2022-10-01 | BWBR0024096 | Leidraad Invordering 2008
This commit is contained in:
parent
fa68af1bf9
commit
cecccb0793
1 changed files with 15 additions and 33 deletions
|
|
@ -92,12 +92,14 @@ Het uitgangspunt met betrekking tot de Awb-conforme werkwijze geldt niet voor de
|
|||
– bezwaar- en beroepschriften als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Kostenwet invordering rijksbelastingen; en
|
||||
– bezwaarschriften tegen voor bezwaar vatbare beschikkingen als bedoeld in de regeling.
|
||||
|
||||
Een andere bepaling uit de Awb die van overeenkomstige toepassing is bij invordering is artikel 4.84 Awb. Op grond van die bepaling is het mogelijk af te wijken van de beleidsregels zoals die zijn opgenomen in deze leidraad. Dit is gerechtvaardigd als toepassing van die regels voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die vanwege bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de doelen die de leidraad dient.
|
||||
|
||||
Dit laatste zal slechts bij hoge uitzondering aan de orde zijn. Het afwijken van beleidsregels leidt in de regel immers tot schending van het gelijkheidsbeginsel. Er moet dus sprake zijn van daadwerkelijk bijzondere omstandigheden op grond waarvan onverkorte toepassing van de leidraad onevenredig nadeel voor de betrokkene zou opleveren. Dit criterium gaat aanzienlijk verder dan een belangenafweging als bedoeld in artikel 3:4 Awb.
|
||||
|
||||
Naast het zoveel mogelijk handelen in overeenstemming met de Awb moet de ontvanger bij zijn handelen de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht nemen, ook als sprake is van privaatrechtelijke handelingen (beslag, executoriale verkoop en dergelijke). Dit betekent onder meer dat als de belastingschuldige in een verzoek aan de Belastingdienst aannemelijk heeft gemaakt dat er gegronde twijfels zijn bij de verschuldigdheid van een onherroepelijk geworden belastingaanslag, de ontvanger de belastingaanslag marginaal toetst. Onder een onherroepelijk vaststaande belastingaanslag wordt in dit verband verstaan een belastingaanslag waartegen geen bezwaar of beroep meer open staat en waarvoor evenmin een ambtshalve beoordeling mogelijk is in verband met termijnoverschrijding. Wanneer bij de marginale toetsing blijkt dat een belastingaanslag in materiële zin niet verschuldigd kan worden geacht, neemt de ontvanger voor een dergelijke aanslag geen invorderingsmaatregelen. Onder invorderingsmaatregelen worden niet alleen dwangmaatregelen zoals de tenuitvoerlegging van een dwangbevel, maar ook de verrekening van een belastingaanslag met belastingteruggaven begrepen. Uitgangspunt hierbij is dat de marginale toetsing zich beperkt tot feiten die de ontvanger bekend zijn op het moment dat hij tot invordering overgaat. De verrekening van een belastingaanslag waarvan is gebleken dat die in materiële zin niet verschuldigd is met een belastingteruggave wordt niet ongedaan gemaakt, tenzij het verzoek daartoe heeft plaatsgevonden binnen één maand nadat de verrekening is bekendgemaakt.
|
||||
|
||||
#### 1.1.5a. Toepassing
|
||||
|
||||
Artikel 4:84 Awb is van overeenkomstige toepassing bij de invordering van rijksbelastingen. Op grond hiervan is het onder omstandigheden mogelijk om af te wijken van beleidsregels zoals die zijn opgenomen in een beleidsbesluit dat van toepassing is voor de praktijk van de ontvanger, zoals deze leidraad. Afwijking van beleidsregels is gerechtvaardigd als toepassing van die regels voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben, die vanwege bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de doelen die de beleidsregels dienen.
|
||||
|
||||
Toepassing van artikel 4:84 Awb zal slechts bij hoge uitzondering aan de orde zijn. Het afwijken van beleidsregels leidt in de regel immers tot schending van het gelijkheidsbeginsel. Er moet dus sprake zijn van daadwerkelijk bijzondere omstandigheden waardoor onverkorte toepassing van de beleidsregels onevenredig nadeel voor de betrokkene zou opleveren. Dit criterium gaat aanzienlijk verder dan een belangenafweging als bedoeld in artikel 3:4 Awb.
|
||||
|
||||
#### 1.1.6. Keuze uit verschillende invorderingsmaatregelen
|
||||
|
||||
Als de invordering op verschillende manieren kan plaatsvinden, heeft de eenvoudigste, snelste en minst kostbare wijze voor de Belastingdienst de voorkeur.
|
||||
|
|
@ -161,7 +163,7 @@ De bescheiden die betrekking hebben op een beslissing van schuldige nalatigheid
|
|||
|
||||
#### 1.1.12. Verklaring inzake nakoming fiscale verplichtingen
|
||||
|
||||
Op verzoek van de belanghebbende of zijn gemachtigde geeft de ontvanger een verklaring af, dat op dat moment geen belastingaanslagen of andere vorderingen op zijn naam openstaan waarvan de invordering aan de ontvanger is opgedragen. Tevens verklaart de ontvanger desgevraagd dat zich in het verleden – voor wat betreft de invordering – geen moeilijkheden hebben voorgedaan. In de verklaring kan de ontvanger nadere bijzonderheden vermelden.
|
||||
Op verzoek van de belanghebbende of zijn gemachtigde geeft de ontvanger een verklaring af over het betalingsgedrag van de belanghebbende. De verklaring ziet op formele belastingschulden of andere vorderingen ten name van de belanghebbende waarvan de invordering aan de ontvanger is opgedragen op het moment van afgifte van de verklaring. De verklaring biedt geen garantie dat de materieel verschuldigde belastingen tot het moment van afgifte van de verklaring volledig zijn voldaan. Tevens verklaart de ontvanger desgevraagd dat zich in het verleden – voor wat betreft de invordering – geen moeilijkheden hebben voorgedaan. In de verklaring kan de ontvanger nadere bijzonderheden vermelden. Op de procedure voor de afgifte van de verklaring en op de inhoud ervan, is het bepaalde in artikel 35.12 van deze leidraad van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
De ontvanger zendt de verklaring aan het adres van de belanghebbende of reikt deze aan hem uit. Toezending of uitreiking aan een ander dan de belanghebbende blijft achterwege, tenzij de ontvanger zich ervan heeft overtuigd dat die ander tot ontvangst van de verklaring bevoegd is.
|
||||
|
||||
|
|
@ -962,12 +964,6 @@ In het beslag-exploot (waarvan afschrift wordt gelaten aan de derdebeslagene) da
|
|||
|
||||
De ontvanger laat geen derdenbeslag leggen onder een zorgaanbieder als bedoeld in artikel 1 van de Subsidieregeling bonus zorgprofessionals COVID-19, voor een bonus die door de zorgaanbieder wordt uitgekeerd aan een zorgprofessional als bedoeld in artikel 1 van de Subsidieregeling bonus zorgprofessionals COVID-19, voor zover aan de zorgaanbieder een subsidie is verstrekt op grond van de Subsidieregeling bonus zorgprofessionals COVID-19. Als reeds beslag is gelegd onder de zorgaanbieder, verzoekt de ontvanger niet om afdracht van de bonus of betaalt de ontvanger de bonus alsnog aan de zorgprofessional uit als de zorgaanbieder de bonus al aan de ontvanger heeft afgedragen.
|
||||
|
||||
#### 14.4.1b. Bankbeslag en energietoeslag
|
||||
|
||||
Als de ontvanger bankbeslag legt ten laste van een belastingschuldige die op grond van artikel 35, vierde of vijfde lid, Pw, een energietoeslag heeft ontvangen, geldt het volgende.
|
||||
|
||||
Op schriftelijk verzoek van de belastingschuldige betaalt de ontvanger het door de bank op het bankbeslag afgedragen bedrag terug, tot maximaal het bedrag van de ontvangen energietoeslag.
|
||||
|
||||
#### 14.4.2. Derdenbeslag of vordering
|
||||
|
||||
Als naast een derdenbeslag ook een vordering op grond van artikel 19 van de wet mogelijk is, kiest de ontvanger voor het doen van een vordering.
|
||||
|
|
@ -1293,12 +1289,6 @@ Als de belastingschuldige op grond van de basisregistratie personen geen adres i
|
|||
|
||||
Als de belastingschuldige in zijn verzoek aantoont wat zijn leefsituatie is, stelt de ontvanger alsnog het voor de leefsituatie van de belastingschuldige geldende vrij te laten bedrag vast en stelt dit beschikbaar aan de belastingschuldige, nadat op de vordering is afgedragen.
|
||||
|
||||
### 19.6. Vordering en energietoeslag
|
||||
|
||||
Als de ontvanger bij een belastingschuldige die op grond van artikel 35, vierde of vijfde lid, Pw, een energietoeslag heeft ontvangen, een overheidsvordering doet of een betalingsvordering doet, geldt het volgende.
|
||||
|
||||
Op schriftelijk verzoek van de belastingschuldige betaalt de ontvanger het daarop afgedragen bedrag terug, tot maximaal het bedrag van de ontvangen energietoeslag.
|
||||
|
||||
## 20. Lijfsdwang
|
||||
|
||||
In aansluiting op artikel 20 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over:
|
||||
|
|
@ -2083,12 +2073,8 @@ De ontvanger zal een betalingsregeling in ieder geval niet toestaan als de betal
|
|||
|
||||
#### 25.4.2. Uitstel en autobelasting
|
||||
|
||||
De motorrijtuigenbelasting behoort tot de kosten die onverbrekelijk samenhangen met het houden van een motorrijtuig. De ontvanger wijst een verzoek om een betalingsregeling voor motorrijtuigenbelasting om die reden af, tenzij voldaan is aan de voorwaarden genoemd in de artikelen 25.5.3 of 25.6.2D van deze leidraad.
|
||||
|
||||
In beginsel wijst de ontvanger verzoeken af om betalingsregelingen voor de belasting van personenauto’s en motorrijwielen en voor de belasting zware motorrijtuigen. Dit vanwege het specifieke karakter van die belastingen.
|
||||
|
||||
Naar aanleiding van de uitzonderlijke omstandigheden als gevolg van de coronacrisis kan de ontvanger echter wel een betalingsregeling als bedoeld in artikel 25.5 of artikel 25.6 toekennen voor naheffingsaanslagen motorrijtuigenbelasting met een uiterste betaaldatum van uiterlijk 30 september 2022. Dit geldt ook als de belastingschuldige voor dezelfde belastingschuld al uitstel van betaling heeft of heeft genoten als bedoeld in artikel 25.5.3 of artikel 25.6.2d.
|
||||
|
||||
#### 25.4.3. Verrekening tijdens een betalingsregeling
|
||||
|
||||
Tijdens een betalingsregeling verrekent de ontvanger belastingteruggaven en andere teruggaven met een openstaande belastingschuld. Als daar aanleiding toe is, kan de ontvanger afzien van het verrekenen van bepaalde teruggaven. Tenzij anders overeengekomen, verrekent de ontvanger een voorlopige teruggaaf inkomstenbelasting over het lopende jaar niet met een belastingschuld waarvoor een betalingsregeling is verleend.
|
||||
|
|
@ -2136,7 +2122,7 @@ Het uitstel wordt beëindigd:
|
|||
|
||||
#### 25.5.1. Duur betalingsregeling particulieren
|
||||
|
||||
De ontvanger verleent de belastingschuldige uitstel van betaling voor een periode van ten hoogste twaalf maanden, te rekenen vanaf de datum waarop de ontvanger de betalingsregeling bij beschikking toestaat.
|
||||
De ontvanger verleent de belastingschuldige uitstel van betaling voor een periode van ten hoogste twaalf maanden, te rekenen vanaf de datum waarop de ontvanger de betalingsregeling bij beschikking toestaat. Als voor de belastingschuld waarvoor om uitstel van betaling wordt verzocht, al uitstel van betaling op grond van artikel 25.5.3 is genoten, is de maximale looptijd van de betalingsregeling twaalf maanden, gerekend vanaf de datum waarop de betalingsregeling op grond van artikel 25.5.3 is toegekend.
|
||||
|
||||
Slechts als er volgens de ontvanger bijzondere omstandigheden zijn, kan hij de belastingschuldige een langere termijn gunnen dan twaalf maanden.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2158,11 +2144,9 @@ c. Aan de belastingschuldige is niet voor dezelfde belastingaanslag of voor ande
|
|||
d. Het verzoek betreft niet een voorlopige aanslag als bedoeld in artikel 9, vijfde lid, van de wet die in meerdere termijnen betaald mag worden.
|
||||
e. De belastingschuldige heeft geen belastingschuld openstaan waarvoor een dwangbevel is betekend.
|
||||
|
||||
Voor naheffingsaanslagen in de motorrijtuigenbelasting met een uiterste betaaldatum gelegen voor 1 oktober 2021, bedraagt de maximale looptijd van de betalingsregeling 4 maanden, gerekend vanaf 1 oktober 2021.
|
||||
|
||||
#### 25.5.4. Behandeling verzoek betalingsregeling particulieren
|
||||
|
||||
In andere gevallen als bedoeld in artikel 25.5.3 van deze leidraad, gaat de ontvanger aan de hand van de daartoe door de verzoeker verstrekte gegevens over tot de berekening van de betalingscapaciteit en de beoordeling van de vermogenspositie. De ontvanger verleent in ieder geval geen uitstel van betaling als voor de belastingschuld waarvoor uitstel wordt gevraagd al uitstel op grond van artikel 25.5.3 van deze leidraad is verleend, ongeacht of dit uitstel nog loopt of reeds is beëindigd.
|
||||
In andere gevallen als bedoeld in artikel 25.5.3 van deze leidraad, gaat de ontvanger aan de hand van de daartoe door de verzoeker verstrekte gegevens over tot de berekening van de betalingscapaciteit en de beoordeling van de vermogenspositie.
|
||||
|
||||
Voor de berekening van de betalingscapaciteit vraagt de ontvanger zo nodig nadere gegevens bij de verzoeker op. Bij de berekening van de betalingscapaciteit gaat de ontvanger uit van de begrippen en normen die gelden bij het kwijtscheldingsbeleid, behalve voor zover daarvan in artikel 25.5.6 tot en met 25.5.9 van deze leidraad wordt afgeweken. Ook met betrekking tot het vermogen gaat de ontvanger uit van het vermogensbegrip zoals dat geldt in de kwijtscheldingsregeling.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2208,25 +2192,25 @@ Het beleid zoals beschreven bij de berekening van de betalingscapaciteit bij reg
|
|||
|
||||
Een betalingsregeling moet een zo kort mogelijke periode beslaan. Bij het vaststellen van de duur van de betalingsregeling houdt de ontvanger rekening met de omstandigheden, bijvoorbeeld de aard en de omvang van de schuld, de liquiditeits- en de vermogenspositie van de onderneming en het aangifte- en betalingsgedrag in het verleden.
|
||||
|
||||
De betalingsregeling zal in elk geval een looptijd van twaalf maanden niet te boven gaan, gerekend vanaf de (laatste) vervaldag van de belastingaanslag.
|
||||
|
||||
Als het verzoek om uitstel van betaling uiterlijk op 30 september 2022 is ingediend, geldt tijdelijk een andere maximale looptijd. In dat geval geldt een maximale looptijd van twaalf maanden, gerekend vanaf de datum waarop de ontvanger de betalingsregeling bij beschikking toestaat.
|
||||
De betalingsregeling heeft een looptijd van ten hoogste twaalf maanden, te rekenen vanaf de datum waarop de ontvanger de betalingsregeling bij beschikking toestaat. Als voor de belastingschuld waarvoor om uitstel van betaling wordt verzocht, al uitstel van betaling op grond van artikel 25.6.2d is genoten, is de maximale looptijd van de betalingsregeling twaalf maanden, gerekend vanaf de datum waarop de betalingsregeling op grond van artikel 25.6.2d is toegekend.
|
||||
|
||||
#### 25.6.2. Voorwaarden betalingsregeling ondernemers
|
||||
|
||||
Aan het verlenen van een betalingsregeling stelt de ontvanger de voorwaarde dat de belastingschuldige nieuw opkomende fiscale en andere financiële verplichtingen – waarvan de invordering aan de ontvanger is opgedragen – bijhoudt.
|
||||
|
||||
Bovendien stelt de ontvanger de voorwaarde dat zekerheid wordt gesteld (zie artikel 25.1.13 van deze leidraad). De hoogte van de zekerheid moet gelijk zijn aan de schuld waarvoor uitstel wordt verzocht.
|
||||
De ontvanger kan bij het verlenen van een betalingsregeling zekerheid eisen (zie artikel 25.1.13). Dit zal hij in ieder geval doen als het aangifte- en betalingsgedrag van de belastingschuldige in het verleden, of de aard of de omvang van de belastingschuld waarvoor om uitstel wordt verzocht, daartoe aanleiding geeft. Uitgangspunt voor de hoogte van de zekerheid is de hoogte van de schuld waarvoor uitstel is verzocht.
|
||||
|
||||
#### 25.6.2a. Bijzondere omstandigheden betalingsregeling ondernemers
|
||||
|
||||
Als een ondernemer door een oorzaak die buiten zijn invloed ligt in tijdelijke liquiditeitsproblemen is gekomen, kan de ontvanger desgevraagd uitstel voor een langere periode verlenen of zonder dat voor het volledige bedrag zekerheid is gesteld. Daartoe moet de ondernemer aan de hand van een door een derde deskundige opgestelde verklaring (zie artikel 25.6.2B) het voor de ontvanger aannemelijk maken dat:
|
||||
Als een ondernemer (hoofdzakelijk) door een oorzaak die buiten zijn invloed ligt in tijdelijke liquiditeitsproblemen is gekomen, kan de ontvanger desgevraagd uitstel voor een langere periode verlenen. Daartoe moet de ondernemer aan de hand van een door een derde deskundige opgestelde verklaring (zie artikel 25.6.2B) het voor de ontvanger aannemelijk maken dat:
|
||||
|
||||
a. het gaat om werkelijk bestaande betalingsproblemen;
|
||||
b. die betalingsproblemen van tijdelijke aard zijn;
|
||||
c. die betalingsproblemen vóór een bepaald tijdstip zullen worden opgelost; en
|
||||
d. dat er sprake is van een levensvatbare onderneming.
|
||||
|
||||
Als de totale belastingschuld ten tijde van de ontvangst van het verzoek om uitstel, minder dan € 20.000 bedraagt, kan de ondernemer volstaan met een eigen verklaring. De ondernemer moet daarin aannemelijk maken dat aan de eisen onder a. tot en met d. wordt voldaan.
|
||||
|
||||
De ontvanger kan bij het verlenen van dit uitstel nadere voorwaarden stellen. Om bij onvoorziene tegenslagen de mogelijke verliezen voor de Staat te beperken, wordt zoveel als mogelijk is door de ontvanger zekerheid verlangd. De zekerheid kan ook omvatten een (bodem)beslag.
|
||||
|
||||
#### 25.6.2b. Verklaring derde deskundige
|
||||
|
|
@ -2250,9 +2234,7 @@ b. Er staan ten name van de belastingschuldige geen belastingaanslagen open waar
|
|||
c. Er staat geen vergrijpboete open.
|
||||
d. Aan de belastingschuldige is niet voor dezelfde belastingaanslag of voor andere aanslagen uitstel van betaling in verband met betalingsproblemen of uitstel in verband met een te verwachten uit te betalen bedrag verleend.
|
||||
e. Het verzoek betreft niet een voorlopige aanslag als bedoeld in artikel 9, vijfde lid, van de wet die in meerdere termijnen betaald mag worden.
|
||||
f. Er is geen sprake van een aangifteverzuim.
|
||||
|
||||
Voor naheffingsaanslagen in de motorrijtuigenbelasting met een uiterste betaaldatum gelegen voor 1 oktober 2021, bedraagt de maximale looptijd van de betalingsregeling 4 maanden, gerekend vanaf 1 oktober 2021.
|
||||
f. Er is geen sprake van een aangifteverzuim voor de belastingschuld waarvoor om uitstel van betaling wordt verzocht.
|
||||
|
||||
Als de ondernemer op grond van de hiervoor genoemde voorwaarden in aanmerking komt voor kort uitstel van betaling ter zake van belasting die op aangifte moet worden betaald, komt een eventueel in verband met die aangifte opgelegde betalingsverzuimboete te vervallen. Dit geldt niet voor de motorrijtuigenbelasting.
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue