2006-09-22 | BWBR0010475 | Besluit risico’s zware ongevallen 1999
This commit is contained in:
parent
741fdeac54
commit
cdec6a8178
1 changed files with 43 additions and 33 deletions
|
|
@ -28,19 +28,19 @@ i. inspecteur: inspecteur bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieub
|
|||
j. veiligheidsrapport: rapport als bedoeld in artikel 10;
|
||||
k. bijlage: bij dit besluit behorende bijlage;
|
||||
l. installatie: technische eenheid binnen een inrichting waar gevaarlijke stoffen worden vervaardigd, gebruikt, gebezigd, verwerkt of opgeslagen; daartoe wordt mede gerekend alle uitrusting, constructies, leidingen, machines, gereedschappen, eigen spoorwegemplacementen, laad- en loskades, aanlegsteigers voor de installatie, pieren, depots of soortgelijke, al dan niet drijvende constructies, die nodig zijn voor de werking van de installatie;
|
||||
m. het ADR: de op 30 september 1957 te Genève totstandgekomen Europese Overeenkomst betreffende het internationale vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (Trb. 1959, 171).
|
||||
m. het ADR: de op 30 september 1957 te Genève totstandgekomen Europese Overeenkomst betreffende het internationale vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (Trb. 1959, 171);
|
||||
n. plaatsgebonden risico: risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een of meer gevaarlijke stoffen betrokken zijn.
|
||||
|
||||
### Artikel 2
|
||||
|
||||
Dit besluit is niet van toepassing op:
|
||||
|
||||
a. inrichtingen in gebruik bij de krijgsmacht;
|
||||
b. inrichtingen voor zover daarvoor een vergunning is vereist of algemene voorschriften gelden krachtens de Kernenergiewet;
|
||||
c. inrichtingen die krachtens artikel 1, onderdeel n, van de Mijnbouwwet aangewezen zijn als mijnbouwwerken, met uitzondering van inrichtingen waar chemische of thermische verwerkingsactiviteiten en de daarmee verbandhoudende opslag van gevaarlijke stoffen plaatsvinden;
|
||||
d. inrichtingen voor het op of in de bodem brengen van afvalstoffen om ze daar te laten, met uitzondering van inrichtingen die in werking zijn voor het zich ontdoen van residuen, waaronder residuvijvers of -bekkens, die gevaarlijke stoffen bevatten, in het bijzonder indien zij worden gebruikt in verband met chemische of thermische verwerking van mineralen;
|
||||
e. inrichtingen die geheel of nagenoeg geheel zijn bestemd voor de opslag in verband met vervoer van gevaarlijke stoffen, al dan niet in combinatie met andere stoffen en producten;
|
||||
f. spoorwegemplacementen, voor zover zij geen onderdeel zijn van een inrichting waarop dit besluit van toepassing is;
|
||||
g. inrichtingen die krachtens artikel 1, onderdeel n, van de Mijnbouwwet aangewezen zijn als mijnbouwwerken ten behoeve van het opsporen en winnen van delfstoffen als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van die wet, voorzover het opsporen en winnen van die delfstoffen plaatsvindt op het continentaal plat, bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van die wet.
|
||||
b. inrichtingen die krachtens artikel 1, onderdeel n, van de Mijnbouwwet aangewezen zijn als mijnbouwwerken, met uitzondering van inrichtingen waar chemische of thermische verwerkingsactiviteiten en de daarmee verbandhoudende opslag van gevaarlijke stoffen plaatsvinden;
|
||||
c. inrichtingen voor het op of in de bodem brengen van afvalstoffen om ze daar te laten, met uitzondering van inrichtingen die in werking zijn voor het zich ontdoen van residuen, waaronder residuvijvers of -bekkens, die gevaarlijke stoffen bevatten, in het bijzonder indien zij worden gebruikt in verband met chemische of thermische verwerking van mineralen;
|
||||
d. inrichtingen die geheel of nagenoeg geheel zijn bestemd voor de opslag in verband met vervoer van gevaarlijke stoffen, al dan niet in combinatie met andere stoffen en producten;
|
||||
e. spoorwegemplacementen, voor zover zij geen onderdeel zijn van een inrichting waarop dit besluit van toepassing is;
|
||||
f. inrichtingen die krachtens artikel 1, onderdeel n, van de Mijnbouwwet aangewezen zijn als mijnbouwwerken ten behoeve van het opsporen en winnen van delfstoffen als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van die wet, voorzover het opsporen en winnen van die delfstoffen plaatsvindt op het continentaal plat, bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van die wet.
|
||||
|
||||
### Artikel 3
|
||||
|
||||
|
|
@ -99,16 +99,16 @@ f. het bestuur van de regionale brandweer binnen wier gebied de inrichting gehee
|
|||
|
||||
### Artikel 7
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
**1.** Het bevoegd gezag wijst op grond van de gegevens, bedoeld in de artikelen 6, eerste lid, 10, eerste lid, 26, eerste lid, van dit besluit en 5.15a, eerste lid, van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, inrichtingen of groepen inrichtingen aan ten aanzien waarvan de risico's van een zwaar ongeval of de gevolgen daarvan ten gevolge van de ligging van die inrichtingen ten opzichte van elkaar en de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen in die inrichtingen groter kunnen zijn dan op grond van de in die afzonderlijke inrichtingen aanwezige hoeveelheden kan worden verwacht.
|
||||
|
||||
Het bevoegd gezag wijst op grond van de gegevens, bedoeld in de artikelen 6, eerste lid, 10, eerste lid, 26, eerste lid, van dit besluit en 5.15a, eerste lid, van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, inrichtingen of groepen inrichtingen aan ten aanzien waarvan de risico's van een zwaar ongeval of de gevolgen daarvan ten gevolge van de ligging van die inrichtingen ten opzichte van elkaar en de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen in die inrichtingen groter kunnen zijn dan op grond van de in die afzonderlijke inrichtingen aanwezige hoeveelheden kan worden verwacht. De aanwijzing geschiedt in overeenstemming met:
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Van een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid stelt het bevoegd gezag diegenen die de betrokken inrichtingen drijven, in kennis. Het bevoegd gezag zendt een afschrift van die aanwijzing aan:
|
||||
|
||||
a. de daartoe door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen ambtenaar, bedoeld in artikel 24 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998;
|
||||
b. burgemeester en wethouders van de gemeente of gemeenten waarin de inrichtingen geheel of gedeeltelijk zijn gelegen, en
|
||||
c. het bestuur van de regionale brandweer of de besturen van de regionale brandweren in wier gebied de inrichtingen geheel of gedeeltelijk zijn gelegen.
|
||||
|
||||
**2.** Van een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid stelt het bevoegd gezag diegenen die de betrokken inrichtingen drijven, in kennis.
|
||||
|
||||
**3.** Degene die een inrichting drijft, als bedoeld in het eerste lid, wisselt met diegenen die de andere op grond van het eerste lid aangewezen inrichtingen drijven de gegevens uit die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van het in dat lid bedoelde risico. Hij houdt in zijn beleid ter voorkoming van zware ongevallen, bedoeld in artikel 5, tweede lid, en, voor zover van toepassing, in het intern noodplan, bedoeld in artikel 22, en in het veiligheidsrapport rekening met de aard en de omvang van de risico's van een zwaar ongeval bij de naburige inrichtingen.
|
||||
|
||||
**4.** Het bevoegd gezag doet een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid voor de eerste maal uiterlijk vier jaar na de inwerkingtreding van dit besluit en vervolgens tenminste om de vijf jaar.
|
||||
|
|
@ -159,7 +159,9 @@ c. het bestuur van de regionale brandweer binnen wier gebied de inrichting gehee
|
|||
|
||||
### Artikel 11
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
**1.** De werkgever zorgt ervoor dat de werknemers, de deskundigen, genoemd in artikel 13 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998, en de deskundigen of arbodiensten, genoemd in de artikelen 14 en 14a van de Arbeidsomstandighedenwet 1998, desgewenst kennis kunnen nemen van het veiligheidsrapport en de wijziging daarvan, voorzover het betreft de onderdelen a, c, d, e, onder 1°, f, h tot en met l, n, p en q van bijlage III, onder 1, voorzover die onderdelen verband houden met de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de in het bedrijf of de inrichting of een deel daarvan werkzame werknemers.
|
||||
|
||||
**2.** De werkgever voert over de onderdelen van het veiligheidsrapport, genoemd in het eerste lid, en de wijziging daarvan, voorafgaand aan de toezending aan het bevoegd gezag, bij het ontbreken van een ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging, overleg met de belanghebbende werknemers.
|
||||
|
||||
### Artikel 12
|
||||
|
||||
|
|
@ -198,22 +200,24 @@ De artikelen 15, 16 en 18 zijn niet van toepassing op de onderdelen van een veil
|
|||
Het bevoegd gezag zendt uiterlijk binnen twee weken het veiligheidsrapport of de gewijzigde gedeelten daarvan, of, indien toepassing is gegeven aan artikel 16, vierde lid, de aanvullingen op het rapport, en elk verzoek krachtens artikel 14, tweede lid, aan:
|
||||
|
||||
a. de daartoe door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen ambtenaar, bedoeld in artikel 24 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998;
|
||||
b. Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;
|
||||
c. de inspecteur;
|
||||
d. burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de inrichting geheel of gedeeltelijk is gelegen, tenzij burgemeester en wethouders het bevoegd gezag zijn, en de burgemeester van die gemeente;
|
||||
e. het bestuur van de regionale brandweer binnen wier gebied de inrichting geheel of gedeeltelijk is gelegen.
|
||||
b. burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de inrichting geheel of gedeeltelijk is gelegen, tenzij burgemeester en wethouders het bevoegd gezag zijn, en de burgemeester van die gemeente;
|
||||
c. het bestuur van de regionale brandweer binnen wier gebied de inrichting geheel of gedeeltelijk is gelegen.
|
||||
|
||||
**4.** Het bevoegd gezag stelt het bestuursorgaan dat tot het verlenen van de vergunning krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren bevoegd is, in de gelegenheid advies uit te brengen over die onderdelen van het veiligheidsrapport, die betrekking hebben op de risico's voor het oppervlaktewater.
|
||||
|
||||
### Artikel 16
|
||||
|
||||
**1.** De in artikel 15, derde lid, genoemde bestuursorganen en de daartoe door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen ambtenaar, bedoeld in artikel 24 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998, beoordelen het veiligheidsrapport en stellen door tussenkomst van het bevoegd gezag degene die de inrichting drijft, binnen zes maanden na de ontvangst van het veiligheidsrapport schriftelijk in kennis van hun oordeel over de aanvaardbaarheid van de in het rapport weergegeven risico's.
|
||||
**1.** De in artikel 15, derde lid, genoemde bestuursorganen en de daartoe door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen ambtenaar, bedoeld in artikel 24 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998, beoordelen het veiligheidsrapport en stellen door tussenkomst van het bevoegd gezag degene die de inrichting drijft, binnen zes maanden na de ontvangst van het veiligheidsrapport schriftelijk in kennis van hun conclusies naar aanleiding van het veiligheidsrapport.
|
||||
|
||||
**2.** De in het eerste lid bedoelde termijn kan eenmaal met ten hoogste drie maanden worden verlengd. Van deze verlenging wordt door tussenkomst van het bevoegd gezag mededeling gedaan aan degene die de inrichting drijft.
|
||||
|
||||
**3.** De in het eerste lid bedoelde beoordeling vindt plaats nadat onderzocht is of het veiligheidsrapport voldoet aan artikel 10, eerste lid, aan bijlage III en aan het gestelde krachtens artikel 10, tweede lid, en na een op dat rapport gebaseerde inspectie ter plaatse.
|
||||
**3.** De in het eerste lid bedoelde beoordeling vindt plaats nadat onderzocht is of het veiligheidsrapport voldoet aan artikel 10, eerste lid, aan bijlage III en aan het gestelde krachtens artikel 10, tweede lid.
|
||||
|
||||
**4.** Indien een van de in het eerste lid bedoelde bestuursorganen of de daar bedoelde ambtenaar van oordeel is dat het veiligheidsrapport onvoldoende is om de aanvaardbaarheid te beoordelen verzoekt dat bestuursorgaan of die ambtenaar, door tussenkomst van het bevoegd gezag, binnen acht weken na de ontvangst van het veiligheidsrapport om aanvullende inlichtingen te verstrekken binnen een bij het verzoek te stellen termijn van ten hoogste zes weken. De in het eerste lid bedoelde termijn van zes maanden wordt opgeschort met ingang van de dag dat het in de eerste volzin bedoelde verzoek is gedaan tot de dag waarop de aanvullende inlichtingen zijn verstrekt of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken. Het bevoegd gezag stelt de in het eerste lid bedoelde bestuursorganen en de daar bedoelde ambtenaar van het verzoek in kennis.
|
||||
**4.** Indien een van de in het eerste lid bedoelde bestuursorganen of de daar bedoelde ambtenaar van oordeel is dat het veiligheidsrapport onvolledig is, verzoekt dat bestuursorgaan of die ambtenaar, door tussenkomst van het bevoegd gezag, binnen acht weken na de ontvangst van het veiligheidsrapport om aanvullende inlichtingen te verstrekken binnen een bij het verzoek te stellen termijn van ten hoogste zes weken. De in het eerste lid bedoelde termijn van zes maanden wordt opgeschort met ingang van de dag dat het in de eerste volzin bedoelde verzoek is gedaan tot de dag waarop de aanvullende inlichtingen zijn verstrekt of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken. Het bevoegd gezag stelt de in het eerste lid bedoelde bestuursorganen en de daar bedoelde ambtenaar van het verzoek in kennis.
|
||||
|
||||
**5.** Degene aan wie een verzoek als bedoeld in het vierde lid is gedaan, is verplicht daaraan binnen de bij dat verzoek gestelde termijn te voldoen.
|
||||
|
||||
**6.** Bij de conclusies, bedoeld in het eerste lid, en het verzoek, bedoeld in het vierde lid, bewaakt en bevordert het bevoegd gezag vanuit zijn coördinerende rol de eenduidigheid, onderlinge samenhang en tijdigheid van die conclusies of dat verzoek en neemt daartoe de noodzakelijke initiatieven.
|
||||
|
||||
### Artikel 17
|
||||
|
||||
|
|
@ -223,7 +227,7 @@ De stukken bedoeld in de artikelen 13, 14 en 16, vierde lid, worden in zevenvoud
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Uiterlijk twee weken nadat het bevoegd gezag de bevindingen, bedoeld in artikel 16, eerste lid, heeft bekendgemaakt, doet het bevoegd gezag van deze bevindingen en van het veiligheidsrapport gelijktijdig mededeling door:
|
||||
Uiterlijk twee weken nadat het bevoegd gezag de conclusies, bedoeld in artikel 16, eerste lid, heeft bekendgemaakt, doet het bevoegd gezag van deze conclusies en van het veiligheidsrapport gelijktijdig mededeling door:
|
||||
|
||||
a. terinzagelegging;
|
||||
b. kennisgeving in een of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen.
|
||||
|
|
@ -237,13 +241,13 @@ b. kennisgeving in een of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen.
|
|||
Gelijktijdig met de mededeling, bedoeld in het eerste lid, zendt het bevoegd gezag een exemplaar van het veiligheidsrapport aan:
|
||||
|
||||
a. burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de inrichting geheel of gedeeltelijk is gelegen, tenzij burgemeester en wethouders het bevoegd gezag zijn, en de burgemeester van die gemeente;
|
||||
b. burgemeester en wethouders van de gemeenten waarvan het grondgebied is gelegen binnen de lijn van 10^-8 individueel risico, bedoeld in bijlage III, onder 2, onder c, en de burgemeester van die gemeenten;
|
||||
b. burgemeester en wethouders van de gemeenten waarvan het grondgebied is gelegen binnen de lijn van 10^-8 van het plaatsgebonden risico, bedoeld in bijlage III, onder 2, onder c, en de burgemeester van die gemeenten;
|
||||
c. de commissaris van de Koningin in de provincie waarin een gemeente als bedoeld onder a of b is gelegen;
|
||||
d. het bestuur van de regionale brandweer binnen wier gebied een gemeente als bedoeld onder a of b is gelegen;
|
||||
e. Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;
|
||||
e. het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, en
|
||||
f. het bestuursorgaan dat bevoegd is tot verlening van de vergunning krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren.
|
||||
|
||||
**5.** Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer zendt, indien de lijn van 10^-8 individueel risico, bedoeld in bijlage III, onder 2, onder c, zich uitstrekt over het grondgebied van een andere staat een exemplaar aan die staat. In dat geval zendt hij tevens een exemplaar aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
|
||||
**5.** Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer zendt, indien de lijn van 10^-8 van het plaatsgebonden risico, bedoeld in bijlage III, onder 2, onder c, zich uitstrekt over het grondgebied van een andere staat een exemplaar aan die staat. In dat geval zendt hij tevens een exemplaar aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
|
||||
|
||||
**6.** In een geval als bedoeld in het vijfde lid, eerste volzin, zendt Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, indien krachtens artikel 19.3 van de Wet milieubeheer een tweede tekst is overgelegd, een exemplaar van deze tekst aan de betrokken staat.
|
||||
|
||||
|
|
@ -253,7 +257,9 @@ Als gegevens als bedoeld in artikel 19.3, eerste lid, laatste volzin, van de Wet
|
|||
|
||||
### Artikel 20
|
||||
|
||||
Met betrekking tot een inrichting waarop dit besluit van toepassing is beziet het bevoegd gezag telkens of de beperkingen waaronder de vergunning krachtens artikel 8.1 van de Wet milieubeheer is verleend, en de voorschriften die daaraan zijn verbonden, aanpassing behoeven op grond van de in het veiligheidsrapport genoemde maatregelen en op grond van de gegevens met betrekking tot de risico's, bedoeld in bijlage III, onder 2, onder b en c.
|
||||
**1.** Met betrekking tot een inrichting waarop dit besluit van toepassing is beziet het bevoegd gezag telkens of de beperkingen waaronder de vergunning krachtens artikel 8.1 van de Wet milieubeheer is verleend, en de voorschriften die daaraan zijn verbonden, aanpassing behoeven op grond van de in het veiligheidsrapport genoemde maatregelen en op grond van de gegevens met betrekking tot de risico's, bedoeld in bijlage III, onder 2, onder b en c.
|
||||
|
||||
**2.** Indien het bestuur van de regionale brandweer binnen wier gebied de inrichting is gelegen met het oog op de toepassing van het eerste lid een advies heeft uitgebracht, betrekt het bevoegd gezag dat advies bij de actualisering van de vergunning, bedoeld in het eerste lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 21
|
||||
|
||||
|
|
@ -263,15 +269,17 @@ Met betrekking tot een inrichting waarop dit besluit van toepassing is beziet he
|
|||
|
||||
### Artikel 22
|
||||
|
||||
**1.** Degene die een inrichting drijft, stelt een intern noodplan op voor bij een zwaar ongeval binnen de inrichting ten uitvoer te leggen maatregelen, gericht op het beperken en beheersen van zware ongevallen en de gevolgen ervan voor de werknemers. Het interne noodplan bevat tenminste de gegevens en beschrijvingen, bedoeld in bijlage IV.
|
||||
**1.** Degene die een inrichting drijft, stelt een intern noodplan op voor bij een zwaar ongeval binnen de inrichting ten uitvoer te leggen maatregelen, gericht op het beperken en beheersen van zware ongevallen en de gevolgen ervan voor de werknemers. Het intern noodplan bevat tenminste de gegevens en beschrijvingen, bedoeld in bijlage IV.
|
||||
|
||||
**2.** Degene die een inrichting drijft draagt er zorg voor dat het interne noodplan tenminste eens per drie jaar wordt geëvalueerd, beproefd en zonodig gewijzigd. Bij de evaluatie wordt rekening gehouden met veranderingen die zich in de inrichting hebben voorgedaan, en met nieuwe kennis en inzichten omtrent de bij een zwaar ongeval te nemen maatregelen.
|
||||
**2.** Degene die een inrichting drijft draagt er zorg voor dat het intern noodplan tenminste eens per drie jaar wordt geëvalueerd, beproefd en zonodig gewijzigd. Bij de evaluatie wordt rekening gehouden met veranderingen die zich in de inrichting hebben voorgedaan, en met nieuwe kennis en inzichten omtrent de bij een zwaar ongeval te nemen maatregelen.
|
||||
|
||||
**3.** Het interne noodplan en de wijziging daarvan worden, bij het ontbreken van een ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging, opgesteld met raadpleging van de belanghebbende werknemers. Over het interne noodplan en de wijziging daarvan worden tevens de werknemers geraadpleegd van andere werkgevers die op basis van een langlopende overeenkomst tot aanneming van werk mede in de inrichting werkzaam zijn.
|
||||
**3.** Het intern noodplan en de wijziging daarvan worden, bij het ontbreken van een ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging, opgesteld met raadpleging van de belanghebbende werknemers. Over het intern noodplan en de wijziging daarvan worden tevens de werknemers geraadpleegd van andere werkgevers die op basis van een langlopende overeenkomst tot aanneming van werk mede in de inrichting werkzaam zijn.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
**4.** De werkgever zorgt ervoor dat de werknemers, de bedrijfshulpverleners en de hulpverleningsorganisaties, bedoeld in artikel 15 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998, de deskundigen, genoemd in artikel 13 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998, de deskundigen of arbodiensten, genoemd in de artikelen 14 en 14a van de Arbeidsomstandighedenwet 1998, en de werknemers van andere werkgevers, die mede in de inrichting werkzaam zijn, desgewenst kennis kunnen nemen van het intern noodplan.
|
||||
|
||||
Het interne noodplan wordt vastgesteld:
|
||||
**5.**
|
||||
|
||||
Het intern noodplan wordt vastgesteld:
|
||||
|
||||
a. voor inrichtingen die na de inwerkingtreding van dit besluit worden opgericht: voor de inbedrijfstelling er van;
|
||||
b. voor inrichtingen die voor de inwerkingtreding van dit besluit niet verplicht waren tot opstelling van een rapport inzake de externe veiligheid op grond van de Wet milieubeheer of een arbeidsveiligheidsrapport op grond van de Arbeidsomstandighedenwet 1998: binnen drie jaar na de inwerkingtreding van dit besluit;
|
||||
|
|
@ -289,7 +297,7 @@ Een inrichting of een onderdeel daarvan mag niet in werking worden gebracht of g
|
|||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Bij een inspectie die in het kader van het inspectieprogramma wordt uitgevoerd, wordt in ieder geval gecontroleerd of hetgeen in de inrichting wordt aangetroffen in overeenstemming is met de verplichtingen die voortvloeien uit de artikelen 5, 6, 10 en 26, teneinde na te gaan of:
|
||||
Bij een inspectie wordt in ieder geval gecontroleerd of hetgeen in de inrichting wordt aangetroffen in overeenstemming is met de verplichtingen die voortvloeien uit de artikelen 5, 6, 10 en 26, teneinde na te gaan of:
|
||||
|
||||
a. degene die de inrichting drijft kan aantonen dat hij passende maatregelen heeft getroffen om zware ongevallen te voorkomen;
|
||||
b. degene die de inrichting drijft kan aantonen dat hij in passende middelen heeft voorzien om de gevolgen van zware ongevallen op en buiten het bedrijfsterrein te beperken;
|
||||
|
|
@ -303,11 +311,13 @@ c. de verstrekte gegevens en informatie de situatie in de inrichting trouw weerg
|
|||
|
||||
**6.** Het vijfde lid is niet van toepassing indien het bevoegd gezag het in het eerste lid bedoelde inspectieprogramma heeft vastgesteld op grond van een systematische evaluatie van de gevaren van zware ongevallen.
|
||||
|
||||
**7.** Bij het opstellen van het gezamenlijk rapport, bedoeld in het derde lid, bewaakt en bevordert het bevoegd gezag vanuit zijn coördinerende rol de eenduidigheid en onderlinge samenhang van het gezamenlijk rapport en tijdige toezending van dat rapport aan degene die de inrichting drijft en neemt daartoe de noodzakelijke initiatieven.
|
||||
|
||||
### Artikel 25
|
||||
|
||||
**1.** De handeling of het nalaten in strijd met het ter uitvoering van artikel 10a, eerste lid, van de Wet rampen en zware ongevallen in de artikelen 13, eerste lid, 14, 16, vierde lid, en de nadere regels, bedoeld in artikel 14, vierde lid, bepaalde, is een strafbaar feit als bedoeld in artikel 1a, onder 1°, van de Wet op de economische delicten.
|
||||
**1.** Handelen of nalaten in strijd met het krachtens artikel 10a, derde lid, van de Wet rampen en zware ongevallen in de artikelen 13, eerste lid, 14, eerste en tweede lid, 16, vijfde lid, en 21, eerste lid, bepaalde, is een strafbaar feit als bedoeld in artikel 1a, onder 1°, van de Wet op de economische delicten.
|
||||
|
||||
**2.** De handeling of het nalaten in strijd met het ter uitvoering van artikel 6, eerste lid, tweede volzin, Arbeidsomstandighedenwet 1998 in de artikelen 3, tweede lid, 5, eerste tot en met vierde lid, 6, eerste lid, 7, derde lid, 9, 13, tweede en derde lid, 14, eerste en tweede lid, 16, vierde lid, 17, 21, eerste lid, 22, eerste tot en met derde lid, 23, 26, eerste lid, 27, eerste en derde lid, 28, eerste, tweede en vierde lid, en 29 bepaalde is een strafbaar feit als bedoeld in artikel 1, onder 3° van de Wet op de economische delicten.
|
||||
**2.** Handelen of nalaten in strijd met het krachtens artikel 6, eerste lid, tweede zin, van de Arbeidsomstandigenhedenwet 1998 in de artikelen 3, tweede lid, 5, eerste tot en met vierde lid, 6, eerste lid, 7, derde lid, 9, 11, 13, tweede en derde lid, 14, eerste en tweede lid, 16, vijfde lid, 17, 21, eerste lid, 22, eerste tot en met vierde lid, 23, 26, eerste lid, 27, eerste en derde lid, 28, eerste, tweede en vierde lid, en het krachtens artikel 29 bepaalde, is een strafbaar feit als bedoeld in artikel 1, onder 3° van de Wet op de economische delicten.
|
||||
|
||||
### Artikel 26
|
||||
|
||||
|
|
@ -413,4 +423,4 @@ In het veiligheidsbeheerssysteem, bedoeld in artikel 5, derde lid, komen aan de
|
|||
|
||||
## Bijlage IV
|
||||
|
||||
Het interne noodplan, bedoeld in artikel 22, eerste lid, bevat de volgende gegevens en beschrijvingen:
|
||||
Het intern noodplan, bedoeld in artikel 22, eerste lid, bevat de volgende gegevens en beschrijvingen:
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue