2004-12-24 | BWBR0003936 | Besluit voorkoming olieverontreiniging door schepen
This commit is contained in:
parent
c4c7e5aef7
commit
ca194431ac
1 changed files with 53 additions and 19 deletions
|
|
@ -90,7 +90,9 @@ bb. chemicaliëntankschip: een schip dat is gebouwd voor of aangepast aan voorna
|
|||
cc. goedgekeurd: door de inspecteur-generaal goedgekeurd.
|
||||
dd. tonnage: bruto-tonnage als bedoeld in de Meetbrievenwet 1981;
|
||||
ee. gesloten tankwassysteem: een zodanig tankwassysteem dat, wanneer de sloptank of tanks eenmaal zijn voorzien van waswater, dit waswater voldoende is voor tankwassen en, indien van toepassing, ter voorziening van aandrijfwater voor ejecteurs, zonder toevoegen van extra water in het systeem;
|
||||
ff. verjaardatum: de datum van afgifte van het eerste certificaat, bedoeld in artikel 5, in elk kalenderjaar, volgend op het jaar waarin dit certificaat is afgegeven.
|
||||
ff. verjaardatum: de datum van afgifte van het eerste certificaat, bedoeld in artikel 5, in elk kalenderjaar, volgend op het jaar waarin dit certificaat is afgegeven;
|
||||
gg. richtlijn nr. 96/98/EG: richtlijn nr. 96/98/EG van de Raad van de Europese Unie van 20 december 1996 inzake uitrusting van zeeschepen (PbEG 1997, L 46);
|
||||
hh. bijlage A.1/2: bijlage A.1/2 van richtlijn nr. 96/98/EG, voorzover het uitrusting betreft waarop dit besluit van toepassing is.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -108,7 +110,7 @@ a. Ongeacht het bepaalde onder f van het eerste lid, wordt voor de toepassing va
|
|||
(iii). welke na 1 juni 1982 is voltooid,
|
||||
|
||||
met dien verstande dat voor olietankschepen met een draagvermogen van 70 000 tonmassa of meer de omschrijving onder *f* van het eerste lid van toepassing is met betrekking tot het tweede lid van artikel 13.
|
||||
b. Ongeacht het bepaalde onder *g* van het eerste lid, wordt voor de toepassing van de artikelen 13, 13 A, 13 B, 13 C, 13 D en 18, vijfde lid en zesde lid onder c, onder een "bestaand olietankschip" verstaan een olietankschip, geen nieuw olietankschip zijnde, als omschreven onder *a*.
|
||||
b. Ongeacht het bepaalde onder *g* van het eerste lid, wordt voor de toepassing van de artikelen 13, 13 A, 13 B, 13 C, 13 D en 18, vijfde lid en zesde lid onder c, onder een "bestaand olietankschip" verstaan een olietankschip, geen nieuw olietankschip zijnde, als omschreven onder *a*;
|
||||
|
||||
### Artikel 2
|
||||
|
||||
|
|
@ -119,12 +121,29 @@ b. Indien echter de totale inhoud van de onder *a* van dit lid bedoelde laadruim
|
|||
|
||||
**3.** Indien een lading waarop de bepalingen van het Besluit voorkoming verontreiniging door met schepen in bulk vervoerde schadelijke vloeistoffen van toepassing zijn, in de ladingtanks van een olietankschip of combinatietankschip wordt vervoerd, dient eveneens te worden voldaan aan de desbetreffende voorschriften van dat besluit.
|
||||
|
||||
**4.** a. Draagvleugelboten, luchtkussenvaartuigen en andere nieuwe typen vaartuigen waarop, gezien hun constructie, de toepassing van de bepalingen van de Hoofdstukken II en III ten aanzien van constructieve aspecten en uitrusting onredelijk of onuitvoerbaar zou zijn, kunnen door de inspecteur-generaal van de toepassing van deze bepalingen worden ontheven, mits de constructie en de uitrusting van deze schepen gelijkwaardige bescherming bieden tegen verontreiniging door olie, een en ander met inachtneming van het doel waarvoor deze schepen zijn bestemd.
|
||||
**4.** a. Draagvleugelboten, luchtkussenvaartuigen en andere nieuwe typen vaartuigen waarop, gezien hun constructie, de toepassing van de bepalingen van de Hoofdstukken II en III ten aanzien van constructieve aspecten en uitrusting onredelijk of onuitvoerbaar zou zijn, kunnen door de inspecteur-generaal van de toepassing van deze bepalingen worden ontheven, mits de constructie en de uitrusting van deze schepen gelijkwaardige bescherming bieden tegen verontreiniging door olie, een en ander met inachtneming van het doel waarvoor deze schepen zijn bestemd en met inachtneming van artikel 2a, eerste en tweede lid.
|
||||
b. Indien het bepaalde in artikel 4, eerste lid, op een vaartuig als bedoeld onder *a* van toepassing is, worden de bijzonderheden betreffende een ontheffing door de inspecteur-generaal vermeld op het certificaat, bedoeld in artikel 5.
|
||||
|
||||
### Artikel 2a
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Uitrusting als bedoeld in bijlage A.1/2 mag slechts aan boord van schepen worden geplaatst indien die uitrusting:
|
||||
|
||||
a. is voorzien van het merk van overeenstemming, weergegeven in bijlage D van richtlijn nr. 96/98/EG, of
|
||||
b. vergezeld gaat van een certificaat van gelijkwaardigheid of een certificaat ten behoeve van beproeving als bedoeld in de artikelen 20 respectievelijk 21 van de Wet scheepsuitrusting.
|
||||
|
||||
**2.** Indien uitrusting als bedoeld in het eerste lid vervangen moet worden terwijl het schip zich bevindt in een haven van een andere staat dan een van de lidstaten van de Europese Unie, en het uit oogpunt van tijd, vertraging en kosten redelijkerwijs niet uitvoerbaar is om uitrusting aan boord te plaatsen waarvoor overeenkomstig richtlijn nr. 96/98/EG een EG-typegoedkeuring is verleend, mag andere dan de in het eerste lid bedoelde uitrusting worden geplaatst, mits is voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 16, eerste en tweede lid, van die richtlijn.
|
||||
|
||||
**3.** Gebruik van uitrusting waarvoor een certificaat van gelijkwaardigheid of een certificaat ten behoeve van beproeving is afgegeven, is slechts toegestaan met inachtneming van de aan het desbetreffende certificaat verbonden voorschriften of beperkingen.
|
||||
|
||||
**4.** Indien ten aanzien van uitrusting als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, toepassing is gegeven aan artikel 23, eerste lid, van de Wet scheepsuitrusting, neemt de inspecteur-generaal de passende voorlopige maatregelen om het gebruik van die uitrusting te beperken. Zo nodig verbiedt hij de plaatsing of het gebruik van die uitrusting aan boord van schepen.
|
||||
|
||||
**5.** Artikel 23, tweede lid, van de Wet scheepsuitrusting is van overeenkomstige toepassing indien toepassing wordt gegeven aan het vierde lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 3
|
||||
|
||||
**1.** De inspecteur-generaal kan het aanbrengen van andere onderdelen, materialen, voorzieningen of apparatuur, dan welke in dit besluit worden voorgeschreven, in een schip toestaan, mits deze ten minste even doelmatig zijn als die welke in dit besluit worden vereist.
|
||||
**1.** De inspecteur-generaal kan het aanbrengen van andere onderdelen, materialen, voorzieningen of apparatuur, voorzover het geen uitrusting als bedoeld in artikel 2a, eerste lid, betreft, dan welke in dit besluit worden voorgeschreven, in een schip toestaan, mits deze ten minste even doelmatig zijn als die welke in dit besluit worden vereist.
|
||||
|
||||
**2.** In geen geval zullen vormen van ontwerp en constructie ter regeling van het lozen van olie, zoals deze in dit besluit zijn voorgeschreven, kunnen worden vervangen door operationele methoden, behoudens het bepaalde in artikel 13.
|
||||
|
||||
|
|
@ -143,7 +162,7 @@ e. een aanvullend onderzoek dat afhankelijk van de omstandigheden hetzij geheel,
|
|||
**2.** Bij ministeriële regeling worden regels gesteld ten aanzien van onderzoeken van schepen die niet vallen onder het eerste lid, teneinde na te gaan of wordt voldaan aan de regels bij of krachtens dit besluit gesteld. Op verzoek van de reder geeft ten aanzien van dergelijke onderzoeken de inspecteur-generaal een verklaring af. De daaraan verbonden kosten worden in rekening gebracht volgens een door Onze Minister vast te stellen tarief.
|
||||
|
||||
**3.** a. De toestand van het schip en van de uitrusting dient te worden gehandhaafd in overeenstemming met de bepalingen vastgesteld bij of krachtens dit besluit om zeker te stellen dat het schip in alle opzichten geschikt blijft tot het verlaten van een haven zonder dat het een gevaar vormt voor verontreiniging van het mariene milieu.
|
||||
b. Nadat een onderzoek als bedoeld in het eerste en tweede lid is voltooid, mag zonder de toestemming van de inspecteur-generaal, geen verandering worden aangebracht in de bouw, uitrusting, systemen, onderdelen, voorzieningen en materialen die aan het onderzoek zijn onderworpen, tenzij het de onmiddellijke vervanging van dergelijke uitrusting en onderdelen betreft.
|
||||
b. Nadat een onderzoek als bedoeld in het eerste en tweede lid is voltooid, mag zonder de toestemming van de inspecteur-generaal en onverminderd artikel 2a, eerste en tweede lid, geen verandering worden aangebracht in de bouw, uitrusting, systemen, onderdelen, voorzieningen en materialen die aan het onderzoek zijn onderworpen, tenzij het de onmiddellijke vervanging van dergelijke uitrusting en onderdelen betreft.
|
||||
c. Indien een schip een ongeval overkomt, of indien gebreken worden geconstateerd die de hechtheid van het schip, de doelmatigheid of de volledigheid van de uitrusting, vallende onder de bepalingen van dit besluit in belangrijke mate beïnvloeden, dient de kapitein van het schip de inspecteur-generaal zo spoedig mogelijk in te lichten.
|
||||
|
||||
Indien het schip zich in een haven buiten Nederland bevindt, dient de kapitein tevens onmiddellijk de ter plaatse bevoegde autoriteiten in te lichten.
|
||||
|
|
@ -165,7 +184,7 @@ Indien het schip zich in een haven buiten Nederland bevindt, dient de kapitein t
|
|||
### Artikel 6
|
||||
|
||||
**1.** a. De inspecteur-generaal kan een daartoe bevoegde regering verzoeken de onderzoeken als bedoeld in artikel 4 uit te voeren en het certificaat als bedoeld in artikel 5, eerste lid, af te geven, of, voorzover van toepassing, een aantekening te plaatsen.
|
||||
b. Op verzoek van de daartoe bevoegde buitenlandse regering kan namens de inspecteur-generaal een schip dat niet gerechtigd is de Nederlandse vlag te voeren, aan de in artikel 4 genoemde onderzoeken worden onderworpen en ten behoeve van dat schip een certificaat als bedoeld in artikel 5, worden afgegeven, of, voorzover van toepassing, een aantekening worden geplaatst.
|
||||
b. Op verzoek van de daartoe bevoegde buitenlandse regering kan namens de inspecteur-generaal een schip dat niet gerechtigd is de Nederlandse vlag te voeren, aan de in artikel 4 genoemde onderzoeken worden onderworpen en ten behoeve van dat schip een certificaat als bedoeld in artikel 5, worden afgegeven, of, voorzover van toepassing, een aantekening worden geplaatst. Indien het een communautair schip als bedoeld in artikel 2 van richtlijn nr. 96/98/EG betreft, moet uitrusting als bedoeld in artikel 2a, eerste lid, onderdeel a, zijn voorzien van het in dat artikel bedoelde merk van overeenstemming. Indien het een schip betreft dat een vlag voert van een van de andere lidstaten van de Europese Unie, zijn ten aanzien van de uitrusting, bedoeld in bijlage A.1/2 de desbetreffende voorschriften van het Verdrag van toepassing.
|
||||
|
||||
**2.** In het geval genoemd in het eerste lid onder *b* wordt een afschrift van het certificaat en een afschrift van het rapport van onderzoek zo spoedig mogelijk toegezonden aan de regering die het verzoek heeft gedaan.
|
||||
|
||||
|
|
@ -204,7 +223,7 @@ Het certificaat verliest zijn geldigheid wanneer:
|
|||
a. de op het certificaat aangegeven periode van geldigheid is verstreken;
|
||||
b. het tussentijdse of jaarlijkse onderzoek niet is uitgevoerd binnen de gestelde periode danwel indien daarvan geen aantekening is gemaakt op het certificaat;
|
||||
c. het schip ophoudt te behoren tot de categorie van schepen, waarop dit besluit van toepassing is;
|
||||
d. de bouw, uitrusting, systemen, onderdelen, voorzieningen en materialen van het schip op ingrijpende wijze worden gewijzigd zonder de toestemming van de inspecteur-generaal, tenzij het de onmiddellijke vervanging van dergelijke uitrusting en onderdelen betreft;
|
||||
d. de bouw, uitrusting, systemen, onderdelen, voorzieningen en materialen van het schip op ingrijpende wijze worden gewijzigd zonder de toestemming van de inspecteur-generaal en onverminderd artikel 2a, eerste en tweede lid, tenzij het de onmiddellijke vervanging van dergelijke uitrusting en onderdelen betreft;
|
||||
e. de naam van het schip wordt veranderd of het schip een ander letterteken of nummer krijgt.
|
||||
|
||||
In dat geval wordt op aanvraag een nieuw certificaat afgegeven voor het nog niet verstreken gedeelte van het tijdvak, waarvoor het vervallen certificaat zou hebben gegolden;
|
||||
|
|
@ -600,7 +619,7 @@ Olietankschepen met een tonnage van 150 of meer dienen te zijn uitgerust met:
|
|||
a. toereikende middelen voor het reinigen van de ladingtanks, alsmede voor het overbrengen van de verontreinigde ballastrestanten en het tankwaswater naar een goedgekeurde sloptank, waarbij zodanige voorzieningen voor het overbrengen van de oliehoudende restanten naar een sloptank of een combinatie van sloptanks zijn getroffen, dat de lozing van elke vloeistof in de zee voldoet aan het bepaalde in artikel 9;
|
||||
b. een sloptank of een combinatie van sloptanks die voldoen aan het bepaalde in het vierde lid;
|
||||
c. een bewakings- en regelsysteem voor het lozen van olie dat voldoet aan het bepaalde in het vijfde lid;
|
||||
d. goedgekeurde en doelmatige apparatuur om snel en nauwkeurig het oliewater scheidingsvlak in de sloptank vast te stellen; en
|
||||
d. doelmatige apparatuur om snel en nauwkeurig het oliewater scheidingsvlak in de sloptank vast te stellen; en
|
||||
e. een goedgekeurd handboek waarin richtlijnen met betrekking tot het gebruik van de bewakings- en regelapparatuur zijn opgenomen en waarin zowel de automatische als de hand bediende werkwijze is beschreven.
|
||||
|
||||
De apparatuur als bedoeld onder *d* dient ook beschikbaar te zijn voor gebruik in andere tanks waarin scheiding van olie en water tot stand komt, en van waaruit men lozing rechtstreeks in de zee wil doen plaatsvinden.
|
||||
|
|
@ -619,9 +638,8 @@ b. 1°. De inhoud van de sloptank of van een combinatie van sloptanks mag niet m
|
|||
|
||||
**5.** a. Het bewaking- en regelsysteem voor olielozingen als bedoeld in het eerste lid, onder *c* dient:
|
||||
|
||||
1°. van een goedgekeurd type te zijn;
|
||||
2°. te zijn voorzien van apparatuur voor een doorlopende weergave van de lozing in liters per zeemijl, alsmede van ofwel de totale hoeveelheid geloosde olie, ofwel van het oliegehalte en de hoeveelheid geloosde vloeistof per tijdseenheid. Deze registratie dient een aanduiding van tijd en datum te bevatten en dient tenminste drie jaar te worden bewaard; en
|
||||
3°. automatisch in werking te treden wanneer er enige lozing van vloeistof in de zee plaatsvindt en zo te zijn ingericht dat elke lozing van een oliehoudend mengsel automatisch wordt gestopt wanneer de hoeveelheid geloosde olie per zeemijl het bepaalde in het eerste lid, onder *a*, van artikel 9 overschrijdt.
|
||||
1°. te zijn voorzien van apparatuur voor een doorlopende weergave van de lozing in liters per zeemijl, alsmede van ofwel de totale hoeveelheid geloosde olie, ofwel van het oliegehalte en de hoeveelheid geloosde vloeistof per tijdseenheid. Deze registratie dient een aanduiding van tijd en datum te bevatten en dient tenminste drie jaar te worden bewaard; en
|
||||
2°. automatisch in werking te treden wanneer er enige lozing van vloeistof in de zee plaatsvindt en zo te zijn ingericht dat elke lozing van een oliehoudend mengsel automatisch wordt gestopt wanneer de hoeveelheid geloosde olie per zeemijl het bepaalde in het eerste lid, onder *a*, van artikel 9 overschrijdt.
|
||||
b. Elke storing in het bewakings- en regelsysteem dient de lozing automatisch te doen stoppen en moet worden aangetekend in het oliejournaal, bedoeld in artikel 20.
|
||||
c. Er dient een andere methode door middel van handbediening aanwezig te zijn, die in geval van een dergelijke storing kan worden gebruikt. Het onklaar onderdeel van de apparatuur dient echter zo spoedig mogelijk bedrijfsklaar te worden gemaakt. De havenautoriteit kan een olietankschip met een onklaar onderdeel van de apparatuur toestemming verlenen een ballastreis te ondernemen voordat het zich naar een reparatiehaven begeeft.
|
||||
|
||||
|
|
@ -646,13 +664,11 @@ d. Indien een ontheffing wordt verleend voor een olietankschip dat reizen maakt
|
|||
e. Indien een ontheffing wordt verleend voor een olietankschip dat reizen maakt binnen een gebied als bedoeld in onderdeel *b*, onder 2° (i) en 2° (ii), ten 2e, zullen de genoemde gebieden worden vermeld op het certificaat, bedoeld in artikel 5.
|
||||
|
||||
**8.** a. De inspecteur-generaal kan vrijstelling verlenen van het bepaalde in artikel 9, eerste lid onder *a* 6° en in het eerste lid onder *c* van dit artikel, indien geen apparatuur voor de bewaking en regeling van het lozen van geraffineerde lichte produkten beschikbaar is.
|
||||
b. Indien een vrijstelling als bedoeld onder *a* is verleend, dient de lozing te geschieden volgens door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie te stellen voorschriften.
|
||||
b. Indien een vrijstelling als bedoeld onder *a* is verleend, dient de lozing te geschieden volgens door de inspecteur-generaal te stellen voorschriften.
|
||||
c. De inspecteur-generaal zal jaarlijks bezien of en in hoeverre de onder *a* genoemde apparatuur beschikbaar is.
|
||||
|
||||
**9.** Het bepaalde in het eerste tot en met het vijfde lid is niet van toepassing op een olietankschip dat asfalt vervoert of andere producten waarop de bepalingen van dit besluit van toepassing zijn, waarvan de fysische eigenschappen een effectieve scheiding van het product en water alsmede een effectief bewaken van de lozing belemmeren. Alle ladingrestanten dienen aan boord te worden gehouden en tezamen met alle verontreinigd waswater aan een havenontvangstvoorziening te worden afgegeven.
|
||||
|
||||
**10.** Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld ten aanzien van het bepaalde in het eerste lid, onder *d*, alsmede het bepaalde in het vijfde lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 16
|
||||
|
||||
**1.** Elk schip met een tonnage van 400 of meer en minder dan 10 000 is uitgerust met apparatuur voor het filtreren van oliehoudende mengsels welke voldoet aan het vierde lid. Indien zo’n schip grote hoeveelheden brandstof vervoert, voldoet het schip aan het tweede lid of aan artikel 14, eerste lid.
|
||||
|
|
@ -668,14 +684,12 @@ c. De inspecteur-generaal zal jaarlijks bezien of en in hoeverre de onder *a* ge
|
|||
5°. de hoeveelheid van het af te geven mengsel, het tijdstip en de haven van afgifte worden aangetekend in het oliejournaal.
|
||||
b. Een schip met een tonnage van minder dan 400 dient, voor zover praktisch uitvoerbaar, zodanig te zijn uitgerust dat olierestanten of oliehoudende mengsels aan boord kunnen worden opgeslagen of dat lozing daarvan kan geschieden overeenkomstig het bepaalde in artikel 9, eerste lid, onder *b*.
|
||||
|
||||
**4.** Apparatuur voor het filtreren van oliehoudende mengsels als bedoeld in het eerste lid, dient van een goedgekeurd type te zijn en moet waarborgen dat van elk in zee te lozen oliehoudend mengsel, nadat het door deze apparatuur is gevoerd, het oliegehalte niet hoger is dan 15 delen per miljoen.
|
||||
**4.** Apparatuur voor het filtreren van oliehoudende mengsels als bedoeld in het eerste lid, moet waarborgen dat van elk in zee te lozen oliehoudend mengsel, nadat het door deze apparatuur is gevoerd, het oliegehalte niet hoger is dan 15 delen per miljoen.
|
||||
|
||||
**5.** Apparatuur voor het filtreren van oliehoudende mengsels als bedoeld in het tweede lid dient van een goedgekeurd type te zijn en moet waarborgen dat van elk in zee te lozen oliehoudend mengsel, nadat het door deze apparatuur is gevoerd, het oliegehalte niet hoger is dan 15 delen per miljoen. De apparatuur dient te zijn voorzien van een alarminrichting die aangeeft wanneer dit gehalte wordt overschreden. De apparatuur dient zodanig te zijn ingericht dat elke lozing automatisch wordt gestopt indien het oliegehalte van de te lozen vloeistof hoger is dan 15 delen per miljoen.
|
||||
**5.** Apparatuur voor het filtreren van oliehoudende mengsels als bedoeld in het tweede lid moet waarborgen dat van elk in zee te lozen oliehoudend mengsel, nadat het door deze apparatuur is gevoerd, het oliegehalte niet hoger is dan 15 delen per miljoen. De apparatuur dient te zijn voorzien van een alarminrichting die aangeeft wanneer dit gehalte wordt overschreden. De apparatuur dient zodanig te zijn ingericht dat elke lozing automatisch wordt gestopt indien het oliegehalte van de te lozen vloeistof hoger is dan 15 delen per miljoen.
|
||||
|
||||
**6.** Schepen opgeleverd voor 6 juli 1993 moeten met ingang van 6 juli 1998 aan dit artikel voldoen indien deze schepen zijn uitgerust met apparatuur voor het scheiden van olie en water tot 100 delen per miljoen.
|
||||
|
||||
**7.** Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld ten aanzien van het bepaalde in het vierde en vijfde lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 17
|
||||
|
||||
**1.** Elk schip met een tonnage van 400 of meer dient te zijn uitgerust met een of meer tanks met een inhoud die, met inachtneming van het type van de machine-installatie en de duur van de reis, toereikend is voor het opslaan van olierestanten welke ontstaan bij het reinigen van brandstof en smeeroliën en door olielekkages in de ruimten voor machines, en welke niet kunnen worden behandeld op enige andere wijze overeenkomstig de bepalingen van dit besluit.
|
||||
|
|
@ -1050,11 +1064,31 @@ d. de procedure en contactpersoon aan boord van het schip voor het coördineren
|
|||
|
||||
Ter uitvoering van internationale afspraken en besluiten van volkenrechtelijke organisaties over voorkoming van olieverontreiniging door schepen kunnen bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld.
|
||||
|
||||
### Artikel 26b
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Artikel 2a, eerste lid, onderdeel a, is gedurende een termijn van twee jaar niet van toepassing op uitrusting die ingevolge een besluit van een of meer van de instellingen van de Europese Unie in bijlage A.1/2 is opgenomen indien die uitrusting:
|
||||
|
||||
a. is vervaardigd voor de dag waarop het desbetreffende wijzigingsbesluit voor de toepassing van dit besluit is gaan gelden, en
|
||||
b. is goedgekeurd op grond van regels gesteld bij of krachtens de Wet voorkoming verontreiniging door schepen.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
De in het eerste lid bedoelde termijn vangt aan:
|
||||
|
||||
a. voor uitrusting die van bijlage A.2 naar bijlage A.1/2 is overgeschreven op het tijdstip waarop ingevolge artikel 7, zesde lid, jo. artikel 5 van richtlijn nr. 96/98/EG de overschrijving van kracht wordt;
|
||||
b. voor uitrusting die in bijlage A.1/2 is opgenomen en niet voordien reeds in bijlage A.2/2 was opgenomen op het in het desbetreffende wijzigingsbesluit van een of meer van de instellingen van de Europese Unie bepaalde tijdstip.
|
||||
|
||||
### Artikel 26c
|
||||
|
||||
Een wijziging van richtlijn nr. 96/98/EG gaat voor de toepassing van dit besluit gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij ministerieel besluit, dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk V. Slotbepalingen
|
||||
|
||||
### Artikel 27
|
||||
|
||||
**1.** De inspecteur-generaal kan, indien bijzondere omstandigheden daartoe nopen, geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van de bij of krachtens dit besluit gestelde regelen met betrekking tot de bouw, inrichting of uitrusting van een schip.
|
||||
**1.** De inspecteur-generaal kan, indien bijzondere omstandigheden daartoe nopen, onverminderd artikel 2a, eerste en tweede lid geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van de bij of krachtens dit besluit gestelde regelen met betrekking tot de bouw, inrichting of uitrusting van een schip.
|
||||
|
||||
**2.** Indien een ontheffing als bedoeld in het eerste lid wordt verleend aan een schip dat een certificaat behoeft als bedoeld in artikel 5, dient daarvan aantekening te worden gemaakt op het certificaat.
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue