2024-04-17 | BWBR0011825 | Vreemdelingenbesluit 2000
This commit is contained in:
parent
882ef00ebe
commit
cb4f182372
1 changed files with 66 additions and 27 deletions
|
|
@ -598,12 +598,12 @@ g. voor andere vreemdelingen: acht dagen.
|
|||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
De termijn, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, bedraagt 180 dagen binnen een periode van 360 dagen voor de categorie van:
|
||||
De termijn, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, bedraagt ten hoogste 180 dagen binnen een periode van 360 dagen voor de categorie van:
|
||||
|
||||
a. onderzoekers die houder zijn van een door een andere lidstaat van de Europese Unie afgegeven verblijfsvergunning voor onderzoekers in de zin van richtlijn (EU) 2016/801 die een deel van het onderzoek in Nederland uitvoeren aan een krachtens artikel 2c van de Wet als referent erkende onderzoeksinstelling;
|
||||
b. de hen vergezellende familieleden die houder zijn van een door die andere lidstaat afgegeven verblijfsvergunning voor verblijf als partner of minderjarig kind bij die onderzoeker.
|
||||
|
||||
**5.** De termijn, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, bedraagt 360 dagen voor de categorie van studenten die houder zijn van een door een andere lidstaat van de Europese Unie afgegeven verblijfsvergunning voor studenten die onder een uniaal of multilateraal programma met mobiliteitsmaatregelen of onder een overeenkomst tussen twee of meer instellingen voor hoger onderwijs vallen, die een deel van de studie in Nederland volgen aan een krachtens artikel 2c van de Wet als referent erkende onderwijsinstelling.
|
||||
**5.** De termijn, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, bedraagt ten hoogste 360 dagen voor de categorie van studenten die houder zijn van een door een andere lidstaat van de Europese Unie afgegeven verblijfsvergunning voor studenten die onder een uniaal of multilateraal programma met mobiliteitsmaatregelen of onder een overeenkomst tussen twee of meer instellingen voor hoger onderwijs vallen, die een deel van de studie in Nederland volgen aan een krachtens artikel 2c van de Wet als referent erkende onderwijsinstelling.
|
||||
|
||||
**6.** De in het vierde en vijfde lid bedoelde termijn verstrijkt onmiddellijk indien Onze Minister bewijs of ernstige en objectieve redenen heeft om vast te stellen dat het verblijf van de vreemdeling andere doelen dient of zou dienen dan die bedoeld in het vierde en vijfde lid.
|
||||
|
||||
|
|
@ -620,7 +620,7 @@ b. de hen vergezellende familieleden die houder zijn van een door die andere lid
|
|||
De in artikel 14, derde lid, van de Wet bedoelde beperkingen houden verband met:
|
||||
|
||||
a. verblijf als familie- of gezinslid;
|
||||
b. verblijf als economisch niet-actieve langdurig ingezetene of vermogende vreemdeling;
|
||||
b. verblijf als economisch niet-actieve langdurig ingezetene;
|
||||
c. arbeid als zelfstandige;
|
||||
d. arbeid als kennismigrant;
|
||||
e. verblijf als houder van de Europese blauwe kaart;
|
||||
|
|
@ -1004,21 +1004,50 @@ b. die naar het oordeel van Onze Minister in het land van herkomst geen aanvaard
|
|||
|
||||
### Artikel 3.29
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
**1.** Onze Minister kan ter uitvoering van richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging (PbEU 2003, L 251) nader onderzoek doen wanneer er in individuele gevallen gegronde vermoedens bestaan van fraude of dat het huwelijk, het geregistreerd partnerschap, het partnerschap of de adoptie uitsluitend tot stand is gebracht om toegang tot en verblijf in Nederland te verkrijgen. Het nader onderzoek geschiedt niet stelselmatig.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Gegronde vermoedens, als bedoeld in het eerste lid, kunnen worden gebaseerd op:
|
||||
|
||||
a. valse of misleidende informatie die door de hoofdpersoon of de vreemdeling is verstrekt, valse of vervalste documenten die zij hebben gebruikt, andere vormen van fraude die zij hebben gepleegd of onwettige middelen die zij hebben gebruikt;
|
||||
b. informatie die relevant is voor de beoordeling of sprake is van een huwelijk, geregistreerd partnerschap, partnerschap dat of adoptie die uitsluitend tot stand is gebracht om toegang tot en verblijf in Nederland te verkrijgen, over:
|
||||
|
||||
1° de duur, het moment van de totstandkoming en de beëindiging alsmede de aard van de relatie tussen de hoofdpersoon en de vreemdeling;
|
||||
2° de woonsituatie, de gemeenschappelijkheid van het huishouden en bijbehorende aanzienlijke en langlopende juridische en financiële verplichtingen;
|
||||
3° aanwijzingen dat er geen of onvoldoende persoonlijke relatie bestaat of heeft bestaan tussen de hoofdpersoon en de vreemdeling;
|
||||
4° bewijs dat er een ongebruikelijk hoog geldbedrag is betaald of een gift is gedaan voor het sluiten van het huwelijk, het geregistreerd partnerschap, partnerschap of de adoptie;
|
||||
5° bewijs van een of meer eerdere schijnhuwelijken, geregistreerd schijnpartnerschappen, schijnpartnerschappen of schijnadopties of ander misbruik of fraude met het oog op het verkrijgen van een verblijfsrecht;
|
||||
6° het moment van de totstandkoming of de beëindiging van het huwelijk, het geregistreerd partnerschap, het partnerschap of de adoptie ten opzichte van het moment van verlening van de verblijfsvergunning aan de vreemdeling; of
|
||||
7° ervaringsgegevens die zijn gebaseerd op representatief dossieronderzoek, mits deze op objectieve wijze worden toegepast.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Het nader onderzoek bestaat uit het:
|
||||
|
||||
a. ter beantwoording aan de hoofdpersoon en vreemdeling toezenden van schriftelijke vragen;
|
||||
b. verlangen van bewijs van de hoofdpersoon en vreemdeling van de echtheid van het huwelijk, het geregistreerd partnerschap, het partnerschap of de adoptie;
|
||||
c. gelijktijdig dan wel opvolgend zonder tussentijds contactmoment horen van de hoofdpersoon en de vreemdeling;
|
||||
d. horen van andere meerderjarige personen die in relatie staan met de hoofdpersoon of de vreemdeling, voor zover dat noodzakelijk is voor het nader onderzoek; of
|
||||
e. verzoeken van inlichtingen aan andere bestuursorganen met toepassing van artikel 107, zevende lid, van de wet, voor zover dat noodzakelijk is voor het nader onderzoek.
|
||||
|
||||
**4.** Onze Minister stelt de hoofdpersoon en de vreemdeling in kennis van het nader onderzoek. De kennisgeving vermeldt welke gegronde vermoedens daar de aanleiding toe zijn.
|
||||
|
||||
**5.** De hoofdpersoon en vreemdeling zijn verplicht om medewerking te verlenen aan het nader onderzoek en verstrekken daartoe relevante informatie die zij tot hun beschikking hebben.
|
||||
|
||||
**6.** Onze Minister stelt een verslag op van de bevindingen van het nader onderzoek. Het verslag wordt aan de hoofdpersoon en de vreemdeling overgelegd, waarbij zij in de gelegenheid worden gesteld daar binnen een redelijke termijn op te reageren voordat de beschikking wordt genomen.
|
||||
|
||||
**7.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de toepassing van dit artikel.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.29a
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt verleend onder een beperking verband houdend met verblijf als economisch niet-actieve langdurig ingezetene of vermogende vreemdeling aan de langdurig ingezetene, die:
|
||||
De verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt verleend onder een beperking verband houdend met verblijf als economisch niet-actieve langdurig ingezetene aan de langdurig ingezetene, die:
|
||||
|
||||
a. beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding;
|
||||
b. duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan als bedoeld in artikel 3.74, eerste lid, onder a;
|
||||
c. geen gevaar vormt voor de openbare orde als bedoeld in de artikelen 3.77 en 3.78; en
|
||||
d. geen gevaar vormt voor de nationale veiligheid.
|
||||
|
||||
**2.** De verblijfsvergunning kan voorts worden verleend aan andere vreemdelingen dan bedoeld in het eerste lid. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent het inkomen van de vermogende vreemdeling.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.30
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
|
@ -1029,7 +1058,7 @@ a. arbeid als zelfstandige verricht of gaat verrichten, waarmee naar het oordeel
|
|||
b. uit die werkzaamheden duurzaam en zelfstandig voldoende middelen van bestaan verwerft, en
|
||||
c. voldoet aan de bevoegdheidsvereisten voor de uitoefening van die arbeid en aan de vereisten voor het uitoefenen van het desbetreffende bedrijf.
|
||||
|
||||
**2.** De beoordeling van het wezenlijk Nederlands belang, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, van de ondernemingsactiviteiten geschiedt aan de hand van het bij ministeriële regeling in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken vastgestelde puntenstelsel. In die regeling kunnen ondernemingsactiviteiten worden aangewezen waarmee geen wezenlijk Nederlands belang is gediend.
|
||||
**2.** De beoordeling van het wezenlijk Nederlands belang, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, van de ondernemingsactiviteiten geschiedt aan de hand van het bij ministeriële regeling in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken vastgestelde puntenstelsel of op een andere bij die ministeriële regeling te bepalen geschikte wijze. In die regeling kunnen ondernemingsactiviteiten worden aangewezen waarmee geen wezenlijk Nederlands belang is gediend.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -1126,7 +1155,10 @@ De aanvraag kan worden afgewezen indien:
|
|||
|
||||
a. aan de werkgever of de gastentiteit in de periode van maximaal vijf jaar direct voorafgaande aan de aanvraag een sanctie is opgelegd wegens overtreding van artikel 2 van de Wet arbeid vreemdelingen of wegens het niet of onvoldoende afdragen van loonbelasting, premies voor de werknemersverzekeringen of premies voor de volksverzekeringen;
|
||||
b. geen economische activiteit plaatsvindt bij de werkgever of gastentiteit;
|
||||
c. de vreemdeling in de periode van zes maanden direct voorafgaande aan de aanvraag in Nederland heeft verbleven voor een eerdere overplaatsing binnen een onderneming in de zin van richtlijn 2014/66/EU.
|
||||
c. de vreemdeling in de periode van zes maanden direct voorafgaande aan de aanvraag in Nederland heeft verbleven voor een eerdere overplaatsing binnen een onderneming in de zin van richtlijn 2014/66/EU die de maximumduur heeft bereikt van:
|
||||
|
||||
1° drie jaar in geval van een leidinggevende of specialist; of
|
||||
2° een jaar in geval van een trainee-werknemer, met aftrek van eerder verblijf in andere lidstaten in geval van mobiliteit.
|
||||
|
||||
**3.** Het eerste lid, aanhef en onderdelen a, b, d, f, g, i en l, en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op een houder van een door een andere lidstaat van de Europese Unie afgegeven verblijfsvergunning met de vermelding «ICT» die in Nederland wil verblijven voor een overplaatsing binnen een onderneming in het kader van langetermijnmobiliteit in de zin van artikel 22 van richtlijn 2014/66/EU, met dien verstande dat de aanvraag niet wordt afgewezen op artikel 16, eerste lid, onder a, van de Wet. De aanvraag wordt slechts ingewilligd indien de vreemdeling zijn hoofdverblijf in een andere lidstaat van de Europese Unie heeft. De aanvraag wordt afgewezen indien Nederland de lidstaat is waar over het geheel genomen het langst durende verblijf tijdens de overplaatsing zal plaatsvinden. De aanvraag wordt voorts afgewezen indien de gastentiteit gelijktijdig een kennisgeving voor kortetermijnmobiliteit heeft ingediend voor de vreemdeling.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1462,7 +1494,7 @@ Een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor een verblijfsdoel als b
|
|||
| I. Verblijfsdoel | II. Geldigheidsduur | III. Verlengbaar |
|
||||
| --- | --- | --- |
|
||||
| a. «Verblijf als familie- of gezinslid» | Voor de duur van het verblijfsrecht of de geprivilegieerde status van de hoofdpersoon, maar niet langer dan vijf jaar | Telkens met ten hoogste vijf jaar |
|
||||
| b. «Verblijf als economisch niet-actieve langdurig ingezetene of vermogende vreemdeling» | Ten hoogste vijf jaar | Telkens met ten hoogste vijf jaar |
|
||||
| b. «Verblijf als economisch niet-actieve langdurig ingezetene» | Ten hoogste vijf jaar | Telkens met ten hoogste vijf jaar |
|
||||
| c. «Arbeid als zelfstandige» | Ten hoogste twee jaar of voor ten hoogste één jaar indien de verblijfsvergunning is verleend op grond van artikel 3.30, zesde lid | Telkens met ten hoogste vijf jaar, maar niet verlengbaar na één jaar indien de verlenging wordt gebaseerd op artikel 3.30, zesde lid |
|
||||
| d. «Arbeid als kennismigrant» | De duur van de arbeidsovereenkomst, aanstelling, gastovereenkomst of werkzaamheden, maar niet langer dan vijf jaar | Telkens met ten hoogste vijf jaar |
|
||||
| e. «Verblijf als houder van de Europese blauwe kaart» | De duur van de arbeidsovereenkomst, bedoeld in artikel 3.30b, eerste lid, onder a, aangevuld met drie maanden, maar tezamen niet langer dan vier jaar | Telkens met ten hoogste vier jaar |
|
||||
|
|
@ -1569,7 +1601,7 @@ b. van twaalf jaar of jonger, die in Nederland is geboren en naar het oordeel va
|
|||
|
||||
1°. sedert het moment van geboorte van de vreemdeling rechtmatig verblijf in Nederland heeft op grond van artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Wet of als Nederlander, of
|
||||
2°. op het moment van de geboorte van de vreemdeling rechtmatig verblijf in Nederland had op grond van artikel 8, onder f tot en met k, van de Wet en die sedertdien aansluitend rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Wet heeft, voor zover geen van beiden het hoofdverblijf buiten Nederland heeft verplaatst;
|
||||
c. die in Nederland verblijft op grond van een geprivilegieerde status als gezinslid van een in Nederland geaccrediteerd personeelslid van een buitenlandse diplomatieke of consulaire post die zelf in aanmerking komt voor de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd;
|
||||
c. die in Nederland verblijft op grond van een geprivilegieerde status als gezinslid van een in Nederland geaccrediteerd personeelslid van een buitenlandse diplomatieke of consulaire post die zelf in aanmerking komt voor de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd of die op grond van een bijzondere geprivilegieerde status als geaccrediteerd lid van een internationale organisatie, of als diens gezinslid in Nederland hebben verbleven;
|
||||
d. die ten minste zeven jaren werkzaam is of is geweest op een Nederlands zeeschip of een mijnbouwinstallatie op het continentaal plat;
|
||||
e. die in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van Besluit 1/80 van de Associatieraad EEG-Turkije betreffende de ontwikkeling van de Associatie of van wie uitzetting in strijd zou zijn met de op 12 september 1963 te Ankara gesloten Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije (Trb. 1964, 217), het op 23 november 1970 te Brussel tot stand gekomen Aanvullend Protocol bij die overeenkomst (Trb. 1971, 70) of dat Besluit nr. 1/80;
|
||||
f. die in aanmerking komt voor de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met grensoverschrijdende dienstverlening;
|
||||
|
|
@ -1583,7 +1615,7 @@ m. die de biologische of juridische ouder is die het gezag heeft over en is inge
|
|||
n. die de echtgenoot, geregistreerde partner of partner is, dan wel het biologische of juridische kind dat onder het rechtmatig gezag staat, van een meerderjarige vreemdeling die houder is van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd die is verleend met toepassing van artikel 3.46, met die houder is ingereisd en bij die houder verblijft;
|
||||
o. die minderjarig is, Nederland is ingereisd als houder van een geldig Nederlands nationaal paspoort en na de vaststelling dat het paspoort ten onrechte is verstrekt, alsnog een aanvraag indient voor een verblijfsvergunning regulier verband houdend met verblijf ter adoptie, tenzij onjuiste gegevens zijn verstrekt die hebben geleid tot de afgifte van dat paspoort;
|
||||
p. die een minderjarig kind is van een houder van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 3.48, eerste lid, onder a, b dan wel c, en onder het gezag staat van en verblijft bij die houder;
|
||||
q. die in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 3.48, eerste lid, aanhef en onder d, e of f, dan wel het minderjarige kind van die vreemdeling dat onder het gezag staat van en verblijft bij die vreemdeling;
|
||||
q. die in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 3.48, eerste lid, aanhef en onder d, e, f, of g, dan wel het minderjarige kind van die vreemdeling dat onder het gezag staat van en verblijft bij die vreemdeling;
|
||||
r. die houder is van een door de autoriteiten van een andere staat die Partij is bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie afgegeven Europese blauwe kaart en gedurende ten minste achttien maanden als houder van die kaart in die staat heeft verbleven;
|
||||
s. die houder is van een door een andere lidstaat van de Europese Unie afgegeven verblijfsvergunning met de vermelding «ICT» die in Nederland wil verblijven voor een overplaatsing binnen een onderneming in het kader van langetermijnmobiliteit in de zin van artikel 22 van richtlijn 2014/66/EU, dan wel de echtgenoot, partner of het minderjarig kind is die zelf houder is van een door een andere lidstaat van de Europese Unie afgegeven verblijfsvergunning in het kader van gezinshereniging van die houder, tenzij sprake is van gezinsvorming.
|
||||
|
||||
|
|
@ -3161,7 +3193,9 @@ b. op het document, bedoeld onder a, van de vreemdeling aan wie de EU-verblijfsv
|
|||
|
||||
### Artikel 4.3
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
**1.** Het overschrijden van de buitengrens is enkel toegestaan via de op grond van artikel 4.2, tweede lid, aangewezen grensdoorlaatposten gedurende de op grond van artikel 4.2, derde lid, vastgestelde openingstijden.
|
||||
|
||||
**2.** Deze verplichting geldt niet indien artikel 4.4 van toepassing is of om internationale bescherming wordt verzocht.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 2. Algemene verplichtingen in het kader van de grensbewaking
|
||||
|
||||
|
|
@ -3822,18 +3856,11 @@ f. de onderbouwing van de aanvraag.
|
|||
|
||||
**1.** Voordat de vreemdeling op grond van artikel 59, 59a of 59b van de Wet in bewaring wordt gesteld, wordt hij gehoord.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
**2.** Het eerste lid is niet van toepassing indien het voorafgaande gehoor van de vreemdeling niet kan worden afgewacht. In dat geval wordt de vreemdeling zo spoedig mogelijk na de tenuitvoerlegging van de bewaring gehoord.
|
||||
|
||||
Het eerste lid is niet van toepassing indien:
|
||||
**3.** Van het gehoor wordt proces-verbaal opgemaakt.
|
||||
|
||||
a. de bewaring van de vreemdeling die in bewaring is gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, onder a, van de Wet wordt voorgezet op grond van artikel 59, eerste lid, onder b, van de Wet, of andersom; of
|
||||
b. het voorafgaande gehoor van de vreemdeling niet kan worden afgewacht.
|
||||
|
||||
**3.** Slechts in het geval bedoeld in het tweede lid, onder d, wordt de vreemdeling zo spoedig mogelijk na de tenuitvoerlegging van de bewaring gehoord.
|
||||
|
||||
**4.** Van het gehoor wordt proces-verbaal opgemaakt.
|
||||
|
||||
**5.** Aan de vreemdeling wordt tijdig mededeling gedaan van de hem toekomende bevoegdheid zich bij het gehoor te doen bijstaan door zijn raadsman.
|
||||
**4.** Aan de vreemdeling wordt tijdig mededeling gedaan van de hem toekomende bevoegdheid zich bij het gehoor te doen bijstaan door zijn raadsman.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.3
|
||||
|
||||
|
|
@ -3867,6 +3894,18 @@ Overeenkomstig door Onze Minister te geven algemene en bijzondere aanwijzingen s
|
|||
|
||||
**2.** Artikel 5.3 is van overeenkomstige toepassing indien de aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, gegeven wordt bij afzonderlijke beschikking.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.8
|
||||
|
||||
**1.** Niet-begeleide minderjarigen als bedoeld in artikel 11, derde lid, van de Opvangrichtlijn worden alleen in uitzonderlijke omstandigheden in bewaring gehouden. Alles wordt in het werk gesteld om de bewaring zo spoedig mogelijk op te heffen.
|
||||
|
||||
**2.** Niet-begeleide minderjarigen als bedoeld in het eerste lid, worden niet ondergebracht in een inrichting als bedoeld in artikel 1 van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen.
|
||||
|
||||
**3.** Niet-begeleide minderjarigen als bedoeld in artikel 17 van de Terugkeerrichtlijn worden slechts in laatste instantie en voor een zo kort mogelijke periode in bewaring gesteld.
|
||||
|
||||
**4.** Niet-begeleide minderjarigen verblijven in aan hen toegewezen ruimten waar zij afgescheiden gehuisvest zijn van volwassenen.
|
||||
|
||||
**5.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de toepassing van dit artikel.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 6. Vertrek, uitzetting, overdracht, inreisverbod en ongewenstverklaring
|
||||
|
||||
### Afdeling 1. Vertrek, uitzetting en overdracht
|
||||
|
|
@ -4408,7 +4447,7 @@ Voor de berekening van het ononderbroken verblijf, bedoeld in het eerste lid, vo
|
|||
a. van ten hoogste zes maanden per jaar;
|
||||
b. om belangrijke redenen, zoals zwangerschap en bevalling, ernstige ziekte, studie of beroepsopleiding, gedurende een eenmalige periode van ten hoogste twaalf achtereenvolgende maanden;
|
||||
c. voor de vervulling van militaire verplichtingen; of
|
||||
d. wegens uitzending voor het verrichten van werkzaamheden.
|
||||
d. wegens uitzending voor het verrichten van werkzaamheden, gedurende een eenmalige periode van ten hoogste twaalf achtereenvolgende maanden.
|
||||
|
||||
**3.** Bij de berekening van het vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf, bedoeld in het eerste lid, blijft buiten beschouwing de periode die is doorgebracht gedurende de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf, terbeschikkingstelling, jeugddetentie of plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders.
|
||||
|
||||
|
|
@ -4514,7 +4553,7 @@ b. het bezwaar of beroep is gericht tegen de weigering van toegang.
|
|||
|
||||
### Artikel 8.25
|
||||
|
||||
Onze Minister kan het rechtmatig verblijf ontzeggen, dan wel beëindigen, in geval van rechtsmisbruik of indien de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens zouden hebben geleid tot weigering van toegang of verblijf.
|
||||
Onze Minister kan het rechtmatig verblijf ontzeggen, dan wel beëindigen, in geval van rechtsmisbruik of indien de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens zouden hebben geleid tot weigering van toegang of verblijf. Artikel 3.29 is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 3. Overige verdragen
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue