wordt voor het vaststellen van de grondslag de geïnfiltreerde hoeveelheid volgens bij provinciale verordening te stellen nadere regels in mindering gebracht op de onttrokken hoeveelheid grondwater.
### Artikel 7.8
@ -1120,7 +1116,7 @@ e. in verband met de uitvoering van artikel 7.19.
Van verontreinigingsheffing zijn vrijgesteld:
a. lozingen die plaatsvinden met behulp van een vuilwaterriool;
a. lozingen die plaatsvinden met behulp van een openbaar vuilwaterriool;
b. lozingen van stoffen vanuit een zuiveringtechnisch werk door een beheerder op een oppervlaktewaterlichaam dat bij hem in beheer is;
c. lozingen van stoffen afkomstig uit een zuiveringtechnisch werk anders dan door de beheerder, mits het lozen plaatsvindt op een oppervlaktewaterlichaam dat bij die beheerder in beheer is en de hoeveelheid afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen niet is toegenomen.
@ -1471,11 +1467,7 @@ Een wijziging van de kaderrichtlijn water of van een andere op grond van deze we
### Artikel 10.3
**1.** Er is een Commissie van advies inzake de waterstaatswetgeving.
**2.** De commissie heeft als taak de regering en de beide Kamers der Staten-Generaal te adviseren over de inhoud en structuur van de wetgeving op het gebied van de waterstaatszorg.
**3.** De commissie bestaat uit een voorzitter en ten hoogste zes andere leden.
Vervallen
### Artikel 10.4