2025-01-01 | BWBR0047690 | Beleidsregel financiële sancties bij bekostigde onderwijsinstellingen 2022
This commit is contained in:
parent
19a5fe664f
commit
cad278939a
1 changed files with 17 additions and 6 deletions
|
|
@ -18,11 +18,14 @@ In deze beleidsregel wordt verstaan onder:
|
|||
a. *bekostiging:* bekostiging als bedoeld in artikel 116, tweede lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 100, tweede lid, van de Wet primair onderwijs BES, artikel 5.4, eerste lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020, artikel 114, tweede lid, van de Wet op de expertisecentra, de artikelen 2.2.1 en 2.2a.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs, de artikelen 1.9, 1.14 en 1.17 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en artikel 2.2.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES;
|
||||
b. *minister:* Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap of Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs;
|
||||
c. *onderwijsinstelling:* instelling of school in de zin van een onderwijswet als bedoeld in artikel 1, onder d, van de Wet op het onderwijstoezicht waar onderwijs wordt verzorgd;
|
||||
d. *subsidie:* subsidie, verstrekt aan een onderwijsinstelling op grond van of krachtens een of meer van de artikelen, genoemd in artikel 9.3 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS.
|
||||
[d.] *samenwerkingsverband:* samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs en artikel 1.1 van de Wet voortgezet onderwijs 2020;
|
||||
[e.] *subsidie:* subsidie, verstrekt aan een onderwijsinstelling op grond van of krachtens een of meer van de artikelen, genoemd in artikel 9.3 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS.
|
||||
|
||||
### Artikel 2
|
||||
|
||||
Deze beleidsregel regelt de wijze waarop de minister ten aanzien van onderwijsinstellingen gebruik maakt van zijn bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 155 en 169 van de Wet op het primair onderwijs, de artikelen 123 en 129 van de Wet primair onderwijs BES, de artikelen 133 en 145, tweede lid, van de Wet op de expertisecentra, de artikelen 5.49, tweede lid, en 10.1 van de Wet voortgezet onderwijs 2020, de artikelen 2.5.9, tweede lid, en 11.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs, de artikelen 2.9, derde lid, en 15.1 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, de artikelen 2.3.11, tweede lid, en 10.2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES en de artikelen 4:46, 4:48, 4:49, 4:50, 4:56 en 4:57 van de Algemene wet bestuursrecht.
|
||||
**1.** Deze beleidsregel regelt de wijze waarop de minister ten aanzien van onderwijsinstellingen gebruik maakt van zijn bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 155 en 169 van de Wet op het primair onderwijs, de artikelen 123 en 129 van de Wet primair onderwijs BES, de artikelen 133 en 145, tweede lid, van de Wet op de expertisecentra, de artikelen 5.49, tweede lid, en 10.1 van de Wet voortgezet onderwijs 2020, de artikelen 2.5.9, tweede lid, en 11.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs, de artikelen 2.9, derde lid, en 15.1 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, de artikelen 2.3.11, tweede lid, en 10.2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES, artikel 38 van de Wet medezeggenschap op scholen en de artikelen 4:46, 4:48, 4:49, 4:50, 4:56 en 4:57 van de Algemene wet bestuursrecht.
|
||||
|
||||
**2.** Deze beleidsregel regelt in aanvulling op het eerste lid de wijze waarop de Minister ten aanzien van samenwerkingsverbanden gebruik maakt van zijn bevoegdheden, bedoeld in artikel 155 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 10.1 van de Wet voortgezet onderwijs 2020, artikel 38 van de Wet medezeggenschap op scholen en de artikelen 4:46, 4:48, 4:49, 4:50, 4:56 en 4:57 van de Algemene wet bestuursrecht.
|
||||
|
||||
### Artikel 3
|
||||
|
||||
|
|
@ -38,13 +41,21 @@ Deze beleidsregel regelt de wijze waarop de minister ten aanzien van onderwijsin
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Bij het niet naleven van een wettelijk voorschrift door het bevoegd gezag van een school als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 1 van de Wet op de expertisecentra, artikel 1.1 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 of artikel 1 van de Wet primair onderwijs BES, kan de minister:
|
||||
Bij het niet naleven van een wettelijk voorschrift gesteld bij of krachtens de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra, de Wet voortgezet onderwijs 2020, de Wet primair onderwijs BES of de Wet medezeggenschap op scholen door het bevoegd gezag van een school als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 1 van de Wet op de expertisecentra, artikel 1.1 van de Wet voortgezet onderwijs 2020, artikel 1 van de Wet primair onderwijs BES of artikel 1 van de Experimentenwet onderwijs kan de Minister:
|
||||
|
||||
a. in de eerste drie maanden van het verzuim maandelijks ten minste 0 en ten hoogste 15 procent van een twaalfde deel van de bekostiging voor het desbetreffende kalenderjaar inhouden;
|
||||
b. in de vierde tot en met zesde maand van het verzuim maandelijks ten minste 16 en ten hoogste 75 procent van een twaalfde deel van de bekostiging voor het desbetreffende kalenderjaar inhouden;
|
||||
c. in de zevende en daaropvolgende maanden van het verzuim maandelijks ten hoogste 100 procent van een twaalfde deel van de bekostiging voor het desbetreffende kalenderjaar inhouden.
|
||||
|
||||
**2.** De minister kan bij het herhaaldelijk niet naleven van hetzelfde wettelijk voorschrift direct een hoger inhoudingspercentage dan dat genoemd in het eerste lid, onder a of b, toepassen. Hiervan is sprake indien een dergelijk niet naleven van hetzelfde wettelijke voorschrift meer dan eenmaal plaatsvindt binnen een periode van vier jaar.
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Bij het niet naleven van een wettelijk voorschrift gesteld bij of krachtens de Wet op het primair onderwijs, de Wet voortgezet onderwijs 2020 of de Wet medezeggenschap op scholen door een samenwerkingsverband kan de Minister:
|
||||
|
||||
a. in de eerste drie maanden van het verzuim maandelijks ten minste 0 en ten hoogste 15 procent van een twaalfde deel van de bekostiging voor het desbetreffende kalenderjaar inhouden;
|
||||
b. in de vierde tot en met zesde maand van het verzuim maandelijks ten minste 16 en ten hoogste 75 procent van een twaalfde deel van de bekostiging voor het desbetreffende kalenderjaar inhouden;
|
||||
c. in de zevende en daaropvolgende maanden van het verzuim maandelijks ten hoogste 100 procent van een twaalfde deel van de bekostiging voor het desbetreffende kalenderjaar inhouden.
|
||||
|
||||
**3.** De Minister kan bij het herhaaldelijk niet naleven van hetzelfde wettelijk voorschrift direct een hoger inhoudingspercentage toepassen dan genoemd in het eerste lid, onder a of b, of het tweede lid, onder a of b,. Hiervan is sprake indien een dergelijk niet naleven van hetzelfde wettelijke voorschrift meer dan eenmaal plaatsvindt binnen een periode van vier jaar.
|
||||
|
||||
### Artikel 5
|
||||
|
||||
|
|
@ -62,7 +73,7 @@ c. in de zevende en daaropvolgende maanden van het verzuim maandelijks ten hoogs
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
In afwijking van artikel 4 kan de minister een twaalfde deel van de bekostiging voor het desbetreffende kalenderjaar direct met 100% inhouden indien het bevoegd gezag niet voldoet aan een:
|
||||
In afwijking van artikel 4 kan de minister een twaalfde deel van de bekostiging voor het desbetreffende kalenderjaar direct met 100% inhouden indien het bevoegd gezag of het samenwerkingsverband niet voldoet aan een:
|
||||
|
||||
a. spoedaanwijzing als bedoeld in artikel 153a van de Wet op het primair onderwijs, artikel 122a van de Wet primair onderwijs BES, artikel 132a van de Wet op de expertisecentra of artikel 3.38a van de Wet voortgezet onderwijs 2020; of
|
||||
b. aanwijzing als bedoeld in artikel 153 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 122 van de Wet primair onderwijs BES, artikel 132 van de Wet op de expertisecentra of artikel 3.38 van de Wet voortgezet onderwijs 2020.
|
||||
|
|
@ -76,7 +87,7 @@ b. aanwijzing als bedoeld in artikel 3.1.5 van de Wet educatie en beroepsonderwi
|
|||
|
||||
### Artikel 7
|
||||
|
||||
De minister neemt een besluit als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder a, of artikel 5, eerste lid, onder a, slechts nadat het bevoegd gezag, of voor het hoger onderwijs, het instellingsbestuur een redelijke termijn heeft gekregen om de tekortkoming te herstellen.
|
||||
De minister neemt een besluit als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder a, of tweede lid, onder a, of artikel 5, eerste lid, onder a, slechts nadat het bevoegd gezag of het samenwerkingsverband, of voor het hoger onderwijs, het instellingsbestuur een redelijke termijn heeft gekregen om de tekortkoming te herstellen.
|
||||
|
||||
### Artikel 8
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue