2002-07-01 | BWBR0013796 | Uitvoeringswet Internationaal Strafhof
This commit is contained in:
parent
5f0290009a
commit
cb2dd837a7
1 changed files with 33 additions and 66 deletions
|
|
@ -14,51 +14,38 @@ citeertitel: Uitvoeringswet Internationaal Strafhof
|
|||
|
||||
### Artikel 1
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Voor de toepassing van deze rijkswet wordt verstaan onder:
|
||||
|
||||
a. Statuut: het op 17 juli 1998 te Rome tot stand gekomen Statuut van Rome inzake het Internationale Strafhof (Trb. 2000, 120);
|
||||
b. Strafhof: het Internationale Strafhof, opgericht bij het Statuut, respectievelijk elk van zijn organen voor de daaraan toegewezen taken;
|
||||
c. consultatie: overleg als bedoeld in artikel 97 van het Statuut, tussen een staat die partij is bij het Statuut, en het Strafhof;
|
||||
d. samenwerking: de samenwerking, bedoeld in deel 9 van het Statuut, tussen het Strafhof en de staten die partij zijn bij het Statuut;
|
||||
e. overlevering: de ter beschikkingstelling van een persoon door Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten aan het Strafhof ten behoeve van een bij het Strafhof tegen hem gericht strafrechtelijk onderzoek of de tenuitvoerlegging van een hem door het Strafhof opgelegde gevangenisstraf;
|
||||
e. overlevering: de terbeschikkingstelling van een persoon door Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba aan het Strafhof ten behoeve van een bij het Strafhof tegen hem gericht strafrechtelijk onderzoek of de tenuitvoerlegging van een hem door het Strafhof opgelegde gevangenisstraf;
|
||||
f. tenuitvoerlegging: de tenuitvoerlegging van uitspraken van het Strafhof, bedoeld in deel 10 van het Statuut, met inbegrip van de toepassing van voorlopige maatregelen ten behoeve van die tenuitvoerlegging;
|
||||
g. bijstand: de bijstand die Nederland in zijn hoedanigheid van Gastland aan het Strafhof verleent;
|
||||
h. doorvoer: het begeleid vervoer over Nederlands grondgebied van personen, afkomstig van een vreemde staat en met als bestemming het Strafhof, dan wel afkomstig van het Strafhof en met als bestemming een vreemde staat;
|
||||
i. Onze Minister: Onze Minister van Justitie;
|
||||
j. Wetboek van Strafvordering: het Wetboek van Strafvordering van het Europese deel van het Koninkrijk.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
In deze wet wordt mede verstaan onder:
|
||||
|
||||
a. Nederlands grondgebied of Nederlands gebied: het grondgebied van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba;
|
||||
b. in Nederland: in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba;
|
||||
c. Nederlandse ambtenaren: ambtenaren van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba;
|
||||
d. Nederlands recht: het geldende recht in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
|
||||
|
||||
**3.** Onder officier van justitie, hulpofficier van justitie en opsporingsambtenaar wordt uitsluitend voor de toepassing van de artikelen 13 tot en met 19a, mede verstaan de officier van justitie van het openbaar ministerie bij het gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, de hulpofficier van justitie, bedoeld in artikel 191 van het Wetboek van Strafvordering BES, en de opsporingsambtenaar, bedoeld in artikel 184 van dat wetboek.
|
||||
j. Wetboek van Strafvordering: het Nederlandse Wetboek van Strafvordering.
|
||||
|
||||
### Artikel 2
|
||||
|
||||
**1.** Onverminderd de overige leden van dit artikel is deze rijkswet van toepassing op Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten.
|
||||
**1.** Onverminderd de overige leden van dit artikel is deze rijkswet van toepassing op Nederland, de Nederlandse Antillen en Aruba.
|
||||
|
||||
**2.** Indien het verzoek van het Strafhof inhoudt een verzoek om een handeling, te verrichten door de autoriteiten van Aruba, Curaçao of Sint Maarten, wordt het verzoek, in afwijking van artikel 3, eerste lid, in behandeling genomen door de Minister van Justitie van Aruba, Curaçao onderscheidenlijk Sint Maarten. Deze zendt het verzoek overeenkomstig artikel 3, tweede en vierde lid, door aan de procureur-generaal van Aruba en aan de procureur-generaal voor Curaçao, voor Sint Maarten en voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
|
||||
**2.** Indien het verzoek van het Strafhof inhoudt een verzoek om een handeling, te verrichten door de autoriteiten van de Nederlandse Antillen of Aruba, wordt het verzoek, in afwijking van artikel 3, eerste lid, in behandeling genomen door de Minister van Justitie van de Nederlandse Antillen onderscheidenlijk Aruba. Deze zendt het verzoek overeenkomstig artikel 3, tweede of vierde lid, door aan de Procureur-Generaal van de Nederlandse Antillen onderscheidenlijk Aruba.
|
||||
|
||||
**3.** In de gevallen, bedoeld in het tweede lid, zijn, in afwijking van het bepaalde in de hoofdstukken 2, 3 en 4 van deze wet en behoudens strijd met het Statuut, het Uitleveringsbesluit van Aruba, Curaçao en Sint Maarten alsmede het Wetboek van Strafvordering van Aruba, Curaçao onderscheidenlijk Sint Maarten van overeenkomstige toepassing.
|
||||
**3.** In de gevallen, bedoeld in het tweede lid, zijn, in afwijking van het bepaalde in de hoofdstukken 2, 3 en 4 van deze wet en behoudens strijd met het Statuut, het Nederlands-Antilliaans Uitleveringsbesluit alsmede het Wetboek van Strafvordering van de Nederlandse Antillen en van Aruba van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**4.** Tegen een uitspraak van de bevoegde rechter van Aruba, Curaçao of Sint Maarten op of naar aanleiding van een verzoek van het Strafhof tot overlevering of tenuitvoerlegging staat geen rechtsmiddel open.
|
||||
**4.** Tegen een uitspraak van de bevoegde rechter van de Nederlandse Antillen of Aruba op of naar aanleiding van een verzoek van het Strafhof tot overlevering of tenuitvoerlegging staat geen rechtsmiddel open.
|
||||
|
||||
### Artikel 3
|
||||
|
||||
**1.** Een overeenkomstig het Statuut ontvangen verzoek van het Strafhof om samenwerking, om tenuitvoerlegging of om vervolging van een misdrijf, gericht tegen de rechtspleging van het Strafhof, wordt door Onze Minister in behandeling genomen. Zo het verzoek niet tot Onze Minister is gericht, wordt het door de geadresseerde onverwijld aan hem doorgezonden.
|
||||
|
||||
**2.** Tenzij Onze Minister het verzoek zelf kan afdoen dan wel van oordeel is dat eerst aanvullende informatie van het Strafhof is vereist, en behoudens het derde en vierde lid, zendt hij het verzoek onverwijld door aan de officier van justitie bij het arrondissementsparket Den Haag.
|
||||
**2.** Tenzij Onze Minister het verzoek zelf kan afdoen dan wel van oordeel is dat eerst aanvullende informatie van het Strafhof is vereist, en behoudens het derde en vierde lid, zendt hij het verzoek onverwijld door aan de officier van justitie bij het arrondissementsparket te 's-Gravenhage.
|
||||
|
||||
**3.** Indien het verzoek betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van een door het Strafhof opgelegde gevangenisstraf, handelt Onze Minister daarmee overeenkomstig de artikelen 67 en 68.
|
||||
|
||||
**4.** Indien het verzoek betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van een bevel tot het doen van herstelbetalingen als bedoeld in artikel 75 van het Statuut, treft Onze Minister de maatregelen die naar zijn oordeel nodig zijn voor een goede uitvoering van het bevel. Indien het bevel inhoudt een verplichting voor de veroordeelde tot betaling van een som geld ten behoeve van een of meer begunstigden, zendt Onze Minister het verzoek onverwijld door aan de officier van justitie bij het arrondissementsparket Den Haag, die daarmee handelt overeenkomstig de artikelen 72 en 83.
|
||||
**4.** Indien het verzoek betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van een bevel tot het doen van herstelbetalingen als bedoeld in artikel 75 van het Statuut, treft Onze Minister de maatregelen die naar zijn oordeel nodig zijn voor een goede uitvoering van het bevel. Indien het bevel inhoudt een verplichting voor de veroordeelde tot betaling van een som geld ten behoeve van een of meer begunstigden, zendt Onze Minister het verzoek onverwijld door aan de officier van justitie bij het arrondissementsparket te 's-Gravenhage, die daarmee handelt overeenkomstig de artikelen 72 en 83.
|
||||
|
||||
**5.** Een verzoek om bijstand wordt door Onze Minister of de door deze daartoe aangewezen autoriteiten in behandeling genomen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -66,7 +53,7 @@ d. Nederlands recht: het geldende recht in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eu
|
|||
|
||||
### Artikel 4
|
||||
|
||||
Tot de behandeling, voor zover aan de rechter opgedragen, van verzoeken van het Strafhof om samenwerking of tenuitvoerlegging, alsmede van enig beroep, beklag of verzet in verband daarmee, is de rechtbank Den Haag bij uitsluiting bevoegd.
|
||||
Tot de behandeling, voor zover aan de rechter opgedragen, van verzoeken van het Strafhof om samenwerking of tenuitvoerlegging, alsmede van enig beroep, beklag of verzet in verband daarmee, is de rechtbank te 's-Gravenhage bij uitsluiting bevoegd.
|
||||
|
||||
### Artikel 5
|
||||
|
||||
|
|
@ -76,7 +63,7 @@ Tot de behandeling, voor zover aan de rechter opgedragen, van verzoeken van het
|
|||
|
||||
### Artikel 6
|
||||
|
||||
Politiegegevens kunnen ook zonder daartoe strekkend verzoek worden verstrekt aan het Strafhof indien dit voor de goede uitvoering van zijn taak noodzakelijk is. De verstrekking vindt plaats door tussenkomst van een of meerdere landelijke eenheden van de politie.
|
||||
Uit een politieregister als bedoeld in de Wet politieregisters kunnen, ook zonder een daartoe strekkend verzoek, gegevens worden verstrekt aan het Strafhof indien dit voor de goede uitvoering van de taak van het Strafhof noodzakelijk is. De verstrekking vindt plaats door tussenkomst van het Korps landelijke politiediensten.
|
||||
|
||||
### Artikel 7
|
||||
|
||||
|
|
@ -112,7 +99,7 @@ i. het geval, bedoeld in artikel 25, eerste lid.
|
|||
|
||||
### Artikel 9
|
||||
|
||||
Op betekeningen, kennisgevingen en oproepingen, gedaan krachtens deze wet, zijn de artikelen 36b tot en met 36i, en 36n van het Wetboek van Strafvordering van overeenkomstige toepassing.
|
||||
Op betekeningen, kennisgevingen en oproepingen, gedaan krachtens deze wet, zijn de artikelen 585 tot en met 590 van het Wetboek van Strafvordering van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 10
|
||||
|
||||
|
|
@ -149,19 +136,11 @@ b. ter tenuitvoerlegging van een door het Strafhof opgelegde gevangenisstraf.
|
|||
|
||||
**3.** Kan het optreden van de officier van justitie of de hulpofficier niet worden afgewacht, dan is elke opsporingsambtenaar bevoegd de persoon aan te houden.
|
||||
|
||||
**4.** De aangehouden persoon wordt zo spoedig mogelijk voorgeleid voor de officier van justitie bij het arrondissementsparket Den Haag.
|
||||
|
||||
**5.** Indien de opgeëiste persoon zich in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba bevindt, blijft het vierde lid buiten toepassing. De aangehouden persoon die zich in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba bevindt wordt zo spoedig mogelijk voorgeleid voor de officier van justitie van het openbaar ministerie van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
|
||||
**4.** De aangehouden persoon wordt zo spoedig mogelijk voorgeleid voor de officier van justitie bij het arrondissementsparket te 's-Gravenhage.
|
||||
|
||||
### Artikel 14
|
||||
|
||||
**1.** Na de opgeëiste persoon, met inachtneming van de artikelen 55, tweede lid, en 59, tweede lid, van het Statuut, te hebben gehoord, kan de officier van justitie bevelen dat de opgeëiste persoon gedurende drie dagen, te rekenen vanaf het tijdstip van de voorlopige aanhouding, in verzekering gesteld zal blijven.
|
||||
|
||||
**2.** Indien de opgeëiste persoon zich bevindt in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, wordt het bevel door de officier van justitie van het openbaar ministerie van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, bedoeld in het eerste lid, gegeven in overleg met de officier van justitie bij het arrondissementsparket Den Haag. Met het oog op de toepassing van het derde lid kan de termijn van inverzekeringstelling éénmaal met drie dagen worden verlengd.
|
||||
|
||||
**3.** Indien een opgeëiste persoon in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba overeenkomstig deze paragraaf in verzekering is gesteld, wordt hij binnen de termijnen van het eerste lid en tweede lid overgedragen aan de officier van justitie bij het arrondissementsparket Den Haag.
|
||||
|
||||
**4.** Het derde lid kan buiten toepassing blijven indien de opgeëiste persoon tegenover de officier van justitie die hem hoort, heeft verklaard in te stemmen met zijn onmiddellijke overlevering, de officier van justitie heeft beslist dat de persoon ter beschikking zal worden gesteld van het Strafhof en de feitelijke overlevering kan plaatsvinden binnen de termijnen van het eerste lid en tweede lid.
|
||||
Na de opgeëiste persoon, met inachtneming van de artikelen 55, tweede lid, en 59, tweede lid, van het Statuut, te hebben gehoord, kan de officier van justitie bevelen dat de opgeëiste persoon gedurende drie dagen, te rekenen vanaf het tijdstip van de voorlopige aanhouding, in verzekering gesteld zal blijven.
|
||||
|
||||
### Artikel 15
|
||||
|
||||
|
|
@ -197,18 +176,6 @@ Van elke beslissing, genomen krachtens een van de artikelen 13 tot en met 16, ge
|
|||
|
||||
Wanneer de opgeëiste persoon, op de dag waarop de officier van justitie het verzoek tot overlevering ontvangt, reeds krachtens artikel 14 in verzekering is gesteld, kan de vrijheidsbeneming, in afwijking van artikel 15, eerste lid, op bevel van de officier van justitie worden voortgezet tot het tijdstip waarop de rechtbank over de gevangenhouding beslist.
|
||||
|
||||
### Artikel 19a
|
||||
|
||||
**1.** Nadat de opgeëiste persoon, met inachtneming van de artikelen 55, tweede lid en 59, tweede lid, van het Statuut, is gehoord, kan de officier van justitie bij het parket in eerste aanleg van de openbare lichamen bevelen dat de opgeëiste persoon gedurende drie dagen, te rekenen vanaf het tijdstip van voorlopige aanhouding, in verzekering gesteld zal blijven. Hij overlegt daartoe met de officier van justitie bij het arrondissementsparket Den Haag.
|
||||
|
||||
**2.** Indien de opgeëiste persoon op de dag waarop de officier van justitie het verzoek tot uitlevering ontvangt reeds krachtens artikel 14 in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba in verzekering is gesteld, kan de vrijheidsbeneming – met afwijking van artikel 14 – uitsluitend op bevel van de officier van justitie bij het arrondissementsparket Den Haag worden voortgezet tot het tijdstip waarop de rechtbank over de gevangenhouding beslist.
|
||||
|
||||
**3.** Indien de opgeëiste persoon in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba in verzekering is gesteld, wordt hij binnen de termijnen van het eerste lid overgedragen aan de officier van justitie bij het arrondissementsparket Den Haag.
|
||||
|
||||
**4.** Het derde lid kan buiten toepassing blijven indien de opgeëiste persoon tegenover de officier van justitie die hem hoort, heeft verklaard in te stemmen met zijn onmiddellijke overlevering, de officier van justitie heeft beslist dat de persoon ter beschikking zal worden gesteld van het Strafhof en de feitelijke overlevering kan plaatsvinden binnen de termijn van artikel 14.
|
||||
|
||||
**5.** Nadat de opgeëiste persoon is gehoord, kan de officier van justitie bij het arrondissementsparket Den Haag in overleg met de officier van justitie bij het gerecht in eerste aanleg van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba bevelen dat de vrijheidsbeneming wordt voortgezet tot het tijdstip waarop de rechtbank over zijn gevangenhouding beslist.
|
||||
|
||||
### Artikel 20
|
||||
|
||||
**1.** Ambtshalve, op de vordering van de officier van justitie of op het verzoek van de opgeëiste persoon of diens raadsman kan de rechter-commissaris bevelen dat de vrijheidsbeneming krachtens de bepalingen van deze paragraaf wegens dringende en uitzonderlijke omstandigheden wordt beëindigd of voorwaardelijk wordt opgeschort of geschorst. De te stellen voorwaarden strekken in ieder geval ter voorkoming van vlucht.
|
||||
|
|
@ -223,7 +190,7 @@ Wanneer de opgeëiste persoon, op de dag waarop de officier van justitie het ver
|
|||
|
||||
**2.** Een afschrift van de krachtens het eerste lid vereiste vordering wordt aan de opgeëiste persoon betekend. Daarbij wordt hem mededelinggedaan van de feiten waarvoor zijn overlevering is gevraagd, met vermelding van de tijden en de plaatsen waarop deze zijn begaan, een en ander zoals bij het verzoek tot overlevering omschreven, alsmede van het feit dat het een verzoek tot overlevering aan het Strafhof betreft. De eerste en de tweede volzin gelden eveneens in het geval dat de officier van justitie naar aanleiding van een naderhand ontvangen verzoek zijn vordering heeft aangevuld of gewijzigd. Van de ontvangst van aanvullende stukken, die in het dossier worden gevoegd, wordt de opgeëiste persoon mededeling gedaan.
|
||||
|
||||
**3.** Nadat de stukken aan de rechtbank zijn overgelegd, mag de kennisneming daarvan aan de opgeëiste persoon en diens raadsman niet worden onthouden. Het bepaalde bij en krachtens artikel 32 van het Wetboek van Strafvordering is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
**3.** Nadat de stukken aan de rechtbank zijn overgelegd, mag de kennisneming daarvan aan de opgeëiste persoon en diens raadsman niet worden onthouden. Het bepaalde bij en krachtens artikel 34 van het Wetboek van Strafvordering is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 22
|
||||
|
||||
|
|
@ -231,7 +198,7 @@ Wanneer de opgeëiste persoon, op de dag waarop de officier van justitie het ver
|
|||
|
||||
**2.** De griffier van de rechtbank doet onverwijld aan de officier van justitie en aan de opgeëiste persoon mededeling van het voor het verhoor bepaalde tijdstip. Die mededeling en, zo een bevel tot medebrenging is gegeven, een afschrift van dat bevel worden aan de opgeëiste persoon betekend.
|
||||
|
||||
**3.** Indien niet blijkt dat de opgeëiste persoon reeds een raadsman heeft, geeft de voorzitter aan het bestuur van de raad voor rechtsbijstand last tot aanwijzing van een raadsman.
|
||||
**3.** Indien niet blijkt dat de opgeëiste persoon reeds een raadsman heeft, geeft de voorzitter aan het bureau rechtsbijstandvoorziening last tot toevoeging van een raadsman.
|
||||
|
||||
### Artikel 23
|
||||
|
||||
|
|
@ -287,7 +254,7 @@ Wanneer de opgeëiste persoon, op de dag waarop de officier van justitie het ver
|
|||
|
||||
### Artikel 29
|
||||
|
||||
**1.** Ten aanzien van de bijstand van een raadsman, de behandeling van de zaak door de rechtbank, de beraadslaging en de uitspraak zijn de artikelen 37, 38, 43 tot en met 45, 226, 260, eerste lid, 268, 269, vijfde lid, 271, 272, 273, derde lid, 274 tot en met 277, 279, 281, 286, 289, eerste en derde lid, 290 tot en met 301, 318 tot en met 322, 324 tot en met 327, 328 tot en met 331, 345, eerste en derde lid, 346, 357, 362, 363 en 365, eerste tot en met vijfde lid van het Wetboek van Strafvordering van overeenkomstige toepassing.
|
||||
**1.** Ten aanzien van de bijstand van een raadsman, de behandeling van de zaak door de rechtbank, de beraadslaging en de uitspraak zijn de artikelen 37 tot en met 39, 45 tot en met 49, 50, eerste lid, 226, 260, eerste lid, 268, 269, vijfde lid, 271, 272, 273, derde lid, 274 tot en met 277, 279, 281, 286, 289, eerste en derde lid, 290 tot en met 301, 318 tot en met 322, 324 tot en met 327, 328 tot en met 331, 345, eerste en derde lid, 346, 357, 362, 363 en 365 van het Wetboek van Strafvordering van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**2.** De in het eerste lid genoemde artikelen vinden geen toepassing voor zover deze betrekking hebben op een getuige wiens identiteit niet of slechts ten dele blijkt.
|
||||
|
||||
|
|
@ -397,9 +364,9 @@ Ten aanzien van de bevelen tot vrijheidsbeneming, gegeven krachtens dit hoofdstu
|
|||
|
||||
### Artikel 44
|
||||
|
||||
**1.** In gevallen waarin de overlevering bij rechterlijk gewijsde ontoelaatbaar is verklaard, kan de rechtbank Den Haag, op verzoek van de opgeëiste persoon, hem een vergoeding ten laste van de staat toekennen voor de schade die hij heeft geleden ten gevolge van de vrijheidsbeneming, bevolen krachtens deze wet. Onder schade is begrepen het nadeel dat niet in vermogensschade bestaat. De artikelen 533, derde, vierde en zesde lid, 534, 535 en 536 van het Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige toepassing.
|
||||
**1.** In gevallen waarin de overlevering bij rechterlijk gewijsde ontoelaatbaar is verklaard, kan de rechtbank te 's-Gravenhage, op verzoek van de opgeëiste persoon, hem een vergoeding ten laste van de staat toekennen voor de schade die hij heeft geleden ten gevolge van de vrijheidsbeneming, bevolen krachtens deze wet. Onder schade is begrepen het nadeel dat niet in vermogensschade bestaat. De artikelen 89, derde, vierde en zesde lid, 90, 91 en 93 van het Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**2.** In gevallen als bedoeld in het eerste lid vinden de artikelen 529 en 530 van het Wetboek van Strafvordering overeenkomstige toepassing op de vergoeding van kosten en schaden voor de opgeëiste persoon of diens erfgenamen. In de plaats van het in artikel 529, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering bedoelde gerecht treedt de rechtbank Den Haag.
|
||||
**2.** In gevallen als bedoeld in het eerste lid vinden de artikelen 591 en 591a van het Wetboek van Strafvordering overeenkomstige toepassing op de vergoeding van kosten en schaden voor de opgeëiste persoon of diens erfgenamen. In de plaats van het in artikel 591, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering bedoelde gerecht treedt de rechtbank te 's-Gravenhage.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 3. Samenwerking als bedoeld in artikel 93 van het Statuut
|
||||
|
||||
|
|
@ -431,7 +398,7 @@ Het betekenen en uitreiken van stukken aan derden, ter voldoening aan een verzoe
|
|||
|
||||
### Artikel 49
|
||||
|
||||
De officier van justitie die het verzoek om samenwerking heeft ontvangen, beslist onverwijld omtrent het daaraan te geven gevolg. De officier van justitie roept voor de uitvoering ervan zo nodig de tussenkomst in van het openbaar ministerie in andere arrondissementen of van de procureur-generaal voor Curaçao, voor Sint Maarten en voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. In het belang van een spoedige en doelmatige afdoening kan hij het verzoek overdragen aan zijn ambtgenoot in een ander arrondissement.
|
||||
De officier van justitie die het verzoek om samenwerking heeft ontvangen, beslist onverwijld omtrent het daaraan te geven gevolg. De officier van justitie roept voor de uitvoering ervan zo nodig de tussenkomst in van het openbaar ministerie in andere arrondissementen. In het belang van een spoedige en doelmatige afdoening kan hij het verzoek overdragen aan zijn ambtgenoot in een ander arrondissement.
|
||||
|
||||
### Artikel 50
|
||||
|
||||
|
|
@ -442,7 +409,7 @@ De officier van justitie stelt het verzoek om samenwerking in handen van de rech
|
|||
a. indien het strekt tot het horen van personen die niet bereid zijn vrijwillig te verschijnen en de gevraagde verklaring af te leggen;
|
||||
b. indien het strekt tot het meewerken aan een verhoor door het Strafhof van een getuige of deskundige per videoconferentie;
|
||||
c. indien uitdrukkelijk is gevraagd om een beëdigde verklaring of om een verklaring, afgelegd ten overstaan van een rechter;
|
||||
d. indien het met het oog op het verlangde gevolg nodig is dat stukken van overtuiging in beslag worden genomen en daartoe bevoegdheidsuitoefening door de rechter-commissaris nodig is.
|
||||
d. indien het met het oog op het verlangde gevolg nodig is dat stukken van overtuiging in beslag worden genomen.
|
||||
|
||||
**2.** In andere dan de in het eerste lid voorziene gevallen kan de officier van justitie het verzoek van het Strafhof in handen van de rechter-commissaris stellen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -454,7 +421,7 @@ d. indien het met het oog op het verlangde gevolg nodig is dat stukken van overt
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De in artikel 50, derde lid, bedoelde vordering heeft dezelfde rechtsgevolgen als de vordering tot het verrichten van onderzoekshandelingen door de rechter-commissaris, als bedoeld in artikel 181 van het Wetboek van Strafvordering, zulks voor wat betreft:
|
||||
De in artikel 50, derde lid, bedoelde vordering heeft dezelfde rechtsgevolgen als een vordering tot het instellen van een gerechtelijk vooronderzoek, zulks voor wat betreft:
|
||||
|
||||
a. de bevoegdheden van de rechter-commissaris ten aanzien van de door hem te horen verdachten, getuigen en deskundigen, alsmede die tot het bevelen van de uitlevering of overbrenging van stukken van overtuiging, het nemen van maatregelen in het belang van het onderzoek, het laten verrichten van een DNA-onderzoek alsmede het daartoe bevelen van het afnemen van celmateriaal, het betreden van plaatsen, het doorzoeken van plaatsen, het in beslag nemen van stukken van overtuiging en het onderzoeken van gegevens in geautomatiseerde werken;
|
||||
b. de bevoegdheden van de officier van justitie;
|
||||
|
|
@ -462,7 +429,7 @@ c. de rechten en verplichtingen van de door de rechter-commissaris te horen pers
|
|||
d. de bijstand van een raadsman;
|
||||
e. de verrichtingen van de griffier.
|
||||
|
||||
**2.** In afwijking van het eerste lid heeft een vordering als bedoeld in artikel 50, derde lid, welke is gedaan met het oog op de voldoening aan een verzoek tot het meewerken aan een verhoor door het Strafhof van een getuige of deskundige per videoconferentie, dezelfde rechtsgevolgen als een vordering tot het verrichten van onderzoekshandelingen door de rechter-commissaris, als bedoeld in artikel 181 van het Wetboek van Strafvordering, voor zover het betreft de toepassing van de artikelen 190, eerste en vierde lid, 191, 210, eerste lid, tweede volzin, 213, 215, 217 tot en met 219a, 221 tot en met 225, 226a, eerste lid, 226c, eerste lid, 226f en 236 van het Wetboek van Strafvordering.
|
||||
**2.** In afwijking van het eerste lid heeft een vordering als bedoeld in artikel 50, derde lid, welke is gedaan met het oog op de voldoening aan een verzoek tot het meewerken aan een verhoor door het Strafhof van een getuige of deskundige per videoconferentie, dezelfde rechtsgevolgen als een vordering tot het instellen van een gerechtelijk vooronderzoek, voor zover het betreft de toepassing van de artikelen 190, eerste en vierde lid, 191, eerste en vierde lid, 210, eerste lid, tweede volzin, 213, 215, 217 tot en met 219a, 221 tot en met 225, 226a, eerste lid, 226c, eerste lid, 226f en 236 van het Wetboek van Strafvordering.
|
||||
|
||||
**3.** Ter voldoening aan een verzoek van het Strafhof om samenwerking kan, anders dan overeenkomstig het eerste en tweede lid, geen gebruik van dwangmiddelen worden gemaakt.
|
||||
|
||||
|
|
@ -515,9 +482,9 @@ Op verzoek van het Strafhof en met inachtneming van de bepalingen van dit hoofds
|
|||
|
||||
**1.** Terzake van gevangenisstraffen die door het Strafhof zijn opgelegd wegens een of meer van de misdrijven, bedoeld in artikel 5 van het Statuut, en waarvan de tenuitvoerlegging in Nederland plaatsvindt, kan geen gratie worden verzocht en verleend. Een verzoekschrift om vermindering of kwijtschelding van zodanige straf wordt door Onze Minister onverwijld doorgezonden aan het Strafhof.
|
||||
|
||||
**2.** Op een daartoe strekkend verzoek van het Strafhof maakt Onze Minister aan het Strafhof zijn zienswijze bekend met betrekking tot de heroverweging van een straf als bedoeld in het eerste lid overeenkomstig artikel 110 van het Statuut. Met het oog daarop kan Onze Minister het advies inwinnen van de rechtbank Den Haag en kan hij overigens bij derden alle inlichtingen inwinnen die hij nodig acht.
|
||||
**2.** Op een daartoe strekkend verzoek van het Strafhof maakt Onze Minister aan het Strafhof zijn zienswijze bekend met betrekking tot de heroverweging van een straf als bedoeld in het eerste lid overeenkomstig artikel 110 van het Statuut. Met het oog daarop kan Onze Minister het advies inwinnen van de rechtbank te 's-Gravenhage en kan hij overigens bij derden alle inlichtingen inwinnen die hij nodig acht.
|
||||
|
||||
**3.** Terzake van gevangenisstraffen die door het Strafhof zijn opgelegd wegens een misdrijf gericht tegen de rechtspleging van het Strafhof als bedoeld in artikel 70, eerste lid, van het Statuut, alsmede terzake van overige door het Strafhof opgelegde straffen, kan, indien de tenuitvoerlegging in Nederland plaatsvindt, overeenkomstig artikel 6:7:1 van het Wetboek van Strafvordering gratie worden verzocht en verleend. Alvorens omtrent de gratieverlening wordt beslist, consulteert Onze Minister het Strafhof teneinde diens zienswijze te vernemen.
|
||||
**3.** Terzake van gevangenisstraffen die door het Strafhof zijn opgelegd wegens een misdrijf gericht tegen de rechtspleging van het Strafhof als bedoeld in artikel 70, eerste lid, van het Statuut, alsmede terzake van overige door het Strafhof opgelegde straffen, kan, indien de tenuitvoerlegging in Nederland plaatsvindt, overeenkomstig artikel 558 van het Wetboek van Strafvordering gratie worden verzocht en verleend. Alvorens omtrent de gratieverlening wordt beslist, consulteert Onze Minister het Strafhof teneinde diens zienswijze te vernemen.
|
||||
|
||||
### Artikel 57
|
||||
|
||||
|
|
@ -544,7 +511,7 @@ d. de beslissing onverenigbaar is met een beslissing die vroeger in een andere s
|
|||
|
||||
**6.** Beslissingen van het Strafhof die tot vergoedingen leiden welke de werkelijk geleden materiële en immateriële schade te boven gaan, worden niet erkend voorzover zij buitensporig zijn.
|
||||
|
||||
**7.** Verzoeken als bedoeld in het eerste en het zesde lid worden gericht tot de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag.
|
||||
**7.** Verzoeken als bedoeld in het eerste en het zesde lid worden gericht tot de voorzieningenrechter van de rechtbank te 's-Gravenhage.
|
||||
|
||||
**8.** Voor zover daarvan in dit artikel niet wordt afgeweken, zijn op het verzoek de bepalingen van de artikelen 985 tot en met 992 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
|
|
@ -603,9 +570,9 @@ b. gegronde redenen bestaan voor de verwachting dat het in het eerste lid bedoel
|
|||
|
||||
### Artikel 64
|
||||
|
||||
**1.** Tot inbeslagneming als bedoeld in de artikelen 62 en 63 zijn bevoegd de rechter-commissaris en, voor zover die bevoegdheid niet aan de rechter-commissaris is voorbehouden, de officier van justitie en de hulpofficier. Op vordering van de officier van justitie kan de rechter-commissaris de bevoegdheden uitoefenen welke hem als gevolg van het toewijzen van een vordering als bedoeld in artikel 181 van het Wetboek van Strafvordering toekomen.
|
||||
**1.** Tot inbeslagneming als bedoeld in de artikelen 62 en 63 zijn bevoegd de rechter-commissaris en, voor zover die bevoegdheid niet aan de rechter-commissaris is voorbehouden, de officier van justitie en de hulpofficier. Op vordering van de officier van justitie kan de rechter-commissaris de bevoegdheden uitoefenen welke hem uit hoofde van een gerechtelijk vooronderzoek toekomen.
|
||||
|
||||
**2.** De artikelen 94b tot en met 94d, 96 tot en met 119, 552a, 552c, 552ca, 552e en 6:1:5 van het Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige toepassing.
|
||||
**2.** De artikelen 94b tot en met 94d, 96 tot en met 119, 552a, 552c, 552ca, 552e en 556 van het Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 65
|
||||
|
||||
|
|
@ -638,7 +605,7 @@ b. indien Nederland als Gastland overeenkomstig artikel 103, vierde lid, van het
|
|||
|
||||
**3.** Onze Minister deelt het Strafhof zo spoedig mogelijk zijn beslissing mee.
|
||||
|
||||
**4.** De tenuitvoerlegging geschiedt op voordracht van de officier van justitie bij het arrondissementsparket Den Haag door Onze Minister.
|
||||
**4.** De tenuitvoerlegging geschiedt op voordracht van de officier van justitie bij het arrondissementsparket te 's-Gravenhage door Onze Minister.
|
||||
|
||||
### Artikel 68
|
||||
|
||||
|
|
@ -650,7 +617,7 @@ b. indien Nederland als Gastland overeenkomstig artikel 103, vierde lid, van het
|
|||
|
||||
**1.** De tenuitvoerlegging overeenkomstig artikel 67, vierde lid, of artikel 68, tweede lid, van een door het Strafhof opgelegde gevangenisstraf geschiedt met inachtneming van het bij of krachtens het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering, de Penitentiaire beginselenwet of enige bijzondere strafwet betreffende de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen bepaalde.
|
||||
|
||||
**2.** De artikelen 537, 6:1:15, 6:1:18, 6:2:5 tot en met 6:2:7, 6:2:10 tot en met 6:2:14, 6:3:14, 6:3:15, 6:6:1, 6:6:3, 6:6:4, 6:6:8, 6:6:9 en 6:6:20 tot en met 6:6:22 van het Wetboek van Strafvordering zijn niet van toepassing, behoudens ten aanzien van een gevangenisstraf die door het Strafhof is opgelegd wegens een misdrijf gericht tegen de rechtspleging van het Strafhof als bedoeld in artikel 70, eerste lid, van het Statuut.
|
||||
**2.** De artikelen 15 tot en met 15d van het Wetboek van Strafrecht zijn niet van toepassing, behoudens ten aanzien van een gevangenisstraf die door het Strafhof is opgelegd wegens een misdrijf gericht tegen de rechtspleging van het Strafhof als bedoeld in artikel 70, eerste lid, van het Statuut.
|
||||
|
||||
### Artikel 70
|
||||
|
||||
|
|
@ -734,7 +701,7 @@ De griffier van de rechtbank doet onverwijld aan de officier van justitie en aan
|
|||
|
||||
**4.** De rechtbank zendt aan Onze Minister onverwijld een gewaarmerkt afschrift van haar uitspraak toe.
|
||||
|
||||
**5.** De artikelen 363 en 365, eerste tot en met vijfde lid van het Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige toepassing.
|
||||
**5.** De artikelen 363 en 365 van het Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 80
|
||||
|
||||
|
|
@ -758,13 +725,13 @@ Op de tenuitvoerlegging van een op grond van artikel 79 opgelegde straf of maatr
|
|||
|
||||
**2.** Bij zijn vordering, bedoeld in artikel 73, legt de officier van justitie tevens een lijst van voorwerpen of vorderingen over die ingevolge de artikelen 61 tot en met 63 in beslag zijn genomen.
|
||||
|
||||
**3.** Ingeval de rechtbank verlof verleent tot tenuitvoerlegging van een bevel tot verbeurdverklaring, spreekt zij de verbeurdverklaring uit van de desbetreffende voorwerpen. Indien verbeurdverklaring van een of meer van de voorwerpen niet mogelijk is, kan de rechtbank overeenkomstig de artikelen 36b tot en met 36d van het Wetboek van Strafrecht de onttrekking aan het verkeer van de desbetreffende voorwerpen uitspreken.
|
||||
**3.** Ingeval de rechtbank verlof verleent tot tenuitvoerlegging van een bevel tot verbeurdverklaring, spreekt zij de verbeurdverklaring uit van de desbetreffende voorwerpen. In dat geval is de rechtbank niet gebonden aan beperkingen ingevolge artikel 33a, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht. Indien verbeurdverklaring van een of meer van de voorwerpen niet mogelijk is, kan de rechtbank overeenkomstig de artikelen 36b tot en met 36d van het Wetboek van Strafrecht de onttrekking aan het verkeer van de desbetreffende voorwerpen uitspreken.
|
||||
|
||||
**4.** Indien verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van een of meer van de voorwerpen niet mogelijk is, legt de rechtbank aan de veroordeelde de verplichting op tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Met inachtneming van de beslissing van het Strafhof stelt zij het bedrag vast op het bedrag van de voorwerpen of het gedeelte daarvan waarvan de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer niet mogelijk is.
|
||||
|
||||
**5.** Op uitspraken, voor zover houdende een verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer, zijn de artikelen 552b, 552e en 552g van het Wetboek van Strafvordering van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**6.** Op uitspraken, voor zover houdende de oplegging van een verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, zijn de artikelen 6:4:9 en 6:6:26 van het Wetboek van Strafvordering van overeenkomstige toepassing.
|
||||
**6.** Op uitspraken, voor zover houdende de oplegging van een verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, is artikel 577b van het Wetboek van Strafvordering van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**7.** Artikel 65 is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
|
|
@ -786,7 +753,7 @@ Op de tenuitvoerlegging van een op grond van artikel 79 opgelegde straf of maatr
|
|||
|
||||
**8.** De staat keert een ontvangen bedrag onverwijld uit aan de door het Strafhof aangewezen personen of instellingen.
|
||||
|
||||
**9.** Het vijfde tot en met zevende lid van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht zijn van overeenkomstige toepassing.
|
||||
**9.** Het vierde tot en met zesde lid van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht zijn van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 84
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue