2006-08-01 | BWBR0008685 | Wijzigingswet Wet op het basisonderwijs, enz. (regeling schoolbegeleiding)

This commit is contained in:
Coornhert 2006-08-01 12:00:00 +00:00
parent 8cc11218dd
commit cc0812d8d5

View file

@ -28,30 +28,21 @@ Wijzigt de Wet privatisering ABP.
### Artikel V
Tenzij anders is bepaald, wordt in de titels A en B verstaan onder:
Vervallen.
a. Onze Minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen;
b. schoolbegeleidingsdienst: de rechtspersoon, bedoeld in de artikelen 113, tweede lid, van de Wet op het basisonderwijs en 108a, tweede lid, van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs.
1. Uit 's Rijks kas wordt onder de bij deze wet, de Wet op het basisonderwijs en de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs gestelde voorwaarden met ingang van 1 januari 1998 jaarlijks een specifieke uitkering verstrekt aan de gemeenten ter tegemoetkoming in de kosten voor schoolbegeleiding als bedoeld in de artikelen 113 van de Wet op het basisonderwijs en 108a van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs.
2. De hoogte van de specifieke uitkering wordt bepaald op de grondslag van het totale aantal leerlingen dat op 1 oktober 1996 op de scholen, bedoeld in de Wet op het basisonderwijs, en op de scholen en instellingen, bedoeld in de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs, staat ingeschreven in elke gemeente en een bedrag per leerling. Indien het aantal leerlingen in een gemeente na 1 oktober 1996 verandert als gevolg van een wijziging van de grenzen van de desbetreffende gemeente kan Onze Minister met het oog op de berekening in de vorige volzin het aantal leerlingen in overeenstemming brengen met het aantal leerlingen bij de aanvang van het kalenderjaar na dat waarin die grenzen zijn gewijzigd. Indien het aantal leerlingen in een gemeente, anders dan door een wijziging van de grenzen van die gemeente, op 1 oktober van een van de jaren 1997, 1998 of 1999 toeneemt met een aantal dat uitkomt boven een door Onze Minister vast te stellen percentage van het totale aantal leerlingen per 1 oktober 1996, wordt het aantal leerlingen boven dat percentage voor het desbetreffende jaar meegeteld als leerling bedoeld in de eerste volzin.
3. Bij ministeriële regeling wordt jaarlijks voor 1 oktober het bedrag per leerling vastgesteld voor het komende kalenderjaar.
4. Tot het tijdstip waarop de overeenkomst, bedoeld in artikel B2, tweede lid, ingaat, wordt de specifieke uitkering verhoogd met een bedrag ten behoeve van de bijdrage waartoe de schoolbegeleidingsdiensten verplicht zijn in verband met werkloosheidsuitkeringen en herplaatsingswachtgelden. De hoogte van dit bedrag wordt vastgesteld op basis van de opslag betreffende werkloosheidsuitkeringen en herplaatsingswachtgelden, die in het kalenderjaar 1997 aan de desbetreffende schoolbegeleidingsdienst is toegekend en van het aantal leerlingen, bedoeld in het tweede lid. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gegeven omtrent de uitvoering van de vorige volzin.
1. Binnen tien maanden na afloop van het kalenderjaar waarover de specifieke uitkering is toegekend, legt het gemeentebestuur een verklaring van een accountant, als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, over aan Onze Minister, waaruit blijkt in hoeverre de toegekende uitkering is besteed in overeenstemming met de bepalingen van deze wet.
2. Indien de in het eerste lid bedoelde gegevens voldoende blijken uit de vastgestelde rekening van de gemeente, kan worden volstaan met de toezending aan Onze Minister van de rekening, voorzien van een verklaring als bedoeld in het eerste lid.
3. Voor zover niet uit de verklaring, bedoeld in het eerste lid, of uit de rekening, bedoeld in het tweede lid, blijkt dat de uitkering is besteed in overeenstemming met de bepalingen van deze wet, vordert Onze Minister het betreffende bedrag terug.
1. Tot 1 januari 2002 begeleidt een schoolbegeleidingsdienst een zodanig aantal scholen als bedoeld in artikel A2, tweede lid, dat die scholen tezamen door ten minste 20 000 leerlingen worden bezocht.
2. Het eerste lid is niet van toepassing voor zover het betreft op 31 december 1996 bestaande schoolbegeleidingsdiensten, bedoeld in Hoofdstuk II, Titel II, van de Wet op de onderwijsverzorging zoals die luidde op die datum, waarvan de scholen op die datum werden bezocht door een kleiner aantal leerlingen.
Deze titel vervalt met ingang van 1 januari 2002 indien Onze Minister daartoe besluit. Hij kan dat besluit slechts nemen indien het totaal van de gemeentelijke bijdragen aan schoolbegeleiding over de periode vanaf de inwerkingtreding van deze wet tot 1 januari 2001 tenminste gelijk is aan de hoogte van de specifieke uitkering, bedoeld in artikel A2. Onze Minister besluit niet eerder dan na overleg met de Tweede Kamer der Staten-Generaal.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Op scholen ten aanzien waarvan het bestuur dat deze scholen in stand houdt, voor 1 januari 1997 een schoolbegeleidingsovereenkomst heeft opgezegd met het doel zich aan te kunnen sluiten bij een van de door Onze Minister op 31 december 1997 bekostigde landelijke diensten naar richting, is artikel 113a, derde lid, van de Wet op het basisonderwijs dan wel artikel 108b, derde lid, van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs, van overeenkomstige toepassing.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Op bezwaar en beroep met betrekking tot de toepassing van de op 31 december 1997 geldende bij of krachtens de Wet op de onderwijsverzorging gegeven voorschriften die betrekking hebben op de schoolbegeleidingsdiensten, bedoeld in Hoofdstuk II, Titel II, van die wet, en aangevangen voor 1 januari 1998, of aangevangen na die datum doch binnen de termijn, danwel aangevangen na die datum en na afloop van de termijn voor zover daarbij artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is verklaard, blijven de op 31 december 1997 geldende voorschriften van toepassing.