2015-10-01 | BWBR0037640 | Beleidsregels vereveningsbijdrage zorgverzekering 2016
This commit is contained in:
parent
f82c6bac7d
commit
cecd672d9b
1 changed files with 75 additions and 75 deletions
|
|
@ -29,7 +29,7 @@ j. *vereveningsbijdrage:* de bijdrage, bedoeld in de artikelen 32 en 34 van de Z
|
|||
k. *wet:* de Zorgverzekeringswet;
|
||||
l. *Regeling:*
|
||||
Regeling risicoverevening 2016;
|
||||
m. *de brief:* De brief van de minister van VWS van 7 oktober 2015 met kenmerk 846552-142595-Z.
|
||||
m. *de brief:* De brief van de minister van VWS van 7 oktober 2015 met kenmerk 846552-142595-Z.
|
||||
|
||||
### Artikel 2
|
||||
|
||||
|
|
@ -43,9 +43,9 @@ Het Zorginstituut gaat bij de verdeling van de macro-deelbedragen 2016 en de ber
|
|||
|
||||
### Artikel 4
|
||||
|
||||
**1.** Het Zorginstituut baseert zich bij de raming van de verzekerdenaantallen 2016 op de macroverzekerdenraming 2016 en het PKB 2015 met als peildatum 1 mei 2015, zoals de zorgverzekeraars dat hebben aangeleverd op 1 juni 2015.
|
||||
**1.** Het Zorginstituut baseert zich bij de raming van de verzekerdenaantallen 2016 op de macroverzekerdenraming 2016 en het PKB 2015 met als peildatum 1 mei 2015, zoals de zorgverzekeraars dat hebben aangeleverd op 1 juni 2015.
|
||||
|
||||
**2.** Het Zorginstituut baseert zich bij de raming van de verzekerdenaantallen 2016 per zorgverzekeraar op het PKB 2015 met als peildatum 1 mei 2015, zoals de zorgverzekeraars dat hebben aangeleverd op 1 juni 2015.
|
||||
**2.** Het Zorginstituut baseert zich bij de raming van de verzekerdenaantallen 2016 per zorgverzekeraar op het PKB 2015 met als peildatum 1 mei 2015, zoals de zorgverzekeraars dat hebben aangeleverd op 1 juni 2015.
|
||||
|
||||
**3.** Wanneer een verzekerde bij meerdere zorgverzekeraars tegelijkertijd is ingeschreven, past het Zorginstituut artikel 10 van de Regeling toe.
|
||||
|
||||
|
|
@ -86,8 +86,8 @@ Het Zorginstituut gaat bij de verdeling van de macro-deelbedragen 2016 en de ber
|
|||
Het Zorginstituut baseert zich voor het geraamde aantal verzekerden voor het criterium FKG’s per zorgverzekeraar op:
|
||||
|
||||
a. de indeling in FKG klassen voor de somatische zorg 2016 uit bijlage 5 van de brief;
|
||||
b. de opgave per 1 juni 2015 van declaraties farmaceutische hulp 2014 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van de zorgverzekeraars aan het Zorginstituut;
|
||||
c. de opgave per 1 juni 2015 van declaraties add-ons duur of weesgeneesmiddel 2013 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van de zorgverzekeraars aan het Zorginstituut.
|
||||
b. de opgave per 1 juni 2015 van declaraties farmaceutische hulp 2014 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van de zorgverzekeraars aan het Zorginstituut;
|
||||
c. de opgave per 1 juni 2015 van declaraties add-ons duur of weesgeneesmiddel 2013 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van de zorgverzekeraars aan het Zorginstituut.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -98,7 +98,7 @@ b. middelen die in de G-standaard van Z-Index zijn aangemerkt als grond- en hulp
|
|||
|
||||
**3.** Het Zorginstituut hanteert een drempel van meer dan 180 standaarddagdoseringen per klasse van het criterium FKG’s. Beneden deze drempel deelt het Zorginstituut een verzekerde niet in bij een klasse van het criterium FKG’s, anders dan ‘geen FKG’.
|
||||
|
||||
**4.** In afwijking van het bepaalde in het derde lid hanteert het Zorginstituut bij de klasse ‘Schildklieraandoeningen’, bij de klasse ‘Psychose, Alzheimer en verslaving’, bij de klasse ‘Depressie’, bij de klasse ‘Astma’ en bij de klasse ‘Epilepsie’ voor verzekerden jonger dan achttien jaar per 1 juli in het jaar van de betreffende declaraties een drempel van meer dan 90 standaarddagdoseringen.
|
||||
**4.** In afwijking van het bepaalde in het derde lid hanteert het Zorginstituut bij de klasse ‘Schildklieraandoeningen’, bij de klasse ‘Psychose, Alzheimer en verslaving’, bij de klasse ‘Depressie’, bij de klasse ‘Astma’ en bij de klasse ‘Epilepsie’ voor verzekerden jonger dan achttien jaar per 1 juli in het jaar van de betreffende declaraties een drempel van meer dan 90 standaarddagdoseringen.
|
||||
|
||||
**5.** In afwijking van het bepaalde in het derde lid hanteert het Zorginstituut voor de klasse ‘Kanker’ een drempel van ten minste 3 receptregels. Beneden deze drempel deelt het Zorginstituut een verzekerde niet in bij de klasse ‘Kanker’.
|
||||
|
||||
|
|
@ -132,7 +132,7 @@ j. Indien een verzekerde is ingedeeld bij de klasse ‘Kanker’, deelt het Zorg
|
|||
Het Zorginstituut baseert zich voor het geraamde aantal verzekerden voor het criterium DKG’s per zorgverzekeraar op:
|
||||
|
||||
a. de indeling in DKG klassen 2016 uit bijlage 7 van de brief;
|
||||
b. de opgave van de zorgverzekeraars per 1 juni 2015 aan het Zorginstituut van de declaraties per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van dbc’s die in 2013 geopend zijn.
|
||||
b. de opgave van de zorgverzekeraars per 1 juni 2015 aan het Zorginstituut van de declaraties per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van dbc’s die in 2013 geopend zijn.
|
||||
|
||||
**2.** Het Zorginstituut bepaalt door een koppeling op basis van het gepseudonimiseerde burgerservicenummer tussen de opgave, bedoeld in het vorige lid, onderdeel b, en het PKB 2014 per verzekerde in welke DKG klasse ‘1’ tot en met ‘15’ de verzekerde valt, waarbij uitsluitend de hoogste DKG klasse telt. Het Zorginstituut stelt voor de toepasselijke klasse waarin de verzekerde valt de zwaarte op 1.
|
||||
|
||||
|
|
@ -149,7 +149,7 @@ b. de opgave van de zorgverzekeraars per 1 juni 2015 aan het Zorginstituut van
|
|||
Het Zorginstituut baseert zich voor het geraamde aantal verzekerden voor het criterium HKG’s per zorgverzekeraar op:
|
||||
|
||||
a. de indeling in HKG klassen somatische zorg 2016 uit bijlage 9 van de brief;
|
||||
b. de opgave per 1 juni 2015 van declaraties hulpmiddelen 2014 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van de zorgverzekeraars aan het Zorginstituut.
|
||||
b. de opgave per 1 juni 2015 van declaraties hulpmiddelen 2014 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van de zorgverzekeraars aan het Zorginstituut.
|
||||
|
||||
**2.** Het Zorginstituut bepaalt door een koppeling op basis van het gepseudonimiseerde burgerservicenummer tussen de opgave, bedoeld in het vorige lid, onderdeel b, en het PKB 2015 per verzekerde in welke HKG klasse de verzekerde valt, waarbij uitsluitend de hoogste HKG klasse telt. Het Zorginstituut stelt voor de toepasselijke klasse waarin de verzekerde valt de zwaarte op 1.
|
||||
|
||||
|
|
@ -166,10 +166,10 @@ b. de opgave per 1 juni 2015 van declaraties hulpmiddelen 2014 per gepseudonimi
|
|||
Het Zorginstituut baseert zich voor het geraamde aantal verzekerden voor het criterium aard van het inkomen per zorgverzekeraar met betrekking tot:
|
||||
|
||||
a. de leeftijd, op het PKB 2014;
|
||||
b. de zelfstandigen, op de opgave per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van de Belastingdienst naar inkomensbron op peildatum 30 juni 2014;
|
||||
c. de duurzaam en volledig arbeidsongeschikten, de arbeidsongeschikten, de bijstandsgerechtigden en de referentiegroep, op de opgave per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van het UWV naar inkomensbron op peildatum 30 juni 2014;
|
||||
d. de studenten, op de opgave van DUO per gepseudonimiseerd burgerservicenummer met peildatum 1 juni 2014;
|
||||
e. de hoogopgeleiden, op de opgave van DUO per gepseudonimiseerd burgerservicenummer met peildatum 1 juni 2015.
|
||||
b. de zelfstandigen, op de opgave per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van de Belastingdienst naar inkomensbron op peildatum 30 juni 2014;
|
||||
c. de duurzaam en volledig arbeidsongeschikten, de arbeidsongeschikten, de bijstandsgerechtigden en de referentiegroep, op de opgave per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van het UWV naar inkomensbron op peildatum 30 juni 2014;
|
||||
d. de studenten, op de opgave van DUO per gepseudonimiseerd burgerservicenummer met peildatum 1 juni 2014;
|
||||
e. de hoogopgeleiden, op de opgave van DUO per gepseudonimiseerd burgerservicenummer met peildatum 1 juni 2015.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -212,7 +212,7 @@ b. het inkomen, op de opgave per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van de Be
|
|||
c. het inkomen wanneer voor 2013 geen gegevens beschikbaar zijn, op gegevens over het jaar 2012;
|
||||
d. de adresgegevens, op het gepseudonimiseerde adres per gepseudonimiseerd burgerservicenummer in de opgave van de Belastingdienst over het jaar 2014;
|
||||
e. de adresgegevens, indien deze in de opgave van de Belastingdienst ontbreken, op het gepseudonimiseerde adres in het PKB 2014;
|
||||
f. bewoners, op de opgave van DUO per gepseudonimiseerd burgerservicenummer met peildatum 1 juni 2014 en op de opgave van DUO per gepseudonimiseerd burgerservicenummer met peildatum 1 juni 2013.
|
||||
f. bewoners, op de opgave van DUO per gepseudonimiseerd burgerservicenummer met peildatum 1 juni 2014 en op de opgave van DUO per gepseudonimiseerd burgerservicenummer met peildatum 1 juni 2013.
|
||||
|
||||
**2.** Het Zorginstituut bepaalt op basis van de gegevens uit het vorige lid en een koppeling met het PKB 2014 in welke SES klasse een verzekerde wordt ingedeeld.
|
||||
|
||||
|
|
@ -226,9 +226,9 @@ f. bewoners, op de opgave van DUO per gepseudonimiseerd burgerservicenummer met
|
|||
|
||||
Het Zorginstituut baseert zich voor het geraamde aantal verzekerden voor het criterium MHK per zorgverzekeraar op:
|
||||
|
||||
a. declaraties met betrekking tot vereveningsjaar 2011 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor de deelbedragen variabele kosten van ziekenhuisverpleging en specialistische hulp, de kosten van B-dbc’s en de kosten van overige prestaties tot en met 31 december 2013, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2014 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;
|
||||
b. declaraties met betrekking tot vereveningsjaar 2012 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor de deelbedragen variabele kosten van ziekenhuisverpleging en specialistische hulp, de kosten van dbc-zorgproducten in het vrije segment en de kosten van overige prestaties tot en met 31 december 2014, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2015 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;
|
||||
c. declaraties met betrekking tot vereveningsjaar 2013 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor de deelbedragen variabele kosten van medisch-specialistische zorg en de kosten van overige prestaties, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2015 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;
|
||||
a. declaraties met betrekking tot vereveningsjaar 2011 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor de deelbedragen variabele kosten van ziekenhuisverpleging en specialistische hulp, de kosten van B-dbc’s en de kosten van overige prestaties tot en met 31 december 2013, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2014 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;
|
||||
b. declaraties met betrekking tot vereveningsjaar 2012 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor de deelbedragen variabele kosten van ziekenhuisverpleging en specialistische hulp, de kosten van dbc-zorgproducten in het vrije segment en de kosten van overige prestaties tot en met 31 december 2014, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2015 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;
|
||||
c. declaraties met betrekking tot vereveningsjaar 2013 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor de deelbedragen variabele kosten van medisch-specialistische zorg en de kosten van overige prestaties, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2015 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;
|
||||
d. het VPPKB 2011, het VPPKB 2012 en het VPPKB 2013.
|
||||
|
||||
**2.** Het Zorginstituut herleidt de percentages van de MHK klassen met betrekking tot vereveningsjaar 2011, 2012 respectievelijk 2013 tot drempelbedragen MHK 2011, 2012 respectievelijk 2013.
|
||||
|
|
@ -309,7 +309,7 @@ b. morbiditeit, op het geraamde aantal verzekerden dat niet is ingedeeld in zowe
|
|||
Het Zorginstituut baseert zich voor het geraamde aantal verzekerden voor het criterium FKG GGZ per zorgverzekeraar op:
|
||||
|
||||
a. de indeling in FKG GGZ 2016 uit bijlage 6 van de brief;
|
||||
b. de opgave per 1 juni 2015 van declaraties farmaceutische hulp 2014 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van de zorgverzekeraars aan het Zorginstituut.
|
||||
b. de opgave per 1 juni 2015 van declaraties farmaceutische hulp 2014 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van de zorgverzekeraars aan het Zorginstituut.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -346,8 +346,8 @@ b. Indien een verzekerde is ingedeeld bij de klasse ‘FKG bipolair complex’,
|
|||
Het Zorginstituut baseert zich voor het geraamde aantal verzekerden voor het criterium DKG GGZ per zorgverzekeraar op:
|
||||
|
||||
a. de indeling in DKG GGZ 2016 uit bijlage 8 van de brief;
|
||||
b. de opgave van de zorgverzekeraars per 1 juni 2015 aan het Zorginstituut van de declaraties per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van dbc’s GGZ die in 2013 geopend zijn;
|
||||
c. kosten met betrekking tot vereveningsjaar 2012 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor het deelbedrag kosten GGZ, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2015 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd.
|
||||
b. de opgave van de zorgverzekeraars per 1 juni 2015 aan het Zorginstituut van de declaraties per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van dbc’s GGZ die in 2013 geopend zijn;
|
||||
c. kosten met betrekking tot vereveningsjaar 2012 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor het deelbedrag kosten GGZ, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2015 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd.
|
||||
|
||||
**2.** Het Zorginstituut koppelt op basis van het gepseudonimiseerde burgerservicenummer de opgave, bedoeld in het vorige lid, onderdeel b, aan het PKB 2014 en betrekt daarbij de declaraties, bedoeld in het vorige lid, onderdeel c. Het Zorginstituut bepaalt per verzekerde in welke DKG GGZ klasse de verzekerde valt, waarbij uitsluitend de hoogste DKG GGZ klasse telt en stelt voor de toepasselijke klasse waarin de verzekerde valt de zwaarte op 1.
|
||||
|
||||
|
|
@ -391,9 +391,9 @@ b. de adresgegevens, indien deze in de opgave van de Belastingdienst 2014 ontbre
|
|||
|
||||
Het Zorginstituut baseert zich voor het geraamde aantal verzekerden voor het criterium GGZ-MHK per zorgverzekeraar op:
|
||||
|
||||
a. declaraties met betrekking tot vereveningsjaar 2011 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg tot en met 31 december 2013, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2014 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;
|
||||
b. declaraties met betrekking tot vereveningsjaar 2012 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg tot en met 31 december 2014, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2015 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;
|
||||
c. declaraties met betrekking tot vereveningsjaar 2013 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2015 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;
|
||||
a. declaraties met betrekking tot vereveningsjaar 2011 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg tot en met 31 december 2013, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2014 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;
|
||||
b. declaraties met betrekking tot vereveningsjaar 2012 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg tot en met 31 december 2014, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2015 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;
|
||||
c. declaraties met betrekking tot vereveningsjaar 2013 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2015 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;
|
||||
d. het VPPKB 2011, het VPPKB 2012 en het VPPKB 2013.
|
||||
|
||||
**2.** Het Zorginstituut herleidt de percentages van de risicoklassen GGZ-MHK met betrekking tot vereveningsjaar 2011, 2012 respectievelijk 2013 tot drempelbedragen GGZ-MHK 2011, 2012 respectievelijk 2013.
|
||||
|
|
@ -549,7 +549,7 @@ c. 0% van het gewicht voor de IGG GGZ klasse ‘Geen IGG’.
|
|||
|
||||
**4.** Het Zorginstituut berekent de vereveningsbijdrage 2016 voor een zorgverzekeraar door op het normatieve bedrag 2016, bedoeld in het eerste lid, de normatieve eigen risico opbrengst 2016 zoals bepaald in artikel 37, vijfde lid en de op grond van het tweede en derde lid berekende opbrengst van de nominale rekenpremie 2016 in mindering te brengen.
|
||||
|
||||
**5.** Het Zorginstituut berekent per zorgverzekeraar de uitkering in verband met uitvoeringskosten van verzekerden jonger dan achttien jaar 2016. Deze uitkering bedraagt het aantal geraamde verzekerden jonger dan achttien jaar vermenigvuldigd met € 43,00.
|
||||
**5.** Het Zorginstituut berekent per zorgverzekeraar de uitkering in verband met uitvoeringskosten van verzekerden jonger dan achttien jaar 2016. Deze uitkering bedraagt het aantal geraamde verzekerden jonger dan achttien jaar vermenigvuldigd met € 43,00.
|
||||
|
||||
**6.** Het Zorginstituut kent de vereveningsbijdrage 2016 ter hoogte van de bijdrage berekend in het vierde lid, aangevuld met het bedrag, berekend in het vijfde lid, aan de zorgverzekeraar toe.
|
||||
|
||||
|
|
@ -559,7 +559,7 @@ Indien een zorgverzekeraar na de toekenning van de vereveningsbijdrage 2016 besl
|
|||
|
||||
### Artikel 40
|
||||
|
||||
**1.** Het Zorginstituut herberekent de toekenning van de vereveningsbijdrage op basis van de werkelijke verzekerdenaantallen 2016 volgens de opgaven van de zorgverzekeraars aan het Zorginstituut op 7 maart 2016.
|
||||
**1.** Het Zorginstituut herberekent de toekenning van de vereveningsbijdrage op basis van de werkelijke verzekerdenaantallen 2016 volgens de opgaven van de zorgverzekeraars aan het Zorginstituut op 7 maart 2016.
|
||||
|
||||
**2.** Het Zorginstituut voert de herberekening van de toegekende vereveningsbijdrage 2016 als volgt uit: Het Zorginstituut deelt per zorgverzekeraar het totaal aantal verzekerden uit de opgaven in het eerste lid door het geraamde totaal aantal verzekerden 2016 en vermenigvuldigt per zorgverzekeraar de uitkomst hiervan met de vereveningsbijdrage 2016, zoals toegekend op grond van artikel 38, zesde lid.
|
||||
|
||||
|
|
@ -571,7 +571,7 @@ Indien een zorgverzekeraar na de toekenning van de vereveningsbijdrage 2016 besl
|
|||
|
||||
**1.** Het Zorginstituut bepaalt de verzekerdenaantallen 2016 met inachtneming van het bepaalde in dit artikel en met inachtneming van artikel 5, 6, 7 en 8.
|
||||
|
||||
**2.** Het Zorginstituut baseert zich bij de bepaling van de verzekerdenaantallen per zorgverzekeraar op het VPPKB 2016, zoals de zorgverzekeraars dat hebben aangeleverd op 1 juni 2017.
|
||||
**2.** Het Zorginstituut baseert zich bij de bepaling van de verzekerdenaantallen per zorgverzekeraar op het VPPKB 2016, zoals de zorgverzekeraars dat hebben aangeleverd op 1 juni 2017.
|
||||
|
||||
**3.** Het Zorginstituut deelt verzekerden zonder burgerservicenummer en verzekerden zonder geverifieerd burgerservicenummer uitsluitend in bij de criteria leeftijd en geslacht, regio en GGZ-regio.
|
||||
|
||||
|
|
@ -583,7 +583,7 @@ Indien een zorgverzekeraar na de toekenning van de vereveningsbijdrage 2016 besl
|
|||
|
||||
Het Zorginstituut baseert zich voor het aantal verzekerden voor het criterium leeftijd en geslacht per zorgverzekeraar op:
|
||||
|
||||
a. het PKB 2016, zoals zorgverzekeraars dat op 1 juni 2016 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd. De peildatum van de opgave is 1 mei 2016;
|
||||
a. het PKB 2016, zoals zorgverzekeraars dat op 1 juni 2016 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd. De peildatum van de opgave is 1 mei 2016;
|
||||
b. het VPPKB 2016, indien een verzekerde niet is opgenomen in het PKB 2016.
|
||||
|
||||
### Artikel 43
|
||||
|
|
@ -593,8 +593,8 @@ b. het VPPKB 2016, indien een verzekerde niet is opgenomen in het PKB 2016.
|
|||
Het Zorginstituut baseert zich voor het aantal verzekerden voor het criterium FKG’s per zorgverzekeraar op:
|
||||
|
||||
a. de indeling in FKG’s voor de somatische zorg 2016 uit bijlage 5 van de brief;
|
||||
b. de opgave per 1 juni 2016 van declaraties farmaceutische hulp 2015 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van de zorgverzekeraars aan het Zorginstituut;
|
||||
c. de opgave per 1 juni 2017 van declaratiegegevens add-ons duur of weesgeneesmiddel 2015 van de zorgverzekeraars aan het Zorginstituut.
|
||||
b. de opgave per 1 juni 2016 van declaraties farmaceutische hulp 2015 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van de zorgverzekeraars aan het Zorginstituut;
|
||||
c. de opgave per 1 juni 2017 van declaratiegegevens add-ons duur of weesgeneesmiddel 2015 van de zorgverzekeraars aan het Zorginstituut.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -620,7 +620,7 @@ b. middelen die in de G-standaard van Z-Index zijn aangemerkt als grond- en hulp
|
|||
Het Zorginstituut baseert zich voor het aantal verzekerden voor het criterium DKG’s per zorgverzekeraar op:
|
||||
|
||||
a. de indeling in DKG’s uit bijlage 7 van de brief;
|
||||
b. de opgave van de zorgverzekeraar aan het Zorginstituut per 1 juni 2017 van de declaraties per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van alle dbc’s die in 2015 geopend zijn.
|
||||
b. de opgave van de zorgverzekeraar aan het Zorginstituut per 1 juni 2017 van de declaraties per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van alle dbc’s die in 2015 geopend zijn.
|
||||
|
||||
**2.** Het Zorginstituut bepaalt door een koppeling op basis van het gepseudonimiseerde burgerservicenummer tussen de opgave, bedoeld in het vorige lid, onderdeel b en het VPPKB 2016 per verzekerde in welke DKG klasse de verzekerde wordt ingedeeld, waarbij uitsluitend de hoogste DKG klasse telt.
|
||||
|
||||
|
|
@ -633,7 +633,7 @@ b. de opgave van de zorgverzekeraar aan het Zorginstituut per 1 juni 2017 van d
|
|||
Het Zorginstituut baseert zich voor het aantal verzekerden voor het criterium HKG’s per zorgverzekeraar op:
|
||||
|
||||
a. de indeling in de HKG’s somatische zorg 2016 uit bijlage 9 van de brief;
|
||||
b. de opgave per 1 juni 2016 van declaraties hulpmiddelen 2015 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van de zorgverzekeraars aan het Zorginstituut.
|
||||
b. de opgave per 1 juni 2016 van declaraties hulpmiddelen 2015 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van de zorgverzekeraars aan het Zorginstituut.
|
||||
|
||||
**2.** Het Zorginstituut bepaalt door een koppeling op basis van het gepseudonimiseerde burgerservicenummer tussen de opgave, bedoeld in het vorige lid, onderdeel b en het VPPKB 2016 per verzekerde in welke HKG klasse de verzekerde wordt ingedeeld, waarbij uitsluitend de hoogste HKG klasse telt.
|
||||
|
||||
|
|
@ -647,10 +647,10 @@ Het Zorginstituut baseert zich voor het aantal verzekerden voor het criterium aa
|
|||
|
||||
a. de leeftijd, op het PKB 2016;
|
||||
b. de leeftijd in het geval een verzekerde niet is opgenomen in het PKB 2016, op het VPPKB 2016;
|
||||
c. de zelfstandigen, op de opgave per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van de Belastingdienst naar inkomensbron over 2016, met peildatum 30 juni 2016;
|
||||
d. de duurzaam en volledig arbeidsongeschikten, de arbeidsongeschikten, de bijstandsgerechtigden en de referentiegroep, op de opgave per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van het UWV naar inkomensbron over 2016, met peildatum 30 juni 2016;
|
||||
e. de duurzaam en volledig arbeidsongeschikten, de arbeidsongeschikten, de bijstandsgerechtigden en de referentiegroep indien de opgave van het UWV betreffende een gemeente onvoldoende gegevens bevat, op de gegevens over 2015, met als peildatum 30 juni 2015 voor verzekerden uit die gemeente. Het Zorginstituut hanteert per verzekerde voor de gepseudonimiseerde opgave van de Belastingdienst dezelfde peildatum als het gebruikt voor de opgave van het UWV;
|
||||
f. de studenten en de hoogopgeleiden, op de opgave van DUO per gepseudonimiseerd burgerservicenummer met peildatum 1 juni 2016.
|
||||
c. de zelfstandigen, op de opgave per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van de Belastingdienst naar inkomensbron over 2016, met peildatum 30 juni 2016;
|
||||
d. de duurzaam en volledig arbeidsongeschikten, de arbeidsongeschikten, de bijstandsgerechtigden en de referentiegroep, op de opgave per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van het UWV naar inkomensbron over 2016, met peildatum 30 juni 2016;
|
||||
e. de duurzaam en volledig arbeidsongeschikten, de arbeidsongeschikten, de bijstandsgerechtigden en de referentiegroep indien de opgave van het UWV betreffende een gemeente onvoldoende gegevens bevat, op de gegevens over 2015, met als peildatum 30 juni 2015 voor verzekerden uit die gemeente. Het Zorginstituut hanteert per verzekerde voor de gepseudonimiseerde opgave van de Belastingdienst dezelfde peildatum als het gebruikt voor de opgave van het UWV;
|
||||
f. de studenten en de hoogopgeleiden, op de opgave van DUO per gepseudonimiseerd burgerservicenummer met peildatum 1 juni 2016.
|
||||
|
||||
**2.** Het Zorginstituut deelt een verzekerde die in meerdere klassen voor het criterium aard van het inkomen is in te delen, in op basis van het bepaalde in artikel 13, tweede lid.
|
||||
|
||||
|
|
@ -678,7 +678,7 @@ e. de adresgegevens, op het gepseudonimiseerde adres per gepseudonimiseerd burge
|
|||
f. de adresgegevens in het geval een verzekerde niet is opgenomen in de opgave van de Belastingdienst, op het gepseudonimiseerde adres in het PKB 2016 en indien een verzekerde ook niet is opgenomen in het PKB, op het VPPKB 2016;
|
||||
g. de adresgegevens, op het gepseudonimiseerde adres per gepseudonimiseerd burgerservicenummer in de opgave van de Belastingdienst over 2015;
|
||||
h. de adresgegevens in het geval een verzekerde niet is opgenomen in de opgave van de Belastingdienst, op het gepseudonimiseerde adres in het PKB 2015 en indien een verzekerde ook niet is opgenomen in het PKB, op het VPPKB 2015;
|
||||
i. bewoners, op de opgave van DUO per gepseudonimiseerd burgerservicenummer met peildatum 1 juni 2016 en op de opgave DUO met peildatum 1 juni 2015.
|
||||
i. bewoners, op de opgave van DUO per gepseudonimiseerd burgerservicenummer met peildatum 1 juni 2016 en op de opgave DUO met peildatum 1 juni 2015.
|
||||
|
||||
### Artikel 49
|
||||
|
||||
|
|
@ -686,9 +686,9 @@ i. bewoners, op de opgave van DUO per gepseudonimiseerd burgerservicenummer met
|
|||
|
||||
Het Zorginstituut baseert zich voor het aantal verzekerden voor het criterium MHK per zorgverzekeraar op:
|
||||
|
||||
a. declaraties 2013 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor de deelbedragen variabele kosten van medisch-specialistische zorg en de kosten van overige prestaties tot en met 31 december 2015, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2016 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;
|
||||
b. declaraties 2014 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor de deelbedragen variabele kosten van medisch-specialistische zorg en de kosten van overige prestaties tot en met 31 december 2016, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2017 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;
|
||||
c. declaraties 2015 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor het deelbedrag variabele zorgkosten, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2017 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;
|
||||
a. declaraties 2013 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor de deelbedragen variabele kosten van medisch-specialistische zorg en de kosten van overige prestaties tot en met 31 december 2015, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2016 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;
|
||||
b. declaraties 2014 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor de deelbedragen variabele kosten van medisch-specialistische zorg en de kosten van overige prestaties tot en met 31 december 2016, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2017 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;
|
||||
c. declaraties 2015 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor het deelbedrag variabele zorgkosten, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2017 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;
|
||||
d. het VPPKB 2013, het VPPKB 2014 en het VPPKB 2015.
|
||||
|
||||
**2.** Het Zorginstituut herleidt de percentages van de risicoklassen MHK met betrekking tot vereveningsjaar 2013, 2014 en 2015 tot respectievelijk drempelbedragen MHK 2013, 2014 en 2015.
|
||||
|
|
@ -739,7 +739,7 @@ b. het VPPKB 2015.
|
|||
|
||||
Het Zorginstituut baseert zich voor het aantal verzekerden voor het criterium GGG per zorgverzekeraar op:
|
||||
|
||||
a. declaraties geriatrische revalidatiezorg 2015 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2017 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;
|
||||
a. declaraties geriatrische revalidatiezorg 2015 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2017 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;
|
||||
b. het VPPKB 2015.
|
||||
|
||||
**2.** Het Zorginstituut herleidt het percentage in de klasse ‘GGG kosten in top 0,275 procent’ tot een drempelbedrag.
|
||||
|
|
@ -767,7 +767,7 @@ c. morbiditeit, op het aantal verzekerden dat niet is ingedeeld in zowel de FKG
|
|||
Het Zorginstituut baseert zich voor het aantal verzekerden voor het criterium FKG GGZ per zorgverzekeraar op:
|
||||
|
||||
a. de indeling in FKG GGZ 2016 uit bijlage 6 van de brief;
|
||||
b. de opgave per 1 juni 2016 van declaraties farmaceutische hulp 2015 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van de zorgverzekeraars aan het Zorginstituut.
|
||||
b. de opgave per 1 juni 2016 van declaraties farmaceutische hulp 2015 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van de zorgverzekeraars aan het Zorginstituut.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -795,8 +795,8 @@ b. middelen die in de G-standaard van Z-Index zijn aangemerkt als grond- en hulp
|
|||
Het Zorginstituut baseert zich voor het aantal verzekerden voor het criterium DKG GGZ per zorgverzekeraar op:
|
||||
|
||||
a. de indeling in DKG GGZ 2016 uit bijlage 8 van de brief;
|
||||
b. de opgave van de zorgverzekeraar aan het Zorginstituut per 1 juni 2017 van de declaraties per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van alle dbc’s GGZ die in 2015 geopend zijn;
|
||||
c. declaraties met betrekking tot vereveningsjaar 2014 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor het deelbedrag kosten GGZ tot en met 31 december 2016, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2017 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd.
|
||||
b. de opgave van de zorgverzekeraar aan het Zorginstituut per 1 juni 2017 van de declaraties per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van alle dbc’s GGZ die in 2015 geopend zijn;
|
||||
c. declaraties met betrekking tot vereveningsjaar 2014 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor het deelbedrag kosten GGZ tot en met 31 december 2016, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2017 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd.
|
||||
|
||||
**2.** Het Zorginstituut koppelt op basis van het gepseudonimiseerde burgerservicenummer de opgave, bedoeld in het vorige lid, onderdeel b aan het VPPKB en betrekt daarbij de opgave, bedoeld in het vorige lid, onderdeel c. Het Zorginstituut bepaalt per verzekerde in welke DKG GGZ klasse de verzekerde valt, waarbij uitsluitend de hoogste DKG GGZ klasse telt.
|
||||
|
||||
|
|
@ -827,9 +827,9 @@ b. de adresgegevens in het geval een verzekerde niet is opgenomen in de opgave v
|
|||
|
||||
Het Zorginstituut baseert zich voor het aantal verzekerden voor het criterium GGZ-MHK per zorgverzekeraar op:
|
||||
|
||||
a. declaraties 2013 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg tot en met 31 december 2015, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2016 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;
|
||||
b. declaraties 2014 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg tot en met 31 december 2016, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2017 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;
|
||||
c. declaraties 2015 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2017 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;
|
||||
a. declaraties 2013 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg tot en met 31 december 2015, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2016 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;
|
||||
b. declaraties 2014 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg tot en met 31 december 2016, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2017 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;
|
||||
c. declaraties 2015 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2017 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;
|
||||
d. het VPPKB 2013, het VPPKB 2014 en het VPPKB 2015.
|
||||
|
||||
**2.** Het Zorginstituut herleidt de percentages van de risicoklassen GGZ-MHK met betrekking tot vereveningsjaar 2013, 2014 en 2015 tot respectievelijk drempelbedragen GGZ-MHK 2013, 2014 en 2015.
|
||||
|
|
@ -844,8 +844,8 @@ d. het VPPKB 2013, het VPPKB 2014 en het VPPKB 2015.
|
|||
|
||||
Het Zorginstituut baseert zich voor het aantal verzekerden voor het criterium IGG per zorgverzekeraar op:
|
||||
|
||||
a. de opgave van de zorgverzekeraar aan het Zorginstituut per 1 juni 2017 van de declaraties per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van alle dbc’s GGZ die in 2015 geopend zijn;
|
||||
b. declaraties langdurige GGZ 2015 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2017 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;
|
||||
a. de opgave van de zorgverzekeraar aan het Zorginstituut per 1 juni 2017 van de declaraties per gepseudonimiseerd burgerservicenummer van alle dbc’s GGZ die in 2015 geopend zijn;
|
||||
b. declaraties langdurige GGZ 2015 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2017 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd;
|
||||
|
||||
**2.** Het Zorginstituut koppelt op basis van het gepseudonimiseerde burgerservicenummer de opgaven, bedoeld in het vorige lid, onderdeel a en b aan het VPPKB. Het Zorginstituut bepaalt per verzekerde in welke IGG klasse de verzekerde valt, waarbij uitsluitend de hoogste IGG klasse telt.
|
||||
|
||||
|
|
@ -853,7 +853,7 @@ b. declaraties langdurige GGZ 2015 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer, zo
|
|||
|
||||
### Artikel 60
|
||||
|
||||
**1.** Op basis van de opgave jaarstaat 2016 per 1 mei 2017 en met inachtneming van de artikelen 12, 13 en 14 van de Regeling bepaalt het Zorginstituut de variabele zorgkosten 2016 voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk, alsmede voor het totaal van de zorgverzekeraars.
|
||||
**1.** Op basis van de opgave jaarstaat 2016 per 1 mei 2017 en met inachtneming van de artikelen 12, 13 en 14 van de Regeling bepaalt het Zorginstituut de variabele zorgkosten 2016 voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk, alsmede voor het totaal van de zorgverzekeraars.
|
||||
|
||||
**2.** Het Zorginstituut herberekent het gewicht variabele zorgkosten per verzekerde voor de MHK klasse ‘Geen MHK’ door het totaal aantal verzekerden in een andere klasse dan ‘Geen MHK’ per MHK klasse te vermenigvuldigen met het overeenkomstige gewicht en de som van het resultaat vervolgens te delen door het totaal aantal verzekerden in de MHK klasse ‘Geen MHK’, dat af te ronden op twee decimalen en van een negatief teken te voorzien.
|
||||
|
||||
|
|
@ -871,7 +871,7 @@ b. declaraties langdurige GGZ 2015 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer, zo
|
|||
|
||||
### Artikel 61
|
||||
|
||||
**1.** Op basis van de opgave jaarstaat 2016 per 1 mei 2017 en met inachtneming van de artikelen 12, 13 en 15 van de Regeling bepaalt het Zorginstituut de vaste zorgkosten 2016 voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk.
|
||||
**1.** Op basis van de opgave jaarstaat 2016 per 1 mei 2017 en met inachtneming van de artikelen 12, 13 en 15 van de Regeling bepaalt het Zorginstituut de vaste zorgkosten 2016 voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk.
|
||||
|
||||
**2.** Het Zorginstituut herberekent het deelbedrag vaste zorgkosten door het totaal aantal verzekerden 2016 per zorgverzekeraar, vastgesteld met toepassing van artikel 41 te vermenigvuldigen met het normbedrag vaste zorgkosten 2016, berekend in artikel 29, eerste lid.
|
||||
|
||||
|
|
@ -881,7 +881,7 @@ b. declaraties langdurige GGZ 2015 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer, zo
|
|||
|
||||
### Artikel 62
|
||||
|
||||
**1.** Op basis van de opgave jaarstaat 2016 per 1 mei 2017 en met inachtneming van de artikelen 12 en 13 van de Regeling, bepaalt het Zorginstituut de kosten van verpleging en verzorging 2016 voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk, alsmede voor het totaal van de zorgverzekeraars.
|
||||
**1.** Op basis van de opgave jaarstaat 2016 per 1 mei 2017 en met inachtneming van de artikelen 12 en 13 van de Regeling, bepaalt het Zorginstituut de kosten van verpleging en verzorging 2016 voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk, alsmede voor het totaal van de zorgverzekeraars.
|
||||
|
||||
**2.** Het Zorginstituut herberekent het gewicht kosten van verpleging en verzorging per verzekerde voor de MHK klasse ‘Geen MHK’ door het totaal aantal verzekerden in een andere klasse dan ‘Geen MHK’ per MHK klasse te vermenigvuldigen met het overeenkomstige gewicht en de som van het resultaat vervolgens te delen door het totaal aantal verzekerden in de MHK klasse ‘Geen MHK’, dat af te ronden op twee decimalen en van een negatief teken te voorzien.
|
||||
|
||||
|
|
@ -899,7 +899,7 @@ b. declaraties langdurige GGZ 2015 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer, zo
|
|||
|
||||
### Artikel 63
|
||||
|
||||
**1.** Op basis van de opgave jaarstaat 2016 per 1 mei 2017 en met inachtneming van de artikelen 12 en 13 van de Regeling, bepaalt het Zorginstituut de kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2016 voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk, alsmede voor het totaal van de zorgverzekeraars.
|
||||
**1.** Op basis van de opgave jaarstaat 2016 per 1 mei 2017 en met inachtneming van de artikelen 12 en 13 van de Regeling, bepaalt het Zorginstituut de kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2016 voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk, alsmede voor het totaal van de zorgverzekeraars.
|
||||
|
||||
**2.** Het Zorginstituut herberekent het gewicht kosten van geneeskundige GGZ per verzekerde voor de GGZ-MHK klasse ‘GGZ-MHK 3 jaar geen kosten’ door het totaal aantal verzekerden in een andere klasse dan ‘GGZ-MHK 3 jaar geen kosten’ per GGZ-MHK klasse te vermenigvuldigen met het overeenkomstige gewicht en de som van het resultaat vervolgens te delen door het totaal aantal verzekerden in de GGZ-MHK klasse ‘GGZ-MHK 3 jaar geen kosten’, dat af te ronden op twee decimalen en van een negatief teken te voorzien.
|
||||
|
||||
|
|
@ -917,7 +917,7 @@ b. declaraties langdurige GGZ 2015 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer, zo
|
|||
|
||||
### Artikel 64
|
||||
|
||||
**1.** Op basis van de opgave jaarstaat 2016 per 1 mei 2017 en met inachtneming van de artikelen 12 en 13 van de Regeling, bepaalt het Zorginstituut de kosten van langdurige geestelijke gezondheidszorg 2016 voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk, alsmede voor het totaal van de zorgverzekeraars.
|
||||
**1.** Op basis van de opgave jaarstaat 2016 per 1 mei 2017 en met inachtneming van de artikelen 12 en 13 van de Regeling, bepaalt het Zorginstituut de kosten van langdurige geestelijke gezondheidszorg 2016 voor iedere zorgverzekeraar afzonderlijk, alsmede voor het totaal van de zorgverzekeraars.
|
||||
|
||||
**2.** Het Zorginstituut herberekent het gewicht kosten van langdurige GGZ per verzekerde voor de GGZ-MHK klasse ‘GGZ-MHK 3 jaar geen kosten’ door het totaal aantal verzekerden in een andere klasse dan ‘GGZ-MHK 3 jaar geen kosten’ per GGZ-MHK klasse te vermenigvuldigen met het overeenkomstige gewicht en de som van het resultaat vervolgens te delen door het totaal aantal verzekerden in de GGZ-MHK klasse ‘GGZ-MHK 3 jaar geen kosten’, dat af te ronden op twee decimalen en van een negatief teken te voorzien.
|
||||
|
||||
|
|
@ -941,7 +941,7 @@ b. declaraties langdurige GGZ 2015 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer, zo
|
|||
|
||||
**2.** Het Zorginstituut herberekent overeenkomstig artikel 36 en 37 de normatieve eigen risico opbrengst 2016.
|
||||
|
||||
**3.** In afwijking van het tweede lid bepaalt het Zorginstituut de gederfde inkomsten voor verzekerden van achttien jaar en ouder voor wie op grond van artikel 24 van de wet geen nominale premies worden ontvangen, op basis van de opgave jaarstaat 2016 per 1 mei 2017.
|
||||
**3.** In afwijking van het tweede lid bepaalt het Zorginstituut de gederfde inkomsten voor verzekerden van achttien jaar en ouder voor wie op grond van artikel 24 van de wet geen nominale premies worden ontvangen, op basis van de opgave jaarstaat 2016 per 1 mei 2017.
|
||||
|
||||
### Artikel 66
|
||||
|
||||
|
|
@ -953,8 +953,8 @@ Voor de toepassing van artikel 3.17 van het Besluit zorgverzekering:
|
|||
|
||||
a. bepaalt het Zorginstituut per zorgverzekeraar het verschil tussen het voorlopige herberekende deelbedrag kosten van verpleging en verzorging 2016, bedoeld in artikel 62, achtste lid, en de kosten van verpleging en verzorging 2016, bedoeld in artikel 62, eerste lid en deelt dit verschil door het aantal verzekerden van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is, dat bij die zorgverzekeraar is ingeschreven;
|
||||
b. berekent het Zorginstituut het gemiddelde marktresultaat voor het deelbedrag verpleging en verzorging. Het Zorginstituut berekent het gemiddelde marktresultaat door voor het totaal van de zorgverzekeraars het verschil tussen het herberekende normatieve bedrag kosten van verpleging en verzorging zorg bedoeld in artikel 62, derde lid, en de kosten van verpleging en verzorging 2016, bedoeld in artikel 62, eerste lid, te delen door het aantal verzekerden van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is;
|
||||
c. indien het verschil tussen het in onderdeel a bepaalde bedrag en het gemiddelde marktresultaat groter is dan € 15,00 per verzekerde van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is, dan trekt het Zorginstituut 75 procent van het meerdere af van het normatieve bedrag 2016;
|
||||
d. indien het verschil tussen het in onderdeel a bepaalde bedrag en het gemiddelde marktresultaat kleiner is dan € –15,00 per verzekerde van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is, dan voegt het Zorginstituut 75 procent van het verschil toe aan het normatieve bedrag 2016.
|
||||
c. indien het verschil tussen het in onderdeel a bepaalde bedrag en het gemiddelde marktresultaat groter is dan € 15,00 per verzekerde van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is, dan trekt het Zorginstituut 75 procent van het meerdere af van het normatieve bedrag 2016;
|
||||
d. indien het verschil tussen het in onderdeel a bepaalde bedrag en het gemiddelde marktresultaat kleiner is dan € –15,00 per verzekerde van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is, dan voegt het Zorginstituut 75 procent van het verschil toe aan het normatieve bedrag 2016.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -962,8 +962,8 @@ Voor de toepassing van artikel 3.17 van het Besluit zorgverzekering:
|
|||
|
||||
a. bepaalt het Zorginstituut per zorgverzekeraar het verschil tussen het voorlopige herberekende deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2016, bedoeld in artikel 63, achtste lid, en de kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2016, bedoeld in artikel 63, eerste lid, en deelt dit verschil door het aantal verzekerden van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is, dat bij die zorgverzekeraar is ingeschreven;
|
||||
b. berekent het Zorginstituut het gemiddelde marktresultaat voor het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg. Het Zorginstituut berekent het gemiddeld marktresultaat door voor het totaal van de zorgverzekeraars het verschil tussen het herberekende normatieve bedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2016, bedoeld in artikel 63, derde lid, en de kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2016, bedoeld in artikel 63, eerste lid, te delen door het aantal verzekerden van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is;
|
||||
c. indien het verschil tussen het in onderdeel a bepaalde bedrag en het gemiddelde marktresultaat groter is dan € 17,50 per verzekerde van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is, dan trekt het Zorginstituut 75 procent van het meerdere af van het normatieve bedrag 2016;
|
||||
d. indien het verschil tussen het in onderdeel a bepaalde bedrag en het gemiddelde marktresultaat kleiner is dan € –17,50 per verzekerde van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is, dan voegt het Zorginstituut 75 procent van het verschil toe aan het normatieve bedrag 2016.
|
||||
c. indien het verschil tussen het in onderdeel a bepaalde bedrag en het gemiddelde marktresultaat groter is dan € 17,50 per verzekerde van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is, dan trekt het Zorginstituut 75 procent van het meerdere af van het normatieve bedrag 2016;
|
||||
d. indien het verschil tussen het in onderdeel a bepaalde bedrag en het gemiddelde marktresultaat kleiner is dan € –17,50 per verzekerde van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is, dan voegt het Zorginstituut 75 procent van het verschil toe aan het normatieve bedrag 2016.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -971,14 +971,14 @@ Voor de toepassing van artikel 3.17 van het Besluit zorgverzekering:
|
|||
|
||||
a. bepaalt het Zorginstituut per zorgverzekeraar het verschil tussen het voorlopige herberekende deelbedrag kosten van langdurige geestelijke gezondheidszorg 2016, bedoeld in artikel 64, negende lid, en de kosten van langdurige geestelijke gezondheidszorg 2016, bedoeld in artikel 64, eerste lid, en deelt dit verschil door het aantal verzekerden van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is, dat bij die zorgverzekeraar is ingeschreven;
|
||||
b. berekent het Zorginstituut het gemiddelde marktresultaat voor het deelbedrag kosten van langdurige geestelijke gezondheidszorg. Het Zorginstituut berekent het gemiddeld marktresultaat door voor het totaal van de zorgverzekeraars het verschil tussen het herberekende normatieve bedrag kosten van langdurige geestelijke gezondheidszorg 2016, bedoeld in artikel 64, vierde lid, en de kosten van langdurige geestelijke gezondheidszorg 2016, bedoeld in artikel 64, eerste lid, te delen door het aantal verzekerden van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is;
|
||||
c. indien het verschil tussen het in onderdeel a bepaalde bedrag en het gemiddelde marktresultaat groter is dan € 5,00 per verzekerde van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is, dan trekt het Zorginstituut 100 procent van het meerdere af van het normatieve bedrag 2016;
|
||||
d. indien het verschil tussen het in onderdeel a bepaalde bedrag en het gemiddelde marktresultaat kleiner is dan € –5,00 per verzekerde van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is, dan voegt het Zorginstituut 100 procent van het verschil toe aan het normatieve bedrag 2016.
|
||||
c. indien het verschil tussen het in onderdeel a bepaalde bedrag en het gemiddelde marktresultaat groter is dan € 5,00 per verzekerde van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is, dan trekt het Zorginstituut 100 procent van het meerdere af van het normatieve bedrag 2016;
|
||||
d. indien het verschil tussen het in onderdeel a bepaalde bedrag en het gemiddelde marktresultaat kleiner is dan € –5,00 per verzekerde van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is, dan voegt het Zorginstituut 100 procent van het verschil toe aan het normatieve bedrag 2016.
|
||||
|
||||
**5.** Het Zorginstituut berekent de opbrengst van de nominale rekenpremie per zorgverzekeraar door de verzekerden van achttien jaar en ouder 2016 per zorgverzekeraar te vermenigvuldigen met de nominale rekenpremie 2016.
|
||||
|
||||
**6.** Het Zorginstituut vermindert het resultaat van het vijfde lid met het bedrag dat de zorgverzekeraar verantwoordt in de opgave jaarstaat 2016 per 1 mei 2017 als gederfde inkomsten voor verzekerden van achttien jaar en ouder waarvoor als gevolg van de toepasselijkheid van artikel 24 van de wet geen nominale premies worden ontvangen.
|
||||
**6.** Het Zorginstituut vermindert het resultaat van het vijfde lid met het bedrag dat de zorgverzekeraar verantwoordt in de opgave jaarstaat 2016 per 1 mei 2017 als gederfde inkomsten voor verzekerden van achttien jaar en ouder waarvoor als gevolg van de toepasselijkheid van artikel 24 van de wet geen nominale premies worden ontvangen.
|
||||
|
||||
**7.** Het Zorginstituut herberekent voorlopig de aanvulling op de bijdrage voor de uitkering in verband met uitvoeringskosten van verzekerden jonger dan achttien jaar door het aantal verzekerden jonger dan achttien jaar 2016 te vermenigvuldigen met € 43,00.
|
||||
**7.** Het Zorginstituut herberekent voorlopig de aanvulling op de bijdrage voor de uitkering in verband met uitvoeringskosten van verzekerden jonger dan achttien jaar door het aantal verzekerden jonger dan achttien jaar 2016 te vermenigvuldigen met € 43,00.
|
||||
|
||||
**8.** Het Zorginstituut herberekent de vereveningsbijdrage 2016 voorlopig door de som van het herberekende normatieve bedrag 2016, bedoeld in het eerste lid, met toepassing van het tweede, derde en vierde lid en de aanvulling voor uitvoeringskosten van verzekerden jonger dan achttien jaar, bedoeld in het vorige lid, te verminderen met de voorlopig herberekende normatieve eigen risico opbrengst, bedoeld in artikel 65, en de opbrengst van de nominale rekenpremie, bedoeld in het vijfde en zesde lid.
|
||||
|
||||
|
|
@ -988,7 +988,7 @@ d. indien het verschil tussen het in onderdeel a bepaalde bedrag en het gemiddel
|
|||
|
||||
### Artikel 67
|
||||
|
||||
Het Zorginstituut herberekent het normatieve bedrag voor de tweede keer voorlopig met inachtneming van de kosten 2016 uit de opgave jaarstaat 2018 per 1 mei 2019, de correcties die de Nederlandse Zorgautoriteit heeft toegepast en de bepalingen uit dit hoofdstuk.
|
||||
Het Zorginstituut herberekent het normatieve bedrag voor de tweede keer voorlopig met inachtneming van de kosten 2016 uit de opgave jaarstaat 2018 per 1 mei 2019, de correcties die de Nederlandse Zorgautoriteit heeft toegepast en de bepalingen uit dit hoofdstuk.
|
||||
|
||||
### Artikel 68
|
||||
|
||||
|
|
@ -996,13 +996,13 @@ Het Zorginstituut herberekent het normatieve bedrag voor de tweede keer voorlopi
|
|||
|
||||
**2.** Voor het criterium SES betrekt het Zorginstituut voor het inkomen de opgave van de Belastingdienst over 2016 bij de verzekerdenaantallen. Indien een verzekerde niet is opgenomen in de opgave over 2016, maakt het Zorginstituut gebruik van de opgave over 2015.
|
||||
|
||||
**3.** Voor het criterium MHK betrekt het Zorginstituut bij de verzekerdenaantallen de declaraties 2015 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor het deelbedrag variabele zorgkosten tot en met 31 december 2017, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2018 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd.
|
||||
**3.** Voor het criterium MHK betrekt het Zorginstituut bij de verzekerdenaantallen de declaraties 2015 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor het deelbedrag variabele zorgkosten tot en met 31 december 2017, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2018 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd.
|
||||
|
||||
**4.** Voor het criterium GGG betrekt het Zorginstituut bij de verzekerdenaantallen de declaraties geriatrische revalidatiezorg 2015 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer tot en met 31 december 2017, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2018 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd.
|
||||
**4.** Voor het criterium GGG betrekt het Zorginstituut bij de verzekerdenaantallen de declaraties geriatrische revalidatiezorg 2015 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer tot en met 31 december 2017, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2018 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd.
|
||||
|
||||
**5.** Voor het criterium GGZ-MHK betrekt het Zorginstituut bij de verzekerdenaantallen de declaraties 2015 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor het deelbedrag kosten van geneeskundige GGZ tot en met 31 december 2017, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2018 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd.
|
||||
**5.** Voor het criterium GGZ-MHK betrekt het Zorginstituut bij de verzekerdenaantallen de declaraties 2015 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer voor het deelbedrag kosten van geneeskundige GGZ tot en met 31 december 2017, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2018 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd.
|
||||
|
||||
**6.** Voor het criterium IGG betrekt het Zorginstituut bij de verzekerdenaantallen de declaraties langdurige GGZ 2015 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer tot en met 31 december 2017, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2018 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd.
|
||||
**6.** Voor het criterium IGG betrekt het Zorginstituut bij de verzekerdenaantallen de declaraties langdurige GGZ 2015 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer tot en met 31 december 2017, zoals zorgverzekeraars die op 1 mei 2018 bij het Zorginstituut hebben aangeleverd.
|
||||
|
||||
### Artikel 69
|
||||
|
||||
|
|
@ -1096,8 +1096,8 @@ Voor de toepassing van artikel 3.17 van het Besluit zorgverzekering:
|
|||
|
||||
a. bepaalt het Zorginstituut per zorgverzekeraar het verschil tussen het tweede voorlopige herberekende deelbedrag kosten van verpleging en verzorging 2016, bedoeld in artikel 71, achtste lid, en de kosten van verpleging en verzorging 2016, bedoeld in artikel 71, eerste lid, en deelt dit verschil door het aantal verzekerden van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is, dat bij die zorgverzekeraar is ingeschreven;
|
||||
b. berekent het Zorginstituut het gemiddelde marktresultaat voor het deelbedrag kosten van verpleging en verzorging. Het Zorginstituut berekent het gemiddelde marktresultaat door voor het totaal van de zorgverzekeraars het verschil tussen het herberekende normatieve bedrag kosten van verpleging en verzorging, bedoeld in artikel 71, derde lid, en de kosten van verpleging en verzorging 2016, bedoeld in artikel 71, eerste lid, te delen door het aantal verzekerden van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is;
|
||||
c. indien het verschil tussen het in onderdeel a bepaalde bedrag en het gemiddelde marktresultaat groter is dan € 15,00 per verzekerde van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is, dan trekt het Zorginstituut 75 procent van het meerdere af van het normatieve bedrag 2016;
|
||||
d. indien het verschil tussen het in onderdeel a bepaalde bedrag en het gemiddelde marktresultaat kleiner is dan € –15,00 per verzekerde van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is, dan voegt het Zorginstituut 75 procent van het verschil toe aan het normatieve bedrag 2016.
|
||||
c. indien het verschil tussen het in onderdeel a bepaalde bedrag en het gemiddelde marktresultaat groter is dan € 15,00 per verzekerde van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is, dan trekt het Zorginstituut 75 procent van het meerdere af van het normatieve bedrag 2016;
|
||||
d. indien het verschil tussen het in onderdeel a bepaalde bedrag en het gemiddelde marktresultaat kleiner is dan € –15,00 per verzekerde van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is, dan voegt het Zorginstituut 75 procent van het verschil toe aan het normatieve bedrag 2016.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -1105,8 +1105,8 @@ Voor de toepassing van artikel 3.17 van het Besluit zorgverzekering:
|
|||
|
||||
a. bepaalt het Zorginstituut per zorgverzekeraar het verschil tussen het tweede voorlopige herberekende deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2016, bedoeld in artikel 72, achtste lid, en de kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2016, bedoeld in artikel 72, eerste lid, en deelt dit verschil door het aantal verzekerden van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is, dat bij die zorgverzekeraar is ingeschreven;
|
||||
b. berekent het Zorginstituut het gemiddelde marktresultaat voor het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg. Het Zorginstituut berekent het gemiddeld marktresultaat door voor het totaal van de zorgverzekeraars het verschil tussen het herberekende normatieve bedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2016, bedoeld in artikel 72, achtste lid, en de kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg 2016 bedoeld in artikel 72, derde lid, te delen door het aantal verzekerden van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is;
|
||||
c. indien het verschil tussen het in onderdeel a bepaalde bedrag en het gemiddelde marktresultaat groter is dan € 17,50 per verzekerde van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is, dan trekt het Zorginstituut 75 procent van het meerdere af van het normatieve bedrag 2016;
|
||||
d. indien het verschil tussen het in onderdeel a bepaalde bedrag en het gemiddelde marktresultaat kleiner is dan € –17,50 per verzekerde van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is, dan voegt het Zorginstituut 75 procent van het verschil toe aan het normatieve bedrag 2016.
|
||||
c. indien het verschil tussen het in onderdeel a bepaalde bedrag en het gemiddelde marktresultaat groter is dan € 17,50 per verzekerde van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is, dan trekt het Zorginstituut 75 procent van het meerdere af van het normatieve bedrag 2016;
|
||||
d. indien het verschil tussen het in onderdeel a bepaalde bedrag en het gemiddelde marktresultaat kleiner is dan € –17,50 per verzekerde van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is, dan voegt het Zorginstituut 75 procent van het verschil toe aan het normatieve bedrag 2016.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -1114,14 +1114,14 @@ Voor de toepassing van artikel 3.17 van het Besluit zorgverzekering:
|
|||
|
||||
a. bepaalt het Zorginstituut per zorgverzekeraar het verschil tussen het tweede voorlopige herberekende deelbedrag kosten van langdurige geestelijke gezondheidszorg 2016, bedoeld in artikel 73, negende lid, en de kosten van langdurige geestelijke gezondheidszorg 2016, bedoeld in artikel 73, eerste lid, en deelt dit verschil door het aantal verzekerden van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is, dat bij die zorgverzekeraar is ingeschreven;
|
||||
b. berekent het Zorginstituut het gemiddelde marktresultaat voor het deelbedrag kosten van langdurige geestelijke gezondheidszorg. Het Zorginstituut berekent het gemiddeld marktresultaat door voor het totaal van de zorgverzekeraars het verschil tussen het herberekende normatieve bedrag kosten van langdurige geestelijke gezondheidszorg 2016, bedoeld in artikel 73, negende lid, en de kosten van langdurige geestelijke gezondheidszorg 2016 bedoeld in artikel 73, vierde lid, te delen door het aantal verzekerden van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is;
|
||||
c. indien het verschil tussen het in onderdeel a bepaalde bedrag en het gemiddelde marktresultaat groter is dan € 5,00 per verzekerde van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is, dan trekt het Zorginstituut 100 procent van het meerdere af van het normatieve bedrag 2016;
|
||||
d. indien het verschil tussen het in onderdeel a bepaalde bedrag en het gemiddelde marktresultaat kleiner is dan € –5,00 per verzekerde van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is, dan voegt het Zorginstituut 100 procent van het verschil toe aan het normatieve bedrag 2016.
|
||||
c. indien het verschil tussen het in onderdeel a bepaalde bedrag en het gemiddelde marktresultaat groter is dan € 5,00 per verzekerde van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is, dan trekt het Zorginstituut 100 procent van het meerdere af van het normatieve bedrag 2016;
|
||||
d. indien het verschil tussen het in onderdeel a bepaalde bedrag en het gemiddelde marktresultaat kleiner is dan € –5,00 per verzekerde van achttien jaar en ouder waarop artikel 24 van de wet niet van toepassing is, dan voegt het Zorginstituut 100 procent van het verschil toe aan het normatieve bedrag 2016.
|
||||
|
||||
**5.** Het Zorginstituut berekent de tweede voorlopige opbrengst van de nominale rekenpremie per zorgverzekeraar door de verzekerden van achttien jaar en ouder per zorgverzekeraar te vermenigvuldigen met de nominale rekenpremie 2016.
|
||||
|
||||
**6.** Het Zorginstituut vermindert het resultaat van het vijfde lid met het bedrag dat de zorgverzekeraar verantwoordt in zijn jaarstaat 2016 per 1 mei 2017 als gederfde inkomsten voor verzekerden van achttien jaar en ouder waarvoor als gevolg van de toepasselijkheid van artikel 24 van de wet geen nominale premies worden ontvangen.
|
||||
**6.** Het Zorginstituut vermindert het resultaat van het vijfde lid met het bedrag dat de zorgverzekeraar verantwoordt in zijn jaarstaat 2016 per 1 mei 2017 als gederfde inkomsten voor verzekerden van achttien jaar en ouder waarvoor als gevolg van de toepasselijkheid van artikel 24 van de wet geen nominale premies worden ontvangen.
|
||||
|
||||
**7.** Het Zorginstituut berekent de tweede voorlopige aanvulling op de bijdrage voor de uitkering in verband met uitvoeringskosten van verzekerden jonger dan achttien jaar door het aantal verzekerden jonger dan achttien jaar te vermenigvuldigen met € 43,00.
|
||||
**7.** Het Zorginstituut berekent de tweede voorlopige aanvulling op de bijdrage voor de uitkering in verband met uitvoeringskosten van verzekerden jonger dan achttien jaar door het aantal verzekerden jonger dan achttien jaar te vermenigvuldigen met € 43,00.
|
||||
|
||||
**8.** Het Zorginstituut berekent de vereveningsbijdrage 2016 voor de tweede keer voorlopig door de som van het tweede voorlopige normatieve bedrag 2016 bedoeld in het eerste lid, met toepassing van het tweede, derde en vierde lid en de aanvulling voor uitvoeringskosten van verzekerden jonger dan achttien jaar, bedoeld in het vorige lid, te verminderen met de tweede voorlopige normatieve eigen risico opbrengst, bedoeld in artikel 74, en de opbrengst van de nominale rekenpremie, bedoeld in het vijfde en zesde lid.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1295,7 +1295,7 @@ Bij de berekening wordt een maand op 30 en een jaar op 360 dagen gesteld.
|
|||
|
||||
### Artikel 90
|
||||
|
||||
Deze beleidregels treden in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij worden geplaatst en werken terug tot en met 1 oktober 2015.
|
||||
Deze beleidregels treden in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij worden geplaatst en werken terug tot en met 1 oktober 2015.
|
||||
|
||||
### Artikel 91
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue