2007-08-05 | BWBR0012288 | Vreemdelingencirculaire 2000 (C)

This commit is contained in:
Coornhert 2007-08-05 12:00:00 +00:00
parent b3ef4fd530
commit ca33caabde

View file

@ -242,13 +242,30 @@ In dat geval kan de asielzoeker worden gezien als een verdragsvluchteling. Verle
### 3. Foltering of onmenselijke behandeling
#### 3.1. Inleiding
#### 3.1. Algemeen
##### 3.1.1. Inleiding
Op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw kan een verblijfsvergunning worden verleend, indien de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.
Deze bepaling is ontleend aan artikel 3 EVRM. De verwijdering naar een land waar iemand een reëel risico (real risk) loopt aan een dergelijke behandeling te worden onderworpen, vormt een schending van dit artikel. Indien dit reële risico aannemelijk is gemaakt of geworden, is dit in beginsel aanleiding tot verlening van een verblijfsvergunning asiel.
##### 3.1.2. Karakter en actoren van de behandeling
Dit is slechts anders indien tijdens de beoordeling van het vluchtelingschap is vastgesteld dat er sprake is van artikel 1F Vluchtelingenverdrag of indien de vreemdeling activiteiten heeft verricht die tot gevolg hebben dat verlening van een verblijfsvergunning aantasting zou betekenen van een gewichtig belang van de Nederlandse staat, te weten de integriteit en geloofwaardigheid van Nederland als soevereine staat, met name in relatie tot zijn verantwoordelijkheden tegenover andere staten. Dit gewichtig belang is met name daarin gelegen dat Nederland dient te voorkomen dat het verwordt tot een gedwongen gastland van mensen die elders de publieke rechtsorde ernstig schokten door daden die ook naar Nederlands recht zware misdrijven zouden opleveren. In dergelijke omstandigheden zal de betrokken vreemdeling niet worden teruggestuurd naar zijn land van herkomst, maar wordt evenmin een verblijfsvergunning verleend.
Onder folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen wordt mede verstaan
doodstraf of executie;
ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.
Een reëel risico op een behandeling als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, Vw door derden wordt alleen aangenomen als de asielzoeker heeft aangetoond dat de staat, of partijen of (internationale) organisaties in het land geen bescherming kunnen of willen bieden tegen de bedoelde behandeling.
##### 3.1.3. Individualiseringsvereiste
Om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw dient de vreemdeling aannemelijk te maken dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op de in die bepaling bedoelde behandeling. Hiertoe dient de vreemdeling specifieke individuele kenmerken (special distinguishing features) naar voren te brengen, waaruit dit risico op een behandeling in de zin van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw valt af te leiden.
In het landgebonden asielbeleid (zie C24) wordt aangewezen welke bevolkingsgroepen worden aangemerkt als kwetsbare minderheidsgroep voor zover van belang voor de beoordeling van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw.
Voor het oordeel dat de vreemdeling met op zichzelf beperkte indicaties aannemelijk heeft gemaakt dat een schending van artikel 3 EVRM dreigt, is niet vereist dat betrokkene persoonlijk een behandeling heeft ondervonden die voldoet aan de omschrijving van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw.
Ook indien er sprake is van mensenrechtenschendingen in de naaste omgeving van de vreemdeling bij personen die behoren tot de betreffende kwetsbare minderheidsgroep, kan dit voldoende grond zijn om zulks aan te nemen. Onder mensenrechtenschendingen wordt in dit verband onder meer verstaan: moord, verkrachting, mishandeling, intimidatie of beroving. In deze gevallen wordt niet van de vreemdeling verlangd om aannemelijk te maken dat de betreffende mensenrechtenschendingen zijn ingegeven door het behoren tot de betreffende kwetsbare minderheidsgroep.
#### 3.2. Genitale verminking
@ -756,9 +773,30 @@ Indien wordt vastgesteld dat de asielzoeker anders dan als verdragsvluchteling i
##### 2.2.2. Betekenis en voorwaarden
Aangenomen wordt, dat wanneer de vervolging of de dreiging van een behandeling in de zin van artikel 3 EVRM uitgaat van de centrale overheid of van aan de overheid gelieerde organisaties, van een binnenlands vlucht- dan wel vestigingsalternatief in beginsel geen sprake kan zijn. Een uitzondering is mogelijk in de situatie waarin de overheid nog maar in een beperkt gebied feitelijk de macht uitoefent. Voorts kan sprake zijn van een vlucht- of vestigingsalternatief, indien de vervolging uitgaat van de lokale overheden en de centrale autoriteiten elders wel bescherming bieden, of in de situatie dat bescherming niet wordt geboden door de overheid maar door derden.
Bij de beoordeling van het vlucht- dan wel vestigingsalternatief dient de vraag gesteld te worden of in redelijkheid van de vreemdeling mag worden verwacht dat hij zich naar elders in het land van herkomst begeeft. Hierbij dient te worden bezien of er feitelijk een gebied bestaat waar de vreemdeling geen gevaar loopt en of de veiligheid in het gebied bestendig is. Voorts is van belang dat het gebied voor de vreemdeling toegankelijk en bereikbaar moet zijn. Dit betekent dat bij de reis naar het gebied in kwestie de persoonlijke veiligheid en waardigheid van de vreemdeling gewaarborgd dient te zijn. Ten slotte dient beoordeeld te worden of de vreemdeling een leven kan leiden onder omstandigheden, die naar plaatselijke maatstaven gemeten niet als abnormaal zijn aan te merken. Een eventuele verslechtering van de maatschappelijke en economische situatie ten opzichte van de oorspronkelijke situatie van de asielzoeker in het land van herkomst, is hierbij niet van belang.
Aangenomen wordt, dat wanneer de vervolging of de dreiging van een behandeling in de zin van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw uitgaat van de centrale overheid of van aan de overheid gelieerde organisaties, van een binnenlands vlucht- dan wel vestigingsalternatief in beginsel geen sprake kan zijn. Een uitzondering is mogelijk in de situatie waarin de overheid nog maar in een beperkt gebied feitelijk de macht uitoefent. Voorts kan sprake zijn van een vlucht- of vestigingsalternatief, indien de vervolging uitgaat van de lokale overheden en de centrale autoriteiten elders wel bescherming bieden, of in de situatie dat bescherming niet wordt geboden door de overheid maar door derden.
Bij de beoordeling of een deel van het land van herkomst voldoet als vlucht- of vestigingsalternatief, wordt rekening gehouden met de algemene omstandigheden in dat deel van het land en met de persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling op het tijdstip waarop een beslissing inzake de aanvraag wordt genomen. In de volgende gevallen kan in redelijkheid van de vreemdeling worden verwacht dat hij zich naar elders in het land van herkomst begeeft:
het moet gaan om een gebied waar de vreemdeling geen gevaar loopt en waar de veiligheid bestendig is;
het moet voor de vreemdeling mogelijk zijn om naar het betreffende gebied te reizen, waarbij de persoonlijke veiligheid en waardigheid van de vreemdeling gewaarborgd dienen te zijn;
de vreemdeling moet toegang tot dat gebied kunnen verkrijgen; en
de vreemdeling moet zich in het gebied kunnen vestigen en een leven leiden onder omstandigheden, die naar plaatselijke maatstaven gemeten niet als abnormaal zijn aan te merken.
200714803-08-200730-07-20072007/19200714803-08-200730-07-20072007/1905-08-2007
##### 2.2.3. Beoordeling van de asielaanvraag
@ -1111,22 +1149,13 @@ e. Een uitspraak van een buitenlandse rechter kan eveneens van belang zijn voor
##### 3.11.2. Beoordeling van de aanvraag
Bij de beslissing omtrent verlening van een verblijfsvergunning is het beleid, zoals omschreven in B1/2.2.4, van overeenkomstige toepassing voorzover dit geen strijd oplevert met verdragsverplichtingen.
Er zijn geen beleidsregels opgenomen omtrent het gevaar voor de nationale veiligheid als grond om verblijf te weigeren dan wel in te trekken. Toepassing van deze grond is niet afhankelijk van een strafrechtelijke veroordeling.
Wel dienen er concrete aanwijzingen te zijn dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid. Bij het bestaan van concrete aanwijzingen dient in de eerste plaats te worden gedacht aan een ambtsbericht van de AIVD. In voorkomende gevallen kan echter ook worden uitgegaan van een ambtsbericht van onder andere (inter-)nationale ministeries of inlichtingendiensten.
Bij de beslissing omtrent verlening van een verblijfsvergunning is het beleid, zoals omschreven in B1/4.4, van overeenkomstige toepassing voorzover dit geen strijd oplevert met verdragsverplichtingen.
Bij de beoordeling laten zich de volgende situaties onderscheiden.
Indien de asielzoeker verdragsvluchteling is, is de non-refoulementbepaling van artikel 33, eerste lid, Vluchtelingenverdrag op grond van het tweede lid echter slechts dan niet van toepassing, indien er ten aanzien van de vluchteling ernstige redenen bestaan hem te beschouwen als een gevaar voor de veiligheid van het land waar hij zich bevindt, of die, bij gewijsde veroordeeld wegens een bijzonder ernstig misdrijf, een gevaar oplevert voor de gemeenschap van dat land. Alleen in dat geval wordt de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel afgewezen.
Indien de asielzoeker verdragsvluchteling is, is de non-refoulementbepaling van artikel 33, eerste lid, Vluchtelingenverdrag op grond van het tweede lid echter slechts dan niet van toepassing, indien er ten aanzien van de vluchteling ernstige redenen bestaan hem te beschouwen als een gevaar voor de veiligheid van het land waar hij zich bevindt, of die, bij gewijsde veroordeeld wegens een bijzonder ernstig misdrijf, een gevaar oplevert voor de gemeenschap van dat land. Alleen in dat geval kan de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel worden afgewezen.
Indien vast komt te staan dat bij terugzending een schending van artikel 3 EVRM dreigt, dient beoordeeld te worden of de asielzoeker bij verlening van een verblijfsvergunning een bedreiging zou vormen voor de openbare veiligheid of de gemeenschap van het land. Is dat het geval, dan wordt de asielzoeker niet in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning en ook niet uitgezet. Wel wordt hij uitgesloten van alle voorzieningen. Het weigeren van een verblijfsvergunning en het vervolgens niet uitzetten bij een dreigende schending van artikel 3 EVRM dient tot uitzonderingssituaties beperkt te blijven.
Voor de beoordeling van de verblijfsaanspraken is een individuele belangenafweging, gericht op het misdrijf en de beoordeling daarvan, niet nodig.
Slechts indien de asielzoeker bijzondere omstandigheden, zoals bedoeld in artikel 4:84 Awb, stelt en aannemelijk maakt, is er reden om af te wijken van dit beleid. Deze bijzondere omstandigheden kunnen geen verband houden met het gepleegde misdrijf of de beoordeling ervan. Die afweging heeft reeds plaatsgevonden in het kader van de strafrechtelijke vervolging.
Het enkele ontbreken van een gevaar voor recidive is onvoldoende om te spreken van bijzondere omstandigheden. Bij de beoordeling van de verblijfsaanspraken nadat een vreemdeling een delict heeft gepleegd, gaat het niet om de beoordeling van het toekomstig onzekere feit dat betrokkene niet meer een (soortgelijk) delict zal plegen. Wel kan het ontbreken van een gevaar voor recidive in samenhang met andere bijzondere omstandigheden leiden tot het oordeel dat gebruik moet worden gemaakt van de inherente afwijkingsbevoegdheid.
De verblijfsvergunning wordt evenmin verleend indien de vreemdeling activiteiten heeft verricht die tot gevolg hebben dat verlening van een verblijfsvergunning aantasting zou betekenen van een gewichtig belang van de Nederlandse staat, te weten de integriteit en geloofwaardigheid van Nederland als soevereine staat, met name in relatie tot zijn verantwoordelijkheden tegenover andere staten. Dit gewichtig belang is met name daarin gelegen dat Nederland dient te voorkomen dat het verwordt tot een gedwongen gastland van mensen die elders de publieke rechtsorde ernstig schokten door daden die ook naar Nederlands recht zware misdrijven zouden opleveren. Indien vast is komen te staan dat bij terugzending een schending van artikel 3 EVRM dreigt, wordt de vreemdeling niet uitgezet, maar wel uitgesloten van de voorzieningen.
##### 3.11.3. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
@ -2300,13 +2329,37 @@ Bij een gebrek aan middelen ter staving van het asielrelaas dient de asielzoeker
#### 3.3. De toetsing van de geloofwaardigheid
De toetsing van de geloofwaardigheid vindt plaats op grond van de verklaringen van de vreemdeling zoals deze onder meer naar voren komen in de gehoren, en van vergelijking van het relaas met al datgene, wat bekend is over de situatie in het land van herkomst uit ambtsberichten (zoals ambtsberichten van de Minister van BuZa) en andere objectieve bronnen en wat eerder is onderzocht en overwogen naar aanleiding van de gehoren van andere vreemdelingen in een vergelijkbare situatie.
Voor de toetsing van de geloofwaardigheid van het relaas is van belang of afbreuk wordt gedaan aan die geloofwaardigheid doordat sprake is van een omstandigheid als genoemd in artikel 31, tweede lid, onder a tot en met f, Vw.
Indien zulks niet aan de orde is, wordt het relaas in beginsel geloofwaardig bevonden indien de vreemdeling op alle vragen zo volledig mogelijk heeft geantwoord én het relaas innerlijk consistent én niet onaannemelijk is én strookt met wat er over de algemene situatie in het land van herkomst bekend is.
Indien wel sprake is van een omstandigheid als genoemd in artikel 31, tweede lid, onder a tot en met f, Vw, mogen in het relaas ook geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van de relevante bijzonderheden voorkomen. Kortom, van het relaas moet dan een positieve overtuigingskracht uitgaan.
De toetsing van de geloofwaardigheid vindt plaats op grond van de verklaringen van de vreemdeling, zoals deze onder meer naar voren komen in de gehoren, en van vergelijking van het relaas met al datgene, wat bekend is over de situatie in het land van herkomst uit objectieve bronnen en wat eerder is onderzocht en overwogen naar aanleiding van de gehoren van andere vreemdelingen in een vergelijkbare situatie.
Voor de toetsing van de geloofwaardigheid van het relaas is van belang of afbreuk wordt gedaan aan die geloofwaardigheid doordat sprake is van een omstandigheid als genoemd in artikel 31, tweede lid, onder a tot en met f, Vw.
Indien zulks niet aan de orde is, wordt het relaas in beginsel geloofwaardig bevonden indien de vreemdeling op alle vragen zo volledig mogelijk heeft geantwoord én het relaas innerlijk consistent én niet onaannemelijk is én strookt met wat er over de algemene situatie in het land van herkomst bekend is.
Indien wel sprake is van een omstandigheid als genoemd in artikel 31, tweede lid, onder a tot en met f, Vw, mogen in het relaas ook geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdighedenop het niveau van de relevante bijzonderheden voorkomen. Kortom, van het relaas moet dan een positieve overtuigingskracht uitgaan.
Bij vergelijking van het relaas met al datgene, wat bekend is over de situatie in het land van herkomst uit objectieve bronnen, zullen veelal indien beschikbaar de ambtsberichten van de Minister van BuZa als belangrijke bron gelden.
Deze ambtsberichten kunnen worden aangemerkt als een deskundigenadvies en verschaffen daartoe op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze informatie, onder aanduiding voor zover mogelijk en verantwoord van de bronnen, waaraan deze is ontleend.
Van de juistheid van de informatie in de ambtsberichten van de Minister van BuZa wordt uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten ontstaan voor twijfel aan de juistheid of volledigheid, dan wel de actualiteit ervan.
In het geval concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van informatie uit het ambtsbericht, zal deze informatie pas aan een besluit ten grondslag worden gelegd nadat nader onderzoek is ingesteld en de betreffende informatie is bevestigd. Dit nader onderzoek kan er uit bestaan dat de Minister van BuZa wordt verzocht een nieuw ambtsbericht op te stellen waarbij de door de vreemdeling ingebrachte informatie wordt betrokken.
Twijfel aan de juistheid van de informatie in ambtsberichten ontstaat niet op basis van een ongemotiveerde en niet nader toegelichte stelling van de vreemdeling.
Evenmin ontstaat zodanige twijfel vanwege de enkele omstandigheid dat een vreemdeling bronnen inroept waarnaar in het ambtsbericht niet uitdrukkelijk wordt verwezen. Bepalend is of hetgeen aan die objectieve bronnen kan worden ontleend van zodanige strekking en gewicht is, dat dit twijfel doet rijzen aan de juistheid of volledigheid, waaronder begrepen de actualiteit van het ambtsbericht, voorzover relevant voor de beoordeling van de aanvraag.
Niet enkel door de vreemdeling ingeroepen bronnen kunnen aanleiding vormen voor twijfel. Ook ambtshalve onderkende objectieve bronnen kunnen aanknopingspunten voor twijfel vormen.
In die gevallen dat er over de situatie in een land van herkomst geen ambtsbericht van de Minister van BuZa beschikbaar is, vindt de beoordeling plaats op grond van andere beschikbare informatie uit objectieve bron, waarbij met name moet worden gedacht aan ambtsberichten van andere landen en rapporten van internationale organisaties. Ook in de gevallen dat wel een ambtsbericht van de Minister van BuZa beschikbaar is, maar andere bronnen deze informatie aanvullen, kunnen deze andere bronnen worden betrokken bij de besluitvorming. Het gaat daarbij slechts om de feitelijke informatie uit de betreffende documenten.
In het voornemen dan wel de beschikking worden de gebruikte bronnen zo veel mogelijk genoemd.
200714803-08-200730-07-20072007/19200714803-08-200730-07-20072007/1905-08-2007
### 4. Inhoudelijke beoordeling van het asielrelaas
@ -2363,6 +2416,14 @@ Heeft de asielzoeker de gestelde medische aspecten gestaafd met een rapportage v
Voor de beoordeling van asielaanvragen van asielzoekers uit de belangrijkste landen van herkomst wordt verwezen naar C24, waarin het landgebonden asielbeleid wordt weergegeven. De algemene wet- en regelgeving blijft steeds de basis voor de individuele beoordeling van een asielaanvraag. De hoofdstukken over het landgebonden asielbeleid vormen een uitwerking van het algemene asielbeleid en kunnen derhalve niet als een uitzondering op het algemeen beleid worden geïnterpreteerd, tenzij zulks expliciet is vermeld.
In het landgebonden asielbeleid kunnen bevolkingsgroepen worden aangewezen als risicogroepen. In het kader van de toetsing aan artikel 29, eerste lid, onder a, Vw worden aan personen behorende tot een risicogroep minder hoge eisen gesteld met betrekking tot het aannemelijk maken van de zwaarwegendheid van de ondervonden gebeurtenissen.
In het landgebonden asielbeleid kunnen bevolkingsgroepen worden aangewezen als kwetsbare minderheidsgroepen. In het kader van de toetsing aan artikel 29, eerste lid, onder b, Vw wordt aan personen behorende tot een kwetsbare minderheidsgroep minder hoge eisen gesteld aan het aannemelijk maken van een reëel risico op een behandeling als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, Vw (zie C2/3.1.3).
Zie C2/4.3 en C2/4.4.
Hoewel categoriale bescherming veelal wordt ingesteld ten aanzien van een land als geheel of ten aanzien van een bepaald deel van een land, is het ook mogelijk dat bepaalde bevolkingsgroepen worden aangewezen ten aanzien van welke een beleid van categoriale bescherming geldt (zie C2/5)
### 5. Beoordeling van tweede of volgende asielaanvragen
#### 5.1. Herhaalde aanvraag
@ -5066,14 +5127,6 @@ Het beleid zoals neergelegd in C4/3.11.3 is van toepassing. Voor de procedure om
#### 1. Achtergrond
Dit hoofdstuk bevat het landgebonden asielbeleid voor Irak. Het landgebonden asielbeleid is een uitwerking van het algemene beleid van C1 tot en met C23 en kan niet worden gezien als een uitzonderingsregeling. De algemene wet- en regelgeving blijft steeds de basis voor de individuele beoordeling van een asielaanvraag.
De beleidsconclusies in dit hoofdstuk zijn mede gebaseerd op het algemeen ambtsbericht van de Minister van BuZa van december 2006 over de situatie in Irak.
Er is besloten tot een beleidswijziging ten aanzien van Irakezen afkomstig uit Centraal-Irak. De beleidswijziging is neergelegd in een brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer van 2 april 2007. De beleidswijziging houdt in dat ten aanzien van deze categorie een beleid van categoriale bescherming wordt gevoerd (zie C2/5). Het beleid van categoriale bescherming treedt in werking met ingang van 2 april 2007.
200710029-05-200721-05-20072007/09200710029-05-200721-05-20072007/0931-05-2007
#### 2. Besluitmoratorium
@ -5084,17 +5137,6 @@ Ten aanzien van asielzoekers uit Irak geldt geen besluit in de zin van artikel 4
##### 3.1. Intellectuelen en journalisten
Uit het ambtsbericht van de Minister van BuZa komt naar voren dat bestaat er officieel weliswaar persvrijheid bestaat, doch de Iraakse pers past uit zelfbehoud zelfcensuur toe. Intimidatie van journalisten en media vindt plaats. In de verslagperiode zijn journalisten vervolgd en zouden journalisten zijn aangevallen door aan het Ministerie van Binnenlandse Zaken gelieerde milities.
Diverse Iraakse en buitenlandse journalisten zijn tijdens de verslagperiode om het leven gekomen ten gevolge van geweld. Het gevaar van ontvoering is nog aanwezig. Diverse journalisten zijn na ontvoering om het leven gebracht. Voor journalisten kan het riskant zijn kritiek te uiten op militante extremistische groeperingen. Aanslagen, vergeldingsacties en bedreigingen hebben plaatsgevonden.
In de gebieden van de Kurdistan Regional Government is waargenomen dat herhaaldelijke, persoonlijke kritiek op het centrale leiderschap van de Kurdistan Democratic Party en Patriotic Union of Kurdistan niet wordt getolereerd.
Intellectuelen en journalisten die aannemelijk maken dat zij vanwege hun opinies voor vervolging te vrezen hebben, kunnen op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning. Het enkel een onafhankelijke houding innemen is daarvoor onvoldoende aangezien er wel enige ruimte voor kritiek blijkt te bestaan.
200710029-05-200721-05-20072007/09200710029-05-200721-05-20072007/0931-05-2007
##### 3.2. Personen die vervolging vrezen van het oude regime
@ -5111,57 +5153,32 @@ Personen die stellen te vrezen voor bloedwraak of vergelijkbare intertribale pro
##### 3.5. Personen werkzaam in risicoberoepen
Er vinden veel aanslagen plaats gericht tegen Irakezen die openlijk samenwerken met de regering, met internationale organisaties of diplomatieke vertegenwoordigingen, buitenlandse bedrijven en met de Multi National Forces in Iraq. Hierbij valt onder meer te denken aan Iraakse politici en hun familie, ambtenaren, personeel van het veiligheidsapparaat (vooral politie en leger), tolken of Irakezen die op andere wijze voor de regering, internationale organisaties en bedrijven in Irak werken, rechters en advocaten, alsook Iraakse journalisten en personen die voor hen werken. Ook bleek tijdens de verslagperiode dat bakkers en kappers werden aangevallen door extremistische groepen. De situatie van personeel in het onderwijs en de gezondheidszorg is eveneens als zeer ernstig te omschrijven.
Indien betrokkene aannemelijk heeft gemaakt vanwege zijn werkzaamheden een gegronde vrees voor vervolging dan wel onmenselijke behandeling te hebben, waartegen geen bescherming kan worden geboden, kan op grond van artikel 29, eerste lid, onder a of b, Vw een verblijfsvergunning asiel worden verleend. Het enkele feit dat de vreemdelingen deze werkzaamheden heeft verricht is onvoldoende voor de conclusie dat er gegronde vrees is voor vervolging dan wel onmenselijke behandeling.
200710029-05-200721-05-20072007/09200710029-05-200721-05-20072007/0931-05-2007
##### 3.6. Iraakse Fayli-Koerden en Irakezen van Iraanse afkomst
Het regime van Saddam Hoessein heeft veel Fayli-Koerden hun Iraakse nationaliteit ontnomen. De decreten van de Revolutionaire Commandoraad (onder meer decreet 666 van 1980), die de ontneming van het Iraakse staatsburgerschap betroffen, zijn met de inwerkingtreding van de Transitional Administrative Law herroepen. De nieuwe nationaliteitswet bevat voorwaarden om nationaliteitsrechten weer te laten gelden. Uit het ambtsbericht van de Minister van BuZa komt naar voren dat naar verluidt een aantal Fayli Koerden de Iraakse nationaliteit heeft kunnen herkrijgen.
Het ambtsbericht van de Minister van BuZa geeft voorts aan dat in het Kurdistan Regional Gouvernement naar verluidt een speciale regeling geldt voor de terugkeer van Fayli-Koerden die afkomstig zijn uit de drie noordelijke provincies.
Hoewel de implementatie met betrekking tot het laten herleven van de nationaliteitsrechten van Fayli-Koerden (in Centraal-Irak) nog niet is afgerond, geven bovenstaande ontwikkelingen aanleiding om Fayli-Koerden, aan wie onder het regime van Saddam Hoessein de Iraakse nationaliteit is ontnomen, niet langer als staatloos te beschouwen in het kader van de asielbeoordeling. Op basis van de Iraakse regelgeving kan worden aangenomen dat zij de iure de Iraakse nationaliteit hebben. Daarbij is de omstandigheid dat het verkrijgen van de facto nationaliteit nog niet in alle gevallen mogelijk is, geen grond om voor de beoordeling van de aanvraag niet van de Iraakse nationaliteit uit te gaan. De asielaanvragen van deze personen zullen dan ook op gebruikelijke wijze getoetst worden naar aanleiding van het beleid zoals in dit hoofdstuk neergelegd, waarbij wordt aangenomen dat zij de iure de Iraakse nationaliteit hebben.
200710029-05-200721-05-20072007/09200710029-05-200721-05-20072007/0931-05-2007
Het ambtsbericht van de Minister van BuZa geeft voorts aan dat in het Kurdistan Regional Gouvernement naar verluidt een speciale regeling geldt voor de terugkeer van Fayli-Koerden die afkomstig zijn uit de drie noordelijke provincies.
##### 3.7. Christenen
Blijkens het ambtsbericht van de Minister van BuZa verkeren christenen in een moeilijke positie, nu de Irakese autoriteiten niet in staat zijn hen tegen het willekeurige dan wel gerichte geweld bescherming te bieden. Mede uit angst voor het extremistische geweld zijn christenen vanuit het zuiden en het midden van Irak naar het noorden getrokken. Er zijn echter berichten dat christenen ook in Noord-Irak zouden worden gediscrimineerd. Hierbij zou sprake zijn van landonteigening en intimidatie van kiezers ten tijde van de verkiezingen.
Personen die aannemelijk hebben gemaakt wegens hun christelijk geloof gegronde vrees te hebben voor vervolging kunnen op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel.
200710029-05-200721-05-20072007/09200710029-05-200721-05-20072007/0931-05-2007
##### 3.8. Mandeeërs
Uit het ambtsbericht van de Minister van BuZa blijkt dat de positie van mandeeërs (volgelingen van Johannes de Doper) in het zuiden van Irak sinds de val van het regime van Saddam Hoessein is verslechterd. Er zou sprake zijn van toenemende discriminatie en intimidatie en mandeeërs zijn slachtoffer geworden van ontvoeringen en geweldsmisdrijven. In tegenstelling tot wat eerder werd aangenomen, lijken mandeeërs om religieuze redenen doelwit te zijn.
Mandeeërs die aannemelijk hebben gemaakt wegens hun geloof gegronde vrees te hebben voor vervolging kunnen op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel.
200710029-05-200721-05-20072007/09200710029-05-200721-05-20072007/0931-05-2007
##### 3.9. Yezidis
Uit het ambtsbericht van de Minister van BuZa komt naar voren dat de positie van yezidis sinds de val van het regime van Saddam Hoessein niet significant lijkt te zijn verbeterd. De yezidis, die zich met name in de gebieden nabij de Syrische grens bevinden, vormen evenals de christenen en mandeeërs een religieuze minderheid in Irak. Zij ondervinden min of meer de zelfde gevaren, bedreigingen en belemmering als bovengenoemde groepen om hun geloof vrij uit te oefenen.
Yezidi's die aannemelijk hebben gemaakt wegens hun geloof gegronde vrees te hebben voor vervolging kunnen op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel.
200710029-05-200721-05-20072007/09200710029-05-200721-05-20072007/0931-05-2007
Uit het ambtsbericht van de Minister van BuZa komt naar voren dat de positie van yezidis sinds de val van het regime van Saddam Hoessein niet significant lijkt te zijn verbeterd. De yezidis, die zich met name in de gebieden nabij de Syrische grens bevinden, vormen evenals de christenen en mandeeërs een religieuze minderheid in Irak. Zij ondervinden min of meer dezelfde gevaren, bedreigingen en belemmering als bovengenoemde groepen om hun geloof vrij uit te oefenen.
##### 3.10. Homoseksuelen
##### 3.10. Palestijnen
De situatie van Palestijnen in Irak verslechtert in toenemende mate. Er is met grote regelmaat sprake van bedreigingen en aanballen jegens, ontvoering van en moord op Palestijnen. Palestijnen zijn in toenemende mate slachtoffer van willekeurige arrestaties en detentie en valse beschuldigingen in de media.
##### 3.11. Homoseksuelen
Homoseksuelen ondervinden in toenemende mate problemen. De VN in Irak hebben aangegeven aanwijzingen te hebben voor toenemende bedreigingen, ontvoering en moord op homoseksuelen in Irak. Er kan van uit worden gegaan dat overheidsinstanties noch derden bescherming bieden aan homoseksuelen die slachtoffer van eerwraak of ander geweld zouden zijn geworden of dreigen te worden.
Homoseksuelen die aannemelijk maken dat zij op grond van hun homoseksualiteit gegronde reden hebben voor vervolging, ofwel door de overheid, ofwel door derden in de vorm van eerwraak of ander geweld, kunnen op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Het enkele feit van homoseksueel zijn is onvoldoende voor verlening van een verblijfsvergunning.
200710029-05-200721-05-20072007/09200710029-05-200721-05-20072007/0931-05-2007
#### 4. Traumatabeleid
@ -5170,11 +5187,6 @@ Het algemene beleid, zoals weergegeven in C2/4.2 is van toepassing. Voor het ove
#### 5. Categoriale bescherming
De veiligheidssituatie in Centraal-Irak is ten opzichte van april 2006 verder verslechterd. De centrale overheid heeft in grote delen van het land geen geweldsmonopolie en kan haar burgers niet tegen willekeurig geweld, dat aan de orde van de dag is, beschermen. Het geweld dat zich voordoet lijkt ongericht, in die zin dat een ieder er het slachtoffer van kan worden. Wat betreft de mate van geografische spreiding van het geweld dient te worden opgemerkt dat het geweld zich grotendeels voordoet in het soennitische midden van Irak. Noord-Irak is relatief veilig.
Asielzoekers afkomstig uit Centraal-Irak komen daarom behoudens contra-indicaties op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, Vw in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel (zie C2/5). Het beleid van categoriale bescherming is van kracht met ingang van 2 april 2007. Voor de ingangsdatum van een verblijfsvergunning asiel op grond van dit beleid, zie C21/1.2.
200710029-05-200721-05-20072007/09200710029-05-200721-05-20072007/0931-05-2007
#### 6. Verdere beleidsconclusies en aandachtspunten
@ -5193,51 +5205,20 @@ Irak wordt niet beschouwd als veilig derde land.
##### 6.4. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
Het beleid zoals neergelegd in C4/3.11.3 is van toepassing. Voor de procedure omtrent getuigen van oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid wordt verwezen naar C11/3.1.
Bijzondere aandacht dient geschonken te worden aan personen die zich schuldig hebben gemaakt aan misdrijven als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag. Hierbij moet in eerste instantie gedacht worden aan:
leden van de Iraakse inlichtingen- en veiligheidsdiensten;
hogergeplaatste personen in het Iraakse militaire apparaat (waaronder de gewone strijdkrachten, de Republikeinse Garde en de Fedayeen Saddam);
leden van de Koerdische veiligheidsdiensten (de Rekkhistini Taybeti van de Kurdistan Democratic Party en de Dezgay Zanyari van de Patriotic Union of Kurdistan);
leden van het Koerdische militaire apparaat (de Asayish);
leden van de 'National Defense Batallions' (Jahafel Al-Difa' Al-Watani), Koerdische milities die destijds gelieerd waren aan Saddam Hussein en die ook wel Lichte Brigade, Fursan of Jash werden genoemd.
Tevens dient aandacht te worden besteed aan personen die hebben gewerkt in of voor de militaire industrie ten tijde van het voormalige regime en daarbij (in)direct betrokken zijn geweest bij mensenrechtenschendingen (in het bijzonder indien zij in verband kunnen worden gebracht met de productie of het gebruik van nucleaire, biologische of chemische wapens). Daarnaast kan ook gedacht worden aan militairen (peshmergas), voormalige Baath-functionarissen en hogere Baath-leden, leden van verboden Iraanse bewegingen (Mujaheddin-e Khalq, de Komala en de Koerdische Democratische Partij van Iran) en personen die in het kader van de sjiitische opstand van 1991 mensenrechtenschendingen hebben gepleegd. Ook in het geval van lijfwachten en politiefunctionarissen waarbij in het dossier aanknopingspunten te vinden zijn (verantwoordelijkheid) voor misdrijven als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag dient extra aandacht te worden besteed aan 1F-aspecten.
Tot slot wordt gewezen op groeperingen die zijn opgekomen na de val van Saddam Hoessein. Het gaat dan om sjiitische milities zoals het Mehdi-leger en het Badr-corps, en soennitische milities zoals de Tanzeem Qaedat Al-Jihad fi Bilad Al-Rafidain (onder leiding van Al Zarqawi, eerder bekend als de Al Tawhid wal Jihad).
200710029-05-200721-05-20072007/09200710029-05-200721-05-20072007/0931-05-2007
Bijzondere aandacht dient geschonken te worden aan personen die zich schuldig hebben gemaakt aan misdrijven als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag. Hierbij moet in eerste instantie gedacht worden aan:
leden van de Iraakse inlichtingen- en veiligheidsdiensten;
hogergeplaatste personen in het Iraakse militaire apparaat (waaronder de gewone strijdkrachten, de Republikeinse Garde en de Fedayeen Saddam);
leden van de Koerdische veiligheidsdiensten (de Rekkhistini Taybeti van de Kurdistan Democratic Party en de Dezgay Zanyari van de Patriotic Union of Kurdistan);
leden van het Koerdische militaire apparaat (de Asayish);
leden van de National Defense Batallions (Jahafel Al-Difa Al-Watani), Koerdische milities die destijds gelieerd waren aan Saddam Hussein en die ook wel Lichte Brigade, Fursan of Jash werden genoemd.
Tevens dient aandacht te worden besteed aan personen die hebben gewerkt in of voor de militaire industrie ten tijde van het voormalige regime en daarbij (in)direct betrokken zijn geweest bij mensenrechtenschendingen (in het bijzonder indien zij in verband kunnen worden gebracht met de productie of het gebruik van nucleaire, biologische of chemische wapens). Daarnaast kan ook gedacht worden aan militairen (peshmergas), voormalige Baath-functionarissen en hogere Baath-leden, leden van verboden Iraanse bewegingen (Mujaheddin-e Khalq, de Komala en de Koerdische Democratische Partij van Iran) en personen die in het kader van de sjiitische opstand van 1991 mensenrechtenschendingen hebben gepleegd. Ook in het geval van lijfwachten en politiefunctionarissen waarbij in het dossier aanknopingspunten te vinden zijn (verantwoordelijkheid) voor misdrijven als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag dient extra aandacht te worden besteed aan 1F-aspecten.
##### 6.5. Onderscheid Noord-Irak en Centraal-Irak
Voor de bepaling welke gebieden behoren tot Centraal-Irak wordt aangesloten bij het algemeen ambtsbericht van de Minister van BuZa. Centraal-Irak is het deel dat niet valt onder de omschrijving van Noord-Irak.
Bij de behandeling van individuele asielaanvragen geldt dat Iraakse vreemdelingen die niet in Noord-Irak zijn geboren, worden aangemerkt als afkomstig uit Centraal-Irak. Voorts geldt, dat wanneer één der gezinsleden geboren is in Centraal-Irak, alle gezinsleden worden aangemerkt als afkomstig uit Centraal-Irak. Wel dient de gezinsband reeds voor de komst naar Nederland te hebben bestaan.
Vreemdelingen van Iraakse nationaliteit die buiten Irak zijn geboren, worden eveneens aangemerkt als afkomstig uit Centraal-Irak. Hiervan worden echter uitgezonderd de minderjarige vreemdelingen wier beide ouders in Noord-Irak zijn geboren. In redelijkheid kan niet worden verwacht dat in dit geval het gezin de toegang tot Noord-Irak zal worden geweigerd.
200710029-05-200721-05-20072007/09200710029-05-200721-05-20072007/0931-05-2007
#### 7. Opvangmogelijkheden Amvs
@ -6365,128 +6346,79 @@ Ten aanzien van asielzoekers uit Sudan geldt geen besluit in de zin van artikel
### [24]. Het asielbeleid ten aanzien van Somalië
#### 1. Datum
Deze versie van deze landenparagraaf treedt in werking op de dag waarop C24 van kracht wordt.
#### 2. Achtergrond
#### 1. Achtergrond
Deze landenparagraaf bevat het landgebonden asielbeleid voor Somalië. Het landgebonden asielbeleid is een uitwerking van het algemene beleid van C1 tot en met C23 en kan niet worden gezien als een uitzonderingsregeling. De algemene wet- en regelgeving blijft steeds de basis voor de individuele beoordeling van een asielaanvraag.
De beleidsconclusies in deze landenparagraaf zijn mede gebaseerd op het algemeen ambtsbericht van de Minister van BuZa van juli 2006 over de situatie in Somalië.
#### 2. Besluitmoratorium
De beleidsconclusies in dit hoofdstuk zijn verder gebaseerd op de uitspraken van 4 mei 2006 van de ABRS (nummers 200510270/1 en 200510255/1). In deze uitspraken heeft de ABRS met betrekking tot de toepassing van het categoriaal beschermingsbeleid voor Somalië geoordeeld dat het slechts redelijk is om aan een Somalische vreemdeling het verblijfsalternatief in Puntland en Somaliland tegen te werpen vanaf het moment dat zich aldaar ontheemdenkampen bevinden.
Ten aanzien van asielzoekers uit Somalië geldt geen besluit in de zin van artikel 43 Vw.
Er is besloten tot een wijziging ten aanzien van het categoriaal beschermingsbeleid voor Somalië. Gelet op het ambtsbericht van de Minister van BuZa wordt het categoriaal beschermingsbeleid voor personen afkomstig uit de provincies Sool en Sanaag beëindigd. Deze beleidswijziging is neergelegd in een brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer van 7 september 2006.
#### 3. Groepen van personen die verhoogde aandacht vragen
#### 3. Besluitmoratorium
Ten aanzien van asielzoekers uit Somalië is geen besluit genomen in de zin van artikel 43 Vw.
#### 4. Groepen van personen die verhoogde aandacht vragen
##### 4.1. Clanfamilies en minderheden
##### 3.1. Clanfamilies en minderheden
Het ambtsbericht van de Minister van BuZa meldt dat de positie van minderheden in het relatief onveilige gebied van Somalië nog immer als slecht is te bestempelen. Eerder dan de Somalische clanfamilies kunnen zij aldaar slachtoffer worden van intimidatie en misbruik door gewapende leden van milities. Niettegenstaande deze onveiligheid is het niet zo dat alle personen die tot een minderheidsgroep behoren voor (op de persoon gerichte) vervolging te vrezen hebben, enkel wegens het behoren tot een minderheid. In het door de Minister van BuZa aangeduide relatief veilige deel van Somalië worden minderheden gelet op hun afkomst in het algemeen niet vervolgd.
Gelet op vorenstaande dienen Somaliërs aannemelijk te maken dat met betrekking tot hen persoonlijk feiten en omstandigheden bestaan die hun vrees voor vervolging rechtvaardigen. Somaliërs, die aannemelijk hebben gemaakt dat de ondervonden problemen te herleiden zijn tot daden van vervolging, zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag, vanwege het behoren tot een specifieke etnische groep, kunnen in aanmerking komen voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw. Zij dienen daarbij tevens aannemelijk te hebben gemaakt dat zij geen bescherming tegen de gestelde daden van vervolging konden krijgen. Voor de relatief onveilige gebieden geldt dat de lokale autoriteiten in beginsel niet in staat zijn om bescherming aan de bevolking te bieden.
Het enkel behoren tot een specifieke clanfamilie of minderheid vormt echter geen reden betrokkene op grond van artikel 29, eerste lid, onder a of b, Vw, in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
In brede zin wordt de term Reer Hamar gebruikt als synoniem voor Benadiri. Naast de Reer Hamar zelf (in enge zin), kunnen hier ook Reer Brava, Reer Merka en Ashraf onder vallen. Ashraf uit het binnenland worden ook onder de Reer Hamar (Benadiri) in brede zin geplaatst. Andere minderheden uit het zuiden van Somalië, zoals Bantu, Bajuni en Midgan, vallen niet onder de Reer Hamar (Benadiri) in brede zin.
Bij de beoordeling van asielaanvragen van Reer Hamar (in brede zin) is het volgende van belang. De positie van de Reer Hamar is zodanig dat een individueel lid van deze bevolkingsgroep reeds in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel bepaalde tijd op grond van artikel 29, onder a, Vw, indien slechts in geringe mate blijkt van op de persoon gerichte daden van vervolging welke in verband gebracht kunnen worden met de etnische afkomst.
Het enkele feit dat iemand behoort tot de Reer Hamar is onvoldoende reden om tot statusverlening over te gaan. De term “in geringe mate” ziet op aantal en ernst van de gestelde gebeurtenissen, niet op de aard daarvan. De asielzoeker zal de aard van de vervolgingsgronden op de gebruikelijke wijze aannemelijk moeten maken. Hierbij staat het criterium centraal dat de gebeurtenissen die betrokkene heeft ondervonden of vreest verband houden met zijn persoon én met zijn etnische afkomst.
##### 4.2. Personen die zich geprofileerd hebben als politiek tegenstander
##### 3.2. Personen die zich geprofileerd hebben als politiek tegenstander
In het dagelijks leven wordt de vrijheid van vereniging en vergadering in het algemeen weinig in de weg gelegd in geheel Somalië. In Somaliland kan publiekelijk oppositie worden gevoerd. Politieke demonstraties zijn evenwel verboden. In Puntland is de ruimte voor oppositie kleiner, aangezien politieke partijen niet zijn toegestaan.
Een enkele kortdurende detentie als gevolg van politieke activiteiten is in beginsel onvoldoende om de betrokkene op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw in aanmerking te laten komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Om op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in aanmerking te komen, dient de betrokkene aannemelijk te maken dat de problemen die hij van de zijde van de de facto autoriteiten heeft ondervonden vanwege zijn politieke activiteiten, te herleiden zijn tot daden van vervolging zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag.
##### 4.3. Journalisten
##### 3.3. Journalisten
In Somalië wordt de persvrijheid en de vrijheid van meningsuiting over het algemeen gerespecteerd. Er hebben zich in alle delen van het land evenwel incidenten voorgedaan van hinder, arrestatie en detentie van journalisten.
Een enkele kortdurende detentie is in beginsel onvoldoende om de betrokkene op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw in aanmerking te laten komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Om op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in aanmerking te komen, dient de betrokkene aannemelijk te maken dat de problemen die hij van de zijde van de de facto autoriteiten heeft ondervonden vanwege zijn werkzaamheden als journalist, te herleiden zijn tot daden van vervolging zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag.
##### 3.4. Vrouwen
##### 4.4. Vrouwen
###### 4.4.1. Algemeen
###### 3.4.1. Algemeen
Het normale beleid, zoals weergegeven in C2/2.11, C2/3.2 en C14/4.3, is van toepassing.
Voor vrouwen geldt in algemene zin hetzelfde als hierboven is beschreven voor clanfamilies en minderheden. Er zijn geen aanwijzingen dat vrouwen in Somalië enkel worden vervolgd vanwege hun geslacht, hetgeen derhalve geen reden vormt om vrouwen om die reden op grond van artikel 29, eerste lid onder a of b, Vw, in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
###### 4.4.2. Vrouwenbesnijdenis
###### 3.4.2. Vrouwenbesnijdenis
Genitale verminking bij meisjes in Somalië komt veelvuldig voor (naar schatting 98% van de vrouwelijke bevolking wordt op enigerlei wijze besneden). De leeftijd waarop meisjes worden besneden, ligt in het algemeen tussen de vijf en dertien jaar. In de steden worden meisjes op jongere leeftijd (doorgaans vijf tot negen jaar) besneden dan op het platteland, waar de leeftijd kan oplopen tot dertien jaar. Het is niet uitgesloten dat op het platteland meisjes tot zestien jaar worden besneden.
Indien een Somalisch meisje nog niet is besneden, kan bij terugkeer naar Somalië sprake zijn van een reëel risico als bedoeld in artikel 3 EVRM. Dit kan ook gelden voor in Nederland geboren meisjes, die bij terugkeer naar Somalië bedreigd worden met genitale verminking. In dergelijke gevallen kan op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw een verblijfsvergunning asiel bepaalde tijd worden verleend. De ouder, die genitale verminking van zijn dochter vreest, kan eveneens in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw.
Indien een Somalisch meisje nog niet is besneden, kan bij terugkeer naar Somalië sprake zijn van een reëel risico als bedoeld in artikel 3 EVRM. Dit kan ook gelden voor in Nederland geboren meisjes, die bij terugkeer naar Somalië bedreigd worden met genitale verminking. In dergelijke gevallen kan op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw, een verblijfsvergunning asiel bepaalde tijd worden verleend. De ouder, die genitale verminking van zijn dochter vreest, kan eveneens in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw.
Er is sprake van druk vanuit de familie om aan de traditie van genitale verminking te voldoen. Aangezien deze traditie zo diepgeworteld is in de Somalische cultuur, en vrouwenbesnijdenis in Somalië zo wijdverbreid wordt toegepast, zullen ouders de sociale druk over het algemeen niet kunnen weerstaan om hun dochter te laten besnijden. Dit betekent dat er voor nog niet besneden meisjes tot zestien jaar in Somalië in beginsel een risico bestaat op genitale verminking. In Somalië zijn verder geen autoriteiten aanwezig die bescherming kunnen bieden tegen een dreigende genitale verminking. Bovendien wordt er in beginsel geen vestigingsalternatief in Somalië aanwezig geacht om zich te onttrekken aan genitale verminking.
#### 5. Traumatabeleid
#### 4. Traumatabeleid
Het algemene beleid, zoals weergegeven in C2/4.2 is van toepassing. Voor het overige zijn er met betrekking tot Somalië geen bijzonderheden.
#### 6. Categoriale bescherming
#### 5. Categoriale bescherming
Asielzoekers uit Somalië komen behoudens contra-indicaties op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, Vw, in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel (zie C2/5), tenzij zij naar plaatselijke maatstaven gemeten onder redelijke omstandigheden minimaal zes maanden hebben verbleven in Puntland (met uitzondering van Noord-Galkayo) of Somaliland, vanaf het moment dat zich aldaar ontheemdennederzettingen bevinden. In dat geval is er sprake van een verblijfsalternatief.
De reden van deze inperking van het verblijfsalternatief is dat de ABRS in haar uitspraken van 4 mei 2006 (nummers 200510270/1 en 200510255/1) heeft geoordeeld dat het slechts redelijk is om aan een Somalische vreemdeling het verblijfsalternatief tegen te werpen, vanaf het moment dat zich aldaar ontheemdenkampen bevinden.
#### 6. Verdere beleidsconclusies en aandachtspunten
Uit het ambtsbericht van de Minister van BuZa blijkt dat de eerste ontheemdennederzettingen in Puntland dateren uit eind 1990 en in Somaliland uit 1997.
Dit betekent dat Somalische asielzoekers die in de periode vanaf 1991 naar plaatselijke maatstaven gemeten onder redelijke omstandigheden tenminste zes maanden in Puntland (met uitzondering van Noord-Galkayo) hebben verbleven, niet in aanmerking komen voor categoriale bescherming. Hetzelfde geldt voor Somalische asielzoekers die in de periode vanaf 1997 naar plaatselijke maatstaven gemeten onder redelijke omstandigheden tenminste zes maanden in Somaliland hebben verbleven. Voor hen bestaat een verblijfsalternatief in Puntland respectievelijk Somaliland.
Somalische asielzoekers die enkel in de periode voorafgaand aan de komst van ontheemdennederzettingen in Puntland of Somaliland aldaar hebben verbleven, dan wel die enkel in ontheemdennederzettingen hebben verbleven, komen wel in aanmerking voor categoriale bescherming. Aan deze asielzoekers wordt niet een verblijfsalternatief tegengeworpen in Puntland of Somaliland.
Somalische asielzoekers die afkomstig zijn van de eilanden voor de kust van Zuid-Somalië en voor wie geen verblijfsalternatief bestaat zoals hierboven omschreven, komen eveneens in aanmerking komen voor categoriale bescherming. De eilanden voor de kust van Zuid-Somalië worden in het ambtsbericht van de Minister van BuZa weliswaar tot het relatief veilige deel van Somalië gerekend. Zij kunnen echter alleen via het door de Minister van BuZa als relatief onveilig aangemerkte gebied worden bereikt.
#### 7. Verdere beleidsconclusies en aandachtspunten
##### 7.1. Vlucht- en/of vestigingsalternatief
##### 6.1. Vlucht- en/of vestigingsalternatief
Het algemene beleid, zoals weergegeven in C4/2.2 is van toepassing.
Ten aanzien van Somalië wordt aangenomen dat er in beginsel geen sprake is van een binnenlands vlucht- en/of vestigingsalternatief, tenzij:
de betreffende vreemdeling naar plaatselijke maatstaven gemeten onder redelijke omstandigheden ten minste zes maanden in Puntland (met uitzondering van Noord-Galkayo) of Somaliland heeft verbleven, waarbij het verblijf in een ontheemdennederzetting en het verblijf in Puntland of Somaliland voorafgaand aan de komst van ontheemdennederzettingen aldaar niet wordt meegerekend; en
ook overigens wordt voldaan aan de voorwaarden zoals weergegeven in C4/2.2.
##### 7.2. Veilig land van herkomst
##### 6.2. Veilig land van herkomst
Somalië wordt niet beschouwd als veilig land van herkomst.
##### 7.3. Veilig derde land / land van eerder verblijf
##### 6.3. Veilig derde land / land van eerder verblijf
Somalië wordt niet beschouwd als een veilig derde land.
##### 7.4. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
##### 6.4. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
Het beleid zoals neergelegd in C4/3.11.3 is van toepassing. Voor de procedure omtrent getuigen van oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid wordt verwezen naar C11/3.1.
Leden van de volgende groepen hebben zich in Somalië mogelijk schuldig gemaakt aan schending van mensenrechten:
Leger en veiligheidsdiensten Barre;
Strijdende facties/(clan)milities;
Uitvoerders vrouwenbesnijdenis.
##### 7.5. Legale uitreis
##### 6.5. Legale uitreis
In beginsel kunnen personen uit Somalië vrij het land in- en uitreizen.
#### 8. Ambtshalve toets
##### 8.1. Opvangmogelijkheden Amvs
#### 7. Opvangmogelijkheden Amvs
Ten aanzien van Amvs uit Somalië kan niet op voorhand worden geconcludeerd dat adequate opvang aanwezig is. De aanwezigheid van adequate opvang dient per individueel geval te worden vastgesteld. Het algemene beleid is van toepassing. Bij de feitelijke terugkeer moet de toegang tot een concrete opvangplaats geregeld zijn, tenzij betrokkene zich zelfstandig kan handhaven.
#### 9. Vertrekmoratorium
#### 8. Vertrekmoratorium
Ten aanzien van asielzoekers uit Somalië is geen besluit genomen in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw.
Ten aanzien van asielzoekers uit Somalië geldt geen besluit in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw.
### [25]. Het asielbeleid ten aanzien van Sri Lanka