From ca0cfa425630a0910bb86cc79470f2bfd21ade6f Mon Sep 17 00:00:00 2001 From: Coornhert Date: Thu, 1 Jan 2026 12:00:00 +0000 Subject: [PATCH] 2026-01-01 | BWBR0011453 | Wet studiefinanciering 2000 --- .../BWBR0011453/README.md | 38 +++++++++---------- 1 file changed, 19 insertions(+), 19 deletions(-) diff --git a/wet/wet-studiefinanciering-2000/BWBR0011453/README.md b/wet/wet-studiefinanciering-2000/BWBR0011453/README.md index ccf52810b69..3e65579ab37 100644 --- a/wet/wet-studiefinanciering-2000/BWBR0011453/README.md +++ b/wet/wet-studiefinanciering-2000/BWBR0011453/README.md @@ -513,7 +513,7 @@ De hoogte van de aanvullende beurs is het maximumbedrag van de aanvullende beurs **1.** Maatstaf voor de bepaling van de veronderstelde ouderlijke bijdrage is het toetsingsinkomen van de afzonderlijke ouders van de mbo-student in het peiljaar. -**2.** Op het toetsingsinkomen in het peiljaar wordt in mindering gebracht de vrije voet. Deze voet is naar de maatstaf van 1 januari 2014 gelijk aan € 16.736,64 per 1 januari 2025: € 21.774,38. Indien één van de ouders is overleden, geldt voor de andere ouder een dubbele vrije voet. Indien een mbo-student die niet geadopteerd is en die als ingezetene in de basisregistratie personen is ingeschreven, blijkens de basisregistratie personen slechts één ouder heeft of artikel 3.14 toepassing heeft gevonden, is de vorige volzin van overeenkomstige toepassing. Indien het in het peiljaar een ouder zonder partner betreft en voor hem geen dubbele vrije voet geldt, geldt voor hem in afwijking van de tweede volzin een vrije voet die naar de maatstaf van 1 januari 2014 gelijk is aan € 21.204,43 per 1 januari 2025: € 27.587,00. +**2.** Op het toetsingsinkomen in het peiljaar wordt in mindering gebracht de vrije voet. Deze voet is naar de maatstaf van 1 januari 2014 gelijk aan € 16.736,64 per 1 januari 2026: € 23.152,70. Indien één van de ouders is overleden, geldt voor de andere ouder een dubbele vrije voet. Indien een mbo-student die niet geadopteerd is en die als ingezetene in de basisregistratie personen is ingeschreven, blijkens de basisregistratie personen slechts één ouder heeft of artikel 3.14 toepassing heeft gevonden, is de vorige volzin van overeenkomstige toepassing. Indien het in het peiljaar een ouder zonder partner betreft en voor hem geen dubbele vrije voet geldt, geldt voor hem in afwijking van de tweede volzin een vrije voet die naar de maatstaf van 1 januari 2014 gelijk is aan € 21.204,43 per 1 januari 2026: € 29.333,26. **3.** Het bruto kortingsbedrag op jaarbasis is 26% van het verschil tussen het toetsingsinkomen in het peiljaar en de vrije voet in het toekenningsjaar. @@ -534,8 +534,8 @@ b. € 363 voor ieder kind dat in het studiejaar dat aanvangt in het jaar voora Artikel 3.9 is van overeenkomstige toepassing op de bepaling van de veronderstelde ouderlijke bijdrage voor ho-studenten, met dien verstande dat: -a. voor de vrije voet, bedoeld in artikel 3.9, tweede lid, tweede volzin, naar de maatstaf van 1 januari 2014 een bedrag wordt gelezen gelijk aan € 15.000 per 1 januari 2025: € 19.515,00; -b. voor de vrije voet, bedoeld in artikel 3.9, tweede lid, laatste volzin, naar de maatstaf van 1 januari 2014 een bedrag wordt gelezen gelijk aan € 19.004 per 1 januari 2025: € 24.724,24; en +a. voor de vrije voet, bedoeld in artikel 3.9, tweede lid, tweede volzin, naar de maatstaf van 1 januari 2014 een bedrag wordt gelezen gelijk aan € 15.000 per 1 januari 2026: € 20.750,30; +b. voor de vrije voet, bedoeld in artikel 3.9, tweede lid, laatste volzin, naar de maatstaf van 1 januari 2014 een bedrag wordt gelezen gelijk aan € 19.004 per 1 januari 2026: € 26.289,28; en c. voor het bruto kortingsbedrag op jaarbasis, bedoeld in artikel 3.9, derde lid, een percentage wordt gelezen van 13,6% van het verschil tussen het toetsingsinkomen in het peiljaar en de vrije voet in het toekenningsjaar. ### Artikel 3.10 @@ -659,7 +659,7 @@ Vervallen De bedragen in onderstaande overzichten luiden per maand naar de maatstaf van 1 januari 2023 en voor overzicht 1, onderdeel B, en overzicht 2, onderdeel B, naar de maatstaf van 1 september 2023: -^1 Voor mbo-studenten die lesgeld verschuldigd zijn, wordt de maximale aanvullende beurs/lening ingevolge artikel 3.2, derde lid, van de Wet studiefinanciering 2000 vanaf 1 januari 2023 verhoogd met € 103,25 per 1 januari 2025: € 118,25 en per 1 augustus 2023 met € 113,08 per 1 augustus 2025: € 121,50 per maand. +^1 Voor mbo-studenten die lesgeld verschuldigd zijn, wordt de maximale aanvullende beurs/lening ingevolge artikel 3.2, derde lid, van de Wet studiefinanciering 2000 vanaf 1 januari 2023 verhoogd met € 103,25 per 1 januari 2026: € 121,50 en per 1 augustus 2023 met € 113,08 per 1 augustus 2026: € 125,92 per maand. ### Artikel 3.18a @@ -761,8 +761,8 @@ b. het reisproduct op grond van artikel 3.24, tweede of vierde lid, is vervangen Indien gebruik is gemaakt van het reisproduct na het moment, bedoeld in het eerste lid, aanhef, is degene aan wie het reisrecht is toegekend aan Onze Minister per halve kalendermaand een bedrag verschuldigd van, naar de maatstaf van 1 januari 2019: -a. € 75,00 per 1 januari 2025: € 92,98 voor zover het de eerste en de tweede halve kalendermaand betreft; en -b. € 150,00 per 1 januari 2025: € 185,98 voor zover het de derde en daaropvolgende halve kalendermaanden betreft. +a. € 75,00 per 1 januari 2026: € 96,09 voor zover het de eerste en de tweede halve kalendermaand betreft; en +b. € 150,00 per 1 januari 2026: € 192,21 voor zover het de derde en daaropvolgende halve kalendermaanden betreft. **3.** De eerste helft van een kalendermaand loopt tot en met de vijftiende dag van die maand. @@ -872,7 +872,7 @@ Onverminderd artikel 4.7, eerste en tweede lid, komt een mbo-student die jonger **2.** Indien een mbo-student een specialistenopleiding volgt en hij 4 jaren prestatiebeurs beroepsonderwijs heeft genoten, wordt aan hem voor die opleiding op aanvraag gedurende ten hoogste 2 jaren prestatiebeurs beroepsonderwijs verstrekt. -**3.** Studiefinanciering wordt gedurende in totaal ten hoogste 36 maanden na de perioden, bedoeld in het eerste en tweede lid, verstrekt in de vorm van een lening. Het bedrag dat per maand kan worden geleend, bedraagt in afwijking van de artikelen 3.1, vierde lid, 3.2, 3.13 en 3.18, naar de maatstaf van 1 januari 2005 € 787,02 per 1 januari 2025: € 1.174,60. Tevens kan gedurende deze 36 maanden een reisvoorziening worden verstrekt in de vorm van een prestatiebeurs, waarbij het aantal maanden dat op grond van artikel 4.6b reisvoorziening is toegekend in mindering wordt gebracht op dit aantal maanden. +**3.** Studiefinanciering wordt gedurende in totaal ten hoogste 36 maanden na de perioden, bedoeld in het eerste en tweede lid, verstrekt in de vorm van een lening. Het bedrag dat per maand kan worden geleend, bedraagt in afwijking van de artikelen 3.1, vierde lid, 3.2, 3.13 en 3.18, naar de maatstaf van 1 januari 2005 € 787,02 per 1 januari 2026: € 1.213,95. Tevens kan gedurende deze 36 maanden een reisvoorziening worden verstrekt in de vorm van een prestatiebeurs, waarbij het aantal maanden dat op grond van artikel 4.6b reisvoorziening is toegekend in mindering wordt gebracht op dit aantal maanden. **4.** Op aanvraag kan een mbo-student als bedoeld in artikel 3.5, gedurende de periode bedoeld in het derde lid, tevens in aanmerking komen voor een lening ter grootte van het bedrag van de toeslag eenoudergezin, bedoeld in artikel 3.18. @@ -894,10 +894,12 @@ De diplomatermijn beroepsonderwijs is een periode van 10 jaren. Deze periode van **3.** Indien een mbo-student binnen de diplomatermijn beroepsonderwijs het afsluitend examen van een opleiding niveau 3 of 4 met goed gevolg heeft afgelegd, wordt de resterende periode van zijn prestatiebeurs beroepsonderwijs verstrekt in de vorm van een gift indien hij een andere opleiding niveau 3 of 4 aanvangt. -**4.** Met een afsluitend examen van een opleiding niveau 3 of 4 of een afsluitend examen van een specialistenopleiding wordt gelijkgesteld het afsluitend examen van een opleiding in het hoger onderwijs. +**4.** Met een afsluitend examen van een opleiding niveau 3 of 4 wordt gelijkgesteld het afsluitend examen van een opleiding in het hoger onderwijs. **5.** Omzetting vindt plaats uiterlijk per 1 januari volgend op het kalenderjaar waarin Onze Minister heeft vastgesteld dat een mbo-student heeft voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in het eerste of tweede lid. +**6.** Het eerste, tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op een mbo-student die binnen de diplomatermijn beroepsonderwijs het afsluitend examen van een vakopleiding, middenkaderopleiding of specialistenopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen c, d en e, WEB in de beroepsbegeleidende leerweg, bedoeld in artikel 7.2.7, vierde lid, WEB met goed gevolg heeft afgelegd, voor zover de mbo-student eerder een prestatiebeurs beroepsonderwijs heeft ontvangen. + ### Artikel 4.11 Indien een mbo-student in het eerste jaar van een opleiding voor het eerst prestatiebeurs beroepsonderwijs geniet, in dat studiejaar ophoudt studiefinanciering te genieten vóór 1 februari, en niet over datzelfde studiejaar opnieuw studiefinanciering voor het volgen van een opleiding niveau 3 of 4 dan wel voor hoger onderwijs krijgt toegekend, wordt uiterlijk per 1 januari van het kalenderjaar volgend op het einde van dat studiejaar de over dat studiejaar toegekende prestatiebeurs beroepsonderwijs omgezet in een gift. @@ -944,7 +946,7 @@ Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op mbo-studenten die zijn ingeschre **1.** Studiefinanciering wordt gedurende ten hoogste 4 jaren verstrekt in de vorm van een gift. -**2.** Studiefinanciering wordt gedurende 36 maanden na de periode, bedoeld in het eerste lid, verstrekt in de vorm van een lening. Het bedrag dat per maand kan worden geleend, bedraagt in afwijking van de artikelen 3.1, vierde lid, 3.2, 3.13 en 3.18, naar de maatstaf van 1 januari 2004 € 770,53 per 1 januari 2025: € 1.174,60. Tevens kan gedurende deze 36 maanden een reisvoorziening worden verstrekt in de vorm van een gift. +**2.** Studiefinanciering wordt gedurende 36 maanden na de periode, bedoeld in het eerste lid, verstrekt in de vorm van een lening. Het bedrag dat per maand kan worden geleend, bedraagt in afwijking van de artikelen 3.1, vierde lid, 3.2, 3.13 en 3.18, naar de maatstaf van 1 januari 2004 € 770,53 per 1 januari 2026: € 1.213,95. Tevens kan gedurende deze 36 maanden een reisvoorziening worden verstrekt in de vorm van een gift. **3.** Op aanvraag kan een mbo-student als bedoeld in artikel 3.5, gedurende de periode, bedoeld in het tweede lid, tevens in aanmerking komen voor een lening ter grootte van het bedrag van de toeslag eenoudergezin, bedoeld in artikel 3.18. @@ -1004,7 +1006,7 @@ b. eenmalig het aantal maanden dat het resultaat is van het aantal studiepunten, **3.** De basislening, aanvullende lening en het collegegeldkrediet kunnen worden verstrekt gedurende de periode waarin aanspraak kan worden gemaakt op de prestatiebeurs hoger onderwijs. -**4.** Gedurende 36 maanden na de periode, bedoeld in het eerste lid, kan het collegegeldkrediet worden verstrekt en kan daarnaast studiefinanciering worden verstrekt in de vorm van een lening. Het bedrag van de lening, bedraagt in afwijking van de artikelen 3.1, vierde lid, 3.3, 3.13 en 3.18 naar de maatstaf van 1 januari 2014 per maand € 894,51 per 1 januari 2025: € 1.174,60. In de eerste 12 maanden kan tevens een reisvoorziening worden verstrekt in de vorm van een prestatiebeurs. +**4.** Gedurende 36 maanden na de periode, bedoeld in het eerste lid, kan het collegegeldkrediet worden verstrekt en kan daarnaast studiefinanciering worden verstrekt in de vorm van een lening. Het bedrag van de lening, bedraagt in afwijking van de artikelen 3.1, vierde lid, 3.3, 3.13 en 3.18 naar de maatstaf van 1 januari 2014 per maand € 894,51 per 1 januari 2026: € 1.213,95. In de eerste 12 maanden kan tevens een reisvoorziening worden verstrekt in de vorm van een prestatiebeurs. **5.** Op aanvraag kan een ho-student als bedoeld in artikel 3.5 gedurende de 36 maanden, bedoeld in het vierde lid, tevens in aanmerking komen voor een lening ter grootte van het bedrag, bedoeld in artikel 3.5, tweede lid. @@ -1793,9 +1795,7 @@ Vervallen ### Artikel 11.5 -**1.** Onze Minister kan voor bepaalde gevallen de wet en de daarop berustende bepalingen buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing gelet op het belang dat deze wet beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. - -**2.** Vervallen. +Onze Minister kan voor bepaalde gevallen de wet en de daarop berustende bepalingen buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing gelet op het belang dat deze wet beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. ### Artikel 11.6 @@ -2002,10 +2002,10 @@ In afwijking van artikel 3.18 gelden voor de thuiswonende onderscheidenlijk uitw | | thuiswonende | uitwonende | | --- | --- | --- | -| a. maandbedrag als bedoeld in overzicht 1 van artikel 3.18 | € 633,44 per 1 januari 2025: € 906,11 | € 833,22 per 1 januari 2025: € 1.094,12 | -| b. basisbeurs als bedoeld in overzicht 2 van artikel 3.18 | € 100,25 per 1 januari 2025: € 125,99 | € 279,14 per 1 januari 2025: € 314,00 | -| c. maximale aanvullende beurs of lening als bedoeld in overzicht 2 van artikel 3.18 | € 237,46 per 1 januari 2025: € 475,17 | € 258,35 per 1 januari 2025: € 475,17 | -| d. basislening als bedoeld in overzicht 2 van artikel 3.18 | € 295,73 per 1 januari 2025: € 304,95 | € 295,73 per 1 januari 2025: € 304,95 | +| a. maandbedrag als bedoeld in overzicht 1 van artikel 3.18 | € 633,44 per 1 januari 2026: € 859,63 | € 833,22 per 1 januari 2026: € 1.130,77 | +| b. basisbeurs als bedoeld in overzicht 2 van artikel 3.18 | € 100,25 per 1 januari 2026: € 136,07 | € 279,14 per 1 januari 2026: € 378,82 | +| c. maximale aanvullende beurs of lening als bedoeld in overzicht 2 van artikel 3.18 | € 237,46 per 1 januari 2026: € 334,37 | € 258,35 per 1 januari 2026: € 362,76 | +| d. basislening als bedoeld in overzicht 2 van artikel 3.18 | € 295,73 per 1 januari 2026: € 389,19 | € 295,73 per 1 januari 2026: € 389,19 | **3.** Artikel 6.2a is niet van toepassing op het afronden van een opleiding waarvoor de debiteur overeenkomstig het eerste lid studiefinanciering toegekend heeft gekregen. @@ -2027,7 +2027,7 @@ a. in één van de vier studiejaren vanaf 1 september 2015 voor het eerst studi b. binnen de diplomatermijn hoger onderwijs met goed gevolg een hbo-bacheloropleiding of het geheel van een wo-bacheloropleiding en een wo-masteropleiding heeft afgerond; en c. niet eerder het gehele vouchertegoed van een voucher als bedoeld in artikel 12.15, zoals dit artikel luidde voor de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel X, van de Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijs, heeft verzilverd. -**3.** De tegemoetkoming bedraagt voor een rechthebbende die de in het tweede lid, onderdeel c, bedoelde voucher niet heeft verzilverd € 1.835,94 Per 1 januari 2025: € 2.097,08. Indien een rechthebbende de voucher reeds gedeeltelijk heeft verzilverd, bedraagt voor deze rechthebbende de tegemoetkoming de resterende waarde van de voucher, met een maximum van het bedrag genoemd in de eerste volzin. +**3.** De tegemoetkoming bedraagt voor een rechthebbende die de in het tweede lid, onderdeel c, bedoelde voucher niet heeft verzilverd € 1.835,94 Per 1 januari 2026: € 2.167,34. Indien een rechthebbende de voucher reeds gedeeltelijk heeft verzilverd, bedraagt voor deze rechthebbende de tegemoetkoming de resterende waarde van de voucher, met een maximum van het bedrag genoemd in de eerste volzin. **4.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de uitvoering van dit artikel en worden in ieder geval nadere regels gesteld over de wijze van verstrekking van de tegemoetkoming. @@ -2123,7 +2123,7 @@ a. in de periode van 1 september 2015 tot en met 31 augustus 2023 ingevolge de b. gedurende de periode, bedoeld in onderdeel a, ten minste twaalf maanden aanspraak maakte op studiefinanciering als bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, niet zijnde het collegegeldkrediet; en c. binnen de diplomatermijn hoger onderwijs of, indien hij geen studiefinanciering heeft aangevraagd, binnen tien jaar nadat hij zich voor het eerst heeft ingeschreven voor het hoger onderwijs, met goed gevolg een opleiding als bedoeld in artikel 5.7 heeft afgerond. -**3.** De tegemoetkoming bedraagt € 29,92 per 1 januari 2025: € 34,17 per maand voor iedere maand binnen de periode, genoemd in het tweede lid, onderdeel a, dat de rechthebbende op een tegemoetkoming aanspraak maakte op studiefinanciering, niet zijnde het collegegeldkrediet, tot een maximum van de periode, genoemd in artikel 5.2, eerste lid, en indien van toepassing, vermeerderd met de periode, genoemd in artikel 5.2b, eerste of tweede lid. +**3.** De tegemoetkoming bedraagt € 29,92 per 1 januari 2026: € 35,31 per maand voor iedere maand binnen de periode, genoemd in het tweede lid, onderdeel a, dat de rechthebbende op een tegemoetkoming aanspraak maakte op studiefinanciering, niet zijnde het collegegeldkrediet, tot een maximum van de periode, genoemd in artikel 5.2, eerste lid, en indien van toepassing, vermeerderd met de periode, genoemd in artikel 5.2b, eerste of tweede lid. **4.** In afwijking van het derde lid wordt, indien van toepassing, voor de periode, genoemd in artikel 5.2, eerste lid, gelezen: de duur, genoemd in artikel 5.7, eerste of derde lid.