2007-04-07 | BWBR0012288 | Vreemdelingencirculaire 2000 (C)
This commit is contained in:
parent
389afa42c1
commit
cade7bcc37
1 changed files with 148 additions and 210 deletions
|
|
@ -542,13 +542,7 @@ Artikel 30 Vw bevat de imperatieve afwijzingsgronden. De aanvraag moet dus worde
|
|||
|
||||
#### 2.1. Inleiding
|
||||
|
||||
Op grond van artikel 30, eerste lid, onder a, Vw wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als een ander land ingevolge een verdrag, of een dit land en Nederland bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie, verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek. De wet stelt daarbij als vereiste dat dit andere land partij is bij het Vluchtelingenverdrag van Genève.
|
||||
|
||||
Op dit moment is er zowel een verdrag als een bindend besluit in werking dat hierop van toepassing is: de Overeenkomst van Dublin, die in werking is getreden op 1 september 1997 en Verordening 343/2003, in werking getreden op 1 september 2003. Verordening 343/2003 is de opvolger van de Overeenkomst van Dublin.
|
||||
|
||||
De uitvoeringsbepalingen voor Verordening 343/2003 zijn neergelegd in Verordening 1560/2003.
|
||||
|
||||
Afwijzing van de asielaanvraag op grond van artikel 30, eerste lid, onder a, Vw is pas mogelijk, als de verantwoordelijkheid voor de behandeling van het asielverzoek, middels een expliciete dan wel impliciete accordering op het overname- of terugnameverzoek, daadwerkelijk is komen te liggen bij de (mogelijk) verantwoordelijke lidstaat.
|
||||
Op grond van artikel 30, eerste lid, onder a, Vw wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als een ander land ingevolge een verdrag, of een dit land en Nederland bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie, verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek. De wet stelt daarbij als vereiste dat dit andere land partij is bij het Vluchtelingenverdrag.
|
||||
|
||||
#### 2.2. Toepasselijkheid van
|
||||
|
||||
|
|
@ -621,81 +615,27 @@ De vreemdeling kan beroep aantekenen tegen de beslissing de asielaanvraag af te
|
|||
|
||||
De verantwoordelijkheidsbepaling, die ziet op de overnameverplichting van artikel 3 Verordening 343/2003, vindt plaats op grond van de artikelen 6 tot en met 14 Verordening 343/2003. De beoordeling of de criteria van deze artikelen van toepassing zijn, vindt plaats in de volgorde waarin zij voorkomen (zie artikel 5, eerste lid, Verordening 343/2003) en op grond van de situatie op het tijdstip waarop de asielzoeker zijn verzoek voor de eerste maal bij een lidstaat indient (zie artikel 5, tweede lid, Verordening 343/2003).
|
||||
|
||||
Voorgehouden dient te worden dat de bepalingen van Verordening 343/2003 alleen gelden ten aanzien van derdelanders. Een persoon die ooit als derdelander in Nederland is toegelaten en thans is genaturaliseerd valt niet langer onder de reikwijdte van Verordening 343/2003 en de Verordening 1560/2003.
|
||||
|
||||
Het moment om te beoordelen of iemand moet worden beschouwd als derdelander of niet is het moment waarop de asielaanvraag wordt ingediend door het gezins- of familielid dat hereniging wenst met een in Nederland reeds toegelaten vreemdeling op grond van artikel 29, eerste lid en onder a, b, c of d, Vw (zie ook artikel 2, onder a, Verordening 343/2003). Deze bepaling zal met name een rol spelen bij de toepassing van de artikelen 6, 7, 8 en 14 Verordening 343/2003 in het kader van het vaststellen van de verantwoordelijkheid daar waar het gezinsleden (en eventueel familieleden) betreft.
|
||||
|
||||
Hieronder volgt een opsomming van de criteria.
|
||||
|
||||
Ingevolge artikel 6 Verordening 343/2003 neemt Nederland de verantwoordelijkheid voor de behandeling van het asielverzoek van een niet-begeleide minderjarige op zich, indien een lid van zijn gezin (vader, moeder of voogd) zich hier te lande wettig (rechtmatig in de zin van de Vw) ophoudt, voor zover dit in het belang van de minderjarige is. Bij ontstentenis van een vader, moeder en voogd berust de verantwoordelijkheid voor de behandeling van het asielverzoek bij de lidstaat waarbij de minderjarige zijn asielverzoek heeft ingediend.
|
||||
|
||||
Onder ‘in het belang van de minderjarige’ dient onder meer het volgende te worden verstaan:
|
||||
In artikel 7 Verordening 343/2003 is geregeld dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek van een gezinslid van een asielzoeker die als vluchteling is toegelaten voor verblijf. In Nederland wordt deze bepaling verruimd toegepast, in die zin dat hieronder wordt verstaan de vreemdeling die in het bezit is van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd die is verleend op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, b, c of d, Vw. Hierbij is niet van belang of het gezin reeds in het land van oorsprong was gevormd. De betrokken personen dienen schriftelijk in te stemmen met de beoogde hereniging.
|
||||
|
||||
a. gezinsband dient te zijn aangetoond; immers het is niet in het belang van de minderjarige hem/haar te plaatsen bij iemand waarvan niet daadwerkelijk vaststaat dat het de vader, moeder of voogd is;
|
||||
b. er dient geen sprake te zijn van een gezinslid (-leden) waarvan het vermoeden bestaat dat er sprake is geweest van mishandeling (fysiek, mentaal dan wel seksueel) van de minderjarige door dit gezinslid (-leden);
|
||||
c. het gezinslid (-leden) kan (kunnen) de minderjarige voldoende zorg bieden.
|
||||
|
||||
Gelet op de plaats van dit artikel in de Verordening, geldt deze bepaling voor minderjarigen alleen bij verzoeken om overname. In het geval reeds is vastgesteld dat een lidstaat verantwoordelijk is en deze lidstaat een verzoek doet om terugname, geldt deze waarborg niet. Dit lijdt slechts uitzondering wanneer eerst in de procedure met betrekking tot de terugname blijkt dat zich een vader, moeder of voogd in Nederland of in één van de andere lidstaten ophoudt; in die gevallen zal, met inachtneming van het belang van het kind, alsnog hereniging worden voorgestaan.
|
||||
|
||||
In artikel 7 Verordening 343/2003 is geregeld dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek van een gezinslid van een asielzoeker die als vluchteling is toegelaten voor verblijf. In Nederland wordt deze bepaling verruimd toegepast, in die zin dat hieronder wordt verstaan de vreemdeling die in het bezit is van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd die is verleend op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, b, c of d, Vw. Hierbij is niet van belang of het gezin reeds in het land van oorsprong was gevormd. De betrokken personen dienen in te stemmen met de beoogde hereniging.
|
||||
|
||||
Ingevolge artikel 8 Verordening 343/2003 is Nederland verantwoordelijkheid voor de behandeling van het asielverzoek van een gezinslid van de asielzoeker, indien inzake het asielverzoek van de asielzoeker hier te lande nog geen beslissing in eerste aanleg is genomen. Nederland is alleen verantwoordelijk indien de asielzoeker het asielverzoek had ingediend vóórdat het betreffende gezinslid in een andere lidstaat een asielverzoek indiende. Het tijdstip waarop de asielzoeker zijn verzoek voor de eerste maal indient, is leidend met betrekking tot de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek (zie artikel 5, tweede lid, Verordening 343/2003).
|
||||
|
||||
Indien een asielzoeker Nederland binnenreist en aangeeft hier te lande een asielverzoek te willen indienen, maar waarbij een gezinslid reeds in een andere lidstaat een asielverzoek heeft ingediend waarover nog geen beslissing in eerste aanleg is genomen, is deze andere lidstaat verantwoordelijk voor de behandeling van het asielverzoek van de asielzoeker die zich in Nederland bevindt.
|
||||
|
||||
Nederland is voorts niet verantwoordelijk voor de behandeling van asielverzoeken van gezinsleden van de asielzoeker hier te lande, indien Nederland reeds een afwijzende beslissing in eerste aanleg heeft genomen. Het is immers onwenselijk om overige gezinsleden in de Nederlandse asielprocedure op te nemen terwijl, ten aanzien van het gezinslid waar Nederland voor verantwoordelijk is, reeds is beslist dat geen grond voor verlening bestaat en de asielzoeker Nederland derhalve dient te verlaten. De ratio van het bijeenhouden van de gezinsleden is immers mede gelegen in de mogelijkheid dat zij (gezamenlijk) voor verlening van een verblijfsvergunning in aanmerking komen dan wel, als is vastgesteld dat zij geen status dienen te krijgen, gezamenlijk verwijderd kunnen worden.
|
||||
|
||||
Op grond van artikel 9 Verordening 343/2003 is de lidstaat die een geldige verblijfsvergunning of een geldig visum heeft afgegeven verantwoordelijk voor de behandeling van een asielverzoek. Artikel 9 Verordening 343/2003 regelt ook conflicten die kunnen optreden als verschillende landen verblijfsvergunningen of visa hebben afgegeven, alsmede de situatie waarin de verblijfsvergunning of het visum reeds verlopen is en de situatie waarin een verblijfsvergunning of visum is afgegeven op basis van onjuiste informatie.
|
||||
|
||||
De verantwoordelijkheid voor de behandeling van het asielverzoek in de situatie waarin kan worden vastgesteld dat een asielzoeker illegaal een lidstaat is binnengereisd, is geregeld in artikel 10 Verordening 343/2003.
|
||||
|
||||
Artikel 11 Verordening 343/2003 regelt de verantwoordelijkheid voor het asielverzoek van een vreemdeling die het grondgebied betreedt van een lidstaat waar hij niet visumplichtig is.
|
||||
|
||||
Indien in een internationale transitzone van een luchthaven van een lidstaat een asielverzoek wordt ingediend, is deze lidstaat verantwoordelijk op grond van artikel 12 Verordening 343/2003.
|
||||
|
||||
Indien op basis van Verordening 343/2003 geen lidstaat kan worden aangewezen, is de lidstaat waar het verzoek het eerst werd ingediend verantwoordelijk op grond van artikel 13 Verordening 343/2003.
|
||||
|
||||
In het geval dat meerdere leden van een gezin in dezelfde lidstaat gelijktijdig of met dusdanig korte tussenpozen een asielverzoek indienen dat de procedures, om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is, allemaal tegelijk kunnen worden afgewikkeld en indien de toepassing van de criteria van Verordening 343/2003 tot gevolg zou hebben dat de betrokkenen van elkaar worden gescheiden, wordt de verantwoordelijke lidstaat aangewezen op grond van de volgende bepalingen:
|
||||
|
||||
– de lidstaat die volgens de criteria van Verordening 343/2003 verantwoordelijk is voor de overname van het grootste aantal gezinsleden is verantwoordelijk voor de behandeling van de asielverzoeken van alle gezinsleden;
|
||||
– indien geen enkele lidstaat als verantwoordelijke lidstaat kan worden aangewezen, is de lidstaat die volgens de criteria van Verordening 343/2003 verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek van het oudste lid van de groep verantwoordelijk voor de behandeling van alle asielverzoeken.
|
||||
|
||||
Ten aanzien van de zinsnede ‘korte tussenpozen’ wordt hiertoe opgemerkt dat dit in elk geval de drie maandentermijn van artikel 17, eerste lid, Verordening 343/2003 niet kan overschrijden.
|
||||
Ingevolge artikel 8 Verordening 343/2003 is Nederland verantwoordelijkheid voor de behandeling van het asielverzoek van een gezinslid van de asielzoeker, indien inzake het asielverzoek van de asielzoeker hier te lande nog geen beslissing in eerste aanleg is genomen. Nederland is alleen verantwoordelijk indien de asielzoeker het asielverzoek had ingediend vóórdat het betreffende gezinslid in een andere lidstaat een asielverzoek indiende. Het tijdstip waarop de asielzoeker zijn verzoek voor de eerste maal indient, is leidend met betrekking tot de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek (zie artikel 5, tweede lid, Verordening 343/2003). De betrokken personen dienen schriftelijk in te stemmen met de beoogde samenvoeging op grond van de procedurestand.
|
||||
|
||||
##### 2.3.6. Wanneer behandelt Nederland het asielverzoek onverplicht zelf?
|
||||
|
||||
###### 2.3.6.1. Inleiding
|
||||
|
||||
Op grond van artikel 3, tweede lid, Verordening 343/2003 blijft iedere staat bevoegd om zelf het asielverzoek te behandelen ook al zou op basis van de artikelen 6 tot en met 14 Verordening 343/2003 of op basis van de artikelen 4, vijfde lid, Verordening 343/2003, juncto artikel 16, eerste lid, onder c, d en e, Verordening 343/2003, een andere lidstaat als verantwoordelijke lidstaat kunnen worden aangewezen. In tegenstelling tot de regeling in de Overeenkomst van Dublin behoeft de asielzoeker hiervoor niet expliciet zijn instemming te verlenen.
|
||||
|
||||
Van de mogelijkheid het asielverzoek zelf te behandelen, wordt terughoudend gebruik gemaakt. Het indienen van een tweede of volgend asielverzoek na afdoening conform artikel 30, eerste lid, onder a, Vw vormt op zichzelf geen aanleiding voor het toepassen van artikel 3, tweede lid, Verordening 343/2003. Dit geldt ook wanneer de vreemdeling na afwijzing of intrekking van het eerste asielverzoek zich heeft begeven naar het land van herkomst of een ander land waar hij legaal toegang heeft en vervolgens opnieuw naar Nederland reist om een tweede asielverzoek in te dienen. In dat geval zal de verantwoordelijke lidstaat de eventuele nieuwe feiten en omstandigheden beoordelen conform de uitgangspunten van Verordening 343/2003.
|
||||
Op grond van artikel 3, tweede lid, Verordening 343/2003 blijft iedere staat bevoegd om zelf het asielverzoek te behandelen ook al zou op basis van de artikelen 6 tot en met 14 Verordening 343/2003 of op basis van de artikelen 4, vijfde lid, Verordening 343/2003, juncto artikel 16, eerste lid, onder c, d en e, Verordening 343/2003, een andere lidstaat als verantwoordelijke lidstaat kunnen worden aangewezen.
|
||||
|
||||
###### 2.3.6.2. Concrete aanwijzingen van verdragsschending
|
||||
|
||||
Ten principale wordt er van uitgegaan dat de lidstaten de verplichtingen uit hoofde van het Vluchtelingenverdrag en artikel 3 EVRM naleven, tenzij er concrete aanwijzingen zijn dat het land waaraan de betrokkene wordt overgedragen zijn internationale verplichtingen niet nakomt (zie nummers 2 en 15 van de preambule van Verordening 343/2003). Indien er concrete aanwijzingen bestaan dat de verantwoordelijke lidstaat zijn internationale verplichtingen niet nakomt, bestaat de mogelijkheid voor Nederland om het asielverzoek aan zich te trekken op basis van artikel 3, tweede lid, Verordening 343/2003.
|
||||
|
||||
Het ligt op de weg van de asielzoeker om aannemelijk te maken dat zich in zijn zaak feiten en omstandigheden voordoen op basis waarvan de presumptie van eerbiediging van verdragspartijen bij het Vluchtelingenverdrag of artikel 3 EVRM wordt weerlegd. Dit is slechts mogelijk wanneer de asielzoeker in de verantwoordelijke lidstaat een beslissing heeft gehad, of kan worden beschouwd als uitgeprocedeerd en er daarnaast nog sprake is van bijzondere, door de vreemdeling aannemelijk te maken, nieuwe feiten en omstandigheden die in redelijkheid tot een heroverweging kunnen leiden. Voor zover deze nieuwe feiten of omstandigheden in de verantwoordelijke lidstaat opnieuw aan de orde kunnen worden gesteld (middels een revisionair rechtsmiddel dan wel het indienen van een tweede of volgende aanvraag), bestaat er geen aanleiding te veronderstellen dat sprake is van een mogelijke schending van artikel 3 EVRM en zal geen aanleiding bestaan om toepassing te geven aan artikel 3, tweede lid, Verordening 343/2003.
|
||||
|
||||
###### 2.3.6.3. Artikel 15
|
||||
|
||||
Op grond van artikel 3, tweede lid, juncto artikel 15 Verordening 343/2003 kan iedere lidstaat, ook wanneer hij met toepassing van de in de Verordening 343/2003 vastgestelde criteria niet verantwoordelijk is voor de behandeling, gezinsleden en andere afhankelijk familieleden herenigen op humanitaire gronden, in het bijzonder op grond van familiebanden of op culturele gronden. In dat geval behandelt deze lidstaat op verzoek van een andere lidstaat het asielverzoek van de vreemdeling. De betrokken familieleden moeten hun instemming geven.
|
||||
|
||||
Van deze mogelijkheid wordt terughoudend gebruik gemaakt. Er zijn immers al waarborgen in de Verordening 343/2003 opgenomen daar waar het gaat om de vaststelling van de verantwoordelijkheid voor gezinsleden door met name de artikelen 6, 7 ,8 en 14 Verordening 343/2003. In het onderstaande wordt weergegeven in welke gevallen gebruik kan worden gemaakt van bovenbedoelde bevoegdheid wanneer het gezinsleden betreft en wanneer het andere afhankelijke familieleden betreft.
|
||||
|
||||
Overigens wordt opgemerkt dat hereniging van gezinsleden en andere afhankelijke familieleden in de zin van de Verordening 343/2003 alleen van toepassing is op asielzoekers. Alle gezinsleden en/of familieleden moeten dus een asielverzoek hebben ingediend. Er wordt in elk geval geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid van artikel 3, tweede lid juncto artikel 15 Verordening 343/2003 bij:
|
||||
|
||||
– gezinsleden en/of familieleden die een asielverzoek indienen nadat zij een afwijzing hebben gekregen op een reguliere aanvraag of een aanvraag om een mvv;
|
||||
– situaties waarin een gezinslid en/of afhankelijke familieleden een asielverzoek indien(t)(en) en hereniging of voortzetting van de gezinsband beo(o)g(t)(en) met een gezinslid en/of afhankelijke familieleden die een aanvraag op reguliere gronden heeft ingediend, dan wel op reguliere gronden toelating geniet.
|
||||
|
||||
Immers, Verordening 343/2003 regelt de verantwoordelijkheid voor de behandeling van het asielverzoek van derdelanders. Verordening 343/2003 beoogt wel waarborgen te bieden voor gezinsleden die asiel hebben aangevraagd om zoveel mogelijk bijeen te houden dan wel te blijven. Verordening 343/2003 is echter niet bedoeld voor het op reguliere gronden verkrijgen van verblijf bij het gezinslid; hiervoor staan andere regelingen open.
|
||||
|
||||
In aanvulling op de verplichting voortvloeiend uit artikel 7 Verordening 343/2003 is Nederland, onder bepaalde voorwaarden, tevens (onverplicht) verantwoordelijk voor de behandeling van het asielverzoek indien de asielzoeker een gezinslid is van een vreemdeling die een asielvergunning voor bepaalde tijd heeft gekregen op grond van artikel 29, eerste lid, onder a tot en met d, Vw. Nederland maakt in dergelijke gevallen gebruik van de discretionaire bevoegdheid om de behandeling van een asielverzoek onverplicht aan zich te trekken, als neergelegd in artikel 3, tweede lid, juncto artikel 15 Verordening 343/2003.
|
||||
|
||||
Hieraan zijn de volgende voorwaarden verbonden:
|
||||
|
||||
a. de betrokken asielzoeker dient zich reeds in Nederland te bevinden;
|
||||
b. voor de toepassing van dit beleidskader is de definitie van ‘gezinsleden’ in de zin van artikel 2, aanhef en onder i, Verordening 343/2003 van toepassing;
|
||||
c. er dient nog geen beslissing op het asielverzoek in een andere lidstaat te zijn genomen.
|
||||
In aanvulling op de verplichting voortvloeiend uit artikel 7 Verordening 343/2003 is Nederland, onder bepaalde voorwaarden, tevens (onverplicht) verantwoordelijk voor de behandeling van het asielverzoek indien de asielzoeker een gezinslid is van een vreemdeling die een asielvergunning voor (on)bepaalde tijd heeft gekregen op grond van artikel 29, eerste lid, onder a tot en met d, Vw. Nederland maakt in dergelijke gevallen gebruik van de discretionaire bevoegdheid om de behandeling van een asielverzoek onverplicht aan zich te trekken, als neergelegd in artikel 3, tweede lid, juncto artikel 15 Verordening 343/2003.
|
||||
|
||||
Geen toepassing wordt gegeven aan artikel 3, tweede lid, juncto artikel 15 Verordening 343/2003 wanneer de betrokken asielzoeker zich in een ander land bevindt. Dat betekent dat Nederland niet, ingevolge het hier geschetste beleid, een asielzoeker naar Nederland zal halen teneinde hier een asielprocedure te kunnen doorlopen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -705,56 +645,23 @@ In andere zeer bijzondere, individuele gevallen kan gebruik gemaakt worden van d
|
|||
|
||||
Artikel 15 Verordening 343/2003 heeft niet alleen betrekking op gezinsleden in de zin van artikel 2, aanhef en onder i, Verordening 343/2003, maar ook op ‘andere afhankelijke familieleden’. Op grond van deze bepaling zullen de lidstaten, wanneer de ene betrokkene (de asielzoeker) afhankelijk is van de ander (het/de familielid (-leden)), er normaliter voor zorgen dat de asielzoeker kan blijven bij, of wordt herenigd met, een familielid dat zich op het grondgebied van één van de lidstaten bevindt op voorwaarde dat er in het land van herkomst familiebanden bestonden. De afhankelijkheid kan gelegen zijn in zwangerschap, de geboorte van een kind, ernstige ziekte, een zware handicap of een hoge leeftijd.
|
||||
|
||||
Ingevolge artikel 11, eerste lid, Verordening 1560/2003 is dit artikellid van toepassing zowel wanneer de asielzoeker afhankelijk is van de hulp van het familielid dat zich op het grondgebied van een lidstaat bevindt als wanneer het familielid, dat zich op het grondgebied van een lidstaat bevindt, afhankelijk is van de hulp van de asielzoeker.
|
||||
|
||||
De afhankelijkheid van het (de) familielid(leden) wordt bezien aan de hand van de hierboven genoemde criteria a en c. Voorts gelden de criteria in artikel 11, tweede tot en met vijfde lid, Verordening 1560/2003.
|
||||
|
||||
In artikel 11, tweede lid, Verordening 1560/2003 wordt de bewijslast geregeld.
|
||||
|
||||
Op grond van artikel 11, derde lid, Verordening 1560/2003 wordt, teneinde te beoordelen of hereniging van de betrokken personen nodig en wenselijk is, ook rekening gehouden met de volgende aspecten:
|
||||
|
||||
a. de familiesituatie die bestond in het land van herkomst;
|
||||
b. de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de betrokken personen van elkaar werden gescheiden;
|
||||
c. de stand van de verschillende in de lidstaten lopende asielprocedures of procedures betreffende het Vreemdelingenrecht.
|
||||
|
||||
De asielzoeker dient hieromtrent consistente en geloofwaardige verklaringen af te leggen, zover mogelijk ondersteund met relevante documenten.
|
||||
De asielzoeker dient hieromtrent consistente en geloofwaardige verklaringen af te leggen, voor zover mogelijk ondersteund met relevante documenten.
|
||||
|
||||
Onder oorzaken in deze zin kunnen onder meer worden verstaan: onderbrekingen van de gezamenlijke reis door ziekte, calamiteiten of andere omstandigheden die buiten de invloedssfeer van betrokkene(n) liggen.
|
||||
|
||||
Hierbij wordt gedoeld op de voorwaarde, dat in een ander land nog geen beslissing mag zijn genomen op het asielverzoek. Dit standpunt is gelegen in het feit dat het uitgangspunt van Verordening 343/2003 is dat asielzoekers slechts in één land een behandeling van hun asielverzoek dienen te krijgen.Indien Nederland het asielverzoek aan zich zou trekken, terwijl een ander land al op het asielverzoek heeft beslist, zou de beslissing van het andere land door Nederland nog eens worden overgedaan. Dit is niet wenselijk en strookt niet met de doelstelling van Verordening 343/2003. In deze gevallen geldt overigens dat de gezinsleden niet blijvend van elkaar worden gescheiden, omdat het gezinslid van de statushouder in Nederland via de reguliere weg mogelijk in aanmerking kan komen voor gezinshereniging.
|
||||
Hierbij wordt gedoeld op de voorwaarde, dat in een ander land nog geen beslissing mag zijn genomen op het asielverzoek. Dit standpunt is gelegen in het feit dat het uitgangspunt van Verordening 343/2003 is dat asielzoekers slechts in één land een behandeling van hun asielverzoek dienen te krijgen.
|
||||
|
||||
Indien Nederland het asielverzoek aan zich zou trekken, terwijl een ander land al op het asielverzoek heeft beslist, zou de beslissing van het andere land door Nederland nog eens worden overgedaan. Dit is niet wenselijk en strookt niet met de doelstelling van Verordening 343/2003. In deze gevallen geldt overigens dat de gezinsleden niet blijvend van elkaar worden gescheiden, omdat het gezinslid van de statushouder in Nederland via de reguliere weg mogelijk in aanmerking kan komen voor gezinshereniging.
|
||||
|
||||
Immers, de Verordening 343/2003 regelt de verantwoordelijkheid voor de behandeling van het asielverzoek van derdelanders. De Verordening 343/2003 beoogt wel waarborgen te bieden voor gezinsleden die asiel hebben aangevraagd om zoveel mogelijk bijeen te houden dan wel te blijven. Verordening 343/2003 is echter niet bedoeld voor het op reguliere gronden verkrijgen van verblijf bij het gezinslid; hiervoor staan andere regelingen open.
|
||||
|
||||
In artikel 11, vierde lid, Verordening 1560/2003 is geregeld dat voor de toepassing van artikel 15, tweede lid, Verordening 343/2003 in elk geval vereist is dat wordt gewaarborgd dat de asielzoeker of het familielid daadwerkelijk de noodzakelijke hulp zal verlenen.
|
||||
|
||||
Artikel 11, vijfde lid, Verordening 1560/2003, ten slotte, regelt dat bij het vaststellen van datum en plaats van overdracht rekening moet worden gehouden met:
|
||||
|
||||
– het vermogen van de afhankelijke persoon om zich te verplaatsen;
|
||||
– de verblijfssituatie van de betrokken personen teneinde – in voorkomend geval – voorrang te geven aan de hereniging van de asielzoeker met het familielid wanneer dat, in de lidstaat waar hij verblijft, reeds over een verblijfstitel en middelen beschikt.
|
||||
|
||||
Op grond van artikel 15, derde lid, Verordening 343/2003 herenigen de lidstaten, indien mogelijk, de minderjarige met verwant(en) die hij in een andere lidstaat heeft die voor hem kunnen zorgen, tenzij dit niet in het belang van de minderjarige is. Hierbij wordt opgemerkt dat indien de niet-begeleide minderjarige een gezinslid(leden) en/of familieleden heeft in het land van herkomst waardoor dus sprake is van opvang, de minderjarige in beginsel niet in aanmerking komt voor hereniging op grond van artikel 15 Verordening 343/2003.
|
||||
|
||||
Onder ‘indien mogelijk’ dient onder meer het volgende te worden verstaan:
|
||||
|
||||
a. er dient voldoende aannemelijk te zijn gemaakt, dan wel te zijn aangetoond dat er daadwerkelijk sprake is van familie (niet zijnde gezinslid als bedoeld onder artikel 2, onder i, Verordening 343/2003);
|
||||
b. afhankelijk van de asielprocedure van het (de) familielid(-leden) hier te lande dient te worden bezien of de hereniging nog wel mogelijk is mede bezien in het licht van het belang van de niet-begeleide minderjarige.
|
||||
|
||||
Het is immers onwenselijk om overige familieleden in de Nederlandse asielprocedure op te nemen terwijl, ten aanzien van het gezinslid waar Nederland voor verantwoordelijk is, reeds is beslist dat geen grond voor verlening bestaat en de asielzoeker Nederland derhalve dient te verlaten. Hierbij wordt gedoeld op de voorwaarde dat in een ander land nog geen beslissing mag zijn genomen op het asielverzoek. Dit standpunt is gelegen in het hierboven reeds genoemde uitgangspunt van Verordening 343/2003 dat asielzoekers slechts in één land een behandeling van hun asielverzoek dienen te krijgen.
|
||||
|
||||
Onder ‘in het belang van de minderjarige’ dient onder meer het volgende te worden verstaan:
|
||||
|
||||
a. de familieband dient te zijn aangetoond; immers het is niet in het belang van de minderjarige hem/haar te plaatsen bij iemand waarvan niet daadwerkelijk vaststaat dat het familie is;
|
||||
b. er dient geen sprake te zijn van (een) familielid(-leden) waarvan het vermoeden bestaat dat er sprake is geweest van mishandeling (fysiek, mentaal dan wel seksueel) van de minderjarige door dit (deze) familielid (-leden);
|
||||
c. het (de) familielid (-leden) kan (kunnen) de minderjarige voldoende zorg bieden; én
|
||||
d. hetgeen hieromtrent is gesteld in het nationale beleid inzake Amv’s (zie B14), voor zover van toepassing.
|
||||
|
||||
In artikel 12 Verordening 1560/2003 worden regels gesteld voor de situatie waarin een niet-begeleide minderjarige asielzoeker wordt toevertrouwd aan een ander familielid dan zijn vader, moeder of wettelijke voogd. De bepaling regelt de samenwerking tussen de verschillende betrokken autoriteiten.
|
||||
Op grond van artikel 15, derde lid, Verordening 343/2003 herenigen de lidstaten, indien mogelijk, de minderjarige met verwant(en) die hij in een andere lidstaat heeft die voor hem kunnen zorgen, tenzij dit niet in het belang van de minderjarige is. Hierbij wordt opgemerkt dat indien de niet-begeleide minderjarige een gezinslid(leden) en/of familieleden heeft in het land van herkomst waardoor dus sprake is van opvang, de minderjarige in beginsel niet in aanmerking komt voor hereniging op grond van artikel 15 Verordening 343/2003 omdat het herenigen van het kind met het kerngezin als bedoeld in artikel 2 onder i van Verordening 343/2003 in het land van herkomst wordt geprefereerd indien dit mogelijk is.
|
||||
|
||||
###### 2.3.6.4. Overige gevallen van humanitaire aard
|
||||
|
||||
Naast de invulling van de toepassing van artikel 3, tweede lid, Verordening 343/2003 wanneer er sprake is van een concrete verdragsschending (zie C2/2.3.6.2) en de toepassingsmogelijkheden van artikel 3, tweede lid, juncto artikel 15 Verordening 343/2003 daar waar het gaat om aspecten inzake gezinsleden en andere afhankelijke familieleden (zie C2/2.3.6.3), bestaat eveneens een mogelijkheid om in andere gevallen gebruik te maken van artikel 3, tweede lid, Verordening 343/2003.
|
||||
Naast de invulling van de toepassing van artikel 3, tweede lid, Verordening 343/2003 wanneer er sprake is van een concrete verdragsschending (zie C2/2.3.6.2) en de toepassingsmogelijkheden van artikel 3, tweede lid, juncto artikel 15 Verordening 343/2003 daar waar het gaat om aspecten inzake gezinsleden en andere afhankelijke familieleden (zie C/2.3.6.3), bestaat eveneens een mogelijkheid om in andere gevallen gebruik te maken van artikel 3, tweede lid, Verordening 343/2003.
|
||||
|
||||
Indien de vreemdeling op basis van bijzondere, individuele omstandigheden aannemelijk maakt dat het overdragen van de vreemdeling aan de verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt, kan de lidstaat ook in dergelijke individuele gevallen gebruik maken van de bevoegdheid van artikel 3, tweede lid, Verordening 343/2003. Welke aspecten in dit kader een rol (kunnen) spelen, is niet zonder meer te duiden nu het met name zal gaan om de omstandigheden van het geval en in hoeverre deze bijzondere omstandigheden kunnen leiden tot de conclusie dat voortzetting van de Dublinprocedure als onevenredig hard moet worden beschouwd. Wel wordt in dit kader opgemerkt dat het enkele gegeven van medische aspecten niet voldoende is om te spreken van bijzondere omstandigheden. Immers, de medische voorzieningen mogen in beginsel vergelijkbaar worden verondersteld tussen de lidstaten; het interstatelijk vertrouwensbeginsel gaat er eveneens vanuit dat de voorzieningen –indien geïndiceerd- ook ter beschikking staan voor de Dublinclaimant. Dit lijdt slechts uitzondering indien de betrokken vreemdeling aannemelijk maakt met concrete aanwijzingen dat dit uitgangspunt in zijn of haar geval niet opgaat.
|
||||
Indien de vreemdeling op basis van bijzondere, individuele omstandigheden aannemelijk maakt dat het overdragen van de vreemdeling aan de verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt, kan de lidstaat ook in dergelijke individuele gevallen gebruik maken van de bevoegdheid van artikel 3, tweede lid, Verordening 343/2003. Welke aspecten in dit kader een rol (kunnen) spelen, is niet zonder meer te duiden nu het met name zal gaan om de omstandigheden van het geval en in hoeverre deze bijzondere omstandigheden kunnen leiden tot de conclusie dat voortzetting van de Dublinprocedure als onevenredig hard moet worden beschouwd. Wel wordt in dit kader opgemerkt dat het enkele gegeven van medische aspecten niet voldoende is om te spreken van bijzondere omstandigheden. Immers, de medische voorzieningen mogen in beginsel vergelijkbaar worden verondersteld tussen de lidstaten; het interstatelijk vertrouwensbeginsel gaat er eveneens vanuit dat de voorzieningen in de lidstaten – indien geïndiceerd- ook ter beschikking staan voor de Dublinclaimant. Dit lijdt slechts uitzondering indien de betrokken vreemdeling aannemelijk maakt met concrete aanwijzingen dat dit uitgangspunt in zijn of haar geval niet opgaat.
|
||||
|
||||
#### 2.4. Intrekking asielverzoek
|
||||
|
||||
|
|
@ -1890,15 +1797,15 @@ Op basis van het Besluit uitvoering Wav is het aan asielzoekers toegestaan om, o
|
|||
|
||||
#### 3.5. Intrekken van de aanvraag
|
||||
|
||||
Een asielzoeker die zijn asielaanvraag wil intrekken, kan daartoe ten overstaan een ambtenaar van de IND een verklaring ondertekenen (zie model M53). Deze ambtenaar dient zich ervan te vergewissen dat de asielzoeker de inhoud en strekking van de door hem te ondertekenen verklaring kent en begrijpt. De asielzoeker wordt in de gelegenheid gesteld een (rechts)hulpverlener te raadplegen, alvorens een definitieve beslissing tot intrekking van de asielaanvraag te nemen.
|
||||
Voor het intrekken van een asielverzoek wordt onderscheid gemaakt tussen de asielzoeker die zich niet in bewaring bevindt, de asielzoeker die zich wel in bewaring bevindt en de asielzoeker die zich tijdens de 48-uursprocedure op een AC bevindt.
|
||||
|
||||
Intrekking van de asielaanvraag door middel van een brief van de asielzoeker, zijn wettelijk vertegenwoordiger of gevolmachtigde is eveneens mogelijk.
|
||||
Intrekking van de asielaanvraag en eventuele vervolgprocedures dient schriftelijk te geschieden en te worden ondertekend door de asielzoeker, zijn wettelijk vertegenwoordiger of gevolmachtigde. Het schrijven dient de IND te worden toegezonden.
|
||||
|
||||
Indien de asielzoeker zijn asielaanvraag wil intrekken tijdens de procedure in het AC, krijgt hij maximaal twee uur de gelegenheid te overleggen met zijn (rechts)hulpverlener. Indien de asielzoeker zijn aanvraag wil intrekken terwijl hij in een opvangvoorziening verblijft, geldt een termijn van 24 uur.
|
||||
De IND draagt er zorg voor dat de politie en de burgemeester van de gemeente waar de asielzoeker woon- of verblijfplaats heeft, over het beëindigen van de procedure(s) worden geïnformeerd.
|
||||
|
||||
Als de vreemdeling te kennen geeft dat hij zijn asielaanvraag wil intrekken, wordt de vreemdelingenpolitie hiervan onmiddellijk in kennis gesteld.
|
||||
Indien een asielzoeker zich in bewaring bevindt, dient de intrekking te allen tijde te geschieden middels het model M53.
|
||||
|
||||
Alleen als bovengenoemde handelingen zijn verricht, wordt de aanvraag als ingetrokken beschouwd.
|
||||
Indien de asielzoeker zijn asielaanvraag wil intrekken tijdens de procedure in het AC krijgt hij maximaal twee uur de gelegenheid te overleggen met zijn (rechts)hulpverlener. De feitelijke intrekking dient schriftelijk te geschieden en te worden ondertekend door de asielzoeker.
|
||||
|
||||
## 12. Begin van het onderzoek
|
||||
|
||||
|
|
@ -2420,45 +2327,14 @@ Voor de beoordeling van asielaanvragen van asielzoekers uit de belangrijkste lan
|
|||
|
||||
Een herhaalde aanvraag betreft een volgens de formele vereisten van artikel 3.38 VV ingediende tweede of volgende asielaanvraag, die op grond van het bepaalde in artikel 4:6 Awb kan worden afgewezen.
|
||||
|
||||
Op grond van artikel 4:6 Awb is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan.
|
||||
|
||||
Er is enkel sprake van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden indien die:
|
||||
|
||||
a. op het moment waarop de eerdere aanvraag werd afgewezen niet bekend waren of redelijkerwijs niet bekend konden zijn; en
|
||||
b. aanleiding geven tot heroverweging van de afwijzing van de eerdere aanvraag.
|
||||
|
||||
Ingevolge artikel 83, eerste lid, Vw kan de rechtbank bij het beoordelen van het beroep rekening houden met feiten en omstandigheden die na het nemen van het bestreden besluit zijn opgekomen.
|
||||
|
||||
Wanneer de vreemdeling in de beroepsprocedure inzake de eerdere aanvraag, nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft ingebracht en de rechter hiermee onder toepassing van artikel 83, eerste lid, Vw rekening heeft gehouden, worden deze feiten en omstandigheden, voor de toepassing van artikel 4:6 Awb, geacht te zijn betrokken bij de afwijzende beschikking.
|
||||
|
||||
Bij de beoordeling van de herhaalde aanvraag kan echter niet aan de vreemdeling worden tegengeworpen dat feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn opgekomen, niet bij de rechtbank naar voren zijn gebracht met een beroep op artikel 83, eerste lid, Vw.
|
||||
|
||||
Onder feiten en omstandigheden worden tevens bewijsstukken gerekend die eerder aangevoerde feiten en omstandigheden ondersteunen.
|
||||
|
||||
Wanneer de ingebrachte feiten en omstandigheden dateren van na de eerdere afwijzende beschikking kan in elk geval worden geconcludeerd dat deze niet eerder bekend waren of konden zijn.
|
||||
|
||||
Indien de ingebrachte feiten en omstandigheden dateren van voor de eerdere afwijzende beschikking dient te worden bezien of deze eerder konden worden ingebracht. Zo is het denkbaar dat een vreemdeling pas na de eerdere afwijzende beschikking in het bezit heeft kunnen komen van documenten die het asielrelaas onderbouwen.
|
||||
|
||||
Uitgangspunt is dat de vreemdeling bij de eerste aanvraag alle hem bekende informatie en documenten overlegt. Ook in geval van mogelijk traumatiserende gebeurtenissen wordt in beginsel van de vreemdeling verwacht dat hij daar in de eerste procedure op enigerlei wijze – hoe summier ook – melding van maakt.
|
||||
|
||||
Bijzondere door de vreemdeling zelf ingebrachte en aannemelijk gemaakte omstandigheden kunnen echter aanleiding zijn om aan te nemen dat deze feiten redelijkerwijs niet eerder konden worden ingebracht. Met name bij de tweede of volgende asielaanvraag aannemelijk gemaakte traumatiserende gebeurtenissen, zoals opgesomd in C2/4.2, is het onder omstandigheden denkbaar dat de vreemdeling ten tijde van de eerdere aanvraag terughoudend is geweest met het naar voren brengen van deze gebeurtenissen. Dit zal eerder het geval zijn wanneer de eerdere aanvraag binnen 48 proces-uren is afgewezen.
|
||||
|
||||
Het kan voorkomen dat in de eerdere procedure een asielzoeker is vertegenwoordigd door zijn ouders (zonder zelf te zijn gehoord), en de tweede of volgende asielaanvraag door die asielzoeker in persoon wordt ingediend. Wanneer tijdens deze tweede of volgende aanvraag de asielzoeker voor het eerst feiten en omstandigheden naar voren brengt die specifiek zien op de eigen persoon en die niet reeds door de ouders naar voren zijn gebracht, wordt in geen geval aangenomen dat deze feiten en omstandigheden in redelijkheid eerder naar voren konden worden gebracht.
|
||||
|
||||
Ook indien de ingebrachte feiten en omstandigheden op het moment van de eerdere aanvraag niet bekend waren of redelijkerwijs niet bekend konden zijn, kan toepassing van artikel 4:6 Awb aan de orde zijn. Indien op voorhand al duidelijk is dat de ingebrachte feiten en omstandigheden geen nieuw licht kunnen werpen op de beoordeling van de asielaanvraag, kan onder toepassing van artikel 4:6 Awb de aanvraag worden afgewezen.
|
||||
|
||||
Wanneer dit niet op voorhand al duidelijk is, blijft toepassing van artikel 4:6 Awb achterwege, hetgeen geenszins betekent dat de vreemdeling automatisch in aanmerking komt voor de gevraagde vergunning. Afwijzing van de aanvraag op grond van artikel 30 of 31 Vw kan in dat geval nog immer aan de orde zijn.
|
||||
|
||||
Indien de eerdere aanvraag is afgewezen op grond van artikel 30, en dan met name onder a of d, Vw, dan kunnen de nieuwe feiten en omstandigheden alleen betrekking hebben op de toepasselijke – imperatieve – afwijzingsgrond. Feiten of omstandigheden omtrent het asielrelaas kunnen in dat geval niet leiden tot een ander oordeel.
|
||||
|
||||
In het geval de eerdere aanvraag is afgewezen op grond van het feit dat het relaas van de vreemdeling als ongeloofwaardig is aangemerkt, dienen de nieuwe feiten en omstandigheden in elk geval deze ongeloofwaardigheid weg te nemen alvorens tot een beoordeling van de zwaarwegendheid van deze feiten en omstandigheden kan worden toegekomen.
|
||||
|
||||
Niettegenstaande het bovenstaande kunnen bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden aanleiding zijn om toepassing van artikel 4:6 Awb achterwege te laten. Deze bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden worden in elk geval aanwezig geacht wanneer de feiten en omstandigheden leiden tot de conclusie dat de vreemdeling aangemerkt dient te worden als verdragsvluchteling, of wanneer schending van artikel 3 EVRM dreigt.
|
||||
|
||||
In het geval er twijfel bestaat of toepassing van artikel 4:6 Awb in een individuele zaak redelijk te achten is, verdient het de voorkeur de aanvraag – al dan niet binnen de AC-procedure – inhoudelijk te beoordelen aan de hand van de artikelen 30 en 31 Vw.
|
||||
|
||||
Artikel 3.1, eerste lid, Vb bepaalt dat tijdens de behandeling van een aanvraag uitzetting niet achterwege blijft indien naar het voorlopig oordeel van de Minister sprake is van een herhaalde aanvraag. Wanneer dit gelet op bijvoorbeeld een geplande uitzetting van belang is, en de feiten of omstandigheden op het moment van de eerdere afwijzing reeds bekend waren, redelijkerwijs bekend konden zijn, dan wel geen aanleiding geven tot heroverweging, kan dit schriftelijk aan de vreemdeling kenbaar worden gemaakt. Dit kan onmiddellijk geschieden na het moment dat de vreemdeling aangeeft een tweede of volgende aanvraag te willen indienen. Hierbij wordt de vreemdeling tevens meegedeeld dat het voorlopig oordeel tot gevolg heeft dat de uitzetting niet achterwege blijft. Indien bij de aanvraag wel mogelijk relevante nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangegeven, geldt de procedure die is beschreven onder C10/2.5.
|
||||
|
||||
#### 5.2. Verzoek om heroverweging
|
||||
|
||||
Verzoeken om heroverweging zullen doorgaans per brief worden gedaan.
|
||||
|
|
@ -3622,6 +3498,60 @@ Ten aanzien van Amv’s uit Afghanistan kan niet op voorhand worden geconcludeer
|
|||
|
||||
Ten aanzien van asielzoekers uit Afghanistan geldt geen besluit in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw.
|
||||
|
||||
### [1a]. Het asielbeleid ten aanzien van Algerije
|
||||
|
||||
#### 1. Achtergrond
|
||||
|
||||
Deze landenparagraaf bevat het landgebonden asielbeleid voor Algerije. Het landgebonden asielbeleid is een uitwerking van het algemene beleid van C1 tot en met C23 en kan niet worden gezien als een uitzonderingsregeling. De algemene wet- en regelgeving blijft steeds de basis voor de individuele beoordeling van een asielaanvraag.
|
||||
|
||||
#### 2. Besluitmoratorium
|
||||
|
||||
Ten aanzien van asielzoekers uit Algerije geldt geen besluit in de zin van artikel 43 Vw.
|
||||
|
||||
#### 3. Groepen van personen die verhoogde aandacht vragen
|
||||
|
||||
##### 3.1. Vrouwen
|
||||
|
||||
Het normale beleid, zoals onder andere weergegeven in C2/2.11, C2/3.2 en C14/4.3 is van toepassing.
|
||||
|
||||
##### 3.2. Dienstplichtigen en deserteurs
|
||||
|
||||
Het normale beleid, zoals weergegeven in C2/2.12 is van toepassing.
|
||||
|
||||
#### 4. Traumatabeleid
|
||||
|
||||
Het algemene beleid, zoals weergegeven in C2/4.2 is van toepassing. Voor het overige zijn er met betrekking tot Algerije geen bijzonderheden.
|
||||
|
||||
#### 5. Categoriale bescherming
|
||||
|
||||
Asielzoekers uit Algerije komen niet op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, Vw in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel (zie C2/5).
|
||||
|
||||
#### 6. Verdere beleidsconclusies en aandachtspunten
|
||||
|
||||
##### 6.1. Vlucht- en/of vestigingsalternatief
|
||||
|
||||
Het algemene beleid, zoals weergegeven in C4/2.2 is van toepassing.
|
||||
|
||||
##### 6.2. Veilig land van herkomst
|
||||
|
||||
Algerije wordt niet beschouwd als een veilig land van herkomst.
|
||||
|
||||
##### 6.3. Veilig derde land / land van eerder verblijf
|
||||
|
||||
Algerije wordt niet beschouwd als een veilig derde land.
|
||||
|
||||
##### 6.4. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
|
||||
|
||||
Het beleid zoals neergelegd in C4/3.11.3 is van toepassing. Voor de procedure omtrent getuigen van oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid wordt verwezen naar C11/3.1.
|
||||
|
||||
#### 7. Opvangmogelijkheden Amv’s
|
||||
|
||||
Voor Amv’s is adequate opvang in Algerije voorhanden. Amv’s van Algerijnse nationaliteit komen derhalve niet in aanmerking voor verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd bedoeld voor Amv’s. Bij de feitelijke terugkeer moet de toegang tot een concrete opvangplaats geregeld zijn, tenzij betrokkene zich zelfstandig kan handhaven.
|
||||
|
||||
#### 8. Vertrekmoratorium
|
||||
|
||||
Ten aanzien van asielzoekers uit geldt geen besluit in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw.
|
||||
|
||||
### [2]. Het asielbeleid ten aanzien van Angola
|
||||
|
||||
#### 1. Datum
|
||||
|
|
@ -4048,6 +3978,60 @@ Ten aanzien van Amv’s uit Azerbeidzjan kan niet op voorhand worden geconcludee
|
|||
|
||||
Ten aanzien van asielzoekers uit Azerbeidzjan geldt geen besluit in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw.
|
||||
|
||||
### [4a]. Het asielbeleid ten aanzien van Bosnië Herzegovina
|
||||
|
||||
#### 1. Achtergrond
|
||||
|
||||
Deze landenparagraaf bevat het landgebonden asielbeleid voor Bosnië-Herzegovina. Het landgebonden asielbeleid is een uitwerking van het algemene beleid van C1 tot en met C23 en kan niet worden gezien als een uitzonderingsregeling. De algemene wet- en regelgeving blijft steeds de basis voor de individuele beoordeling van een asielaanvraag.
|
||||
|
||||
#### 2. Besluitmoratorium
|
||||
|
||||
Ten aanzien van asielzoekers uit Bosnië-Herzegovina geldt geen besluit in de zin van artikel 43 Vw.
|
||||
|
||||
#### 3. Groepen van personen die verhoogde aandacht vragen
|
||||
|
||||
##### 3.1. Vrouwen
|
||||
|
||||
Het normale beleid, zoals onder andere weergegeven in C2/2.11, C2/3.2 en C14/4.3 is van toepassing.
|
||||
|
||||
##### 3.2. Dienstplichtigen en deserteurs
|
||||
|
||||
Het normale beleid, zoals weergegeven in C2/2.12 is van toepassing.
|
||||
|
||||
#### 4. Traumatabeleid
|
||||
|
||||
Het algemene beleid, zoals weergegeven in C2/4.2 is van toepassing. Voor het overige zijn er met betrekking tot Bosnië-Herzegovina geen bijzonderheden.
|
||||
|
||||
#### 5. Categoriale bescherming
|
||||
|
||||
Asielzoekers uit Bosnië-Herzegovina komen niet op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, Vw in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel (zie C2/5).
|
||||
|
||||
#### 6. Verdere beleidsconclusies en aandachtspunten
|
||||
|
||||
##### 6.1. Vlucht- en/of vestigingsalternatief
|
||||
|
||||
Het algemene beleid, zoals weergegeven in C4/2.2 is van toepassing.
|
||||
|
||||
##### 6.2. Veilig land van herkomst
|
||||
|
||||
Bosnië-Herzegovina wordt niet beschouwd als een veilig land van herkomst.
|
||||
|
||||
##### 6.3. Veilig derde land / land van eerder verblijf
|
||||
|
||||
Bosnië-Herzegovina wordt niet beschouwd als een veilig derde land.
|
||||
|
||||
##### 6.4. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
|
||||
|
||||
Het beleid zoals neergelegd in C4/3.11.3 is van toepassing. Voor de procedure omtrent getuigen van oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid wordt verwezen naar C11/3.1.
|
||||
|
||||
#### 7. Opvangmogelijkheden Amv’s
|
||||
|
||||
Voor Amv’s is adequate opvang in Bosnië-Herzegovina voorhanden. Amv’s van Bosnische nationaliteit komen derhalve niet in aanmerking voor verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd bedoeld voor Amv’s. Bij de feitelijke terugkeer moet de toegang tot een concrete opvangplaats geregeld zijn, tenzij betrokkene zich zelfstandig kan handhaven.
|
||||
|
||||
#### 8. Vertrekmoratorium
|
||||
|
||||
Ten aanzien van asielzoekers uit geldt geen besluit in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw.
|
||||
|
||||
### [5]. Het asielbeleid ten aanzien van Burundi
|
||||
|
||||
#### 1. Datum
|
||||
|
|
@ -4503,23 +4487,17 @@ Ten aanzien van asielzoekers uit Colombia is geen besluit genomen in de zin van
|
|||
|
||||
### [8]. Het asielbeleid ten aanzien van Congo DRC
|
||||
|
||||
#### 1. Datum
|
||||
|
||||
Deze versie van deze landenparagraaf treedt in werking op de dag waarop C24 van kracht wordt.
|
||||
|
||||
#### 2. Achtergrond
|
||||
#### 1. Achtergrond
|
||||
|
||||
Deze landenparagraaf bevat het landgebonden asielbeleid voor Congo DRC. Het landgebonden asielbeleid is een uitwerking van het algemene beleid van C1 tot en met C23 en kan niet worden gezien als een uitzonderingsregeling. De algemene wet- en regelgeving blijft steeds de basis voor de individuele beoordeling van een asielaanvraag.
|
||||
|
||||
De beleidsconclusies in deze landenparagraaf zijn mede gebaseerd op het algemeen ambtsbericht van de Minister van BuZa van 30 september 2005 over de situatie in Congo DRC.
|
||||
|
||||
#### 3. Besluitmoratorium
|
||||
#### 2. Besluitmoratorium
|
||||
|
||||
Ten aanzien van asielzoekers uit Congo DRC geldt geen besluit in de zin van artikel 43 Vw.
|
||||
|
||||
#### 4. Groepen van personen die verhoogde aandacht vragen
|
||||
#### 3. Groepen van personen die verhoogde aandacht vragen
|
||||
|
||||
##### 4.1. Bevolkingsgroepen
|
||||
##### 3.1. Bevolkingsgroepen
|
||||
|
||||
Uit het ambtsbericht van 1 april 2005 van het Ministerie van BuZa blijkt dat Banyamulenge tijdens en na hun terugkeer naar Zuid-Kivu het slachtoffer werden van geweld, willekeurige arrestaties en tegenwerking van de autoriteiten. Tevens blijkt uit dit ambtsbericht dat in Kinshasa een sluimerende haat is tegen personen die Rwanda personifiëren.
|
||||
|
||||
|
|
@ -4543,115 +4521,75 @@ Voor deze bevolkingsgroep geldt in beginsel een vlucht- en vestigingsalternatief
|
|||
|
||||
Er zijn geen aanwijzingen dat personen door de autoriteiten uit Congo DRC worden vervolgd vanwege hun etnische afkomst. Het behoren tot een specifieke bevolkingsgroep – niet zijnde die der Tutsi – vormt derhalve in beginsel geen reden betrokkene in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
|
||||
|
||||
##### 4.2. Politieke tegenstanders van het bewind
|
||||
##### 3.2. Politieke tegenstanders van het bewind
|
||||
|
||||
De wet op de organisatie en het functioneren van politieke partijen van maart 2004 erkent en garandeert het politieke pluralisme in Congo DRC. Sinds deze nieuwe wetgeving van kracht is, is de vrijheid van vereniging en vergadering licht verbeterd.
|
||||
|
||||
De overgangsgrondwet voorziet in vrijheid van vreedzame vergadering, maar in de praktijk wordt deze vrijheid door de overgangsregering beperkt. Het recht van vergadering is ondergeschikt gemaakt aan de openbare orde.
|
||||
|
||||
Om op grond van artikel 29, eerste lid, onder a of b, Vw voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in aanmerking te komen, dient de betrokkene aannemelijk te maken dat de problemen die hij van de zijde van de Congolese autoriteiten heeft ondervonden vanwege zijn politieke activiteiten, te herleiden zijn tot daden van vervolging zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag, of dat hij een reëel risico loopt op schending van het gestelde in artikel 3 EVRM.
|
||||
|
||||
##### 4.3. Leden rebellengroeperingen
|
||||
##### 3.3. Leden rebellengroeperingen
|
||||
|
||||
De meeste voormalige rebellenmilities is toegestaan om als politieke partij te fungeren. De nog als militie actieve rebellengroeperingen, bijvoorbeeld in het Ituri District, richten hun activiteiten doorgaans niet op de Congolese autoriteiten, maar op andere milities of op de burgerbevolking.
|
||||
|
||||
Het enkele lidmaatschap van een rebellengroepering vormt derhalve onvoldoende reden om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.
|
||||
|
||||
##### 4.4. Mobutu-aanhangers
|
||||
##### 3.4. Mobutu-aanhangers
|
||||
|
||||
Gelet op de informatie uit het ambtsbericht van de Minister van BuZa over de situatie in Congo DRC, zijn er geen gevallen bekend van ex-mobutisten die na hun terugkeer naar Kinshasa problemen met de autoriteiten hebben gehad.
|
||||
|
||||
Derhalve komt een Mobutu-aanhanger in beginsel niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, vanwege sympathieën jegens Mobutu.
|
||||
|
||||
##### 4.5. Ex-militairen van de Forces Armées du Zaïre
|
||||
##### 3.5. Ex-militairen van de Forces Armées du Zaïre
|
||||
|
||||
Gelet op de informatie uit het ambtsbericht van de Minister van BuZa over de situatie in Congo DRC, zijn er geen gevallen bekend van ex-militairen van de Forces Armées du Zaïre die na hun terugkeer naar Kinshasa problemen met de autoriteiten hebben gehad.
|
||||
|
||||
Derhalve komt een ex-militair van de Forces Armées du Zaïre in beginsel niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd vanwege het voormalig lidmaatschap van de Forces Armées du Zaïre.
|
||||
|
||||
##### 4.6. Journalisten
|
||||
##### 3.6. Journalisten
|
||||
|
||||
De wet voorziet in vrijheid van meningsuiting. In de praktijk wordt dit recht echter beperkt. In de verslagperiode van het eerdergenoemde ambtsbericht werd een aantal journalisten bedreigd, gearresteerd en gedetineerd.
|
||||
|
||||
Met inachtneming van het vorenstaande, dient betrokkene, om op grond van artikel 29, eerste lid, onder a of b, Vw in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, aannemelijk te maken dat de problemen die hij heeft ondervonden van de zijde van de autoriteiten vanwege zijn werkzaamheden als journalist te herleiden zijn tot daden van vervolging, zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag, of dat hij een reëel risico loopt op schending van het gestelde in artikel 3 EVRM.
|
||||
|
||||
##### 4.7. Vrouwen
|
||||
##### 3.7. Vrouwen
|
||||
|
||||
Het normale beleid, zoals onder andere weergegeven in C2/2.11, C2/3.2 en C14/4.3 is van toepassing.
|
||||
|
||||
Uit het ambtsbericht van de Minister van BuZa blijkt dat seksueel geweld op grote schaal voorkomt in Congo DRC. Slachtoffers van verkrachting leven in schaamte. Zij lopen het risico verstoten te worden door hun familie.
|
||||
|
||||
De vrouw, van wie is vastgesteld dat zij een vanwege het vorenstaande gegronde vrees voor vervolging heeft, of dat zij een reëel risico loopt op een behandeling in de zin van artikel 3 EVRM komt niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel, indien is vastgesteld dat zij zich aan de gevreesde vervolging of het reële risico op een behandeling in de zin van artikel 3 EVRM, kan onttrekken door zich elders in het land van herkomst te vestigen.
|
||||
|
||||
Indien geweld tegen vrouwen uitgaat van de centrale autoriteiten is in beginsel geen plaats voor het tegenwerpen van een vestigingsalternatief. Voorzover een beroep wordt gedaan op het traumatabeleid, wordt verwezen naar C2/4.2.
|
||||
|
||||
##### 4.8. Dienstplichtigen en deserteurs
|
||||
##### 3.8. Dienstplichtigen en deserteurs
|
||||
|
||||
Het normale beleid, zoals weergegeven in C2/2.12 is van toepassing.
|
||||
|
||||
Ten aanzien van Congo DRC heeft zich niet de situatie voorgedaan dat militaire acties in totaliteit door de internationale gemeenschap zijn veroordeeld als strijdig met de grondbeginselen voor humaan gedrag of met de fundamentele normen die gelden tijdens een gewapend conflict.
|
||||
|
||||
Uit informatie van het ambtsbericht van de Minister van BuZa over de situatie in Congo DRC is gebleken dat in Congo DRC geen dienstplicht bestaat.
|
||||
|
||||
Desertie is formeel strafbaar en heeft als maximale straf de doodstraf. In de praktijk komt desertie regelmatig voor. Vervolging wegens alleen desertie vindt zelden plaats, vaak wordt desertie als strafverzwarende omstandigheid aangemerkt.
|
||||
|
||||
Personen die aannemelijk maken dat zij gedeserteerd zijn uit het nationale Congolese leger kunnen op grond van artikel 29, eerste lid, onder a of b, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel bepaalde tijd, afhankelijk van de vraag of een van de gronden genoemd in C2/2.12 de aanleiding is geweest om te deserteren.
|
||||
|
||||
Het is hierbij aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat hij daadwerkelijk in het Congolese regeringsleger heeft gediend.
|
||||
|
||||
#### 5. Traumatabeleid
|
||||
#### 4. Traumatabeleid
|
||||
|
||||
Het algemene beleid, zoals weergegeven in C2/4.2 is van toepassing.
|
||||
|
||||
Indien bij een persoon geconcludeerd wordt dat hij te maken heeft gehad met een der gebeurtenissen als genoemd in C2/4.2.3, dan is het mogelijk binnen de kaders als genoemd in C2/4.2.4 een vestigingsalternatief elders in Congo DRC tegen te werpen, indien deze gebeurtenissen niet zijn veroorzaakt door de centrale autoriteiten. Het tegenwerpen van een vestigingsalternatief dient echter per individueel geval beoordeeld te worden. Het is daarbij aan betrokkene om aannemelijk te maken, dat hij zich niet elders in Congo DRC kan vestigen.
|
||||
#### 5. Categoriale bescherming
|
||||
|
||||
#### 6. Categoriale bescherming
|
||||
Personen die behoren tot de bevolkingsgroep van de Tutsi uit Congo DRC komen behoudens contra-indicaties in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, Vw (zie C2/5 ). Ook asielzoekers van gemengde afkomst worden tot de bevolkingsgroep van de Tutsi gerekend. Er wordt hierbij geen onderscheid gemaakt of de vader dan wel de moeder tot de etnische groep van de Tutsi wordt gerekend en de andere ouder een andere etnische afkomst heeft.
|
||||
|
||||
Personen die behoren tot de bevolkingsgroep der Tutsi uit Congo DRC komen behoudens contra-indicaties in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, Vw (zie C2/5).
|
||||
#### 6. Verdere beleidsconclusies en aandachtspunten
|
||||
|
||||
Voor leden van bevolkingsgroepen – niet zijnde Tutsi – afkomstig uit gebieden in het oosten van Congo DRC, waar zich recent gewapende conflicten hebben voorgedaan (bijvoorbeeld de Kivu’s of Ituri), bestaat een verblijfsalternatief in de gebieden, die onder de controle van de Congolese autoriteiten staan. Zij komen derhalve niet in aanmerking voor categoriale bescherming. Ook andere personen afkomstig uit Congo DRC komen niet in aanmerking voor categoriale bescherming.
|
||||
|
||||
#### 7. Verdere beleidsconclusies en aandachtspunten
|
||||
|
||||
##### 7.1. Vlucht- en/of vestigingsalternatief
|
||||
##### 6.1. Vlucht- en/of vestigingsalternatief
|
||||
|
||||
Het algemene beleid, zoals weergegeven in C4/2.2 is van toepassing.
|
||||
|
||||
Ten aanzien van Congo DRC gelden de volgende beleidsregels.
|
||||
|
||||
Ten aanzien van de bevolkingsgroepen wordt geen vlucht- of vestigingsalternatief tegengeworpen.
|
||||
|
||||
Indien voor een persoon afkomstig uit de provincie Noord- of Zuid-Kivu, behorend tot andere bevolkingsgroepen dan de Tutsi, geconcludeerd wordt dat hij te vrezen heeft voor vervolging of dat hij een reëel risico loopt op schending van het gestelde in artikel 3 EVRM, dan is het mogelijk, indien de vervolging uitgaat van een van de milities, een vlucht- of vestigingsalternatief elders in Congo DRC tegen te werpen. Het tegenwerpen van een vlucht- of vestigingsalternatief dient echter per individueel geval beoordeeld te worden. Het is daarbij aan betrokkene om aannemelijk te maken, dat hij zich niet elders in Congo DRC kan vestigen.
|
||||
|
||||
Indien voor een Hema of Lendu (of andere personen uit het Ituri District) geconcludeerd wordt dat hij te vrezen heeft voor vervolging of dat hij een reëel risico loopt op schending van het gestelde in artikel 3 EVRM, dan is het mogelijk, indien de vervolging uitgaat van een van de milities, een vlucht- of vestigingsalternatief elders in Congo DRC tegen te werpen. Het tegenwerpen van een vlucht- of vestigingsalternatief dient echter per individueel geval beoordeeld te worden. Het is daarbij aan betrokkene om aannemelijk te maken, dat hij zich niet elders in Congo DRC kan vestigen.
|
||||
|
||||
##### 7.2. Veilig land van herkomst
|
||||
##### 6.2. Veilig land van herkomst
|
||||
|
||||
Congo DRC wordt niet beschouwd als veilig land van herkomst.
|
||||
|
||||
##### 7.3. Veilig derde land / land van eerder verblijf
|
||||
##### 6.3. Veilig derde land / land van eerder verblijf
|
||||
|
||||
Congo DRC wordt niet beschouwd als veilig derde land.
|
||||
|
||||
##### 7.4. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
|
||||
##### 6.4. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
|
||||
|
||||
Het beleid zoals neergelegd in C4/3.11.3 is van toepassing.
|
||||
Het beleid zoals neergelegd in C4/3.11.3 is van toepassing. Voor de procedure omtrent getuigen van oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid wordt verwezen naar C11/3.1.
|
||||
|
||||
Voor de procedure omtrent getuigen van oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid wordt verwezen naar C11/3.1.
|
||||
#### 7. Opvangmogelijkheden Amv’s
|
||||
|
||||
Verder zijn er nog de volgende aandachtspunten.
|
||||
Voor Amv’s is adequate opvang in Congo DRC voorhanden. Weeskinderen worden in het algemeen opgevangen door de familie van één van beide ouders. Opvang voor vier uit Nederland teruggekeerde Amv’s is geregeld in het opvangcentrum van de Congregatie der Salesianen (Don Bocso). Voor meer informatie over opvangmogelijkheden voor Amv’s wordt verwezen naar het eerdergenoemde ambtsbericht van de Minister van BuZa.
|
||||
|
||||
Zowel leden van het leger, de politie en de veiligheidsdienst, als leden van (voormalige) rebellenmilities hebben zich in Congo DRC op grote schaal schuldig gemaakt aan het schenden van de mensenrechten. Met name de strijdende partijen in het oosten van Congo DRC maken zich schuldig aan foltering en andere oorlogsmisdrijven. Om die reden dient men er in het bijzonder op bedacht te zijn of betrokkene zich mogelijk schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als omschreven in artikel 1F Vluchtelingenverdrag. Vorenstaande kan ook van belang zijn bij minderjarigen, aangezien met name de rebellengroeperingen en sommige facties van het nationale leger gebruik maken dan wel gebruik hebben gemaakt van kindsoldaten.
|
||||
|
||||
Indien de activiteiten van de betrokkene aanleiding geven tot het tegenwerpen van artikel 1F Vluchtelingenverdrag, dan komt de betrokkene evenmin in aanmerking voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, Vw.
|
||||
|
||||
#### 8. Opvangmogelijkheden Amv’s
|
||||
|
||||
Voor Amv’s is adequate opvang in Congo DRC voorhanden. Weeskinderen worden in het algemeen opgevangen door de familie van één van beide ouders. Opvang voor vier uit Nederland teruggekeerde Amv’s is geregeld in het opvangcentrum van de Congregatie der Salesianen (Don Bosco). Voor meer informatie over opvangmogelijkheden voor Amv’s wordt verwezen naar het eerdergenoemde ambtsbericht van de Minister van BuZa.
|
||||
|
||||
Minderjarige asielzoekers van Congolese nationaliteit komen derhalve niet in aanmerking voor verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd bedoeld voor Amv’s. Bij de feitelijke terugkeer moet de toegang tot een concrete opvangplaats geregeld zijn, tenzij betrokkene zich zelfstandig kan handhaven.
|
||||
|
||||
#### 9. Vertrekmoratorium
|
||||
#### 8. Vertrekmoratorium
|
||||
|
||||
Ten aanzien van asielzoekers uit Congo DRC geldt geen besluit in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw.
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue